Preek over Matth. 13: 44



Dovnload 54.94 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte54.94 Kb.
Preek over Matth.13:44
Orde van dienst
1. Votum en groet

2. Psalm: 43: 1, 3 en 4

3. Wet des Heeren/ Apost.Gel.

4. Psalm: 65:2 / 56:5

5. Schriftlezing: Matth. 13:44-53

6. Gebed


7. Tekst:/ thema: Matth. 13:44: Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een schat, in de akker verborgen, welke een mens gevonden hebbende, verborg die en van blijdschap over dezelve, gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt diezelve akker.

8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 68:2, 6

10. Prediking

11. Psalm: 73:13

12. Dankgebed

13. Psalm: 119:7

14. Zegenbede.

Het komt in onze dagen niet vaak voor, gemeente, dat waardevolle dingen, die men tegen diefstal beschermen wil, in de grond begraven worden. Wanneer wij juwelen en andere kostbaarheden beveiligen willen, brengen we die naar een bankinstelling, waar ze opgeborgen worden in een safe.
U zult het zich evenwel kunnen indenken, dat vroegere geslachten de aarde gebruikten als hun safe.1 De ouderen onder ons weten het nog wel uit de dagen van de W.O-II: wat is er toen al niet in de grond gestopt om het veilig te stellen tegen onze roofzuchtige vijanden? De aarde was onze kluis. De aarde zwijgt wel over wat er in haar schoot begraven ligt.
En zo komt het dan nog al eens voor, dat iemand in onze tijd zomaar opeens bij het graafwerk in zijn tuin een schat tegenkomt uit vroeger tijden, in de grond gestopt door mensen die er allang niet meer zijn: een verzameling oude dukaten bijvoorbeeld die een enorm grote waarde vertegenwoordigen. Een schat, in een akker verborgen.

Een oud-joods verhaal (Antiochië; ca.90 nChr.) vertelt van een zekere Abba Judan die bij het ploegen van zijn land opeens zijn koe in een gat zag verdwijnen, waarbij deze zijn poot brak. Toen Abba Judan in het gat afdaalde om zijn dier te helpen, opende God zijn ogen en wat zag hij? Een schat. Toen zei hij: Tot mijn bestwil is de poot van mijn koe gebroken. Zo H.L. Strack-P.Billerbeck, Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch. Erster (Doppel)band DAS EVANGE-LIUM NACH MATTHäUs. München, achte unveränderte Auflage; 1982; blz.674.


Over zo’n schat, in de akker verborgen gaat het ook in de gelijkenis van Mattheüs 13. 2 Het beeld spreekt onmiddellijk aan. Het is allemaal in één zin verteld. Een diepe zin.
Denk het u eens in. Een stuk land, een akker: jarenlang is erop gewerkt: geploegd, geëgd, gezaaid. Een golvende zee van goudgeel graan was er op zijn tijd op die akker te zien. Kortom, een vruchtbaar en winstgevend stuk land. Daarvoor is een akker nu eenmaal goed.

En wie denkt er dan aan, dat deze akker nog iets meer dan dat heeft te bieden?


Wie weet het, dat hier jaren geleden, een boer heeft rondgelopen, angstig om zich heenkijkend, of iemand hem zou zien. En dat hij toen een gat gegraven heeft in de donkere aarde, aan de rand ergens in de buurt van een struik en dat hij daarna een kist met kostbaarheden in dat gat heeft gelegd. Niemand heeft het ooit geweten. Iedereen ging er achteloos aan voorbij. Het geheim is met die man het graf ingegaan. En de aarde zwijgt als het graf. 3
Een nieuw geslacht bewerkte de bodem. Andere eigenaars maakten winst uit die akker.
En dan op een dag…Een pachter of beheerder van de akker is aan het werk op het land.4 Die struik aan de rand van het land moet er maar eens uit, zegt hij bij zichzelf. Hij graaft. En dan…wat is dat? Opeens stuit zijn spade op een hard voorwerp. Een stuk hout. Het klinkt hol. Snel graaf hij door. Een kist. Wat kan dat zijn? Voorzichtig tilt hij het deksel eraf. En dan…Hij kan zijn ogen niet geloven: juwelen, kostbare sieraden, goud/ zilver. Een schat waarvan hij de waarde niet een twee drie kan inschatten, maar waarvan hij wel met grote zekerheid kan zeggen, dat ze een geweldige rijkdom vertegenwoordigt.

Een verborgen schat ligt voor zijn voeten bloot.


* * *

Dat is het eerste deel van Jezus’ gelijkenis. Zo – aldus Christus – gaat het ernaar toe in het Koninkrijk der hemelen. Deze gelijkenis spreekt een boerenvolk natuurlijk direct aan. Toch is het niet iedereen gegeven om de verborgenheid, het diepe geheim ervan te verstaan. 5 Ze is een van de zeven gelijkenissen uit het 13e hoofdstuk van het Mattheüs-evangelie. En deze gelijkenis over de schat in de akker verborgen komt alleen in dit Evangelie voor.



In al die gelijkenissen gaat het over het Koninkrijk der hemelen, in steeds nieuwe facetten. In onze gelijkenis – zo zullen we die nu maar noemen – gaat het over de grote waarde van het Koninkrijk der hemelen en de manier waarop een mens bezitter daarvan wordt. 6
Mattheüs spreekt in zijn Evangelie over het Koninkrijk der hemelen; dat is hetzelfde als het Koninkrijk van God. ‘Der hemelen’ is een Joodse manier van zeggen (de Naam van de Heere wordt niet uitgesproken). We moeten echter niet de vergissing maken, dat Gods Koninkrijk alleen in de hemel is of met de aarde niets te maken heeft. Integendeel, het is een Koninkrijk dat op de aarde gestalte krijgt: in Christus Jezus de Koning, in de harten van de volgelingen van de Heere Jezus door Gods Geest Die hen doet leven in een nieuw leven, en in woorden en daden die daaruit voortvloeien.
Het Koninkrijk van God is een schat. Uit de aard van de zaak gaat het hier niet over een aards koninkrijk. Het gaat hier niet over dat kleine koninkrijkje van mij of van u: een winstgevend bedrijf, onze goed ingerichte woning, ons bezit aan goud en zilver en aan beleggingen.
Wat zijn aardse schatten? Er zijn mensen die in één slag rijk worden, maar soms ook in een enkele minuut straatarm. Er zijn mensen die in het leven nooit meer hebben gehad dan vergankelijke goederen. Maar doodshemden hebben geen zakken (Engels spreekwoord). Naar het graf neemt niemand ooit een cent mee. ‘Als wij voedsel en deksel (kleding) hebben, wij zullen daarmee vergenoegd zijn’ (1 Tim. 6:8). Wees geen geldduivel. ‘Alles, hoe schoon ook, ’t zal eenmaal vergaan.’
Het Koninkrijk der hemelen (van God) gaat al dat schoon ver te boven. Laat ik het kort samenvatten.


  • Het Koninkrijk van God is: Jezus Christus (Origenes). Hij is de Koning van dat rijk. Hij is die schat. Het Koninkrijk van God krijgt gestalte in Jezus als de kruiskoning Die voor doodsschuldigen de straf draagt die hen vrede aanbrengt. Vrede met God door Zijn bloed. Welk een wonder! Geef acht, gemeente op die grote zaligheid en zoek naar de vrede van dat Koninkrijk. ‘Want het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap door de Heilige Geest’ (Rom.14:17). Een schat, in de akker (van de wereld) verborgen.

  • Het Koninkrijk van God is ook daar waar mensen geleerd hebben God lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf. Het Koninkrijk van God bestaat derhalve ook in de liefdevolle heerschappij van Gods Geest in onze harten. Het is door die wederbarende Geest, dat wij er zin in krijgen om te doen wat God behaagt. Het Koninkrijk der hemelen is er dus nu reeds in het leven van hen die de onderdanen van God en van Jezus Christus zijn. Maar het is nu nog een Koninkrijk in onvolkomenheid. Een schat in de akker (van de wereld) verborgen.

  • Het Koninkrijk van God is er tegelijk nog niet. Het komt eraan in al zijn volheid, als de Heere Jezus wederkomt op de wolken des hemels en alle tong Hem zal belijden. Als alle ongerechtigheid van de mensenkinderen van de aarde zal zijn weggedaan. Dan zal God weer alles zijn in allen, zoals in het begin van de wereldgeschiedenis. Een schat in de akker (van de wereld).

Nu, gemeente, dat Koninkrijk van God mag ik u verkondigen. Het is vlakbij u, als een schat die in een akker verborgen ligt. Het is vlakbij u in Christus Die u wordt aangewezen en aangeprezen ook in deze dienst. Zijn verzoenend sterven – het rustpunt van uw hart. Als u de armen van het geloof om Hem slaat, bent u schatrijk; een Koningskind, in leven en sterven geborgen. Zie op Hem. Omhels Hem. Laat Hij het voor het zeggen hebben in uw leven. Laat het Koninkrijk van God zijn verborgen werking hebben in heel uw bestaan.


Onze gelijkenis spreekt over een mens die de schat vindt; zomaar iemand. U zou het kunnen zijn. Laat het uw gebed zijn.
Bezien we deze gelijkenis nog eens wat meer van nabij. De Heere Jezus vergelijkt het Koninkrijk der hemelen dus met een schat, maar met een schat die verborgen is. Ze ligt daar maar niet voor iedereen voor het grijpen op de oppervlakte van de aarde. Ze ligt er als een diep geheim in opgeborgen.

Nee, de schat is niet onvindbaar ver weg. Dat niet. Ze is niet onbereikbaar. Ze is vlakbij. Maar toch gaan we er gemakkelijk aan voorbij. Hoe velen zullen er niet over de akker, waarvan onze gelijkenis spreekt, zijn gegaan om die te bezaaien en de oogst ervan binnen te halen. Maar zij wisten niet van het bestaan van die schat. Zij zochten er natuurlijk ook niet naar. Ze konden er dus ook niet blij mee zijn.


Zo is het ook met het Koninkrijk van God. Het is vlakbij. Maar het is verborgen voor ‘de natuurlijke mens die niet begrijpt de dingen die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden’ (1 Kor. 2:14). En zo is het met ons allemaal gesteld van huis uit.
We ploegen en zwoegen voort van dag tot dag. We tobben maar aan. Maar we hebben geen weet van een schat die al het schoon van de mensen ver te boven gaat, enkele meters bij ons vandaan. We weten niet wat het betekent schuldig te zijn voor God. We gevoelen geen Godsgemis en hunkeren niet naar Zijn liefde. We nemen het nooit eens op voor die hoge God. We proeven niets van de rijkdom van Zijn dienst. We denken goed genoeg te zijn om naar de hemel te gaan en houden de gedachte, dat we voor eeuwig verloren zouden kunnen gaan, verre van ons.
Maar zo is de schat van de gelijkenis voor ons verborgen. Ze is verborgen voor de zelfgenoegzamen, voor hen die rijk zijn in en met zichzelf, met hun braafheid en vroomheid. De schat van Gods Koninkrijk is verborgen voor de wijzen en verstandigen, zoals de kleuren van een bloem voor de blinden en de klanken van een symfonie voor een dove.

Ds. J. J. Knap schrijft: ‘Verborgen niet minder voor den mensch, die alleen in naam een geloovige is; die dagelijks rondwandelt over den akker des koninkrijks, wekelijks de prediking aanhoort, gedurig een lippengebed opzendt en het heilige blad in de hand neemt, maar nauwelijks gist dat hij zoo in aanraking komt met het hoogste goed, dat voor een zondaar is weggelegd. Ja, het kan zelfs gebeuren, dat een arbeider in den wijngaard des Heeren, een voorganger der gemeente of wie anders dan ook, jaar in jaar uit den akker bewerkt zonder voor eigen hart den rijk-makenden schat te ontdekken,…dagloners op den kansel, terwijl zij daar moesten staan met de handen vol van het schitterende goud der genade!’ 7


Kortom, de verborgenheid van het Koninkrijk der hemelen moet geopenbaard worden. God Zelf moet eraan te pas komen door Zijn Woord en Geest en ons ogen geven. God Zelf moet ‘Zijn Zoon in ons openbaren’ (Gal.1:15).

Vraag u af, of ook u wellicht nog een vreemde bent voor God. Het moet toch een onverdraaglijke gedachte zijn voor u, dat u straks voor eeuwig verloren zult zijn, terwijl u nu nog in de gelegenheid bent om een schat te vinden die slechts een enkele meter bij u vandaan op u ligt te wachten.


Maar hoor nu nog een ogenbik naar het onderwijs van de Heere Christus. De man uit de gelijkenis komt op een goede dag zomaar opeens in aanraking met die schat in de akker. Hij heeft er niet naar gezocht. Hij vindt hem – wij zouden zeggen – ‘toevallig’ bij het graafwerk. En als dan die kist met goud en juwelen voor zijn voeten open en bloot ligt, stijgt de blijdschap hem naar de wangen. Onvoorstelbaar…! Wie had zo iets gedacht?
En wat moet hij dan nu doen? Snel werken zijn gedachten. Hij is de enige die hier weet van heeft. Want allen die ooit op de hoogte waren van de plaats van de schat, zijn er niet meer. De vinder van de schat denkt goed na. Hij heeft de grote schat gezien. Maar hoe kan hij bezitter worden van de rijkdom die daar voor zijn voeten ligt? Is ze zonder meer voor de eerlijke vinder? Nee.

De meest oorspronkelijke eigenaar is weg en van wettige erfgenamen is geen sprake. De schat behoort in elk geval toe aan de man van wie de akker is. 8

En wat doet vervolgens de man die de schat gevonden heeft? Hij stopt niet meteen zijn zakken vol met het goud en zilver. Hij moet wat bedenken, waardoor hij de rechtmatige bezitter wordt van de schat. Wat doet hij? Hij maakt het gat weer gauw dicht, strijkt de grond glad en gaat naar huis. 9 Hij is zo blij, dat hij er wellicht niet van slapen kan. In ieder geval houdt hij het natuurlijk nog eens even voor zich.
Vinden, verbergen, met blijdschap heengaan. Dat is het tweede opmerkelijke in de gelijkenis. Het verrassend vinden van de schat is stellig het scharnierpunt. Zo gaat het toe in het Koninkrijk van God. Het wordt bij verrassing aan een mens ontdekt. En dat is dan zeker de mooiste dag van zijn leven. ‘Wij hebben een God van verrassingen’ (ds. J. J. Knap, a.w.,blz.98).
Vinden zonder voorafgaand zoeken. En vergelijk dat dan nu maar met de gelijkenis die volgt op onze gelijkenis in Mattheüs 13, die van de kostbare parel, van de koopman die na lang zoeken tenslotte een parel vindt, die alle andere parels in zijn bezit in schoonheid ver te boven gaat. Hij verkoopt alles wat hij heeft en koopt die ene parel van grote waarde. Zo gaat het in de gelijkenis van de paarlenkoopman.
Deze twee gelijkenissen zijn als een tweeling. 10 Ze lijken als twee druppels water op elkaar. Maar zoals er altijd enig verschil is tussen de twee kinderen van een tweeling, zo is het ook hier. In de gelijkenis van de paarlenkoopman is er sprake van vinden na lang zoeken. In de gelijkenis van de schat in de akker verborgen, is er sprake van vinden zonder voorafgaand zoeken. 11
Keren we ermee tot onszelf in. U hebt zich wellicht nooit echt druk gemaakt om hogere dingen dan aardse, om diepere geheimen van het leven. U draafde en slaafde ganse dagen over de akker van het leven. Als moeder druk in uw gezin. Als bedrijfsleider tot aan de avond bedolven onder de zorg en spanning. Geen tijd om u bezig te houden met geestelijke zaken. U verlangde nooit echt naar God. U werd nooit verlegen om genade, want u wist ook niet van zonde en schuld.
Totdat…Ja totdat het op een dag opeens heel anders werd. Onder een preek die u diep raakte en u ontdekte aan uw geestelijke armoede. Of toen je vader voor jullie, kinderen een stukje voorlas uit een dagboekje aan tafel. Het is je bijgebleven tot vandaag. God zoekt een zondaar, ongedacht en ongevraagd. Of op een eenzame avond, toen je godvrezende moeder die je vroeg kwijtraakte, je weer in de gedachten kwam. Of bij het open graf waarin u het ontzielde lichaam van uw kind neerlegde.

Jezus’ grote zondaarsliefde overmeesterde uw hart. Heimwee, hunkering, dorst naar God. Toen was al het andere waar u zich tevoren zo druk om gemaakt had, opeens niet zo belangrijk meer. Had u nu maar toekomst, ook na dit leven. Wist u het maar, dat uw schuld was verzoend. O dat u het mocht weten, dat de Heere Jezus ook voor u aan het kruis heeft geleden. Kortom, u zag die schat. Nooit naar gezocht. Opeens was ze daar. Dag en nacht hield het u bezig.


Was u toen opeens bezitter van die schat? Nee. U zou ’t niet graag beweren. U zag die schat. Dat was al heel geweldig. U wist waar die schat te vinden was. Hoe groot! Alleen al het verlangen ernaar maakte u tot een blij mens. Niemand merkte het aanvankelijk aan u, dat u niet meer was als gisteren en eergisteren. Maar de blijdschap om die schat werd de dragende ondertoon van uw leven. Gods liefde, in uw hart uitgestort, maakte u warm van binnen en gaf u een totaal andere levensinstelling.
Vinden zonder voorafgaan zoeken. Dankzij Gods opzoekende zondaarsliefde. Later zegt u: ‘Heere, ik zou U nooit gevonden hebben, als u naar mij niet had gezocht’.
Maar laat niemand van ons nu de fout maken om te denken: Het maakt dus niet uit, of ik naar de Heere en Zijn genade zoek; het valt je op Gods tijd als een lot in de schoot; of het komt nooit.
De Schrift roept ons immers herhaaldelijk op om de Heere te zoeken, terwijl Hij te vinden is. Zoek Hem, totdat u Hem vindt. U behoeft niet verloren te gaan, omdat de schat niet te vinden was of omdat u nu eenmaal niet bij de gelukkige vinders behoort. Maar u zult zeker verloren gaan, wanneer u naar de parel van grote waarde niet hebt gezocht. Zoek Christus. Als Hij Zich vinden laat door niet-zoekers, hoe veel te meer door zoekers. Zo heeft Hij het immers in Zijn eigen Woord gezegd. Hij kan uw harde hart vertederen. Hij wil uw schuld verzoenen. Hij biedt u Zijn vrede.
Een mens vond die schat, zegt onze gelijkenis. Zomaar een mens. U kunt die mens zijn. En als u misschien na lang zoeken, eindelijk zult hebben gevonden, zult u al evenmin als de man die de schat in de akker vond, kunnen zeggen: Ik vond, want ik heb zo goed en zolang gezocht. U mag zelfs het zoeken zien als vrucht van Gods wondere genade, waarmee Hij u zoekende maakte.
En wat doet dan die man uit de gelijkenis? Het komt tot een ontknoping. Deze man heeft het verborgene gevonden en verbergt vervolgens het gevondene weer in de aarde. Hij gaat alleen heel blij naar huis. Hij heeft van de schat die hij vond, nog geen cent op zak. Hij loopt maar te verzinnen, hoe hij de wettige bezitter van die schat kan worden. Zonder meer meenemen naar huis, ‘s nachts als het donker is en iedereen slaapt. Nee, dat doet hij niet. Dat zou diefstal betekenen.
Er is maar één weg. Er moet een transactie worden gesloten. Welnu, als hij mogelijkheden zou hebben om de akker te kopen, waarin de schat begraven ligt, dan zou hij tevens ook bezitter van die schat zijn. Maar dat is voor deze man blijkbaar geen simpele zaak. Hij heeft de duizendjes niet voor het grijpen.. En zijn spaarcentjes zijn bij lange na niet toereikend om de prijs die voor de akker wordt gevraagd, op tafel te leggen.
En wat doet hij dan? Hij houdt uitverkoop, maakt alles te gelde wat hij bezit, zelfs dat waarop hij zit: zijn stoel aan tafel. En ook – zo nodig – zijn bed. Hij kan wel een paar nachtjes op de grond slapen. Nu en dan heeft de man tenslotte de vraagprijs bijeen die voor de akker wordt gevraagd. Vreemd geval, denkt de verkoper misschien. Maar goed, de koop wordt gesloten. En daarmee is de ‘eerlijke’ vinder ook de wettige bezitter van de schat geworden.

Zegt u nu maar niet, dat het er hier niet eerlijk naar toe gaat. U zou kunnen denken, dat het hele verhaal toch wel eerst aan de oorspronkelijke eigenaar van de akker had moeten zijn verteld. Maar vergis u niet. Jezus geeft ons hier geen les in handelstransacties. Daar komt bij, dat de man van wie de akker werd gekocht, net zo min een wettige bezitter van de schat was als de koper. Want wie weet hoe lang het was geleden, dat de schat aan dit stuk aarde was toevertrouwd. De zaak was dus allang verjaard. En over rechten kon niet worden gesproken. Dus was steeds voor alle bezitters van de akker bij de aankoop ervan ook de schat – onbewust – meebetaald.


Nogmaals echter, om deze dingen gaat het hier niet. Trek uit deze gelijkenis in elk geval niet de conclusie, dat een zogenaamde ‘eerlijke’ vinder alles wat hij op straat of waar dan ook vindt, maar direct in zijn eigen zak mag steken. Respecteer andermans bezit tot het uiterste.
In onze gelijkenis gaat het om een wezenlijk andere vraag. Het gaat om de vraag van de heilstoeeigening: hoe wordt de schat van het Koninkrijk der hemelen ons bezit? En dan is één ding wel duidelijk. Zeker, u kunt vandaag al bezitter zijn van de schat van het Koninkrijk van God. Ja, maar in de regel gaat er tijd overheen, alvorens een mens van het eerste blijde zien tot het dadelijk bezitten ervan komt.

Van John Bunyan is bekend, dat hij soms onder de bediening van Gods Woord rijk gezegend werd, zodat hij bij het naar huis gaan zo blij was, dat hij het gehoorde wel aan de kraaien op de beploegde akker had willen vertellen. Maar een dag of wat later werd hij er weer over aangevochten. Gaat het zo ook niet vaak in het leven van hen die zicht kregen op Gods genade: ons hart hunkert en koestert het geheim, maar onze mond is nog gesloten uit vrees, dat we ons vergissen. ‘Een beginnend genadewerk in het hart maakt ons aanvankelijk meer schuw dan mededeelzaam’ (ds. J. J. Knap,a.w.,blz.100). 12


Er zijn mensen die op dit punt geen probleem hebben. Voor hen is het geen vraag, of de beloften van God, ons in Zijn Woord gegeven, wel voor hen zijn. Zij leggen zonder enig bezwaar en met alle gemak beslag op die beloften, als hadden ze die met hun eigen bloed betaald. Het gaat er allemaal heel vanzelfsprekend naar toe. Zij aarzelen nooit. Ze zijn altijd zeker van hun zaak.
Maar laat ons niet vergeten, dat we Gods genade en de schat van Zijn Koninkrijk ons ook wederrechtelijk kunnen toe-eigenen. Daarom moet u niet alle stekels opzetten, als u in een preek gevraagd wordt, hoe u ertoe bent gekomen om een kind van het Koninkrijk te zijn. Zelfonderzoek is nodig. Wat u zich onrechtmatig hebt toegeëigend, moet u vroeg of laat inleveren. En als de dagen van beproeving komen, kunt u er zich niet mee redden. In elk geval ook niet in de dag van het grote oordeel.
Wat is er dan voor ons nodig om te komen tot de stellige zekerheid: de schat in de akker is van mij? Bent u wellicht iemand die weet, dat het Koninkrijk van God een grote schat is, maar die niet weet, dat het uw schat is? Luister goed. Er moet een transactie plaatsvinden. Er is een weg waarlangs een zondaar komt tot het dadelijk bezitten van de grote schat. Als u er een glimp van opvangt, bent u zeker al blij. Maar daarmee moet u niet tevreden zijn. De blijdschap om het zien van de schat moet u ertoe bewegen om te doen wat de gelukkige vinder van onze gelijkenis doet. Hij verkoopt alles wat hij heeft.
We lezen hier niet, dat hij alles overboord gooide wat hij had. Van de Griekse filosoof Diogenes (412-323 vChr.), een cynicus, wordt verteld, dat hij alle cultuur verwierp en in alle eenvoud in een hut (een soort ton) ging wonen. Dat is echter niet de bedoeling. We mogen dankbaar gebruik maken van al Gods goede gaven in de schepping. Maar als we er ons hart op zetten, gaat het gauw genoeg mis. Wij moeten er ook afstand van kunnen doen om Godswil.
Doe net als de man uit onze gelijkenis. U zult zeker altijd blijven tobben over de vraag, of de schat wel voor u en van u is, als u niet verkoopt al wat u hebt, als u niet alles prijsgeeft wat u van de Heere en Zijn dienst vandaan houdt.
Blijf dus niet op twee gedachten hinken. Wees geen mens die uw aandacht en hart verdeeld houdt tussen God en de wereld. Want dan bent u als iemand die met zijn ene been op de wal en met het andere op een schommelend schip staat. Vroeg of laat valt u dan tussen wal en schip.
Laat het niet zo zijn, dat de zaak van Gods Koninkrijk u niet te veel moet kosten. Ik zeg u: het kost u alles. Als die prijs voor u te hoog is, houd dan wat u hebt. Maar daar gaat u zeker mee verloren. Verkoop wat u hebt. Dat zult u zeker doen, als slechts de blijdschap om het zien van de schat, uw drijfveer is.
Alles verkopen wat u hebt. Laat ik het concreet maken. Ik bedoel niet te zeggen, dat u met wat u bezit (met goud en zilver, met uw godsdienst, met uw goede werken) het Koninkrijk van God kunt kopen. Uw bezit is in dit opzicht geen koopwaar. Ook als u in een klooster zou gaan en in vrijwillige armoede zou gaan leven, is dat geen betaalmiddel waardoor u de schat van Gods Koninkrijk koopt.
Laat ik het zo mogen zeggen: verkoop de stoel van uw eigen eer waarop u troont; verkoop het bed van uw eigen gerechtigheid waarin u zich zo heerlijk nestelt. En verder moet u zelf maar eens onder Gods ogen uitmaken, wat tot nu toe het rustpunt van uw hart is. Uw goud en zilver, uw mooie huis/ auto en wat niet al. Het zouden zelfs uw vader en moeder kunnen zijn; het zou uw man of vrouw kunnen zijn. Vgl. Matth.10:37; 19:28v; Mark.10:29v; Luk.18:29v.

Zeg dan op dit moment maar tegen de Heere: ‘Heere, hier hebt u het; ik lever het allemaal bij u in; geef U mij dan in ruil daarvoor maar de grote liefde van de Zaligmaker. 13


Wil ik daarmee zeggen, dat de zaligheid te verdienen is met een sober en zuinig leven of door alles aan anderen weg te geven. Nee, dat zijn slechts ingebeelde verdiensten. Er is betaald met Jezus’ kostbaar bloed. Maar de weg waarlangs u deelgenoot wordt van Gods heil (het Koninkrijk van God in aardse bedeling), is de weg van de zelfontlediging. Tegen de rijke jongeling zei Jezus ooit: ‘..Ga heen, verkoop wat gij hebt, en geef het de armen, en gij zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij’ (Matth. 19:21).
Volgelingen van Jezus die ‘alles schade en drek hebben leren achten om de uitnemendheid van Christus’ (Fil. 3:8a), geven zichzelf en al het hunne gaarne prijs om de schat in de akker te bezitten. Ook het afleggen van de begeerten van het vlees, ook hun boetvaardige tranen tellen niet als grond van hun zaligheid, maar zijn vruchten van het zien op Jezus. Arm worden om alleen in Christus rijk te zijn. ‘Geen zonniger leven, dan dat van den mensch, in wiens binnenste een licht schijnt dat niet onder kan gaan’ (Ds. J. J. Knap, a.w., blz.104). Wat een blijdschap! Dat is een trefwoord ook in de gelijkenis van de schat in de akker. Zalige vreugde, daar loopt alles op uit.
J. Calvijn schrijft: ‘Terecht stelt Christus daarom de voortreffelijkheid van het eeuwige leven zoo hoog, dat het ons, volgens Hem, niet te zwaar moet vallen al wat wij overigens voor kostbaar houden, er om te verlaten.’ 14
Lang geleden – in de tijd van het Romeinse keizerrijk - was er in de stad Rome een diaken die Laurentius heette (de Laurenskerk te Rotterdam is naar hem genoemd). Op een dag (in 268 nChr.) kwam de keizer van Rome – Valerius - bij deze diaken. Hij zei: ‘Die kerk van jullie is rijk. Ik kom om de schatten van jullie kerk op te halen’. Toen bedacht Laurentius een plan. Hij riep alle arme mensen van de stad Rome bijeen en liet hen vervolgens in

een lange rij langs de keizer trekken. ‘Keizer’, zei Laurentius, ‘daar hebt u de schatten van de kerk van Rome’. Inderdaad, de armen zijn de schatten van de kerk.

Het zijn mensen die naar aardse maatstaven straatarm zijn, maar in Gods ogen schatrijk.
De zaligheid is om niet te verkrijgen. Maar de prijs van zelfontlediging, van loslaten van alles wat u bezit, is de weg waarlangs u bezitter van de schat wordt. De koper van de akker in onze gelijkenis heeft dan ook niet de waarde van de schat op tafel gelegd, maar alleen die van de akker.
Conclusie: de akker is de wereld (Matth.13:38a) en de schat is het Koninkrijk van God in deze wereld. De prijs is: alles schade en drek achten om de uitnemendheid van Christus Jezus. En wat u ‘ervoor koopt’: Een wereld waarin Gods Koninkrijk doorbreekt. Een wereld met een gekruisigde en opgestane Zaligmaker die de Koning is van hemel en aarde. Een wereld straks waarin gerechtigheid in volheid woont.
Mag ik u vragen: Bent u ook zo iemand die niets heeft en nochtans alles bezit in de Zaligmaker Jezus Christus? Of blijft u toch liever zwoegen en tobben op de akker van het leven om tenslotte met lege handen voor God te staan? 15

Zeg niet: dat zal mij niet overkomen. Vergeet niet, dat weldra uw rouwadvertentie in de krant zal staan. En dan moet het duidelijk zijn geworden, waarvoor u hebt geleefd. Ik wens van harte, dat dan van u geldt: Ik had een schat in de hemel en waar mijn schat was, daar ben ik nu, eeuwig bij God en bij mijn Jezus thuis.


Amen.



1 Vergelijk Matth.25:18 (het talent dat in de aarde verborgen wordt).

2 Het Grieks heeft het bepalend lidwoord voor akker; dus: een schat in de akker verborgen. Schat en akker horen bij elkaar in deze gelijkenis.

3 De afbeelding is een tekening van Eugène Burnand in Ds. J. J. Knap, Gelijkenissen des Heeren (Schriftoverdenkingen); eerste deel. Nijkerk 1919; blz. 91.

4 Dr. Jakob van Bruggen schrijft: ‘Waarschijnlijk laat de vertelling ons denken aan een pachter of beheerder. In dat geval behoort een schat niet tot de opbrengst van het land en zij komt de eigenaar van het land toe, niet de man die het vruchtgebruik heeft (Derrett);….niet de schat wordt gekocht, maar de akker!’ Zo dr. Jakob van Bruggen, Matteüs, het evangelie voor Israël (serie Commentaar op het Nieuwe Testament; derde serie; afdeling evangeliën); Kampen 1990; blz. 265.

5 Is het daarom, dat Jezus deze gelijkenis alleen aan het adres van Zijn discipelen uitspreekt? Blijkens Matth.13:36 niet meer tot de scharen, maar in huis. Vgl.. Matth.13:1. Aan Zijn discipelen was het immers gegeven de verborgenheden van het Koninkrijk Gods te weten…(Matth.13:11).

6 Ten onrechte schrijft Julius Schniewind in zijn commentaar op Matth.13:44-46: ‘Wir haben uns gewöhnt von “religiösen Werten” zu reden, und seit der alten Kirche nennt man Gott “das höchste Gut”. Damit wird aber Bild und Wirklichkeit verwechselt. Gott und seine Herrschaft sind nichts Dinghaftes, wie Wert und Gut, es geht vielmehr um eine Beziehung von Person zu Person.’ Zo Julius Schniewind, Das Evangelium nach Matthäus (Das Neue Testament Deutsch); 12e Auflage, Göttingen 1968; blz.172. In de geloofsrelatie (‚fides qua) ontvangt de gelovige naar mijn inzicht echter ook een geloofsgoed (fides quae) dat van oneindige waarde is, namelijk het Koninkrijk van God waardoor hij geheel en al in beslag genomen wordt.Juister lijkt het mij dan ook wat Dr. F. W. Grosheide schrijft, dat het Koninkrijk Gods in deze gelijkenis voor ons staat als het hoogste goed des menschen, gelijk we het in de zaligsprekingen hebben’. Zo Dr. F. W. Grosheide, Het Heilig Evangelie volgens Mattheüs (serie Commentaar op het Nieuwe Testament); H.A. van Bottenburg – Amsterdam; 1922. Blz 172.

7 Zo Ds. J.J. Knap, a.w., blz. 97.

8 Dr. J. T. Nielsen schrijft, dat in de lijn van de toenmalige verhoudingen de schat deel blijft uitmaken van de akker. ‘Wanneer iemand de akker koopt, is deze met alles wat in die akker gevonden wordt, zijn eigendom.’ Zo Dr. J. T. Nielsen, Het Evangelie naar Mattheüs II. (serie De prediking van het Nieuwe Testament). Nijkerk 1973; blz. 32. Hij verwijst naar de boven genoemde commentaar van H.L. Strack-Billerbeck, blz. 674.

9 De vinder verbergt dus de schat weer opnieuw; niet in zijn eigen huis, zoals sommige verklaarders menen, maar in dezelfde grond waarin hij die schat vond. Het Griekse werkwoord voor ‘vinden’ kan ook vertaald worden met ‘onzichtbaar maken’.

10 Joach. Jeremias, Die Gleichnisse Jesu (blz.167) spreekt over ‘Doppelgleichnis’.

11 Dr. J. A. C. van Leeuwen schrijft: ‘Het volgende gelijkenispaar stelt niet de groeikracht en de machtige werking van het koninkrijk der hemelen voor, maar zijn onvergelijkbare waarde. Den éénen valt het in den schoot…’ (bij graafwerk). ‘Een ander valt het ten deel, nadat hij als de koopman die bij de parelvisschers naar kostbare parels zoekt, tevergeefs in allerlei gaven van het leven het hoogste goed heeft meenen te vinden.’ Zo J. A. C. van Leeuwen, Het Evangelie van Mattheus (serie Tekst en Uitleg); 4e dr (bezorgd door dr. W. Lodder); Groningen-Den Haag-Batavia 1934; blz.112.

12 ‘Zoolang iemand nog niet kan roemen in het heil des Heeren, ofschoon hij reeds door Gods hand is aangeraakt, zwijgt hij stille van hetgeen er met hem is geschied.’ Zo W. B. Renkema/ R. J. W. Rudolph, De Gelijkenissen onzes Heeren Jezus Christus, voor de gemeente verklaard (met een aanbevelend woord van prof. H. Bavinck, enz.; Doesburg, 2e dr., 1905; blz.83.


13 W. B. Renkema/ R. J. W. Rudolph (a.w., blz.82) schijven: ‘Eerst dan moeten handen afgekapt, oogen uitgegraven, en voeten afgehouwen worden, als zij den mensch tot een ergernis zouden zijn.’

14 Johannes Kalvijn, De Evangeliën van MATTHEUS, MARKUS EN LUKAS, in onderlinge overeenstemming gebracht en verklaard; opnieuw uit het Latijn vertaald, onder toezicht van wijlen A. Brummelkamp. Tweede deel; 3e dr.;Goudriaan 1979; blz.260.

15 Dr. C. Brouwer, Het Koninkrijk Gods in gelijkenissen (BBB- serie); Baarn z.j.; blz.144v geeft m.i. wel een heel vreemde uitleg van deze gelijkenis. Hij zoekt ook in deze gelijkenis een heilshistorische situatie met een toepassing op Israël. ‘Opnieuw gaat het hier om Israël’, schrijft hij. Israël is geroepen om in de wereld de schat van het Koninkrijk Gods die het heeft mogen vinden, niet voor zichzelf te houden. Het heeft in die schat genoeg om van te leven en mag nu uitgaan en verkopen al wat het heeft (= geestelijke voorrechten, wetsgetrouwheid en haar gerechtigheid) en de akker (= de wereld) kopen. M.i. echter gaat het in het verkopen van alles wat men bezit om het prijsgeven van valse bindingen aan aardse goederen om zo met de verkregen schat dienstbaar te kunnen zijn in de wereld. Bovendien berust de uitleg van Bouwer op minstens twee verkeerde interpretaties. Hij schrijft a) dat de vinder van de schat die schat gewoon voor zichzelf mocht houden en die niet eerst bij da eigenaar van de grond behoefde te brengen; en b) dat we mogen aannemen, dat de vinder van de schat deze haastig heeft meegenomen en in zijn huis verborgen.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina