Preek over Lukas 19, 1-10



Dovnload 36.96 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte36.96 Kb.





Preek over Lukas 19, 1-10
1. Votum en groet

2. Psalm: 95:1, 4

3. Wet des Heeren/ Apost.Gel.

4. Psalm: 79:4/ 73:14

5. Schriftlezing: Lukas 19, 1-10

6. Gebed


  1. Tekst/ thema: Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Lukas 19 : 1-10

8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 62: 5, 7

10.Prediking

11.Psalm: 119:64

12.Dankgebed

13.Psalm: 19:7

14.Zegenbede
* * *
Jezus is in de Palmstad Jericho. En terwijl hij door de straten gaat, wordt Hij omstuwd door honderden mensen die allemaal op de been zijn om een glimp op te vangen van de veelbesproken rabbi van Nazareth. Jericho is in rep en roer. En : ‘al het volk geeft Gode lof over de genezing van een blinde man door Jezus’ (Luk. 18 : 35vv).
Jericho: eens ten tijde van Jozua met de grond gelijk gemaakt, maar in de dagen van koning Achab door Hiël herbouwd, gegrondvest op zijn eerstgeboren en op zijn jongste zoon (1 Kon. 16 : 34). In de tijd van Jezus sedert geruime tijd de stad waar het personeel van de tempel woont; priesters en levieten. En nu is Jezus daar dan. Hij vereert Jericho met Zijn aanwezigheid.
Kijk, wie loopt daar ook te midden van de menigte? Een vooraanstaand man, bij ieder bekend als belastinginspec-teur, opperste der tollenaren: Zacheüs. Bekend, maar bepaald niet bemind. Want deze man moet immers uit naam van de Romeinen belastingen innen. Op zijn douanekantoor in Jericho – een stapelplaats voor de handel en grenspost van het Judese en Overjordaanse land - moet iedere handelaar dure accijnzen betalen. En iedereen weet, dat tollenaren kans zien om daar een winstgevend zaakje van te maken. Ze overvragen de mensen. Ze verrijken zichzelf ten koste van velen. Inderdaad, de mensen zeggen niet ten onrechte, als ze Jezus straks bij die man naar binnen zien gaan: ‘Hij is tot een zondige man ingegaan om te herbergen’ (vs. 7). Kohlbrugge noemt Zacheüs ‘een verrader van de zaak Gods en van Zijn volk.’ In de oog 1940-‘45 zouden wij hem een nsb-er hebben genoemd.
Zacheüs is maatschappelijk gezien een groot man, rijk en verrijkt. Bezorgd wellicht om zijn stand op te houden, hoewel hij met bezorgd te zijn geen el aan zijn lengte kan toevoegen. Zacheüs is wat postuur betreft een klein mannetje. Wel, hij is ook op de been, als Jezus door Jericho gaat. Maar het valt niet mee voor hem om Jezus te zien. Zat Jezus nu maar op een ezel, zoals weldra bij Zijn intocht in Jeruzalem. Maar dat is niet het geval. Jezus bevindt Zich te midden van het gewone volk midden op straat. Men kan wel over de hoofden heen lopen. Maar Zacheüs is zo klein van gestalte, dat hij zegge en schrijven niets van Jezus ontdekt.
Men gunt hem ook geen plaats vooraan in de rij. Hij staat alleen tegen ruggen aan te kijken. En zijn ellebogen gebruiken, dat doet hij nu ook liever niet. Maar teruggaan naar zijn douanekantoor doet hij ook niet graag. Er is iets in hem dat hem drijft om alles in het werk te stellen om Jezus te zien. Lukas vertelt van hem: hij zocht Jezus te zien. Maar hij kon niet, klein van persoon als hij was (vs. 3).


Wat bezielt die man dan toch? Waarom zoveel moeite gedaan om Jezus te zien? Waarom loopt hij straks op een draf de schare vooruit? Waarom klautert hij weldra in een wilde vijgeboom (de takken van die boom hangen in de regel heel laag)? Waarom wil hij te midden van het dichte gebladerte van die boom voor Jezus onzichtbaar te blijven? Dat doet een man van ‘standing’ toch niet gauw.


Jezus zien, dat wil hij. ‘Sensatie’, zegt u. ‘Blote nieuwsgierigheid. Deze man wilde natuurlijk met zijn collega’s straks ook kunnen praten over Jezus. Het nieuws van de dag, daar moet je van op de hoogte zijn. Waar iedereen voor te hoop loopt, daar moet je ook bij wezen. In geuren en kleuren kunnen vertellen wat je hebt gezien en gehoord.

Wie weet zou Jezus vlak bij Za­cheüs’ uitzichtpost wel weer één van Zijn grote wonderen verrichten: een kreupele doen springen, een dove doen horen of zo iets. Zojuist immers had Hij nog een blinde bedelaar genezen (Luk. 18:35vv; Mark. 10:46vv). Zacheüs zou Hem ook best eens wil1en horen preken. Zo op de man af:‘Wee u, gij Schriftgeleerden, gij geveinsden….’.


Was dát het wat Zacheüs dreef?Lag het zo in zijn hart? Lukas vertelt het ons niet. En het valt nu eenmaal voor ons niet mee om dieper in ’s mans hart te kijken. Dat kan God alleen. Intussen kan er op de bodem van het hart van deze tollenaar een heimwee naar God hebben geleefd.
Er staat alleen van hem geschreven, dat hij Jezus wilde zien. ‘Wel’, zegt iemand. Dat kan moeilijk uit iets anders zijn geweest dan uit heilbegeerte. Wellicht was deze man zijn leven vol bedriegerij gruwelijk zat en wenste hij koste wat het koste een volgeling van Jezus te worden.
Dat kan. Alleen moeten we niet vergeten, dat dit allemaal niet is af te leiden van het enkele zinnetje: hij wilde Jezus zien. We lezen het ook van Herodes Antipas (die vos), de man die Johannes de Doper onthoofd heeft, dat hij graag Jezus wilde zien (Luk. 9:9b). Die man was bang, dat Jezus een soort opgestane Doper was. Deze man wilde wel eens zien, of Jezus echt zulke machtige tekenen kon doen. Om zijn geweten daarmee te sussen. Was Zacheüs zo’n soort Antipas, Jezus zien en dan straks zeggen: ‘t Valt allemaal best mee; er is niet veel bijzonders aan die man te beleven. Zo geweldig is Hij echt niet’. Dan is het dus bepaald niet uit heilbegeerte, dat deze man zijn tolhuis verliet om Jezus te ontmoeten.
Zeg niet, dat zo iets niet bestaat. Het zou kunnen zijn, dat er hier vanmorgen zijn die uit pure nieuwsgierigheid naar de kerk zijn gekomen. Om een of andere predikant te horen. Om thuisgekomen te kunnen zeggen: ‘Ik vond er niet veel aan. Ik ging de kerk uit zoals ik erin was gekomen.’ Of: ‘daar hoef ik mijn jas voortaan ook niet voor aan te trekken’.
Nu goed, één ding moeten we in elk geval niet beweren, namelijk dat Jezus alleen terecht kan bij mensen die het in waarheid om Hem begonnen is. Zou Jezus niet ook een bloot nieuwsgierig mens in het hart kunnen grijpen, zodat hij voor heel het leven aan Hem verbonden geraakt? Ons natuurlijk hart levert in geen geval aanknopingspunten op voor Gods genadewerk.
Als Zacheüs niet meer is geweest dan een mens die alleen maar zijn schaapjes op het droge wilde hebben, als Zacheüs niet meer is geweest dan een verloren schaap, zo verloren, dat er zelfs geen vraag naar God meer in hem was blijven leven, dan verschilde hij in niets van u en van mij. Want ook van ons staat geschreven, dat ‘er niemand rechtvaardig is, ook niet één; niemand die verstandig is; niemand die God zoekt; allen afgeweken, te samen onnut geworden; niemand die goed doet, ook niet tot één toe...’ (Rom. 3:10v). In één woord: zelfgenoegzame mensen, rijk en verrijkt en aan geen ding gebrek hebbende. Een mens, u en ik, wij baden ons best graag in de weelde. Er is onweerstaanbare genade voor nodig om ons daaruit los te branden.
Zeker, en het wonder is, dat de Heere juist zulke mensen in het hart kan grijpen. Onmiddellijk en radicaal. Ik herinner me een verhaal van de Christelijke Gereformeerde zendeling ds.Bikker. Deze vertelde eens, dat een Toraja die erop uitgestuurd was door zijn kornuiten om naar de zendeling te gaan luisteren met de bedoeling hem zwart te kunnen maken, onder het gehoor van de zendeling in het hart gegrepen werd en thuis gekomen, moest getuigen, dat Jezus Christus de enige ware Redder was.
Blijft de vraag, hoe het met ons gesteld is. Of wij uit ware heilbegeerte op zoek zijn naar Jezus. Omdat we het leven in die dingen die ons geen ware vrede kunnen bieden moe zijn geworden en naar wat beters dan dit tijd’lijk leven zijn gaan hunkeren. Zijn wij vanmorgen hier om Jezus te zien, zoals dat geschreven staat van de heilbegerige Grieken in Johannes 12 die bij Filippus komen en zeggen: ‘Heer, wij wilden Jezus wel zien?’ Een ware heilbegeerte om door Hem van al onze verkleefdheden aan het stof verlost te raken en om in Hem een Borg te vinden die onze schuld voor Zijn rekening heeft willen nemen?
Laat de preek van deze morgen dan maar een wilde vijgeboom voor u zijn. Klim erin. Laat heilbegeerte u drijven om Jezus te zien. Kijk uw ogen uit. Alles wat aan Hem is, is geheel begeerlijk. U bent wellicht een geestelijk dakloze. Wel, laat dan geen middel onbeproefd om Jezus te zien. Ook al weet u heel nog niet wat u aan Hem hebt. Ook al vreest u, dat Hij u geen blik zal waardig keuren. Hij wordt gevonden door hen die naar Hem niet vraagden. Dat is waar. Maar het andere is ook waar: Wie God zoekt, zal Hem prijzen.
* * *
Genoeg over Zacheüs. Laat ons nu letten op wat Jezus doet. De mensen, ook al liepen ze rijen dik tussen Jezus en Zacheüs, konden niet verhinderen, dat Jezus Zich inliet met een zondaar als Zacheüs.
Bedenken we, dat Jezus op weg is naar Jeruzalem. Straks zal Hij die weg langs gaan, waarvan Hij verteld had in de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Over een man aan de kant van de weg, berooid en half dood. En de priester en Leviet (afkomstig uit Jericho) die aan die man voorbijgingen, zonder naar hem om te zien. Zacheüs leek op zo’n man. Wel, zou Jezus dan Zelf zo iemand onbewogen voorbijgaan?
Jezus is op weg naar Jeruzalem om Zich daar te gaan opofferen voor de zonden van Zijn volk, om de dood in te gaan voor verlorenen. Om hun zaken bij de Va­der te regelen. En op Zijn weg naar het kruis gaat Hij als een Herder rond. Hij zoekt de schapen die de Vader hem gegeven heeft. En daar is Zacheüs er één van. Zo’n schaap wil Hij meenemen naar Zijn stal, het Vaderhuis. Een blinde man geeft Hij het licht van zijn ogen terug. En een man die verblind is door de rijkdom als Zacheüs wil Hij ook niet missen.
Uitgerekend bij het uitvaagsel van de maatschappij wil Hij zijn, ook al zijn dat rijken. Lukas die in zijn Evangelie zovaak de gevaren van de rijkdom laat zien, maakt hier duidelijk, dat – hoe bezwaarlijk ook – een rijke ook kan ingaan in het Koninkrijk van God. Maar Lukas laat hier tevens zien, hoe zo’n rijke omgaat met zijn goederen.
Opeens blijft Jezus staan. Precies bij de vijgeboom waar Zacheüs zich verdekt heeft opgesteld. Die man wou een blik op Jezus slaan; slechts een glimp van Jezus opvangen. Maar hem valt iets veel geweldigers ten deel. Opeens blijft Jezus staan. Hij kan niet tegenover die man daar aan de kant van de weg voorbijkomen.
Hij moet! Daar zit Goddelijke drang achter. Jezus moest door Samaria gaan: om een Samaritaanse vrouw te redden. Jezus moet de weg langs Zacheüs’ boom gaan om ook deze man te redden. Een Samaritaanse vrouw, door ieder met de vinger nagewezen. Een belastingsinspecteur, door ieder veracht. Verkiezende genade. In het hart van een mens die door Gods Geest ontdekt is, moet het naar Jezus toe. Maar nog veel meer moet het in het hart van Jezus naar verlorenen zondaren toe. Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was.
Onverklaarbaar geheim..Als u er kennis aan hebt, zegt u: ‘Waarom was ‘t op mij gemunt ? Waarom liet Jezus mij niet in mijn verloren staat omkomen. Verkiezende genade is niet te doorgronden, wel te aanbidden.
Opeens blijft Jezus staan. Hij ziet omhoog. Niet toevallig. Van Zacheüs staat geschreven, dat hij Jezus zocht te zien. Maar van Jezus, dat Hij Zacheüs zag. Blijkbaar weet Jezus waar hij zit. Voordat Zacheüs Jezus zag, had Jezus hem allang gezien. Het initiatief gaat helemaal van Jezus uit. ‘Eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden’ (Jes. 65:24).
En wat gaat het er dan persoonlijk naar toe. Jezus spreekt Zacheüs aan. Hij noemt hem bij zijn naam. Maar hoe weet hij dat dit Zacheüs is? Hij heeft hem toch niet eerder ontmoet? Of is dat de alwetendheid des Heeren? ‘Als er nog geen woord op mijn tong is, zie Heere! Gij weet het alles’ (Ps. 139:4). Hij, de goede Herder kent Zijn schapen bij name.

Inderdaad, als Jezus mij, verloren schaap, opzoekt, gaat het er persoonlijk aan toe. Bij Hem is een verloren schaap geen nummer, één van de zo velen. Hij weet, hoe u heet: Zacheüs - de Heere gedenkt. Hij kent de leegte in uw hart, ook al hebt u daar zelf niet eens last van. Hij kent ook het getob van uw binnenkamer.


Zeker, Jezus haalt de Zijnen van de vreemdste plaatsen weg. Zacheüs uit een boom. Nathanaël onder een boom’ (‘Ik zag u, daar gij onder de vijgeboom waart’; Joh. 1:49b, 51a). Een wenende Petrus in het poortgebouw van Kajafas’ huis. Een stervende moordenaar aan het kruis. Geen schepsel is onzichtbaar voor Hem. En ook niet onvindbaar.
Nu, zulke plaatsen waar Jezus’ oog u vond, vergeet u nooit meer. Zacheüs zal later het plekje nog graag hebben aangewezen waar Jezus Zich met hem inliet. En zo precies kunt u plaats en datum misschien niet aangeven. Als u het dan maar zeggen kunt: Jezus zag naar mij om. ‘k Zal Hem nooit vergeten.
Welnu, al is Jezus’ agenda overvol, al haast Hij zich naar Golgotha, toch bemoeit Hij Zich uitvoerig met die ene man. Dat is voor Hem geen oponthoud, geen tijdverlies.

Ooit was uit de goddeloze stad Jericho een vrouw, de hoer Rachab gered. Nu, nu Jericho bezig is zijn Messias te verwerpen, is het weer een groot zondaar, een afzetter die wordt gered.


Kom naar beneden, Zacheüs’, zegt Jezus, ‘Ik moet bij u zijn.’ Als Jezus gezegd had: ‘Ik wil…of: mag ik…?’, zou het aan de beleefdheid van Zacheüs hebben gelegen, of het bezoek was doorgegaan. Maar nu werd het voor ieder duidelijk, dat Zacheüs niet Jezus ophaalde, maar Jezus Za­cheus. Dat mocht iedereen in Jericho weten. Hij, Jezus gaat tot een zondige man in om te herbergen. Jezus maakt plaats voor Zichzelf. Ik moet…En als Hij dat doet, dan maakt Hij tegelijk een mens van harte gewillig.
Toch lijkt het wel een dwangbevel, vindt u niet? Ik moet….Zichzelf uitnodigen, dat is toch niet beleefd. Inderdaad, maar Jezus zocht Zichzelf niet. Het ging Hem om Zacheüs. Zacheüs heeft wellicht gedacht: Bij mij zal Jezus niet willen komen. Maar Jezus zei: Ik moet bij jou zijn.
‘Kom af, Zacheüs, heden in uw huis.’ Dat is geen afspraak voor over een jaar of over een week. Maar, denkt u wellicht, Zacheüs had op die dag misschien nog wel andere dingen te doen. Even er tussenuit lopen en dan weer gauw aan het werk. Dat zal zijn bedoeling zijn geweest. Maar nu zat hij de ganse dag met Jezus. Zat hij ermee?
Als de Meester komt, moet alles opzij. Haast u, heden. Ja maar, Heere, ik ben jong en ik heb zoveel andere dingen die mijn aandacht vragen. Geen tijd om naar de jeugdvere­niging te gaan. Geen tijd om ‘s morgens, als ik uit mijn bed stap, tien minuten stille tijd te hebben (Bijbellezen, bidden). En u die een gezin hebt met vijf kinderen; ze liggen allemaal ’s avonds om tien uur op bed; maar dan bent u soms nog te moe om uw avondgebed te doen, nietwaar?
Echter, als Jezus in ons leven komt, is het nú of nooit. Wij hebben het soms over een algemeen aanbod van genade. Maar wilt u wel bedenken, dat het kan zijn, dat u daar alleen vandaag nog maar de vruchten van plukken kunt? Hoeveel jonge mensen sterven er niet weg? Stel, jongen/ meisje, dat de Heere tegen jou zou zeggen: Ik wil je redden, maar alleen vandaag; morgen kan het niet meer, wat zou je doen? Jezus staat aan jouw deur. Heden. Op dit moment. Hij moet nu in het huis van jouw hart woning maken.
* * * *
En dan: enkele ogenblikken later zit Jezus bij Zacheüs in huis. En het gaat er heel ongedwongen – niet noodgedwongen - naar toe. Zacheüs ontvangt Jezus met blijdschap. Hij zegt niet: ‘Ik heb eigenlijk geen tijd; maar ik wil niet ongastvrij jegens U zijn.’ Nee, Zacheüs wordt door Jezus’ manier van doen, als door een hemelse liefde van hogerhand en van binnenuit gewillig en blij gemaakt. Kohlbrugge schrijft: ‘Wie kan de blijdschap van een arme zondaar beschrijven, als hem de genade te beurt valt, dat God Zijn Zoon in hem openbaart?’

Zo gaat dat toch immers, als de Heere Jezus ons voor Zich inwint?! Nu kon Zacheüs dan Jezus zien. Niet maar een glimp van Hem opvangen. Maar Hem van top tot teen bekijken en bewonderen.


Maar Zacheüs kijkt en luistert niet alleen. Hij zegt ook wat. Eerst gaat hij voor Jezus staan. Nee, niet om een beetje groter te lijken. Maar omdat dat past bij een zo grote Meester.

En dan spreekt Zacheüs een belijdenis uit: ‘Heere, ik doe vrijwillig afstand van mijn gouden troon. Daar heb ik nu genoeg ellende van beleefd. Dat nooit meer. Ik geef de helft van mijn spulletjes voortaan aan de armen. Let wel: naar Joodse maatstaven was het afstaan aan de armen van een vijfde deel van iemands jaarlijkse inkomen al heel verdienstelijk. Zacheüs is bereid 50% van zijn bezit aan diaconaat te besteden. ‘En wat ik gestolen heb’, zegt hij, ’breng ik terug bij de mensen. Ik zal zeggen: ‘Pak aan, man, ik heb jou vroeger afgezet eersteklas, hier heb je het viervoudige van wat ik je uit de zak haalde’.’ Vgl. Ex. 22:1.


Ziedaar Zacheüs’ belijdenis. Let erop, dat hij niet zegt, dat hij al die mensen die hij bestolen heeft, in zijn testament zal gedenken. Hij belooft niet een legaat te zullen geven aan een instelling met een goed doel; om daarmee zijn geweten dat belast was met vuil verdiend geld te ontlasten. Nee, hij staat gereed om uit te voeren wat hij zegt. Hoe vindt u dat? Is dit niet prachtig? Je kunt wel zeggen, dat Zacheüs zich met dit alles failliet verklaarde. De helft van zijn goederen weggeven en dan nog eens viermaal het gestolene teruggeven. Dat moet hem straatarm hebben gemaakt. In elk geval: als u en ik bereid zouden zijn om met het meest nodige genoegen te nemen, zouden wij vele armen in de wereld kunnen helpen. Dacht u ook niet?!
Wat denkt u van zo’n belijdenis? Altijd goed, nietwaar? Geen dief meer zijn, maar een diaken-uitdeler. Zo moet het. Deden wij dat allemaal maar zo. Dan zou er veel minder armoe in de wereld zijn.
Toch zie ik, dat u een bedenkelijk gezicht zet. U had van Zacheüs wel wat anders verwacht. Een echte, diepe schuldbelijdenis: ‘O, God wees mij de zondaar genadig…’ Zoals van die andere tollenaar uit Lukas 18. Maar wat Zacheüs zegt lijkt meer op de belijdenis van de Farizeeër: ‘Ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van alles wat ik bezit.’
Zacheüs, wilt u er rekening mee houden, dat je met een mooie belijdenis of met een goedgeefs leven je schuldig verleden niet kunt goedmaken. Hoe lang heb je dat vuile werk nu al niet gedaan?! Hoeveel mensen, met wie jij wat goed te maken hebt, liggen al jaren in het graf? Nee, man je kunt dat zondig bestaan niet goedmaken, door op een goede dag het roer om te gooien en anders te gaan leven. Daar is te veel voor stuk gemaakt. En aan hoeveel mensen heb je niet het verkeerde voorbeeld gegeven.
En dan nog iets. Jij kunt nu wel zeggen: ‘Ik zal, ik zal…’. Maar de weg naar de hel is met de mooiste voornemens geplaveid. Straks, als Jezus de deur uit is, zal je vrouw komen en zeggen: ‘Maar daar komt niets van in, man. Ik lever niets in van mijn mooie spulletjes’. Kijk, Zacheüs, als jij een ander leven wilt gaan leiden, dan is het niet gezegd, dat je huisgenoten dat ook willen.
En dan tenslotte: Je zou al je goederen kunnen uitdelen tot onderhoud der armen, maar als je de liefde niet hebt, dan ben je nog niet meer dan een ‘klinkend metaal of luidende schel’ (1 Kor. 13:1).
Allemaal waar. Maar nu Jezus. Wat zegt Hij? Zegt Jezus: ‘Jij bent een verkapte Farizeeër? Denk niet, dat Ik je huis ben binnengekomen, om van jou, tollenaar een Farizeër te maken.’
Dat zegt Jezus echter allemaal niet. Integendeel, Hij noemt Zacheüs een echt kind van Abraham (ook een rijk man die wist wat het was om weg te geven). Jezus spreekt hem met de zijnen (vrouw en kinderen) zalig. In de ogen van zijn volksgenoten was Zacheüs een soort heiden (vgl. Matth. 18:17). Maar Jezus hoort in de belijdenis van Zacheüs de taal van een boetvaardige zondaar, een oprecht kind van Abraham. Zacheüs zegt net als David: ‘Ik ben die man; ik heb net als David het ooilam van mijn buurman gestolen….’. De mensen noemden hem alsnog ‘een zondige man’. Terecht. Maar men begreep niet, dat dit van elke inwoner van Jericho gezegd moest worden.
Nu goed, Zacheus sprak een oprechte belijdenis uit. Hij zei niet: ‘Als u mij voor de rechter sleept, zal ik alles betalen’. Nee, het ging heel spontaan en vrijwillig.

Draai het eens om. Stel, dat Zacheüs over de grond was gekropen voor Jezus en gesmeekt had om vergeving, terwijl hij kort daarop zijn oude leventje weer had voortgezet. Was het dan goed geweest? Bekering is een zaak van het hart. O zeker, maar ook van de hand en van de daad.


Als Johannes de Doper tollenaars bij zich krijgt aan de Jordaan met de vraag: ‘Wat zullen wij doen?’, dan zegt hij eenvoudig: ‘Niet meer (van de mensen) eisen dan u mag’ (Luk.3:12b) Bekering moet blijken. Zonden zijn geen dingen waarover je alleen met tranen in je ogen kunt praten. Zonden zijn ook dingen die met hand en tand moeten worden bestreden.
Als u een man of vrouw was, wier hart verpand was aan geld en goed, aan eer en macht en Jezus komt in uw leven, dan kunt u toch niet zeggen: ‘Bekering heeft niets met mijn portemonnee te maken’. Dan kunt u niet zeggen: ‘Ik werk nu eenmaal in een bedrijf dat van liegen en bedriegen aan elkaar hangt en daar moet ik mee meedoen’.
Als Jezus in uw leven komt, wordt u schatrijk. En het is daardoor, dat u alles schade en drek leert achten om de uitnemendheid van Christus. Dan moet er wat veranderen in de inrichting van uw huis. In uw omgang met de ellendigen die een paar honderd meter bij u vandaan wonen en aan het andere eind van de wereld.

Nee, Zacheüs is niet door de werken der wet zalig geworden. Maar – zo schrijft J.C.Ryle terecht – ‘als er ooit een ziel is geweest die zalig gemaakt werd zonder iets gedaan te hebben om dit te verdienen, dan was het wel de ziel van Zacheüs.’


Conclusie: ik wens u allemaal zo’n prachtige belijdenis toe als die van Zacheüs. Die man stapte niet met zevenmijls laarzen over het stuk der ellende heen. Die man liet in het stuk der dankbaarheid blijken, dat hij goed in de ellende had gezeten. Iemand kan altijd dankbaar proberen te zijn en een vrijgevig mens zijn, zonder dat hij zijn ellende geproefd heeft. Maar iemand kan ook altijd in het stuk der ellende blijven steken en uit zijn daden laten blijken, dat hij er echt niet zo mee zit.
En toen…toen Jezus bij Zacheüs de deur uit was, ging Zacheüs weer aan het werk. Hij hoefde niet net als zijn collega Mattheüs die achter Jezus aanging, zijn werkkring verlaten. Wat zal die man het moeilijk hebben gehad. Maar Jezus had gezegd: ‘Heden is dezen huize zaligheid geschied’ (Luk.19:9a). Dat was zo groot, dat de man ermee leven kon, dag voor dag. Gewoon als timmerman, als huismoeder je werk doen. En dan je erover verheugen, dat Jezus in uw woning Koning is. Die Zaligmaker Die Zijn leven gaf aan een vloekhout om u te redden van de eeuwige ondergang.
Vanmorgen waren we in Jericho. Om Jezus te zien? Kom, haast u. Laat Jezus heden in uw huis blijven. Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was.
Amen.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina