Preek over Pred. 12: 1-8



Dovnload 65.68 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte65.68 Kb.

Preek over Pred.12:1-8


(Voor een begrafenisdienst)

Orde van dienst
1. Votum en groet

2. Psalm: 33: 7, 11

3. Wet des Heeren/ Apost.Gel.

4. Psalm: 130:2 / 105:3

5. Schriftlezing: Prediker 11:9 – 12:14

6. Gebed


7. Tekst: Prediker 12:1-8

En gedenk aan uw Schepper in de dagen van uw jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen en de jaren naderen, van welke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve…’

8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 89:19, 20

10.Prediking

11.Psalm: 103:8, 9

12.Dankgebed

13.Psalm: 77:7

1­4­.­Z­e­g­e­n­b­e­de.
* * * *

Het tekstgedeelte dat de stof voor de preek is van deze morgen, is gekozen uit het boek Prediker. Een geschrift dat behoort tot de zgn. wijsheidsliteratuur van het Oude Testament. Het gaat hierin vooral om de vraag naar de zin van het leven. 1 Voor het besef van Prediker is het leven weinig meer dan zwoegen, zonder veel uitzicht. Daarom is het boek Prediker ook wel genoemd: de levensbiecht van een teleurgesteld kind van God. Alles is ijdel; ijdelheid der ijdelheden.



Inleiding

Prediker heeft in het voorgaande (hoofdstuk 11:1vv) zijn lezers opgewekt om volhardend werkzaam te zijn. Maar niemand moet het tijdelijk leven overschatten. Men kan blij zijn in zijn jonge jaren en wandelen in de wegen van zijn hart en in wat hij met zijn ogen ziet. Maar men moet erop rekenen, dat dit niet blijvend is. Het leven is een zucht; het gaat snel voorbij. En voor velen is het: ‘moeite en verdriet’ (Ps.90:10). De dagen der duisternis zullen komen en dan zal God ons om dit alles in het gericht doen komen.


In het gezwoeg en getob van de mens op aarde ligt geen blijvende waarde; het heeft geen doel in zichzelf. Weet, dat er op dit leven wat volgt. Het leven gaat spoedig eindigen. Laten ook de jonge mensen dat bedenken en het ene nodige (de gemeenschap met God) zoeken. Straks staan we voor Gods rechterstoel. U kunt alle verdriet 2 uit uw hart proberen te bannen en allerlei kwalen weren van uw lichaam, als u maar niet vergeet, dat de jeugd en de jonkheid ijdelheid is. Alle schoonheidsbehandelingen zullen voeg of laat nihil tot resultaat hebben. Uw rimpels werkt u dan niet een twee drie meer weg. 3
Want de jeugd en het morgenrood/ de jonge jaren van het leven, zijn ijdelheid, een windvlaag, een zucht. 4 Zo spreekt het slot van Pred. 11 (:10).
En toch is het leven geen eindeloze molentred, geen uitzichtloze cirkelgang. Niet puur: ‘Sein zum Tode’. Het is een leven onder het oppertoezicht van God. Ook al begrijpen we heel veel dingen niet. Prediker eindigt zijn kleine boekje met de opwekking: ‘Van alles wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God en houd Zijn geboden, want dit betaamt alle mensen’ (Pred. 12:13). ‘De maatstaf van wat geoorloofd is, is niet uw eigen lust, maar zijn de geboden van de Heere.’5
Dat is het wat het diep teleurgestelde kind van God boven alles uittilt.’ Tua res agitur’ – uw zaak staat op het spel. Laat daarom ‘het bedenken van het vlees, dat is vijandschap tegen God’, plaats maken voor het: gedenken aan uw Schepper (Rom. 8:7). Niet: ‘laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij’, maar ‘gedenk aan uw Schepper’.

* * *
Bij de behandeling van ons tekstgedeelte (Pred.12:1-8) geef ik vers voor vers een vertaling, met verwijzing naar de grondtekst in de noten. Vervolgens probeer ik de betekenis van de perikoop, ook voor onze tijd, uit te leggen. Daarbij wil ik, zoveel mogelijk allerlei gezochte verklaringen vermijden.


Vs.1. Er is maar één ding van belang. Gedenk aan uw Schepper in de dagen van uw jongelingschap; eer dat de kwade dagen komen, en de jaren naderen waarvan u zult zeggen: daarin heb ik geen behagen.
Gedenk aan uw Schepper (Pred. 12:1a). U – ouderen /jongeren – u bent immers niet van uzelf. U bent geen baas in eigen huis. U kunt maar niet doen en laten wat u wilt. Er is een God Die u/ jou het leven gaf en aan Wie wij alles verplicht zijn. 6 Vraag Hem daarom maar, of Hij er u voor bewaren wil, dat u de hand aan eigen leven zou slaan. Laat het ideaal van het mens-zijn los van God, het ideaal van het autonome leven varen.
Gedenk aan uw Schepper; erken Hem, heb Hem lief, leef voor Hem. Dat is een prachtleven. Geen last, maar een lust voor ieder die genoeg heeft gekregen van het zoeken van eigen eer en lusten.
Gedenk aan uw Schepper. Als ik aan mijn moeder gedenk (zij is reeds lang geleden van ons heengegaan), dan komt me al de zorg en liefde te binnen, die zij aan mij heeft besteed. En zo is zij voor mij onvergetelijk. Niet anders is het met de Schepper van mijn leven, de Heere God. Hij heeft mij het leven geschonken. Vgl. Ps.100:3; Mark. 12:30. Hij is voor mij onvergetelijk.

Er zijn mensen die aan hun Schepper gedenken. Maar gedenken betekent voor hen niet meer dan dat zij bedenken, dat er ‘iets’ is. Iets waar zij eigenlijk ‘niets’ mee doen. Maar dat is natuurlijk geloven in een God waar je niet warm van wordt.


Gedenk aan uw Schepper is: schuil bij Hem, haal uw hart aan Hem op. Alleen: wacht er dan toch niet eindeloos mee om die God te zoeken. Denk niet: dat kan ik altijd nog gaan doen. Gedenk aan uw Schepper in de dagen van uw jongelingsjaren, uw jeugd 7.
U moet het doen, eerdat 8 de kwade dagen komen 9. Dat zijn de dagen waarin de ene kwaal na de andere, het ene leed na het andere u treft. Als de jaren naderen waarvan u zult zeggen: daarin heb ik geen behagen.10 Geen jaren om echt blij mee te zijn. Integendeel, het zijn jaren, waarin de levensvreugde voor een goed deel is vergaan.
Als we jong zijn, fluistert de duivel ons in de oren: ‘Je hebt tijd genoeg; ’t kan later nog wel’. En als we oud zijn geworden, zegt hij: ‘Jij hebt je tijd gehad; nu kan het niet meer.’ Maar in beide gevallen, liegt hij. ‘Het is de grootste ongerijmdheid en ondankbaarheid die men zich denken kan, om de bloem, het beste, van onze jaren aan de duivel te geven, en het uitschot ervan te bewaren voor God’ (M. Henri). Is de Heere niet ‘de Leidsman van onze jeugd’ (Jer. 3:4)?
De wijze Spreukendichter zegt: ‘Leer de jongen de eerste beginselen naar de eis van zijn weg; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken’ (Spr.22:6). ‘Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt’ (Klaagl.3:27). Vgl. Jes.54:5.
Gedenk aan uw Schepper in uw jonge jaren, voordat het te laat is. En weet, dat de Heere aan het zoeken van Hem in onze jeugd een rijke belofte heeft verbonden: ‘Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden’ (Spr.8:17b).

En dan volgt er in Prediker 12 in de verzen 2-7 een beeldrijke beschrijving van de oude dag in de vorm van metaforen (beelden met een diepe inhoud).


Oud worden is in de Bijbel een bijzondere zegen van God. De Heere belooft die zegen aan die Hem vrezen: ‘Ik zal hem met lengte van dagen verzadigen en Ik zal hem Mijn heil doen zien’ (Ps.91:17). Maar een hoge leeftijd heet in de Schrift ook: de kwade dag. Wat blijft er immers over van wat er in het leven was? Dat zien we vooral bij het ouder worden. We staan dan als het ware boven op een bergtop, kijken naar beneden en zuchten: Wat een weg, hoe moeilijk begaanbaar soms!
Vs.2. Alvorens de zon verduisterd wordt met (haar) licht en de maan en de sterren en de dikke wolken wederkeren na de regen.11

In vers 2 van Prediker 12 wordt die oude dag vergeleken met een Palestijnse winter, die buiig en regenachtig is.


‘Door de dichte regenwolken wordt het licht van de zon, maan en sterren onderschept; en wanneer de ene wolkenmassa haar inhoud in zware regens heeft uitgestort, komt alras weer een nieuwe opzetten’ (Aalders).

Of om het met enkele andere woorden te zeggen: ‘De lucht verdonkert, wolken schuiven voor de zon, maan en sterren; de ene bui is nog niet weg, of de wolken die een nieuwe regenvlaag melden, vertonen zich opnieuw. Dat betekent, dat de glans van het leven eraf is. De levensvreugde verdwijnt. De schaduwen vallen en worden lang. De ene narigheid volgt op de andere (‘de ouderdom komt met gebreken’)’ (Gilhuis).


Het spreekwoord zegt: ‘Na regen komt zonneschijn’. Maar van onze oude dag gaat dat zeker niet altijd op.
En hoe verdrietig ook, als ons geheugen ons dan in de steek laat: we vergeten de bekendste namen en weten soms de weg naar huis niet meer te vinden.
Vs.3. En dan volgt vs.3 van Prediker 12. In de dag waarin de wachters van het huis zullen beven en de kloeke mannen zich zullen krommen. 12 Hier wordt het lichaam vergeleken met een huis. De wachters van het huis beven: de handen die het lichaam beschermen, worden beverig en de sterke/ kloeke mannen (de benen waarop we altijd zo stevig stonden en waarmee we rechtop van lijf en leden elke dag voorwaarts gingen) krommen zich; zij zijn krom geworden door osteoporose.
En de maalsters zullen stilstaan, omdat haar getal gering geworden is. En die door de vensters zien, worden verduisterd.
De maalsters (dat zijn de tanden en kiezen), zij zijn geringer in aantal en zwakker geworden; zij zijn grotendeels uitgevallen en functioneren niet goed meer. Het is immers een uitzondering, als iemand op zijn tachtigste nog zijn eigen kiezen en tanden heeft.
Zij worden hier de maalsters genoemd; ze zijn als de slavinnen die met de hand het graan tussen stenen tot meel malen. Zo wordt ons voedsel als het ware vermalen door ons gebit. Helaas, ons eten wordt soms, als wij op hoge leeftijd zijn gekomen, niet goed meer gekauwd en levert dan ook problemen op bij de spijsvertering.
En denk dan ook nog eens aan de ogen. 13 Welk een zegen, als een bejaarde man of vrouw nog zonder bril een boek kan lezen. Meestal verliezen de ogen na verloop van jaren hun glans, worden duister (door cataract - staar) en zwakker, soms blind. Blindheid is een veelvoorkomend verschijnsel in het (oude) oosten. Denk maar aan Izak, aan Jakob, aan Eli, aan Ahia: zij waren allemaal blind of zeer slecht ziende. Daarentegen wordt van Mozes gezegd, dat zijn oog niet verdonkerd was geworden (Deut.34:7). Zie verder Gen. 27:1; 48:10; 1 Sam. 3:2; 1 Kon. 14:4.
Vs.4. En dan gaat de allegorie in vs.4a nog weer door. En de (twee) deuren naar (in) de straat zullen gesloten worden en het geluid van de molen gedempt is (letterlijk: in het gedempt zijn van het geluid van de molen). 14

Het gaat hier over de twee deuren naar de straat die worden gesloten. Zeer waarschijnlijk worden daarmee of de lippen bedoeld die paarsgewijze aan het menselijk lichaam voorkomen.


In het voorgaande vers ging het over de ogen. Hier zouden dan ook de oren bedoeld kunnen zijn; de oren die dichtgaan vanwege hardhorigheid. Ook een bekende kwaal van de oude dag (hoe lastig!).
Maar beter lijkt het te denken aan de lippen: door het wegvallen van kiezen en tanden valt de mond in en lijkt zij als twee deuren in de straat (letterlijk = de buitenpoort) die gesloten zijn.
Intussen wordt het geluid van de molen, de mond (zie vs.3 dat spreekt over de maalsters) die de woorden door het gemis van het gebit niet goed meer kan vormen, gedempt. Het spreken van de bejaarde wordt zachter, minder gearticuleerd; het is meer mompelen.

En hij opstaat bij het geluid van het gevogelte. En alle zangtonen/ klanken (letterlijk: alle dochters van het lied) gedempt/ neergebogen worden.15

Hierna wordt in vs.4b even de beeldspraak losgelaten. De bejaarde slaapt licht en reeds vroeg in de morgen, als de vogels beginnen te kwetteren, staat hij op. Maar veel lust om de dag te beginnen heeft hij dan meestal niet.


Daar komt bij, dat hij ook geen plezier heeft in het luisteren naar muziek en zang. Want het gaat met zijn gehoor steeds meer achteruit. Alle tonen/ klanken worden gedempt; hij kan de stem der zangers en zangeressen en hun schone lied niet zo goed meer horen.
Denk aan wat in 2 Sam.19:35v door de 80jarige (Barzillai) wordt gezegd: ‘Zou ik meer kunnen horen naar de stem der zangers en zangeressen?’ Zo is het met veel ouden van dagen. Doofheid is een bekend ouderdomsgebrek. Het gaat dus niet over het stemgeluid van de bejaarde zelf. Nee, de bejaarde kan niet echt meer van de klanken van een lied genieten; hij is doof voor het schoonste lied (in vs.3 is sprake van de lippen; in vs.4 is sprake van de oren).
Vs.5. Op de dag dat men ook vreest voor de hoogte en er verschrikkingen zijn op de weg.
Ook in het eerste deel van vs.5 wordt de allegorie even losgelaten, wanneer gezegd wordt: ook (ten dage als) men vreest voor de hoogte. Iemand die op hoge leeftijd is, klimt niet graag een ladder of trap op, bang om te vallen. Het is voor hem ook gevaarlijk om een weg over te steken (er zijn verschrikkingen op de weg).16
‘Het klimmen en stijgen wordt moeilijk, omdat het hart minder wordt. In onze moderne maatschappij maakt dit dikwijls het verhuizen van een bovenetage naar een benedenverdieping noodzakelijk, evenals het aanbrengen van liften in rusthuizen etc..

Ook tegen het reizen ziet men op. De oude van dagen blijft doorgaans het liefste thuis’ (Gilhuis).


De bejaarde kan ook de gevaren op de weg niet gauw genoeg ontlopen (zeker met het moderne verkeer).
En dan volgen er enkele aansprekende beelden. En de amandelboom zal bloeien 17 en de sprinkhaan 18 zich als een zware last moeizaam voortsleept. En het kapperkruid (die de (eet)lust moet opwekken), nutteloos is.19
Het eerste beeld is dat van de amandelboom: een teken van het witte haar van de grijsaard tijdens de door stormen geteisterde ouderdom (Gilhuis).

De grijsaard lijkt (in de wintertijd van zijn leven) met zijn grijs - witte haar op een amandelboom die roze/ wit bloeit, terwijl het in de natuur nog wintert. (Zie de afbeelding)

Daarna het beeld van de sprinkhaan, symbool van het vermagerde lichaam van de grijsaard. Niets helpt tenslotte om zijn eetlust te verbeteren. De kapperstruik diende in de ouderdom om de spijsverteringsorganen te prikkelen en de eetlust op te wekken, maar de bejaarde heeft er geen baat bij.
Nee, het is voor het besef van de Prediker zeker niet zo, zoals men in de USA pleegt te zeggen: ’life begins at forty.’ Juist in onze ’midlife’ waarin de meeste mensen zo moe worden, komt het erop aan, dat we onze kracht zoeken in de Heere, onze God.
En dan gaat het weer verder in Pred.12:5 zonder enige beeldspraak: Want de mens gaat naar zijn eeuwig huis (zijn eeuwige bestemming) en de rouwklagers zullen in de straat rondgaan rondgaan. 20 Vgl. 2 Kor.5:1vv; Fil.1:21vv.
In mijn eerste gemeente (Veen) kwam de zogenaamde doodgraver huis aan huis het overlijden van een gemeentelid ons aanzeggen. Zo gingen in de oudheid de rouwklagers over de straten van een dorp rond om het overal te melden: hij/ zij is van ons heengegaan. Zie 2 Sam.3:31 en Jer.22:18.
Vs.6: En dan – afrondend - schrijft de Prediker (metonymisch) over de dood/ het sterven van de mens: Eer dat het zilveren koord verwijderd wordt en de gouden olielamp breekt en de putemmer boven de bron verbrijzeld wordt en het rad bij de bron breekt. 21
Zijn levenslicht wordt uitgeblust en het levenswater stroomt weg. Eerst wordt het beeld gebruikt van een gouden oliekruik, het bestaan van de mens, hangend aan een zilveren snoer/ het levenskoord. Het koord wordt verwijderd/ losgemaakt en de gouden olielamp breekt stuk; de olie vloeit eruit; de lamp gaat uit.

Het tweede beeld is dat van een put waarin d.m.v een rad een putemmer wordt neergelaten. Wordt het sterven voor de mens, dan is dat als het verbroken worden van emmer en rad. Misschien moeten we daarin beelden zien van longen en hart (emmer en rad) die voor de circulatie van zuurstof in het lichaam zorgen.


Vs.7/8 En dan loopt het alles snel op een einde. En het stof terugkeert tot de aarde, zoals het geweest is22 en de geest terugkeert tot God die hem gaf. IJdelheid der ijdelheden, zegt de Prediker; het is al ijdelheid.23
Het stof keert terug tot de aarde, gelijk het geweest is. ‘Stof tot stof, aarde tot aarde.’ En de geest keert terug tot God die hem gegeven heeft. Ik geloof de opstanding des vleses en een eeuwig leven. Ja, zo klinkt het vaak bij de open groeve waarin het lichaam van een gelovige wordt neergelaten. Dat gaat verder dan de Prediker ons kon zeggen. Om het te zeggen in de taal van het Nieuwe Testament: daar blijft een uitzicht over op ‘het Vaderhuis met vele woningen’ (Joh.14:2a). Want allen die al hun heil verwachten van ‘Jezus Christus en Die gekruisigd’ (1 Kor.2:2b) keren met hun geest (ziel) niet alleen tot God terug, maar juichen ook eeuwig voor Zijn troon.
Uitleiding
Daarom nog een keer: gedenk aan uw Schepper! Nee, dat is niet hetzelfde als: wel eens aan God denken. Gedenken is: voor de God van uw leven knielen en Hem de eer geven die Hem toekomt. Doe het op tijd. Laat het niet zijn: hoe ouder, hoe kouder.

De meeste mensen die een zalig sterfbed krijgen, hebben geleerd de Heere in hun jonge jaren te zoeken. Dan zal het ook van hen gezegd kunnen worden: ‘In de grijze ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, om te verkondigen, dat de Heere recht is: Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht’ (Ps.92:15v).


Zo zullen zij ‘pelgrimsoorden der jeugd’ zijn. Dat wil zeggen, dat onze jonge mensen hun bejaarde (groot)ouders niet uit de weg gaan, omdat zij zogenaamde oubollige ideeën erop nahouden. Ze zullen hen veeleer met eerbied tegemoet treden, omdat het waar is, dat bij de ouden levenswijsheid te vinden is.
Gedenk aan uw Schepper. Het mag diep in ons hart gegrift staan, dat deze God Zijn eigen Kind ervoor over heeft gehad om ons te redden van het verderf en ons voor eeuwig zalig te maken. U en ik, wij zijn gevallen schepselen. Maar onze Maker staat op de uitkijk en wacht om ons genadig te zijn. Hoe heerlijk is het dan om Hem te omhelzen en ons te koesteren in Zijn schuldvergevende genade. Laat u daarom met al de wonden en zonden van uw leven vallen in de doorboorde handen van de Heere Jezus, in een radicale en ongereserveerde overgave aan Hem.
Beste jonge mensen, jullie kunnen nooit beter aan je Schepper gedenken dan door te knielen bij het kruis van Golgotha. Want daar zijn wijd uitgebreide armen te vinden, aan het vloekhout genageld om onze zonden. En wie in die armen rust vindt, vindt het rustpunt van zijn hart. Hij heeft voor al de Zijnen door Zijn dood en opstanding uit de doden de prikkel uit de dood, het graf en de hel weggenomen. ‘Want wij weten, dat, zo ons aardse huis van deze tabernakel gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen’ (2 Kor.5:1)
Gelukkig dan de mens die bij het naderen van de dood zicht mag hebben op deze dierbare Heiland en op een machtige toekomst in Zijn eeuwige nabijheid. Daar worden alle tranen afgedroogd. Daar is de vreemdelingschap vergeten. Daar krijgt de Heere de eer van Zijn Naam. Zalig die door het geloof in Hem ‘voor eeuwig van de straf is ontheven’ (Ps.32:1 ber.).
Daarom roep ik u toe, wat Jesaja zegt tot Israël: ‘Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de Heere, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand. Hij geeft de moede kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen kracht heeft’ (Jes.40:28v).
‘Maar nu, alzo zegt de Heere, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn’ (Jes.43:1).
Zeg daarom niet wat Felix tot Paulus zei: ‘Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen’ (Hand.24:25b).

Voor ditmaal, ga heen, roept Felix bevreesd

Als hij Paulus van ’t oordeel hoort spreken.

Is eenmaal de tijd mij geleeg’ner geweest

Dan nodig ik u weer om te preken.

Die gelegener tijd, hij kwam niet voor hem

Die tijd was voorbij en gevloden.

Hij hoorde niet meer die lief’lijke stem

Die hem tot bekering kwam noden.
Voor ditmaal, ga heen, roept de jonge mens uit,

Ik zoek thans genot en genoegen.

Ik kwam dus reeds lang tot een ander besluit

Die ernst zou mij thans nog niet voegen.

Ben ‘k eenmaal getrouwd, dan verwisselt mijn lot

Dan zal ‘k naar die nodiging horen,

Dan zal ’k met mijn hart mij bekeren tot God;

Thans kan mij die eis niet bekoren.


Voor ditmaal, ga heen, roept de grijsaard ontroerd,

Ik heb thans geen lust in mijn leven.

De tijd heeft mij al mijn krachten ontvoerd,

Zie eens, hoe mijn leden nu beven!

’t Verstand is verstomd, de begrippen verward,

Verhoor slechts deez’ bede, o Heere!

Geef mij een zacht sterfbed en ‘k zal met mijn hart

Tot U in de dood mij bekeren.


Voor ditmaal? O, Heere, laat toch dit woord

Nooit van onze lippen vloeien.

Uw roepstem, zij worde door allen gehoord,

Opdat ze aller harten ontgloeie.

Het leven vliegt heen en de eeuwigheid wacht.

Heere, wil Gij Zelf ons bekeren.

Werk in onze ziel met genade en macht,

Ter wille van Christus de Heere.


Amen.

1 Het opschrift luidt: de woorden van Qohèlèt (Hebr.:wijsheidsleraar; zie 12:9), de zoon van David (Salomo).Het boek heet in de Latijnse Bijbel: Ecclesiastes = die de gemeente (ecclesia) toespreekt.Sinds Luther: Prediker. In de Joodse synagoge is Prediker 1 van de 5 feestrollen (Megillot), gelezen op Soekkot (het loofhuttenfeest).

2 Hebr. ‘kaץas’ kan toorn, maar ook verdriet betekenen.

3 Hebr. ‘hèbèl – ijdelheid, voorbijgaand (alleen hier en in 12:8). De uitdrukking ‘ijdelheid der ijdelheden’ (een uitroep) versterkt het begrip; een gewone omschrijving in het Hebreeuws van de superlatief (louter ijdelheid; op en top ijdelheid). Letterlijk: wat onwezenlijk is, geen reëel bestaan heeft. Vgl. Jer.10:15. Het kan ook ‘doelloos’ betekenen (Job 21:34) of nutteloos (Klaagl.4:17). Zo Dr. G. Ch. Aalders, Het boek De prediker, vertaald en verklaard (serie Commentaar op het Oude Testament). Kampen 1948; blz.31.Een prachtige uitleg van ons tekstgedeelte is ook te vinden in: Dr. G. C. Gilhuis, Pastorale zorg aan bejaarden; Kampen 1956; blz.34vv.

4 Hebr. ‘hajjaledoot’ = de jeugd. Hebr. ‘hasjacharoet’ = morgenrood, jonge jaren.

5 Zo ‘commentaar op basis van leidraad 1998’ (Online Bijbel)’.

6 Hij heet Schepper; van Hebr.werkwoord ‘bara’ = scheppen (uit het niets tevoorschijn roepen).Letterlijk: de u geschapen hebbende.

7 Hebr. ‘bechoeroot’ = jeugd, jonge jaren.

8 Hebr. ‘ad asjèr’ – voordat, zolang nog niet, alvorens, eerdat. Vgl. Spr. 8:26; Hoogl.1:12..

9 De kwade dagen zijn de dagen van het kwade (ziekten, rampen). Vgl. Pred.11:10.

10 Hebr.werkwoord ‘naga’ = naderen. Hebr. ‘cheepetz’ = ik heb er geen genoegen in.


11 ‘De lucht wordt ook na de regen grauw van wolken’. Dit is de weergave in de Nieuwe Bijbelvertaling.Overigens is deze vertaling in de vss.3-5 volstrekt verwerpelijk en ondoorzichtig. De maan (Hebr. ‘jareach’) en de sterren (Hebr. ‘cocabim’) en de dikke wolken (Hebr. hèץabi’m’ = wolkendichtheid) keren weder na de regen (Hebr. ‘gèsjèm’).

12 De wachters (Hebr. ‘sjomeree’) van het huis zullen beven (Hebr.ww.‘dzawץa’) en de kloeke mannen (Hebr. ‘ ‘ansjee’ hèchaajil; ‘chajil’ = kracht) zullen zich krommen (‘wehitץhawtoe’; hitpaël van het Hebr. ww. ‘ץwt’; zie 1:15).Vgl. Zach.8:4. De Kanttekeningen van de Statenvertaling zeggen van de wachters des huises: ‘Dat is, de armen met de handen, die het lichaam waarin de ziel als in een huis woont bewaren, dienende om het kwaad af te weren en het goede aan te nemen.’ In het algemeen ga ik akkoord met wat in de Kanttekeningen over onze perikoop wordt gezegd.

13 De maalsters (Hebr. ‘tochanot) zullen stilstaan (Hebr. ww.’batal’ = vrij van arbeid zijn, rusten). En die door de vensters zien (Hebr. ‘haro’oth baaroeboth’) worden verduisterd (Hebr. ‘chasjak’).


14 De (twee) deuren (meervoud/ dualis van Hebr. ‘dèlèt-deur) naar (in) de straat (Hebr. ‘sjoek’; vgl. Spr.12:4v) zullen gesloten worden (Hebr. ww.’sagar’; hier pu. = afsluiten; vgl.Joz.6:1; Jes.24:10, 22) en het geluid van de molen is gedempt (letterlijk: in het gedempt zijn - Hebr. ww.’sjepal’ - van het geluid (Hebr. ‘kol’ = stem, geluid) van de molen ( Hebr. ‘tachanah’ = molen).

15 Hij staat op (Hebr.ww.’koem’) bij het geluid (Hebr. ‘kol’) van het gevogelte (Hebr. ‘tsippoor’). En alle zangtonen/ klanken (letterlijk: Hebr. ‘caal benoot hsji’r’ = alle dochters van het lied) gedempt/ neergebogen worden (Hebr. ‘sjachach’ = zich buigen).


16 Men vreest voor de hoogte (Hebr. ‘gaboah’ = wat hoog is – neutrum van adjectief) en er zijn verschrikkingen (Hebr.‘chatchattim’; hapax, van ww. ‘chatat’) op de weg.

17 En de amandelboom (Hebr.‘sjakeed’ = wakkerboom) zal bloeien (ww.’nadzats’ – in bloei staan; met grafische alef). Löwe: ‘Wie im Hornung bei rauher und kalter Witterung der Amandelbaum seine Blüten hervortreibt, ebenso pflegen auch bei den Alten die grauen Haare in den beschwerlichsten Tagen auf den Haupte sichtbar zu werden’. Zie ook Bruijel in Bijb.enc., p.29; zie Num.17:8; de a. komt voor in de omgeving van de Sinaï en in andere delen van de woestijn.

18 En de sprinkhaan (Hebr.’chagaab’) zich als een zware last moeizaam voortsleept (Hebr.‘sabal’ = een zware last/ smart/ straf/zonde dragen; hitp.: zich moeizaam voortslepen). Vgl. Lev.11:22: een springende (niet vliegende) en eetbare sprinkhaan.



19 En het kapperkruid (Hebr.’abijjonah’; hapax). De kapperstruik (LXX: capparis – capparis spinoza; zo ook de Vulgaat) is een klimplant vooral op muren. NB: de vrucht van deze struik is een 5 cm lange vlezige peul met rood-gouden zaad. Zie de afbeelding op de volgende bladzijde.

NB: goed om de eetlust op te wekken, c.q de spijsverteringsorganen te prikkelen. In de oudheid werd bij lust hier niet aan de sexuele begeerte gedacht. Nutteloos is (Hebr.’parar’; intrans.hiph = teniet maken; nutteloos zijn; versagen. De Statenvertaling geeft dit weer met: en dat de lust zal vergaan.Zie verder: F. J. Bruijel, Tijden en jaren (het natuurjaar in de Bijbel); Baarn (BBB serie) 1948; blz. 198.



20 Want de mens gaat naar zijn eeuwig huis (Hebr. ‘be’th ץolamo’ = eeuwige bestemming) en de rouwklagers (Hebr. ‘sopedi’m’; ww.’sapad’ = klagen/ van een dodenklacht) zullen in de straat (Hebr. ’sjoek’; zie vs.4) rondgaan (Hebr. ‘sabab’ po.) rondgaan. Vgl. 2 Sam.3:31; Jer.22:18; Amos 5:16.

21 Eer dat het zilveren (Hebr.’kèsèf) koord (Hebr.‘chèbèl’) verwijderd wordt (Hebr.‘rachak’ – niph.imperf: verre zijn, verwijderd worden) en de gouden (Hebr.‘dzahab’) oliekruik (Hebr.‘goelah’; vgl. Zach.4:3) breekt (Hebr.‘radzats’ – breken; vgl. 2 Kon.18:21; Jes.36:6; 42:3- geknakte rietstengel) en de putemmer (Hebr.‘cad’) boven de bron (Hebr.‘maboeγah’) verbrijzeld wordt (Hebr.‘radzats’; niph.) en het rad (‘galgal’) bij de bron (Hebr.‘boor’) breekt.

22 Het stof (Hebr.‘aphar’) keert terug tot de aarde (Hebr.‘aretz’), gelijk het geweest is (Hebr.‘cesjèhaja’) en de geest keert terug tot God die hem gegeven heeft. Zie Gen.2:7.

23 Zie noot 3.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina