Preek over Luk l: 17 slot



Dovnload 37.31 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte37.31 Kb.

Preek over Luk. l:17 slot

Orde van dienst

1. Votum


2. Groet

3. Psalm: 138:1

4. Wet des Heeren / Apost.Gel.

5. Psalm: 32:3 / 113:4

6. Schriftlezing: Lukas 1: 5 - 25

7. Gebed
Tekst: Luk.1:17 slot: …om de Heere te bereiden een toegerust volk.


8. Psalm: Lofzang van Zacharias: 1 en 3

9. Inzameling van de gaven

10. Prediking

11. Psalm: 89:7

12. Dankgebed

13. Psalm: 72:1

14. Zegenbede.
* * *

Tegen de tijd dat een kind geboren staat te worden, is de moeder van dat kind altijd heel druk bezig. Alles moet in orde zijn, als het zover is, dat het kind wordt geboren. Er staat een wiegje klaar. Er worden kleertjes gekocht. Er wordt nagedacht over de naam die het kind gaat dragen, al naar gelang het een jongen of een meisje is. Immers het kind mag niet als een ongewenst kind waarvoor niets gereed is, ter wereld komen.


Nu, hoeveel te meer reden hebben wij om ons af te vragen, als Jezus staat geboren te worden:
Hoe zal ik U ontvangen,

hoe wilt Gij zijn ontmoet?


Is alles klaar voor de ontvangt van dit Koningskind? Zal ons hart als een wieg, als de kribbe zijn waarin Jezus Christus is neergelegd?
Helaas, we moeten constateren, dat Jezus wel degelijk als een ongewenst kind ter wereld komt; door velen niet verwacht; bij velen ongeacht. Van nature is er geen plaats voor Hem. Ja, en toch is er ook een volk dat door God Zelf is klaargemaakt om naar de komst van het Christuskind uit te zien en dat klaar staat om Hem te begroeten als hun gezegende Messias. Een toegerust volk dat naar Zijn komst hunkert.
Over die toerusting van een Adventsvolk gaat het in de tekst voor de preek van deze morgen. Over die toerusting van het Adventsvolk maakt de hemel zich kennelijk zorgen. Luistert u maar naar wat de engel Gabriël zegt in de tempel te Jeruzalem. Hij staat daar terzijde van het altaar, waarop de oude priester Zacharias bezig is het reukwerk te offeren.

‘Vrees niet, Zacharias’, aldus de engel, ‘ik heb een wondermooie boodschap voor u. U krijgt over enige tijd een zoon. Nee, daar is uw vrouw Elizabet niet te oud voor. Want God is zo machtig. En als dat kind ter wereld komt, moet u het de naam Johannes geven. Dat betekent: God is genadig.’

Wat voor en kind dat zal zijn? Luister goed, Zacharias. Johannes zal een machtig werk gaan doen. Hij zal optreden als een groot profeet, afgezonderd voor de dienst van de Heeren. Ver van de roes van de wereld, ver van wijn en sterke drank.1 Hij zal vol zijn van de Heilige Geest. Net zoals Elia in vroeger dagen. Een profeet die opkomt voor het recht van God. Een boetgezant, een Reveil-man. 2

Zijn werkprogram ligt ook al klaar. Hij zal mensen bekeren. Daar zal God hem voor gebruiken.



Verstoorde verhoudingen tussen vaders en kinderen en hun onderlinge verdeeldheid zal hij herstellen. Ongehoorzamen zullen komen tot de gezindheid van rechtvaardigen. Echt, door hem zal het komen tot een opwekkingsbeweging zijn, net als in de dagen van Elia. Allereerst een herstel van de door de zonde ontwrichte gezinnen. Daardoor zal er een volk zijn, dat op de uitkijk staat en de Messias tegemoet mag gaan.
Wat een geweldige boodschap brengt Gabriël. Zacharias wordt er opeens voorgezet. Het is ook echt te veel voor hem om het in een enkel ogenblik te verwerken. Zal hij op zijn oude dag nog vader worden? Hoe bestaat het? En dan vader van een kind dat de komst van de Messias mag aankondigen?
Als hij dat allemaal aanhoort, wordt hij heel stil. Hij weet gewoon niet goed raad met die heilstijding. Hij vraagt, hoe dat allemaal kan. Hij kan er niet bij. Hij kan het ook maar moeilijk geloven. Maar Zacharias mag toch niet doen, alsof het verhaaltjes zijn. ‘Bedenk wel, dat ik Gabriël ben’, zegt de engel. ‘Ik sta voor God en ben uitgezonden om het u in Gods naam te verkondigen. Daarom zult u van nu voortaan geen woord kunnen uitspreken, totdat het kind dat God u belooft, is geboren.’
Wel, gemeente, in deze preek willen wij met aandacht luisteren naar de laatste woorden waarmee Gabriël zijn boodschap over de geboorte van Johannes afsluit: om de Heere te bereiden een toegerust volk.
Johannes zal de wegbereider zijn, die voor de Messias uitgaat.3 Wij weten, hoe dat is gegaan. Jaren later – dertig jaar oud - staat hij daar aan de Jordaan. Een eenzame roeper uit de woestijn. ‘Bekeert, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Maak u gereed, mensen. De bijl ligt reeds aan de wortel van de bomen. Hoe zult u Hem ontvangen? Er moet een gebaande weg zijn voor hem. Slecht dus alle heuvels en vult alle dalen.’
Zo preekt Johannes. En kijk eens, wat een mensen er op zijn prediking afkomen? Vooraanstaande Joodse leidslieden: Farizeën; zij moeten hun eigen gerechtigheid laten varen. En afzetters als tollenaars; die moeten met hun diefstal ophouden. Ook soldaten; zij worden met klem opgeroepen om op te houden met roven. Johannes deinst voor niemand terug. Net zomin als Elia dat deed. Onverschrokken waarschuwt hij zelfs koning Herodes, dat het hem niet geoorloofd is met de vrouw van zijn broer samen te leven.
Intussen is er echter een reveilbeweging opgang gebracht. Grote verontrusting onder het volk. Hunkering naar de Messias. Een toegerust volk dat klaargemaakt is om gezind te zijn als rechtvaardigen. Dat getuigenis heeft later ook Jezus van Johannes gegeven. Lees Matth.11:10-14. ‘En zo gij het wilt aannemen, hij is Elias, die komen zou.’
* * *
Om de Heere te bereiden een toegerust volk. Dat is ook vandaag nog steeds het doel van de Adventsprediking. Ik wil daar vanmorgen twee dingen van zeggen.
In de eerste plaats dit. Een toegerust volk is een volk dat klaargemaakt is als een vlakke weg waarlangs de koning tot zijn volk kan komen.4 In de grondtekst staat er voor toerusting een woord dat zoveel betekent als: iets gereed maken of optuigen. Het gaat dan over een weg die effen moet worden gemaakt, zodat de Koning ongehinderd Zijn intocht kan doen.
In het bijzonder in ons dagen weten we ervan wat wegwerkzaamheden betekenen. Wat moet er allemaal niet aan de te pas komen, voordat een weg geasfalteerd is en tot een autoweg gemaakt.

Nu, gemeente, ook wij worden vanmorgen naar u toe gezonden om in de geest en kracht van Elia van u zo’n gereedgemaakte weg te maken. Alle hobbels moeten eruit. Alle putten en kuilen moeten gedempt.


Dat ‘toebereidende werk’ houdt in, dat u door het Woord van God voor de rechterstoel van God wordt gedaagd. De bijl ligt reeds aan de wortel van de bomen. Hoe lang zal het nog duren, voordat ook de boom van uw leven wordt uitgehouwen? Hoe zult u nog in het heden der genade verkeren? Krijgt u er nog veel jaren bij? Of misschien slechts enkele dagen? En hoe zullen wij, die in onszelf niet meer zijn dan een goddeloze, dan kunnen bestaan voor God?
Zult u nooit vergeten, dat de Heere in de hemel recht op u heeft. U en ik, wij zijn geen baas over ons leven. De Heere kan terecht van ons vragen, dat we Hem erkennen als onze Koning en dat we met heel ons hebben en houden, ons Hem ter beschikking stellen.
Ik preek vanmorgen op de man af, dat u Gods wet niet straffeloos met de voeten kunt treden. Ik preek vanmorgen, dat Gods wet geen benauwd harnas is waarin u niet gaan of staan kunt. Integendeel, Gods wet is iets heel moois. Het geeft ons leven een doel. Het maakt ons bestaan zinvol. God liefhebben boven alles en de naaste als onszelf.

U behoeft dus niet slechts uit angst (om verloren te gaan) naar God te gaan vragen. Niet noodgedwongen, krampachtig, zonder ware liefde. Niet slaafs. Heb de Heere, de Schepper van uw leven lief. En vraag Hem, of Hij u innerlijk klaar wil maken om Hem van heler harte te dienen. Echt waar, de Heere is een dienenswaardige God.


Verootmoedig u dan voor Hem. Laat er in uw hart een oprechte droefheid naar God zijn. Dat bewerkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid. Dat wil zeggen, dat ook uw dagelijkse leven voortaan het stempel gaat dragen van Gods liefde. Het betekent ook, dat u niet meer kunt leven voor alles wat zicht- en tastbaar is. Het houdt ook in, dat we dagelijks moeten bidden wat de tollenaar uit de gelijkenis van Jezus (Lukas 18) bad: ‘O God, wees mij, de zondaar genadig’. Dat gebed mag ook wel op onze lippen zijn, als we het tot nu toe wellicht, net als de Farizeën die tot de doop van Johannes kwamen, gewaagd hebben met een net en braaf leven. Misschien bent u een mens die uzelf te goed voelt om verloren te gaan, al bent u wellicht anderzijds ook een mens die weet, dat u niet goed genoeg bent om zalig te worden.
Een toegerust volk is dus een volk dat niet meer is dan een volk dat in zichzelf verloren is. Het kan van zichzelf niet zeggen, dat het er goed afbrengt. Het is een volk, dat van binnen schreeuwt om God en om Zijn genade. Verstaat u het, gemeente? Wel, houd dan maar aan. Want wie oprecht om God en Zijn genade verlegen is, behoeft niet te denken, dat de Heere zich niet graag over u ontfermt. De Kanttekeningen van de Statenvertaling zeggen van dat toegeruste volk: ‘Dat is, bekwaam en vaardig om den Heere te ontvangen.’
Kohlbrugge schrijft in een preek over Luk.1:17 (in Twaalf Twaalftallen): ‘Moeten velen of moet een enkele tot Christus gebracht worden, zo is het noodzakelijk, dat er iemand voor Christus uitga, die Hem de weg bereide in onze harten. Dat doet hij door de een in zak en as te werpen, en de ander, die in zak en as neerzit, te prediken: ‘Hef uw hoofd omhoog, en houd op, met wenen! Na mij komt Hij, ja, Hij is er reeds, de ware Heiland, uw Trooster, onder wiens vleugelen gij genezing hebt van al uw ziekten!’ En even verderop:’ Nadat zij Johannes gehoord hadden, hadden zij niets meer. Zij stonden naakt, evenals Adam. De vijgenbladeren waren hun ontvallen. Maar toen zij, naakt en sidderend, uit de wateren, waarin de oude Adam met zijn goddeloze vroomheid onderging, weer te voorschijn kwamen, vernamen zij de belofte van het vrouwenzaad, de prediking: ‘Zie het Lam Gods!’
En dan wordt het nu hoog tijd, dat ik u ga wijzen op de andere kant van de medaille. Johannes de Doper moest een wegbereider zijn. Maar hij mocht ook – om een ander beeld te gebruiken - een bruidwerver zijn. Hij dong - om zo te zeggen – uit naam van de Christus naar het hart en naar de hand van Christus’ bruid. Want een toegerust volk is een volk, dat is ‘opgetuigd’ voor de Bruidegom.
In het oude oosten was het de taak van een vriend van de bruidegom om alle zaken voor het bruiloftsfeest van zijn vriend in orde te maken. En op het hoogtepunt van het bruiloftsfeest was hij het, die de bruid feestelijk naar de bruidegom bracht. Zelf moest hij terugtreden en vooral niet denken, dat hij het hart van de bruid voor zich mocht opeisen.
Nu, zo’n bruidwerver is Johannes de Doper geweest. En later ook de apostel Paulus. ‘Want’, zo schrijft hij in zijn tweede brief aan de gemeente van Korinthe, ’ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus’ (2 Kor. 11:2).
Een toegerust volk is dus ook een bruidsvolk. En zo zijn we dan ook vanmorgen bezig om u toe te bereiden als een bruid van Christus. Heerlijk werk is dat. Ik mag er mijn grootste vreugde in stellen, gemeente, om u aan de hand te nemen en u heen te leiden naar de Heere Christus. Al uw geluk mag liggen in de door de Doper aangewezen en aangeprezen Christus. Laat dan ook uw vreugde niet bestaan uit wat u bezit in een kostbare bruidsjapon, in ervaringen en bevindingen (hoe rijk ook op zich), maar in alles wat u in Christus als uw heerlijke Bruidegom mag bezitten. Een toegerust volk is een volk dat als een bruid voor haar man versierd is. Mag ik u vragen: Is dat ook de hoogste begeerte van uw hart geworden om de Heere Christus als uw Bruidegom te behagen? Laten uw diepste zieleroerselen in beweging komen naar Hem toe.
Ik mag u lokken en nodigen om al uw zaken in handen te geven van deze Bruidegom. Hij is mens geworden en neergelegd in de armoede van een beestenstal. Hij is een Redder geworden, Die aan een vloekhout stierf om u vrij te kopen van het verderf.
Is dat niet een onuitsprekelijk wonder, dat God gedachten van vrede heeft gehad over een zondaar zoals ik ben? Dat God een weg heeft uitgedacht om mensen die voor eeuwig hadden moeten omkomen onder Zijn toorn, rust te geven aan Zijn Vaderhart? En dat door het bloedig offer van Zijn lieve Zoon op Golgotha. Geen verdoemenis dan meer voor hen die in Christus Jezus zijn.
Kohlbruggge schrijft in zijn preek over Luk.1:17 (in Twaalf Twaalftallen): ‘En zo verstaat gij tegelijk, wie de rechtvaardigen zijn, van welke de engel spreekt. Zij zijn het, die niet hebben hun eigen gerechtigheid, welke uit een wet is, maar die gerechtigheid, welke door het geloof in Christus komt, de gerechtigheid, die door God aan het geloof toegekend wordt.’
Dat is niet klein te krijgen. God heeft in Christus Zijn eer die Hij van ons niet ontvangen had, teruggekregen. En als u dat in het geloof mag zien, zou u dan niet opspringen van louter vreugde? Alles wat aan deze Zaligmaker, de Bruidegom van Zijn kerk is, is ‘gans begeerlijk’. Deze Zaligmaker past precies bij u die in uzelf niet meer bent dan een leeg vat, die van uzelf niet eens kunt zeggen, dat u wel genoeg kennis van uw zonden hebt; u bent bedroefd over uw gemis van droefheid. Ik weet wel, dat u zich soms voelt als de bruid uit het Hooglied: ‘Ik zocht hem, maar ik vond hem niet’ (Hoogl.3:1b). Inderdaad, leegte, hunkering blijft er in het leven van de gelovigen tot de laatste ademsnik. Maar door Gods goedheid mag op zijn tijd ook zijn:
Maar ’t vrome volk, in U verheugd,

zal huppelen van zielevreugd,

daar zij hun wens verkrijgen.

(Ps.68:2a ber.)


En als u dan vanmorgen nu eens voor het eerst of opnieuw de armen om Hem mag slaan, zou u dan niet tegelijk ook begerig zijn om deze Bruidegom naar de ogen te kijken, om te zien, of en hoe u Hem behagen kunt? Ja, want dat is – om zo te zeggen – de praktische consequentie van de bereiding van een toegerust volk.
Christus wil u graag verlossen van de vloek van de wet. Maar Hij kan u niet ontslaan van de eisen van Gods wet. Een toegerust volk, dat is een volk, dat elke dag mag zingen:
Mijn hart, o Hemelmajesteit

is tot Uw dienst en lof bereid.

(Ps.108:1a ber.)
En zo’n volk is dan ook bereid om het minste en vuilste werk te doen. Als het er de Heere maar mee behagen kan. Het wil van God en alle mensen graag de minste zijn.
Wat dat praktisch betekent, kunt u ook aflezen uit het tekstverband. Het betekent ‘bekering van de harten der vaderen tot de kinderen en van ongehoorzamen (om zich te keren) tot voorzichtigheid van rechtvaardigen’ (Luk. 1:17). Vgl. 1 Kon. 18:21vv; Mal. 4:5v.5
Dat is in het bijzonder voor onze tijd waarin er sprake is van een enorme generatiekloof, een geweldige belofte. Want hoeveel vaders en kinderen liggen er niet met elkaar overhoop?! Van hoeveel ouders geldt niet, dat zij geestelijk ontworteld zijn en zich het eeuwig welzijn van hun kinderen niet beogen, hoewel zij dat toch bij de doop van hun kleinen plechtig hebben beloofd. De profetie van Maleachi die in onze tekst wordt aangehaald, voegt er overigens ook aan toe, dat het hart van de kinderen tot de vaderen wordt teruggevoerd.

Ook dat is een teken van ‘reveil’, als kinderen in hun vaders weer hun leidman vinden, die hen de weg naar Gods heil in Christus Jezus wijzen. Helaas, hoeveel jongens of meisje zijn er, ook onder ons die geen vadergevoel meer hebben en in geen twintig jaar meer thuis zijn geweest. Zou het dan geen tijd worden om als eerste (vader of kind) de weg terug, de weg naar elkaars hart te bewandelen?

Welnu, als het tot een reveil mag komen in onze dagen, zal het gezin weer de hoeksteen van de samenleving zijn.
En dan die ongehoorzamen 6 over wie onze tekst ook spreekt. Hoe velen lopen er ook onder ons niet rond: mensen die God niet erkennen en Zijn wet niet eerbiedigen, die van de samenleving een chaos maken. En zou het dan geen tijd worden om weer te gaan vragen naar die God in Wiens wegen wij van jongs af zijn onderwezen? Hoe rijk dan, als het bij u en bij mij mag komen tot gezindheid van rechtvaardigen? Dat houdt allereerst in, dat wij er hartelijk weet van hebben als een goddeloze gerechtvaardigd te zijn. Maar het betekent ook, dat wij in de praktijk van het dagelijkse leven blijk geven gezind te zijn als rechtvaardigen dat is: naar Gods heilige wil te leven.
J. J. Knap Czn schrijft over de tijd waarin Johannes optrad: ‘In tal van gezinnen heerschte de bitterste verdeeldheid, de natuurlijke kinder- en ouderliefde waren verkild, de harten waren van elkaar vervreemd, en een geest van ongehoorzaamheid verbitterde in vele huizen het leven en verstoorde den onderlingen vrede.’ Zo J. J. Knap Czn, In de velden van Efratha; de geboortegeschiedenis ontvouwd voor de gemeente des Heeren; Kampen 3e druk 1928; blz. 7v.
Ik denk tenslotte aan de dichtregels die ik eens las in een apotheek:
Zo enig lid verbroken zij,

de meester moet er haastig bij,

opdat het wijs’lijk word’ genezen.

Maar of de reukeloze ziel

in spies en zwaard van zonden viel,

daar schijnt gen swarigheid te wezen.


Welnu, zoek dan toch intijds te ontkomen aan het oordeel van God dat op uw onbekeerde leven rust. En geloof het, dat er ook vandaag nog handen naar u uitgestoken zijn om u als een brandhout uit het vuur te rukken. Om van u een vlakke weg te maken, waarlangs de Koning der koningen tot u kan komen En om u, Zijn bruid, als de hemelse Bruidegom aan Zijn hart te drukken. Opdat u Hem tegemoet mag gaan, als Hij straks terugkomt. Want:
Uw Heiland zal verschijnen,

Hij spreekt u vriend’lijk aan.

Wie noemen zich de Zijnen?

Bereidt gij Hem de baan!

Gij heuvelen! zinkt neer!

Gij dalen, rijst! uw Koning

zoekt in uw hart een woning.

Ontsluit het voor den Heer’!



Amen.


1 Dr.Jakob van Bruggen zegt, dat er bij Johannes geen sprake is van een Nazireaat (want geen gelofte en ook geen bevel om het haar te laten groeien). ‘Onthouding van wijn zal voor Johannes een lévenskenmerk zijn.’ Zo dr. Jakob van Bruggen in Lucas, het evangelie als voorgeschiedenis (serie Commentaar op het Nieuwe Testament; derde serie; afdeling Evangeliën); Kampen 1993; blz.38.

2 Dr. J. T. Nielsen schrijft: ‘Lucas sluit hier aan bij de joodse opvattingen met betrekking tot Elia, die bij de komst van de Messias zal wederkeren op aarde om het messiaanse rijk voor te bereiden’ Zo J.T. Nielsen in Het Evangelie naar Lucas I (serie: De prediking van het Nieuwe Testament); Nijkerk 1979; blz.34.M.i. echter wordt hier niet gesproken over een ‘Elia redivivus’ ( een weder levend geworden Elia), maar over een optreden ‘in de geest en de kracht van Elia’. De afbeelding stelt de aartsengel Gabriël voor die verschijnt in de tempel aan Zacharias (Italiaanse schildering uit de 15e eeuw).

3 J. Calvijn schrijft: ‘Daar Christus hier niet uitdrukkelijk genoemd wordt, maar de engel Johannes de voorloper of vaandrager van de eeuwige God noemt, zo vinden wij in deze plaats een bewijs voor de eeuwige Godheid van Christus.’ J. Calijn, De Evangeliën van Mattheüs, Markus en Lukas,in onderlinge overeenstemming gebracht en verklaard. Opnieuw uit het Latijn vertaald, onder toezicht van A. Brummelkamp; eerste deel, 3e druk. Goudriaan 1979. blz. 25.

4 Het Griekse werkwoord dat in het woord ‘toegerust’ schuilgaat is ‘kataskeuadzoo ; het wordt elf keer in NT gebruikt, waarvan vier keer ter aanduiding van het werk van de Doper (gereed maken) Matth.11:10; Mark.1:2; Luk.1:17; 7:27.


5 Een engels woordenboek (Louw-Nida) vertaalt: `he will turn ... the disobedient people back to the way of thinking of righteous people' (Lk 1:17).

6 Terecht wijst J. J. Nielsen (a.w., blz.35) erop, dat het bepalend lidwoord voor ongehoorzamen en gezindheid (Gr.’fronèsis’’) ontbreekt. NB: de Hebreeuwse tekst heeft in Mal.4:5v het meervoud voor ‘vaderen.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina