Preek over Num. 20, 28



Dovnload 41.52 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte41.52 Kb.





Preek over Num.20, 28




Orde van dienst


1. Votum


2. Groet

3. Psalm: 135:1, 8

4. Wet des Heeren / Apost.Gel.

5. Psalm: 79:4 / 79:7

6. Schriftlezing: Num. 20:22-29 + Hebr. 5:1-10

7. Gebed
Tekst: En Mozes trok Aäron zijn klederen uit en trok ze zijn zoon Eleazar aan; en Aäron stierf aldaar, op de hoogte van die berg; toen kwamen Mozes en Eleazar van die berg af. Num.20:28


8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 89:19, 20

10. Prediking

11. Psalm: 132:10

12. Dankgebed

13. Psalm: 68:10

14. Zegenbede.

* * *


Wij zijn vanmorgen getuige, gemeente van een merkwaardig sterfgeval. U kent hem wel: Aäron, de hogepriester. 123 jaar oud. Bijna 40 dienstjaren heeft hij achter de rug, nu hij en zijn volk Israël aan de grens van het beloofde land zijn gekomen. Weldra zullen zij daarin mogen binnengaan na jaren van omzwerven in de Sinaï-woestijn.


De berg


Hor is in

dit kaart-

je links

van Edom


te vinden.

Hoe vaak heeft Aäron niet in zijn hogepriesterlijke kleding onder het volk rondgelopen en de offers gebracht in het heiligdom om verzoening te doen voor de zonden van het volk? Hoeveel keren was hij eenmaal per jaar op de grote verzoendag in het Heilige der Heiligen van de tabernakel binnengegaan om het bloed van een bok te sprenkelen op en voor het verzoendeksel van de ark? Aäron, de man van de dienst der verzoening. Hij vertegenwoordigt zijn volk bij God en God bij zijn volk.


Maar nu is dan de tijd gekomen, dat hij afscheid moet gaan nemen van het leven. ‘Waar wij ook heengaan, overal wacht ons de dood en is het graf voor ons gereed’ (M.Henri).
Voor de laatste keer heeft hij zijn hogepriesterlijk gewaad aangetrokken. Op bevel van God beklimmen zij de berg Hor 1 – aan de grens van Edom: Mozes, Aärons broer en Eleázar, Aärons zoon. Daar bovenop die berg zal Aäron gaan sterven. Wij mensen weten de tijd van ons sterven in de regel niet. Mijn overgrootmoeder stond op een maandagmorgen aan de wastobbe en zei: ‘Ga de kinderen roepen; want ik ga sterven.’ Maar het is slechts weinigen gegeven de dag te weten, waarop zij uit het leven heengaan. Ieder van ons moet er echter wel op rekenen, dat dit vandaag of morgen kan zijn.
Ontroerende gedachte: voor elk van ons komt er een dag waarop wij voor het laatst onze mantel, ons pak, onze schoenen zullen hebben aangetrokken. Voor Aäron is het dan nu zover. Daar gaat hij de helling van de berg Hor op: een man op weg naar zijn eigen graf. Stille ‘op - tocht’, ontroerende uitvaart. Heel Israël staart hem na. Slechts twee familieleden begeleiden hem.

Kijk nog één keer naar hem. Hij draagt een hemelsblauw opperkleed dat fel afsteekt tegen de kale rotsen. Er hangen gouden belletjes en granaatappels onderaan, schitterend in de zon.

Zichtbaar en hoorbaar gaat Aäron heen. Een gouden efod als een soort overgooier hangt over zijn borst met in het midden een borstschild met twaalf verschillende stralende edelstenen waarin de namen van de twaalf stammen van Israël. 2 Aäron gaat weg van zijn volk. Maar eigenlijk neemt hij zijn volk toch ook mee. Op zijn hoofd: een tulband met een plaat van zuiver goud. Daarop staat geschreven: ‘Heilig de Heere’. Aäron is een God gewijde man. Zie hierover verder Ex.28:1vv.
Een vraag aan u: Is dit alles kleding om in te sterven? Nee toch?! Het is ambtskledij van een uitgediende ambtsdrager. Maar ook van Aäron geldt, dat hij de weg moet gaan van alle vlees, al leek er aan zijn leven geen eind te komen.
Mirjam, zijn zuster is hem reeds voorgegaan; zij is begraven in de woestijn Zin te Kades (Num.20:1). 3 Zo gaat de een na de ander uit het leven heen. Je kunt als Aäron de dood en begrafenis van duizenden hebben meegemaakt; en hoe velen van de Israëlieten hadden in de Sinaï - woestijn al niet de laatste adem uitgeblazen. Maar dan komt toch nog wel een keer de dag, waarop het aan ons persoonlijk wordt voltrokken. En zijn wij er dan voor klaar? ‘Het is de mensen gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel’ (Hebr. 9:27).
Maar kom, laat ons Aäron op zijn laatste gang verder begeleiden. Het is geen lange rouwstoet die met Aäron meegaat naar de hoogte van de berg Hor. Slechts twee personen: Mozes, Aärons broer en Eleázar , de oudste in leven zijnde zoon van Aäron. Zij zijn als twee paranymfen die een promotie meemaken.

Welk een zegen, als er op onze sterfdag enkele geliefden zijn (broederhanden, kinderogen) die ons tot aan de grens van het leven vergezellen, tot op dat ogenblik dat zij ons alleen verder moeten laten gaan. Zij kunnen ons helpen om onze aarzelingen te overwinnen, wanneer wij de donkere doodsvallei binnengaan. Mozes heeft dat laatste voor zichzelf niet zo meegemaakt. Hij stierf in de eenzaamheid. Daar werd hij met een kus van Gods mond van de aarde weg gekust (zo hebben de rabbijnen het gezegd).


Aäron, Mozes, Eleázar. Bovenop de berg Hor blijven ze staan. Moet u eens kijken, welk een machtig vergezicht ze hier hebben. Maar veel aandacht hebben ze er niet voor gehad. Onze tekst moet aldus gelezen worden: ‘En Mozes trok Aäron zijn klederen uit en bekleedde daarmee zijn zoon Eleázar en Aäron stierf aldaar op de bergtop.’ 4 Een verklaarder van ons tekstgedeelte (A. H. Edelkoort, a.w, blz.164) schrijft: ‘Daar verloor een man zijn levensideaal, een zoon zijn vader, een broeder zijn trouwe helper, het volk een van zijn voortrekkers. Het getuigt dan ook van weinig fijnheid van geest, als sommige Rabbijnen de onderstelling opperden, dat Mozes zijn broer zou hebben vermoord…’.
Mozes’ handen hadden Aäron met zijn priesterlijke kleren bekleed. En nu trekken Mozes’ handen ze hem ook uit. ‘Want uit eerbied voor het priesterschap was het niet passend, dat hij erin zou sterven’ (M.Henri).

Aäron kan in elk geval zijn ambtsgewaad niet naar zijn graf meenemen. Hij kan zich met zijn ambtelijke bediening niet redden voor God. Kleefden er niet aan zijn werk als hogepriester veel gebreken? Had hij zich niet door het volk laten verleiden om een gouden kalf (stierbeeld) te maken bij de Sinaï? En alleen door een wonder van genade had hij er toen het leven afgebracht.


Aäron kon ook het land Kanaän niet binnengaan vanwege weerspannigheid. Met zijn broer Mozes had hij zich immers mede schuldig gemaakt bij Meriba, toen zij in plaats van te spreken tot de rots erop geslagen hadden en gezegd: ‘Zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots tevoorschijn brengen?’ (Num.20:10 slot). Lees het na in hetzelfde hoofdstuk als waarin van Aärons dood melding wordt gemaakt.
Terecht zegt een verklaarder (M.Henri), dat ‘Aäron niet als een kwaaddoener ter dood is gebracht…, maar dat hij stierf in vrede en in eer. Hij is niet ‘uitgeroeid uit het midden zijns volks,’ zoals de uitdrukking gewoonlijk luidt betreffende hen, die sterven door de hand van de Goddelijke gerechtigheid, maar hij is ‘verzameld tot zijn volken’, als een die stierf in de armen van de Goddelijke genade.’

Zo stond Aäron erbij op de top van de berg Hor. Met Job had hij alle reden om te zeggen: ‘Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren’ (Job 1:21). Laten wij het op onszelf toepassen. Met ons zal ’t straks niet anders zijn.


Dit staat wel in schrille tegenstelling tot wat de Arabieren in later eeuwen ervan hebben gemaakt. Zij meenden het graf van Aäron gevonden te hebben. Zij hebben hartstochtelijk tot Aäron gebeden op deze plaats. In 1818 vond men daar een 80jarige kluizenaar die de helft van zijn leven op de berg Hor had doorgebracht, dichtbij de vermeende stoffelijke resten van de door hem zo vereerde Aäron. Men heeft gebeden: ‘O, Harouw, zie op ons neder. Het is voor u, dat wij dit offer slachten. O Harouw, bescherm en vergeef ons. O, Harouw, wees tevreden met onze goede wil, want het is maar een mager dier (dat wij offeren). O, Harouw maak onze paden effen en wees geloofd en geprezen bij aller schepselen Heer’.’
Maar nog eens, dat is te veel eer geweest voor een schepsel als Aäron. Als Gods kind de donkere doodsvallei door moet, is er niets waarop hij terug kan vallen. Een voorganger, een ouderling of diaken redden zich dan niet met hun trouwe ambtsbediening, al mochten ze voor velen tot een rijke zegen zijn. Een rijke redt het niet met geld en goed. Een deugdzaam mens ziet al zijn kwaliteiten als sneeuw voor de zon wegsmelten. Er schiet maar één woord over: het woord genade. En juist dat is precies genoeg om God onder ogen te kunnen komen.
Aäron heeft op de top van Hor met zich laten doen. Hij heeft niet tegengesputterd, toen de Heere hem gezegd had, dat zijn tijd gekomen was om te sterven. We kunnen wel zeggen, dat dit stil berusten in Gods beleid - het zwijgen voor God - Aäron steeds heeft getypeerd. Toen hij twee zonen verloor door de dood, Nadab en Abihu die vreemd vuur voor het aangezicht van God gebracht hadden en op slag gestorven waren, lezen we van Aäron: ‘Doch Aäron zweeg stil’ (Lev.10:3 slot). 5
Inderdaad, Aäron heeft geleerd om de oordelen van God te billijken. En zo zal hij ook op het moment, dat zijn stervensuur naderde, zich stil onder God gebogen hebben. Hij wist, dat hij geen rechten had, ook niet op het land der belofte (vs.24). Laten we dat van hem leren. Ons past geen gebalde vuist, als we met tegenspoed, kruis en druk en als we met de dood te maken krijgen. Ons past ook geen valse berusting. Velen leggen er zich maar bij neer, als opstand en verzet niet meer baten. Maar berusting is nog wat anders dan overgave.
Wij mogen het in hoger handen geven, als het einde van ons leven nadert. Laat dan onze verwachting zijn van de Heere die de weg door het donkere doodsdal heeft geëffend in Zijn Zoon Jezus Christus. ‘Hij is de opstanding en het leven’ (Joh.11:25a). Zo was dan het opgaan naar de berg om te sterven voor Aäron (en Aaron wordt ‘de heilige des Heeren’ genoemd) een opgang van een heilige. ‘Heiligen gaan in hun sterven veeleer op dan af, naar de dood’ (M.Henri).
Aäron kon nog niet weten van een Zaligmaker Jezus Christus en het Vaderhuis met vele woningen. Maar ons is dat alles vele malen verkondigd. Hoe vernederend dan ook de dood is – en dat is ze -, langs geen andere weg dan door de dood heen, is er het eeuwige leven in gemeenschap met onze lieve Zaligmaker in de hemel der hemelen.

Bezwijkt dan ooit in bitt’re smart

of bange nood mijn vlees en hart,

zo zult Gij zijn voor mijn gemoed

mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.

(Ps.73:13b ber.)


Maar laat ons nu nog een ogenblik stilstaan bij een troostrijk gebeuren waar onze tekst ook van spreekt. We lezen daar: En Mozes trok Aäron zijn klederen uit en trok ze zijn zoon Eleázar aan… (Num.20:28a). 6
Eleázar, de oudste nog in leven zijnde zoon van Aäron, mag ’in vol ornaat’ zo meteen afdalen naar het volk en het hogepriesterlijke werk van vader Aäron voortzetten. Het ligt voor de hand hier inderdaad aan de hogepriesterlijke kledij te denken. Zie Ex.29:29 waar we lezen, dat de heilige kleding die van Aäron was, van zijn zonen na hem zou zijn. Vgl. ook Jes. 22:20-25.
Het moet dus voor Aäron ‘een grote voldoening zijn geweest, om zijn zoon, die hem dierbaar was, aldus bevorderd te zien, en zijn ambt, dat hem nog dierbaarder was, aldus bewaard te zien…’ (M.Henri). Aäron heeft van zijn zonen niet in alle opzichten vreugde beleefd. Dat zagen we reeds. Maar nu mocht hij het dan toch maar beleven, dat Eleázar in de sporen van zijn vader mocht gaan en diens werk mocht voortzetten. En dat zal voor Aäron in zijn sterven iets geweldigs zijn geweest.

Het is voor een vader in het algemeen iets moois om zijn kinderen te zien gaan in het spoor dat hij hen heeft gewezen. Enige tijd geleden waren we op bezoek bij mensen in een boerderij en hoorden daar, dat het bedrijf reeds drie eeuwen lang in handen was geweest van dezelfde familie. Nu, het is iets geweldigs, als een vader ziet, dat wat hij heeft mogen opbouwen in de goede handen van zijn kinderen overgaat.


Maar hoe veel te troostrijker moet het voor Aäron zijn geweest, dat hij, voordat hij het tijdelijke met het eeuwige verwisselde, mocht zien, dat het werk der verzoening voortgang mocht hebben en dat zijn volk niet verder behoefde te trekken door de woestijn, zonder een hogepriester.
God nam Aäron weg, maar Hij nam niet het door Hem Zelf ingestelde ambt der verzoening weg. Aäron zag, hoe Mozes Eleázar het hogepriesterlijk gewaad aantrok, dat zijn vader altijd had gedragen. Deze zou nu voortaan het prachtige ambtswerk mogen verrichten in Israëls heiligdom: voor het volk offeren, bidden en het zegenen.

God blijft de Getrouwe. Ondanks al de zonden van voorgangers en van een volk.


Zo is Aärons zoon Eleázar voor zijn stervende vader een prediking geweest van de God aller genade en vertroosting. Daar kon Aäron het mee doen. ‘Die God is ons een God van volkomen Zaligheid; en bij de Heere, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood’ (Ps. 68:21).
‘En Aäron stierf aldaar’. Dat hij daar ook is begraven wordt ons verteld in Deuteronomium 10:6. 7 En zo ‘blijft er dan een rust over voor het volk van God’ (Hebr. 4:9. Aäron rust in vrede. God heeft hem een beter lot bereid.
Sterven is erven voor allen die, na afgelost te zijn van hun aardse post, in Gods heerlijkheid mogen binnengaan. En wat zal het ook voor Aäron zijn meegevallen. Hij zal misschien ook wel, net als ieder kind van God, hebben opgezien tegen het sterven. Hij had ook het sterven van Mirjam zijn zuster, te Kades meegemaakt (Num. 20:1). En hoe gaat dat dan? Als we de een na de ander om ons heen zien wegvallen, bekruipt ons dan soms niet een bange vrees: hoe zal het met mij nog eens aflopen?! Maar Aäron is als het ware in een enkele zucht uit het leven weggenomen. En zo vergaat het ook wel eens met gelovigen vandaag. Soms zien ze de dood, hoewel koning der verschrikking, amper onder ogen.

Op een kindergrafje, ergens op een Engels kerkhof, staat een steen met daarop de woorden: ‘Freddie, yes Lord.’


En laten we dan nu de slotwoorden van onze tekst nog eens goed lezen. ‘Toen kwamen Mozes en Eleázar van die berg af.’ Drie zijn er de berg opgegaan. Twee komen er terug. Het volk treurt. Dertig dagen rouw. Geen wonder. Want met Aäron was er veel weggevallen. En de vraag kon wel gesteld worden: ‘Hoe nu verder?’
Ja, maar het antwoord lag gereed. Want zoals gezegd, Eleázar komt ‘in vol ornaat’ - in het hogepriesterlijke ambtsgewaad - de berg af. Die kledij had om zo te zeggen nog de warmte van Aärons lichaam aan zich. Nee, in de ambtelijke bediening van de verzoening ontstond er geen leemte. Elke dag konden de Israëlieten terecht bij de God van Aäron en bij de hogepriester Eleázar die voor hen tussentrad bij de Heere in de hemel.
En zo is het de eeuwen door onder Israël gebleven. Totdat er in de volheid van de tijd een Hogepriester opstond van een andere orde (naar de ordening van Melchizédek). Gods eigen en enige Zoon, Jezus Christus. Op de berg Hor was er een hogepriester weggevallen. Maar op de heuvel Golgotha kwam er Een voor in de plaats, Die juist door Zijn dood Hogepriester tot in eeuwigheid is geworden. Hij was en is een verzoening voor de Zijnen. Hij liet zich gewillig van Zijn kleding ontdoen. Hij stierf, maar stond ook weer op.
En na Hem behoeft er geen andere Hogepriester meer te komen, zoals dat het geval was na Aärons dood. U kunt Hem thans nog vinden aan de rechterhand van Zijn hemelse Vader, nadat Hij zegenend van de Zijnen is heengegaan (Luk.24:50v). Daar is Hij eeuwig om voor arme zondaren te pleiten bij de Vader. Hij is hun een oorzaak van eeuwige zaligheid geworden. ‘Hij kan volkomen zalig maken die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden’ (Hebr. 7:25). ‘Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde (Hebr. 4:15).
Dit Evangelie van de verzoening heeft intussen de wereld veroverd. En de Heere heeft dat Woord van de verzoening ook in ons gelegd. ‘Zo zijn (ook) wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bad; wij bidden van Christus wege, laat u met God verzoenen’ (2 Kor. 5:20).
Mozes kwam met een nieuwe hogepriester de berg af. Wij kunnen en mogen nooit meer met een andere Hogepriester naar u toe komen dan Jezus Christus en Die gekruisigd. U kunt niet sterven, als u Hem niet kent als uw Heiland. Hebt u daar wel eens aan gedacht?
‘Hij kan volkomen zalig maken die door Hem tot God gaan…’. Dat is ook voor u de weg. Sla de armen van het geloof dan maar om Hem heen. Het zal uw oordeel verzwaren, als u zoveel genade aangeboden hebt gekregen en u intussen hebt verhard. Maar als u iets kent van het ‘zwijgen van Aäron’, van een stil buigen onder Gods oordelen, mag u ook in stille verwondering opzien tot Hem Die genade heeft, overvloeiende voor de grootste van de zondaren.
Mag ik eindigen met een persoonlijk woord. Als emeritus predikant kan ik begrijpen wat er door Aäron heen is gegaan, toen hij zijn bediening moest loslaten. Ik heb nog wel eens gebeden: ‘Heere, geef mij mijn bediening terug; want ik kan zonder haar niet leven’ (Adolphe Monod).
Maar ik mag het gelukkig met Aäron ook inleven, dat ik niet de enige en ook niet de laatste ben, die het Woord van de verzoening onder u heb mogen verkondigen. De Heere wil gebruik van ons maken, als het Hem belieft. Maar als het erop aankomt, kan Hij het ook best zonder ons.
Op Gods tijd is er aflossing van de wacht. Dan krijgt de gemeente anderen, jongeren die de lijnen mogen doortrekken. Als een geschenk uit Gods hand. Daarvoor loven wij Zijn Naam. Soli Deo Gloria; God alleen de eer.
‘k Zal Sions, ‘k zal der armen spijs,

hier zeeg’nen op de ruimste wijs;

hier zal Ik, Mijne Naam ten prijs,

de priesters met Mijn heil bekleên

en ’t volk doen juichen, weltevreên

(Ps.132:10)


Amen

1 Vgl. Num.33:37; Deut.10:6. Edelkoort schrijft: ‘Volgens de traditie lag de berg op Edomietisch gebied; het zou de ğebel Hârûn zijn (d.i. de berg van Aäron) in de buurt van Petra. Daar wordt nog steeds het graf van Aäron getoond (Jos. Ant. IV.4,7). Daartegen verzet zich echter vs.23. Om zijn zonde bij Meriba bedreven (20:2-13) zal Aäron daar sterven. Den opmarsh naar het beloofde land zal hij niet meemaken. Zijn zoon Eleazar vergezelt hem. Na de dood van Nadab en Abihu (Ex.6:22; Lev.10:1v) was deze de oudste zoon en derhalve gerechtigd zijn vader op te volgen. Vóór zijns vaders dood moest hij daarom diens klederen aantrekken (vgl. Ex.29:30); het is niet noodzakelijk, dat daarmee de hogepriesterlijke statiekleding is bedoeld. Het zich kleden in het gewaad des vaders deed vanzelf diens kracht en waardighid op de zoon overgaan (1 Kon.19:19)….Zo A.H. Edelkoort, Numeri (serie Tekst en Uitleg) Groningen-denHaag – 1930; blz.164. NB: het laatste wat Edelkoort hier opmerkt, is niet overtuigend (zie Ex.29:29). Onduidelijk is ook, waarom vs.23 zich zou verzetten tegen wat Josephus vertelt.

2 De afbeelding is gekozen uit De Bijbel in zijn wereld (een beeld van de wereld en de tijd waarin de Bijbel ontstond (dr. Michael Avi-Yonah, enz.); Nederl. bewerking van dr. M.A. Beek, enz.); Zwolle 1963; blz. 55.

3 Ds. J.E. de Groot schrijft: ‘De eerste van de leiders die sterft, is Mirjam, de profetes die zo mooi had gezongen na de uittocht uit Egypte. Maar ze was ook in opstand gekomen tegen Mozes (Num.12) en werd toen melaats. Ze was echter weer genezen, nadat Mozes voor haar had gebeden…Mirjam komt niet in het beloofde land. Wel uit Egypte bevrijd. En een kleine veertig jaar in de woestijn. Maar net niet in het beloofde land. Wat een teleurstelling zal dat voor haar geweest zijn. Zo ds. J.E. de Groot, Israël onderweg; van Horeb tot Moab; Numeri. Bijbelstudie IZB Amersfoort (ISBN 90 75535-28-7); blz. 35.

4 Ds. J.E. de Groot schrijft (a.w., blz.38):’ Deze berg Hor wordt vandaag nog aangewezen als je in Jordanië bent, vlakbij het oude Petra. De berg heet ook Aäronsberg en is ongeveer 1300 meter hoog….Aäron moet sterven, omdat hij ook betrokken was bij de zonde in Meribat-Kades…, waar Mozes op de rots geslagen had. Hij had in ieder geval niets gedaan om Mozes in zijn driftig handelen tegen te houden….Aäron betoont in zijn sterven volstrekte gehoorzaamheid…Maar er is ook een vervolg, want het ambt gaat van vader op zoon…Het contact met God mag open blijven…’

Josephus (Joodse Oudheden IV.4,7) zoekt de berg Hor, een hoge top van het gebergte Seïr (Djebel Nebi Haroen-berg van de profeet Aäron) ook in de buurt van het huidige Petra (aan de voet van die berg). Eusebius steunt deze overlevering. De foto toont ons de ruïne van een imposante grot in Petra (gemaakt tijdens een Israël-Jordanië reis van docenten/ studenten van de Christelijke Hogeschool Ede van 28 april tot 8 mei 1998) .



5 Nadab was Aärons oudste. Andere zonen van Aäron waren Abihu, Eleázar en Ithamar (Ex.6:22; 24:1, 9; 28:1; Num.3:2; 26:60). Lev.10:1vv en Num.3:4; 26:61 vertellen ons van het dragen van vreemd vuur voor het aangezicht des Heeren door Nadab en Abihu en hoe zij daarna stierven. Van Eleázar en Ithamar lezen we, dat zij het priesterambt voor het aangezicht van hun vader Aäron bedienden.

6 Het Hebr.werkwoord ‘pasjat’ in hiph. ww.vorm = iemand iets laten uittrekken , uittrekken.. Er is geen bezwaar tegen de vertaling van de Statenvertaling (dus: Mozes trok Aäron zijn kleren uit..). Hebr.’bègèd = (over)kleed. Hebr. ‘labesj’ (hiph) = bekleden. De Kanttekeningen van de Statenvertaling zeggen bij vs.26: ‘te weten, zijn priesterlijke klederen, van welke zie Exod. 28:2. En bij vs.29: ‘’Aäron is gestorven in het 123ste jaar zijns ouderdoms, Num. 33:38,39, op den eersten dag der vijfde maand, in het veertigste jaar na den uittocht uit Egypte.

7 In Deut.10:6 en 7 vinden we een stukje reisverslag: Beërôth – Bene-Jáäkan en Moséra. Aldaar stief Aäron, en werd aldaar begraven; en zijn zoon Eleázar bediende het priesterambt in zijn plaats. En van die plaats gaat het dan verder naar Gudgod en van Gudgod naar Jotbath; blijkbaar in de buurt van een plaats die rijk was aan beken. Vgl. Num.33:31-33. Drs. H. de Jong schrijft: ‘Waar waterbeken zijn, daar regeert Gods zegen’ (een soort wedergeboorte van de priesterdienst). Drs. H.de Jong, Deuteronomium I-XVII, de evangeliesche wet; deel I; Kampen 1987; blz.82v.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina