Preek over Openb. 2: 12-17



Dovnload 47.77 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte47.77 Kb.
Preek over Openb. 2:12-17

(De brief aan Pérgamus)


1. Votum

2. Groet


3. Psalm: 4:4

4. Wet des Heeren / Apost.gel.

5. Psalm: 6:2 / 103:11

6. Schriftlezing: Openbaring 2:12-17

7. Gebed

8. Tekst( thema): Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is en Ik zal hem geven een witte keursteen en op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent dan die hem ontvangt (Openb.2:17b)


Puntenverdeling

  1. Pergamus – troon van satan

  2. Antipas, de getrouwe getuige

  3. Compromischristendom (Bileam/ Nicolaieten)

4. Verborgen manna en een witte steen met een nieuwe naam
9. Inzameling der gaven

10.Psalm: 105:22, 24

11.Prediking

12.Psalm: 32:1

13.Dankgebed

14.Psalm: 25:6

15.Zegenbede
* * *

Wanneer u een auto ziet rijden met op de vooruit de afbeelding van een esculaap (een slang rondom een staf), dan weet u:dit is de auto van een arts. Het teken van de slang is altijd al het symbool geweest van de geneeskunde.


1. Pergamus – troon van satan
Zo is het altijd geweest. Al in de tijd van de oude koningsstad Pérgamus in Klein Azië waarvan we lezen in Openbaring 2. Een veelbetekenende provinciestad.1 Vanuit Rome moet er geregeld contact zijn geweest met deze plaats, de zetel van het Romeinse bestuur over de hele provincie Asia (Klein Azië).
Duizenden bezochten daar jaarlijks de tempel van de god van de geneeskunde, Esculapius. Tientallen doktoren hadden daar gestudeerd aan de medische faculteit. Pérgamus was een stad met een op een na grootste bibliotheek van de wereld en daarin een zee van literatuur. Kennis is macht. Pérgamus was een boekenstad. ‘Marcus Antonius nam de hele boekenschat later mee naar Egypte, als cadeautje voor zijn geliefde Cleopatra.’ 2
Maar niet alleen daarom was Pérgamus een machtige stad. Ook bekende Griekse goden kwamen er aan hun trekken. Voor Zeus bijvoorbeeld, de hoofdgod van de Grieken was hier een reuzenaltaar gebouwd. Vandaar de naam Pérgamus (hoge burcht). Achter Pérgamus bevond zich een 300 meter hoge heuvel waar de bouwwerken stonden van een macht, de staatsmacht die meer invloed uitoefende dan al de boeken van die stad, ook over de geneeskunst.3 De Romeinse keizer werd hier als god vereerd. Ook stonden er steeds schitterende feesten met welluidende lofzangen op Rome op de activiteitenagenda. Daar deed iedereen natuurlijk graag aan mee. Wee die mens wiens geweten niet opgescherpt wilde zijn door de publieke mening.4

Nu, zulke mensen waren er gelukkig ook in Pérgamus. Zij droegen de christennaam. Zij hadden een eigen belijdenis, die diametraal stond tegenover die van de massa: Jezus ‘Christus is Kurios-Heere’ (niet de keizer te Rome). En zij schaamden zich ook niet om daaraan vast te houden en ervoor uit te komen. Lijnrecht tegenover alle mensverafgoding van de machtige offerfeesten ter ere van de goden. De oude slang uit het paradijs had het hier voor het zeggen, de mensenmoorder van de beginne. Zijn troon stond hoog opgericht in Pérgamus (lees het slot van Openb. 2:13).


Christenen. Zij stonden aan de zijlijn. Kans op een staatsbetrekking hadden zij niet. Zij werden eigenlijk niet geduld in de maatschappij.
En dan op een dag valt er een brief op de deurmat van het huis waar de voorganger van de christelijke gemeente woont. Een brief van de hand van een trouwe dienaar van de Heere Jezus, van de apostel Johannes. Hij is om zijn geloof verbannen naar het eenzame eiland Patmos, voor de kust van Klein Azië. De verhoogde Heere in de hemel heeft die brief, vol bemoediging en opwekking gedicteerd en geadresseerd, speciaal voor de kleine kudde van Jezus in Pérgamus.
‘Ik weet uw werken en waar u woont.’ Aldus de inzet van die brief. O zeker, de Heere in de hemel weet ervan, als mensen genoeg krijgen van het leven in de zonde, van mensverafgoding, van de cultuur en cultus van het heidendom. Hij weet het ook van u, gemeente, als u met alles wat u in uw binnenste omdraagt aan boze lusten, overboord gaat en uw nood leert uitschreeuwen aan het beste adres dat er is: het Lam van God. Hij weet het ook wat daar allemaal op afkomt en hoe zwaar een mens het dan te verduren krijgt.

Hij weet het, hoe zwaar het voor u is om met Job op de puinhopen van het leven terecht te komen en hoe groot dan de verzoeking is om de dienst des Heeren vaarwel te zeggen. Hij weet het, dat er niets voor nodig is om ons afvallig te maken en met de wereld om ons heen te gaan meedoen in het zondeleven. De satan heeft niets liever. De grote ‘hinderaar’ en dwarsligger die een spaak in het wiel steekt. Hoe zwaar valt het dan de mens om met Job te zeggen: ‘Ziet, zo Hij (de Heere) mij doden zou, zou ik niet hopen?’ (Job 13:15a).


Christenen zijn niet zelden mensen die in de eenzaamheid van het bidvertrek te worstelen hebben met hun afgodisch hart, met de verleidingen van de duivel om terug te keren op hun schreden en de vreugde van de genietingen der zonde weer op te zoeken.
En hoe groot is het dan te vernemen, dat er Een in de hemel is, die niet alleen op de hoogte is van onze toestand, maar ook met ons verbonden blijft, zodat het water wel tot aan de lippen kan komen, maar nooit daar overheen. Hij is de duivel de baas. Die is als een hond aan de ketting en kan tekeer gaan, zoals hij wil, maar kan toch niet dichterbij komen dan de ketting waaraan hij vastligt, reikt.
‘U woont waar de satan zijn troon heeft. 5Ik weet ervan. Maar Ik weet ook van u, dat u zich (vast)houdt aan Mijn Naam en Mijn geloof niet verloochent. Mijn geloof, dat is: het geloof in Mij als uw Zaligmaker.’ Hoe bemoedigend klinken deze woorden. Als de Heere Jezus ons een brief zou schrijven, gemeente, zou Hij dit dan ook van u en van mij kunnen schrijven? Nee, nooit in eigen kracht, maar alleen in de kracht van de verhoogde Heere kunnen wij staande blijven en overwinnen. En met die kracht wil Hij ook ons sterken zelfs in het grootste gevaar.
2. Antipas, de getrouwe getuige
Denk maar eens aan Antipas. Hij wordt genoemd in vers 13. Een inwoner van Pérgamus, en een christen die ingewonnen was voor het leven met God en daarvoor ook moedig was uitgekomen. ‘Mijn getrouwe getuige’ wordt hij genoemd in de brief van de Heere Christus aan de christelijke gemeente te Pérgamus.
Hij was opgekomen voor de eer van God in een goddeloze wereld. Hij had alle schatten ven kennis ingeruild voor de kennis van Jezus Christus en Die gekruisigd. Dat is toch een zegen, gemeente, als wij niet alleen weten van een Beschermer in de hemel, maar ook mogen geloven, dat Hij van ons weet. Echt waar, Hij vergeet de Zijnen niet.
‘Mijn getrouwe ‘marturos’, Antipas. Martelaar om het geloof, voor de zaak van Koning Jezus. Zijn bloed was dierbaar in Gods ogen. De legende verhaalt, dat hij bisschop geweest is van Pérgamus en onder Domitianus (81-96 nChr.) in een koperen oven (stierbeeld) levend geroosterd werd (+ 90 nChr.). Het zal je maar overkomen, gemeente.6

Meer kan ik u van dit gemeentelid van Pérgamus niet vertellen. Maar is het soms niet groot genoeg, dat hij onvergetelijk was voor de Heere in de hemel en ook een onvergetelijk voorbeeld is geworden voor alle lezers van de Bijbel.7


Vooral in de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling zijn er vele martelaren geweest, wier namen slechts in de hemel bekend werden. In Rome zijn er oude graven gevonden waarop slechts vier letters stonden: Q.N.D.S. Lange tijd wist men niet, wie hier begraven waren. Totdat iemand de betekenis van die vier letters verstond: quorum nomina Deus scit – wier namen God alleen weet. Hier waren blijkbaar ooit gelovigen begraven, van wie niemand de namen meer wist. Behalve de Heere in de hemel.
Het is een grote genade om bekend te zijn in de hemel bij God. Daar kunt u uw naam op aarde voor inruilen. Ik wil graag een NN zijn (nemo nescio: ik weet de naam niet), als ik maar weten mag, dat de Heere mij in Zijn beide handpalmen heeft gegraveerd (Jes.49:16a).Ooit ontmoette ik in Zeist op zijn sterfbed een man die vele jaren gewerkt had op de Gerofabriek als meester graveur. Hij had het kenmerk van zijn bedrijf gegraveerd in menigten van lepels en vorken. ‘Die inscripties’ – zo zei hij mij – ‘slijten in die gebruiksartikelen geleidelijk aan weg, maar dat mijn naam in de beide handen van mijn Meester in de hemel is gegraveerd, die gaat daar nooit meer uit.’

Pérgamus stond in de hemel goed aangeschreven. Toch was ook deze gemeente niet een gemeente zonder smet of rimpel. Er waren niet enkel trouwe getuigen. De scheidslijnen liepen dwars door de gemeente heen, zoals dat ook in onze dagen het geval is. Het is niet alles goud wat er blinkt. Het is niet genoeg om ingeschreven te staan in kerkelijke registers, om een uitwendige band te hebben met alle ware Christus-belijders. De Heere in de hemel weet, dat er ook meelopers zijn, die de ware gelovigen op een zijspoor proberen te lokken.


3. Compromischristendom (Bileam/ Nicolaieten)
Nu, de verhoogde Heere spreekt in Zijn brief aan de gemeente van Pérgamus heel de gemeente aan in een ernstig vermaan. ‘Ik heb enige weinige dingen tegen u….’. Er zijn ook in onze tijd gelukkig trouwe getuigen zoals Antipas. Maar dat moet er ons niet blind voor maken, dat er ook anderen zijn, die vermaning nodig hebben, al was het slechts op het punt van ‘enige weinige dingen’ (vs. 14a). Weinige dingen, maar geen dingen die te verwaarlozen zijn.
Want wat was er dan aan de hand in Pérgamus? Wel, er liepen in die gemeente ook compromis-christenen rond. Christenen die kerk en wereld onder één dak wilden brengen. Wellicht waren de ergste vervolgingen al nagenoeg voorbij. Over de marteldood van Antipas wordt althans in de verleden tijd gesproken.
Nu, niet altijd is verdrukking en vervolging in het nadeel van een christelijke gemeente. ‘Onder de druk van de steen groeit de palmboom’, zegt een Arabisch spreekwoord. Als zo’n boom niet goed wilde groeien legde men soms een zware steen in zijn kruin en gingen daardoor de wortels van die boom dieper de grond in. Hoe vaak horen wij ook in onze tijd niet van christenen (in Noord Korea, Eritrea, Sudan…) die juist in hun verdrukkingen moedige getuigen van hun geloof mogen zijn.
Maar in tijden van voorspoed, als alles voor de wind gaat en het geloof niet door dik en door dun meer verdedigd wordt, komt er niet zelden verslapping en verbroedering met de wereld.

Hoe dat in Pérgamus in zijn werk ging, is niet met zekerheid te zeggen. Zeer waarschijnlijk liepen er in de christelijke gemeente aldaar mensen rond, die meenden, dat men de antithese met de wereld niet op de spits moest drijven. Zij namen deel aan de feesten ter ere van de Griekse goden en meenden, dat zij niet altijd maar het achterste van hun tong behoefden te laten zien. Het waren om zo te zeggen: christenen incognito. Zij knielden in stilte voor Jezus, maar in het openbare leven waren ze in niets onderscheiden van hun ongelovige buren en collega’s. Men redeneerde: Je kunt toch niet altijd maar in een hoekje kruipen, als de wereld feest viert. Ga gerust eens kijken, maak een rondedansje mee. Je weet, hoe ver je kunt gaan.


Gevaarlijke instelling. Ook in onze tijd zijn ze er, die er zo’n gedrag op nahouden. In Moslimlanden kan men er maar beter niet voor uitkomen, dat men van Moslim christen is geworden. Want daardoor verliest men alle contacten met familie en vrienden en wordt men hier en daar zelfs met de dood bedreigd. Dus maar gewoon doen, alsof.
Ja, en dat komt ook onder ons maar genoeg voor. Als het vuur ons na aan de schenen wordt gelegd, leggen we maar liever de hand op de mond en laten ieder in de waarde waarin hij is. Christendom achter gesloten deuren. In Pérgamus had de satan eerder de christenen bang gemaakt door vervolging en druk. Maar de duivel kon het ook nog wel op een andere manier voor elkaar krijgen om de gelovigen te vervreemden van Christus en het geloof in Zijn Naam.
Luister maar naar wat de Heere in de hemel de gemeente van Pérgamus verwijt: ‘Ik heb enige weinig dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de lering van Balaäm (= Bileam) houden.’ Wat daarmee bedoeld wordt, is niet onduidelijk. Wie was Bileam? Een profeet die door Balak, de koning van de Moabieten gehuurd werd om het volk Israël te vloeken, toen dit volk op weg was naar het beloofde land. En toen Bileam dat niet voor elkaar kreeg en Israël zegende in plaats van vloekte, bedacht hij een list, die tenslotte funest werd voor Gods volk. Hij organiseerde een machtig verbroederingsfeest tussen Israël en de Moabieten. Nee, zij hoefden elkaar niet langer als tegenstanders te beschouwen. Zij wilden niet langer op voet van oorlog met elkaar leven. Zie daar de ‘theologie’ van Bileam. ‘Als de Christenen allemaal zó waren, dan was het best uit te houden in deze wereld’ (Dr. J. H. Bavinck, a.w., blz. 59).
En raad eens: een paar dagen later brandden de altaren ter ere van de goden van de Moabieten en voerden de Moabietische meisjes prachtige dansen uit. De Israëlietische jongens keken hun ogen uit. Ze dansten vrolijk mee. Ze raakten in betovering van de schoonheid van die meisjes en vrouwen. Ze leverden zich aan haar uit. Vooruit, één keer dan maar. En zo raakten ze verkocht onder de zonde. Waar was nu hun geloof in de God Die hen uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid had? Vgl. Num. 31:16.
Welnu, zo’n geest van collaboratie met de vijand en van compromis - christendom (zoals van Bileam), met alle kwalijke gevolgen van dien, had ook Pérgamus veroverd. De duivel had het voor elkaar gekregen om de christelijke gemeente een aanstoot en struikelblok voor te werpen. En intussen namen de mensen maar gewoon deel aan het heilig Avondmaal, alsof er geen vuiltje aan de lucht was.
Maar in feite was het een schandaal; zo staat het er eigenlijk (Gr.’skandalon’). Satan liet hen in de val lopen. Niet anders gaat het in onze gemeente, wanneer wij geen grenzen meer trekken en alle godsdiensten over één kam scheren. Of men nu de Heere aanroept of Allah, het is toch immers lood om oud ijzer. Vgl. 1 Petr. 4:4; 1 Kor. 6:8, 10.
En beste jonge vrienden, maakt het voor jullie nog wel wat uit, of je je levensgezel(lin) uitkiest uit de kring van hen die van God noch gebod weten of dat je elke avond op je knieën God vraagt om een partner voor wie de dienst van de Heere nummer 1 is? Gaan jullie in zee met een jongen of meisje bij wie je seksueel aan je trekken komt, al ben je in de verste verte niet van plan om te trouwen?
Lees dan nog eens de geschiedenis van Bileam. En luister naar wat de verhoogde Heere Jezus je in Zijn brief voorhoudt. In vers 15 wordt gesproken over de Nicolaieten. Zij worden in een adem genoemd met hen die het spoor van Bileam volgen (zie vs.14). Zeer waarschijnlijk gaat het dan over eenzelfde soort christenen, namelijk aangepaste christenen bij wie Moabieten en Israëlieten op één stoel zitten en op één bed slapen. Vgl. Openb.2:6.8

Maar vergeet dan tenslotte niet, dat wie God verlaat smart op smart heeft te vrezen. Onder de Israëlieten stierven er na het verbroederingsfeest met Moab 24.000 op één dag. Christus heeft een tweesnijdend scherp zwaard dat zich keert tegen al Zijn vijanden. Lees het 16e vers van Openbaring 2 nog eens. ‘Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastig bijkomen en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard van Mijn mond.’ Dat is niet mis te verstane taal.


Ik zeg het vanmorgen tegen jong en oud, wat het doopformulier ons voorhoudt: Dat wij de wereld zullen verlaten (verzaken), de oude natuur moeten doden en in en nieuw godzalig leven moeten wandelen. Wel, zou het dan nu vanmorgen geen tijd zijn geworden, dat jij, jongen/ meisje breekt met die vriendschap met de wereld die je nu al zolang aan de hand hebt gehouden; resoluut en direct.9
Bekeer u. Ook als u misschien als moeder alleen staat in uw gezin. Wat hebt u tot nu toe niet allemaal over zijn kant laten gaan? Hoe laat mogen uw kinderen thuiskomen op zaterdagavond? Is er in uw gezin nog wel enige controle over wat u voorgeschoteld wordt in de moderne media (t.v., internet).

Maar laat ik nu verder maar geen voorbeelden noemen. U kunt weten, dat, ook als God u door Zijn Geest tot een nieuw leven deed komen, de Bileamsgeest diep in uw hart leeft. En naarmate we er meer aan toegeven, naar die mate verslappen we in de strijd tegen de zonde en gaan het tenslotte ook allemaal maar gewoon vinden wat de wereld om ons heen doet. Wat we nodig hebben is bekering. Radicale ommekeer. In verslagenheid over onze zonden, ons voor de hoge God vernederen en Hem om genade smeken. En zo niet, hoor wat Christus zegt: ‘Ik zal u haastig bijkomen en tegen hen krijg voeren met het zwaard van Mijn mond’ (vs.16).


Zeg ik dit allemaal, gemeente om u vrees aan te jagen. Nu, het is zo verkeerd niet, als u tot uzelf inkeert en u afvraagt, of u voor de Rechterstoel van Christus kunt bestaan. Maar het motief om u te bekeren, ligt niet alleen in de vrees voor het gericht van God. Het ligt hierin, dat u het weer mag gaan inleven, hoe rijk het is om het eigendom te zijn van Jezus Christus en gered te zijn door Zijn Zaligmakerswerk.
Nu, die Zaligmaker staat vanmorgen voor u met uitgebreide armen om u op te vangen, als u in de nood van uw ziel tot Hem komt. Bedenk, hoeveel het Hem gekost heeft om u tot Zijn eigendom te maken. Heeft Hij niet Zijn dierbaar bloed gestort op Golgotha’s kruis om u los te kopen uit de macht van de satan en u te verzoenen met Zijn Vader? Deze Christus wordt u vanmorgen voorgesteld en aangeboden. Hoor wat de Geest tot de gemeenten zegt.
Die overwint…Wat dat inhoudt? Die zichzelf overwint, is machtiger dan die een stad overwint. Zichzelf onder de knie krijgen. Maar wie kan dat? Alleen door de bijstand van Gods Geest, door de kracht van Gods wederbarende Geest.
En let er dan maar op, welke heerlijke beloften de Heere verbindt aan het bevel om zich te bekeren. ‘Ik zal geven…, Ik zal geven.’ Hij wordt van het geven nooit moe. En zeg het dan nu eerst maar wat de wereld u kan geven, vergeleken bij wat Christus in Zijn aanbieding heeft.
4. Verborgen manna en een witte steen met een nieuwe naam
Het manna dat verborgen is. De God van Israël laat Zijn volk nooit verkommeren. Hier is sprake van een rantsoen dat de hemelse Veldheer uitdeelt aan Zijn soldaten. Manna dat verborgen is. Wat dat kan zijn weten wij uit de geschiedenis die ons vertelt, hoe het volk Israël in de woestijn elke morgen brood uit de hemel kreeg. Het was voor het oprapen. Nee, de ongelovigen onder dat volk mochten het niet noemen: dat zeer lichte brood. Hoor wat Christus Zelf ervan zegt: ‘Ik ben het brood des levens. Uw vaders hebben het manna gegeten in de woestijn en zij zijn gestorven; dit is het brood, dat uit de hemel neerdaalt, opdat de mens (u, ik) daarvan ete en niet sterve. Ik ben dat levende brood, dat uit de hemel neergedaald is; zo iemand van dit brood eet, die zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven van de wereld’ (Joh.6:31-33). Voor wie dit brood ontvangt, is geen woestijnreis te heet of te lang.
Christus voedt de Zijnen met Zichzelf. Hij geeft de Zijnen gaven: stoffelijke en geestelijke blijken van Zijn gunst. Eten en drinken elke dag. Beloften van eeuwig leven. ‘Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen’ (Joh.6:37). Maar Hij is Zelf meer dan de optelsom van Zijn gaven en Hij is Zelf de inhoud van al Zijn beloften. Hoe heerlijk dan, als u de armen van geloof om Hem heen mag slaan en Hem omhelzen mag als uw Redder. Dan wordt u helemaal doorgloeid door Zijn liefde en genade.
Hij heet in onze tekst: manna dat verborgen is. Vgl. Ex. 16:32-36; Hebr.9:4. 10Want alles wat in Hem te vinden is, ligt buiten bereik van de mens van nature. Want ‘de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen. die des Geestes Gods zijn; want ze zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden (1 Kor.2:14). Vgl. ook Joh.14:17. De goedheid en zoetheid van Christus Jezus zijn verborgen voor de onbekeerde mens. Maar wie door een oprecht geloof met Hem verbonden is, mag het ervaren, dat ‘Zijn vlees waarlijk spijs en Zijn bloed waarlijk drank’ is. En die wil dat zalig weten niet inruilen voor geen duizend werelden.
En dan is er nog iets dat de hemelse Christus belooft in de tekst: ‘Ik zal hem geven een witte keursteen en op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent dan die hem ontvangt’ (vs.17b). Vermoedelijk ligt er in deze beschrijving iets dat herinnert aan de gewoonte die in het hooggerechtshof van Pérgamus in praktijk werd gebracht. Daar wierpen namelijk de rechters hun stenen in een urn, wanneer zij iemand wilden vonnissen. De zwarte stenen voor een schuldigverklaring en witte (wit als marmer) in geval van een vrijspraak. En hoeveel christenen zullen voor die rechtbank niet de zwarte stenen toegeworpen hebben gekregen? In onze tekst evenwel belooft de Heere Jezus aan Zijn kinderen de steen van de vrijspraak. Met daarop hun nieuwe naam.11
Mag ik u vragen: Hebt u het soms liever, dat alle mensen wel van u spreken? Nee toch? Is het niet genoeg voor u te mogen geloven, dat Christus u, zo goddeloos als u bent, rechtvaardig verklaart op grond van Zijn bloedstorting en voor eeuwig vrijwaart van het oordeel van God? Hoe rijk om vrede met God te hebben en eenmaal te mogen horen: ‘Komt, gij gezegende van Mijn Vader…’ (Mastth.25:34vv). Wat ik u smeek: ‘Laat u met God verzoenen’ (2 Kor.5:20b).
Let erop, dat op de keursteen iets geschreven staat. Uw naam. Nee, niet uw oude naam, uw zondaarsnaam, maar een nieuwe naam die de Heere u zal geven. Dat is de naam waarmee uw staatsverwisseling is aangegeven. Wanneer iemand in Israël van de ene staat des levens overging naar de andere, werd ook zijn naam gewijzigd. De oude naam paste immers niet meer bij hem. Denkt u maar aan Jakob wiens naam na zijn worsteling met God aan de Jabbok veranderd werd in: Israël - overwinnaar Gods.

Zo geeft de Heere ook aan zondaren die vrijgesproken zijn van het eeuwig oordeel, een genadenaam. Voor iedereen gelijk (de naam van christen)? In zekere zin ‘ja’. En toch ook niet. Want we lezen, dat niemand die naam kent dan die hem ontvangt. Jesaja had het reeds eerder gezegd: ‘En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en gij zult met een nieuwe naam genoemd worden, welke des Heeren mond uitdrukkelijk noemen zal’ (Jes.62:2). Zie ook Jes. 65:15.


In het Koninkrijk van God is de mens geen nummer en is christen-zijn geen fabrieksartikel. De vrijspraak voor Gods rechterstoel wordt persoonlijk ervaren, in een allerintiemste relatie met de levende God Zelf. Het is een diep geheim, waar een niet-gelovige nooit helemaal in kan komen. Als die naam ook u gegeven is, kunt u het nooit helemaal aan een ander vertellen, wat het inhoudt. Het blijft een wonder van a tot z. Dr. J. H. Bavinck schrijft (a.w., blz. 60): ‘Het allereigenste van die ene mens, het allerintiemste, wat niemand weet, wat niemand vermoedt, dat zal in de vorm van een naam geschreven staan op die steen.’
De hemelse Goede Herder kent al Zijn schapen bij name. En als Hij ons bij onze naam noemt, klinkt daarin liefde en teerheid door. Hij had ons immers eeuwig in Zijn hart. En hoe geweldig moet het dan zijn, als Hij ons opnieuw bij onze naam noemt – die heerlijke genadenaam - op de dag van het grote appèl, op de laatste dag van de wereldgeschiedenis. Als de laatste bazuin zal kinken. Dan mag het geloof zeggen: ‘En onder al die miljoenen die daar dan voor de troon van het Lam staan, heeft Hij ook mij in het oog’.
Nu, gemeente, zal het dan ook van u gelden: ‘Maar nu, alzo zegt de Heere, uw Schepper, o Jakob, en uw Formeerder, o Israël!vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn’ (Jes. 43:1)? Dan, op die grote dag, als u de gezegende Zaligmaker tegemoet mag gaan, zult u met de bruid uit het Hooglied zeggen: ‘Dat is de stem van mijn Liefste; ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen’ (Hoogl.2:8).
En ‘alzo zullen wij altijd met de Heere wezen’ (1 Thess. 4:17).
Amen.

1 Dr. J. H. Gunning Jhz. schrijft: ‘Pergamus (Pergamum), ten Noorden van Smyrna aan de rivier Kaïkus gelegen, was eens de hoofdstad van een koninkrijk van dezelfde naam, en al heersten er geen koningen meer, een koninklijke stad was het gebleven! De inwoners leidden hun afkomst af uit Arkadië, en brachten de naam van hun stad terug tot Pergamus, een zoon van Pyrrhus en Andromache, die de vorige koning in een tweestrijd had gedood. In 284 viel Philetaerus van zijn vorst af, en stichtte een afzonderlijk koninkrijk met Pergamus als hoofdstad en een van zijn opvolgers legde de grondslag tot de roem der stad, door het vormen van een bibliotheek, die met die van Alexandrië wedijverde en aanleiding gaf tot het vervaardigen van het naar Pergamus genoemde ‘pergament’. Deze boekerij bezat wel 200.000 handschriften…’ (zie verder het boven vermelde). Zo Dr. J. H. Gunning JHz., Het Boek der Toekomst (de Openbaring van Johannes, voor de Gemeente des Heeren toegelicht). Utrecht 1900; blz.70v.

2 Aldus dr. A. J. Visser, De Openbaring van Johannes (De prediking van het Nieuwe Testament); Nijkerk 1975; 3e druk; blz.33.

3 ‘Hier werd dag aan dag wierook geofferd aan hen die als goden verheerlijkt werden.’ Aldus Dr. J. H. Bavinck, Voort wentelen de eeuwen (gedachten over de openbaring van Johannes). Wageningen z.j., derde druk; blz.56. Bavinck spreekt over ‘een demonische overwoekering’ van een ‘totalitair systeem’.

4 C. Vonk maakt melding van de gedachte, dat ‘de stad Pergamum haar naam dankte aan het feit, dat men als schrijfmateriaal niet langer het uit Egypte ingevoerde papier gebruikte, maar geprepareerde huiden van koeien, die veel duurder waren, maar ook veel duurzamer. Ook vertelt men van een koning te Pergamum, die inzag dat hij kinderloos zou sterven en toen zijn koninkrijk bij testamentaire beschikking vermaakte aan het Romeinse rijk. Daardoor is Pergamum de hoofdstad van Asia geworden en de plaats voor een hooggerechtshof. Er werd ook een tempel opgericht ter ere van de “goddelijk” Augustus, in het jaar 29 v.Chr.’ Zo C. Vonk, De Openbaring van Johannes (De voorzeide leer; deel I Z, de heilige Schrift). Amsterdam 1991’ blz.25.

5 Vgl. Openb. 3:9; 13:2. Dr. J. H. Gunning JHz, (a.w., blz.73) schrijft: ‘Ik behoef slechts op het al wijder en wijder om zich grijpend ongeloof te wijzen, gepaard met het onzinnigste bijgeloof, op de valse leerstellingen, die men omtrent Kerk en Maatschappij, omtrent huwelijk en huisgezin durft te verbreiden…’

6 De afbeelding is een icoon (Icon Sinai) uit de 13e eeuw.’ Luid bad hij voor zijn moordenaars en zong stervend lofliederen.’ De naam Antipas is een samentrekking van ‘Antipater’. Dat Antipas bisschop van Pérgamus is geweest, wordt door geen historische bron bevestigd.


7 ‘Niet door de militaire macht wordt het leven verlost, niet door de keizer, niet door seks, maar door Jezus alleen. Zo was Antipas een trouwe getuige van de Heere Jezus’. Aldus Ds. Tj Boersma, Middenin de eindstrijd (een praktische uitleg van Openbaring). Barneveld, 1992; blz.43.

8 ‘Ik geloof veeleer dat ‘Nikolaos’ een Griekse overzetting is van “Bileam”, hetwelk “verderf des volks” of iets dergelijks betekent, en dat deze “Nikolaieten” die “boze lieden” aanduiden, van welke reeds in vers 2 van dit hoofdstuk (Openb.2) gesproken wordt, christenen-in naam, die allerlei onzuivere en heidense dwaalbegrippen huldigden..’.; ‘praktische volksverleiders..die wellicht met allerlei antinomiaanse leringen het vlees streelden en de zedelijkheid ondermijnden, wellicht wel onder de schijn van hoge en strenge zedelijkheid (dogmatisch en ethisch Libertinisme).’ Aldus Dr. J. H. Gunning, a.w., blz.59 (ad Openb.2:6). Dr. W.S. Duvekot denkt hier liever aan ‘die groepen in onze dagen die alleen maar aan het oude willen vasthouden uit behoudzucht’ O.i. doet Duvekot dan meer aan inlegkunde dan aan exegese. Zie Dr W. S. Duvekot, Begrijpt u wat u leest (een hedendaagse uitleg van de Oprenbaring van Johannes); ’s Gravenhage 1991; blz. 37.

9 Dr. J. H. Gunning JHz. (a.w., blz.76) schrijft: ‘Wij verkeren in de eeuw der valse “verdraagzaamheid”, en daar kan zo akelig veel mee door in onze “ruimhartige”, “alles-omvattende” christelijkheid.’

10 De Kanttekeningen van de Statenvertaling zeggen hiervan: ‘De apostel ziet hier op de kruik met manna, die in het heilige der heiligen weggezet en bewaard werd, gelijk te lezen is Exod. 16:33,34; Hebr. 9:4, waardoor Christus, het brood des levens, die te Zijner tijd verschijnen zou, met al Zijn verdiensten en weldaden werd afgebeeld, gelijk in het brede wordt verklaard Joh. 6:31, enz.

11 Deze witte steen ‘was also used like a “ticket” to gain admission to a feast’. Aldus Warren W.Wiersbe in The Bible Exposition Commentary, volume 2; Victor Books Wheaton/ Illinois, 1989; blz. 574.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina