Preek over Psalm 126: 3 en 4



Dovnload 45.72 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte45.72 Kb.

Preek over Psalm 126: 3 en 4


(Dankz. h. Avondmaal)

Orde van dienst

1. Votum


2. Groet

3. Psalm: 96:5 en 6

4. Wet des Heeren / Apost.Gel.

5. Psalm: / 35:13

6. Schriftlezing: Psalm 126

7. Gebed
Tekst: De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd. 1 O, Heere! wend onze gevangenis gelijk waterstromen in het zuiden. Ps. 126:3, 4 2


Verdeling van de preek:

1. Blijdschap om de grote dingen van God aan/ in ons

2. Gebed om doorgaande herleving

8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 126:1, 2 en 3

10. Prediking

11. Psalm: 68:2

12. Dankgebed

13. Psalm: 74:2 en 15

14. Zegenbede.


Als een landbouwer onder Israël met een zaadbuidel over zijn akker ging om bij elke stap daaruit een handvol zaad te nemen en uit te strooien, vermenigvuldigden zijn gedachten zich. Moest hij het kostelijke graan dat hij uit de monden van vrouw en kinderen gespaard had, zomaar in de aarde werpen? Had hij niet vaak, als hij in zijn schuur de zakken vol koren zag staan, in gedachten tegen zichzelf gezegd: Die zijn niet om op te eten; ze moeten blijven staan om in de akker te worden gezaaid in het vroege voorjaar. Het is zaaizaad dat sterven moet in de donkere aarde en vruchten dragen om in het komend jaar in leven te kunnen blijven. 3
U kunt het – denk ik – wel begrijpen, als er in Psalm 126 staat, dat hij met tranen zaait. ‘Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende’ (vs. 6). Zijn ogen zijn vol tranen om het verlies van zoveel goudgeel graan. Zouden al die graankorrels die hij in zijn akker liet verdwijnen, wel aan de verwachtingen van een komende overvloedige oogst beantwoorden? Vgl. Ezra 3:12.

Dat alles, gemeente is in Psalm 126 een beeld van het volk van Israël, dat na een 70 jarige ballingschap in Babel is teruggekeerd in het heilige land. Eindelijk was het dan zover. Vgl. Jer. 25:12; 29:10. De Heere had grote dingen gedaan in de bevrijding van Zijn volk uit zijn gevangenschap. De gevangenis van Jakob was gekeerd. Het leek een mooie droom. Vgl. Jes. 29:8v. Maar het was een wondere werkelijkheid geworden. Koning Cyrus had Israël permissie gegeven om huiswaarts te keren. In lange rijen waren de Israëlieten op weg gegaan en hadden de terugtocht naar Kanaän aanvaard. Op naar het vaderland, naar Jeruzalem. En wat zeiden toen de heidenen: ‘De Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan’. Iedereen juichte. Iedereen was blij. 4


1. Blijdschap om de grote dingen van God aan/ in ons
Maar eenmaal teruggekeerd in het land van Gods belofte, sprongen hun de tranen in de ogen. Wat een ellende trof men daar aan. Zwartgeblakerde muren van Jeruzalem. De tempel was een ruïne geworden. De akkers in de velden van Juda lagen reeds jarenlang braak, niet ontgonnen en vol doornen. Israël stond voor de gigantische taak van de nationale herbouw. Zijn gevangenis was wel gewend, maar het leven dreigde opnieuw een gevangenis te worden. Zou het ooit nog wel weer worden zoals het vroeger was? Waar zou Gods volk zijn geestelijke en morele kracht vandaan halen om zijn God te dienen in het beloofde land? Menigeen voelde zich lamgeslagen. Velen droegen de diepe wonden mee om het verlies van geliefden die zij in de vreemde hadden moeten achterlaten. Met tranen zaaien was het geweest. Een gang al gaande en wenende. Er was dankbaarheid om de verkregen verlossing. Maar ook grote zorg om de nabije toekomst; het aan Gods volk beloofde land was in bezit genomen door vreemdelingen. De gevangen-schap was ten einde. Maar toch niet geheel en al. Alles riep om een doorgaand verlossingswerk.
Ja en dan is daar in Psalm 126 tegelijk ook de blijde zekerheid, dat de Heere geen half werk doet. Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Er mag verwachting zijn voor een volk dat op de Heere blijft hopen in alle misères en ellendigheden.
Kijk het maar na in het Zuiderland: de Negev - woestijn die opeens kan gaan bloeien als een roos, als de uitgedroogde beekjes tot bruisende stromen zijn geworden. 5

Alles herleeft dan. De natuur levert voor Israël geestelijk lesmateriaal op. Het kan zelfs zijn, dat zaden die verborgen in het zand liggen, na lange tijd weer groeikracht blijken te hebben en vrucht gaan dragen.


De woestijn bloeit als een roos. Het is daaruit, dat het moedeloze volk hoop put om aan de slag te gaan. Om straks met gejuich te maaien.

Wie in onze tijd in een Israëlreis de Negev-woestijn bezoekt, mag het met eigen ogen zien: de woestijn bloeit als een roos. 6


Boven Psalm 126 staat geschreven: een lied Hammaäloth. Psalm 126 is een van de 15 optochtsliederen die in onze psalmbundel zijn bewaard, liederen die gezongen werden door het volk Israël, als men optrok uit alle windstreken van het heilige land naar de stad Sion, de stad van de woningen van de Allerhoogste. Daar werd feest gevierd. Daar haalde men zijn hart op aan de genaderijke nabijheid van de Heere. Daar sprak alles van liefde en genade voor schuldige mensen.

En zo nodigt dit lied ook ons uit, gemeente om op te staan uit de troosteloosheid van het leven, om verwachting te krijgen van die God Die al zovaak heeft laten blijken, dat Hij bewogen is om het lot van Zijn volk. Zoals Israël dat moed mocht scheppen uit wat de Heere in het verleden voor Zijn volk had gedaan. Zo geven wij dit heerlijke lied vanmiddag ook aan elkaar mee, nu wij bij elkaar zijn om de Heere te danken voor wat Hij ons gaf in de tekenen van brood en wijn in het heilig avondmaal. 7


Als God Zijn goedheid aan u bewees aan Zijn tafel, mag u Hem daarvoor danken. Maar u ziet er wellicht ook tegenop om uw levensreis voort te zetten. Het is zo vaak zaaien met tranen. Morgen zijn er weer de zorgen om de kinderen die u wakker houden. Dan zijn er weer de vele tegenspoeden die u het leven moeilijk maken. En hoe gemakkelijk verdorren wij dan ook geestelijk. Dan ebt de sterke hunkering naar Gods gemeenschap weer weg. Uw gebedsleven verlept. Uw Bijbellezen is meer een moeten dan een mogen. Het leven lijkt op een woestijn. Er zijn zondebanden die knellen. Hoe vaak zijn onze goede voornemens van vanmorgen als sneeuw voor de zon verdwenen.
Zaaien met tranen. Straks worden wij ook zelf gezaaid in de donkere aarde, als we sterven en voor God moeten verschijnen. U zat misschien vanmorgen voor het eerst aan Gods tafel. U zei het in stilte tot God: ‘U kan ik niet missen, Heere’. Maar vanmiddag wordt de zaak al weer bestreden. ‘Heb ik me niet maar wat ingebeeld en toegeëigend wat me niet toekwam?’ Kan ik het wel waar maken wat ik in het heilige ogenblik van de avondmaalsviering aan de Heere beloofde: ‘k’ Zal U (Heere), nooit vergeten, U mijn Helper heten, al mijn hoop en lust’ (Ps. 33:10b ber.) Met tranen zaaien. Al gaande en wenende. ‘o Heere! wend onze gevangenis…’.
Maar, geliefde avondmaalsgasten, mag er niet ook door uw tranen heen, vanmiddag de blijde herinnering zijn aan wat de Heere u gaf. Hij heeft grote dingen aan ons gedaan. Daarom zijn we verblijd.

Hoe troosteloos de toestand van het huiswaarts gekeerde volk van God ook was, het mocht toch nooit vergeten, dat de Heere een nieuw begin had gemaakt door het terug te brengen in het beloofde land. En mogen ook wij niet terugzien op wat de Heere voor ons heeft gedaan? Ga toch a.u.b. niet bij de pakken neerzitten, door altijd weer te blijven zien op de toestand van uw hart. Vergeet niet een van Gods weldadigheden. De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan. En Hij doet het nog steeds. Maria zong ervan, toen in haar hart de adventsverwachting doorbrak. ‘Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is…’(Luk. 1:49a). Zij mocht de Christus in haar lichaam omdragen. En op de Pinksterdag hebben Jezus’ discipelen van het grote heil in Christus getuigd; de mensen die het hoorden, heidenen uit alle delen van de wereld uit die dagen, riepen vol verwondering uit: ‘Wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken’ (Hand. 2:11b). Christus kreeg door Zijn Woord en Geest gestalte in hun hart.

Wat zijn dan wel die grote dingen, waarover Gods volk versteld staat? Het zijn ten diepste de heerlijke heilsfeiten van Gods reddende genade in Christus. Dat was niets minder dan de beslissende wending die God teweeg bracht in het lot van Israël, toen Hij Zijn Zoon zond om doodsschuldigen in Zijn gemeenschap terug te brengen. Want wat is er groter dan een gekruisigde Messias Die in onze plaats Borg wilde worden bij God. Is er groter ommekeer dan die Christus Jezus teweeg bracht, toen Hij uit de doden opstond met al de Zijnen in Zijn hart? 8 Toen is de gevangenis van Israël gewend als nooit tevoren. Het leek een droom; hoe bestaat het: opstaan uit de dood. Maar het was weergaloze werkelijkheid. Nooit is God zo goed geweest op een volk van zondaren als toen. Daar ligt de grond van uw en mijn zaligheid. Grote dingen aan ons gedaan.
Dat heilsgebeuren, die grote dingen zijn, gemeente, naar ons toegebracht, ook in de tekenen van brood en wijn. Het zijn grote dingen, niet alleen onder ons, maar ook aan en in ons.

Die tekenen van het avondmaal des Heren zijn de symbolen van het verbroken lichaam en vergoten bloed van de Heere Jezus, de toonbeelden van Zijn liefde tot in de dood voor goddelozen, bewijzen van Gods schuldverge-vende genade voor hen die alles hebben verbeurd. Het brood en de wijn van het avondmaal zijn de dubbele streep onder Gods beloften. Zo zeker als u deze dierbare panden van ’s Heeren goedheid in ontvangst neemt en geniet, zo zeker geldt de belofte: ‘Wie tot Christus komt, zal Hij geenszins uitwerpen’ (Joh. 6:37b).

Ik mag u vragen: Zijn dit soms geen grote dingen, door de Heere onder en aan ons gedaan? Het is een groot ding, als u het inleeft, dat u van nature een blind paard bent op weg naar de ondergang. 9 Het is echter groter, als u ontdekken mag, dat er in Christus een weg voor u geopend is naar het Vaderhart van God, al weet u misschien nog niet, hoe u daar een gelovig gebruik van kunt maken. Maar het is werkelijk het grootst, als u zich mag uitleveren aan de Zaligmaker Jezus Christus en in Zijn armen wordt geborgen; als u levenslang naar hartelust in Zijn dienst mag staan. William Carey, de zendeling van India, zei ooit: ‘Verwacht grote dingen van God; onderneem grote dingen voor God.’ Het zijn ook grote dingen, als u door aanvechtingen heen een diepere kennis van de Zaligmaker Jezus Christus hebt gekregen.
2. Gebed om doorgaande herleving
Dr. D.Martin Lloyd Jones vertelt in zijn boek ‘From fear to faith’ van John Newton die eens schreeuwde tot God om een grondiger kennis van God. Hij verwachtte – als antwoord op zijn gebed – één of ander prachtvisioen waarin God de hemel zou scheuren en tot hem zou komen. Maar in plaats daarvan maakte Newton een periode van maanden mee, waarin God hem overgeleverd scheen te hebben aan de satan. Hij werd zo verzocht en beproefd, dat het zijn verstand te boven ging. Toen begreep hij op het laatst, dat God toch zijn gebed verhoord had. Hij had grondiger kennis van God gekregen. God had hem in de diepte geleid om hem te leren alleen op Hem te vertrouwen.
Als u wellicht vanmorgen aan Gods tafel minder genoten hebt dan u had gehoopt, zoek dan de vastigheid en kracht om weer verder te gaan niet in uw ondervinding van Christus; zoek die in de levende Christus zelf. Zeg desnoods: ‘Heere, al zou ik me vergissen, dan vind ik het nog groot, dat er in Christus een weg geopend is voor zondaren om eeuwig te worden gered. Wees niet moedeloos. Moedeloosheid is een vriend van ongeloof. Geloof, dat er een God in de hemel is, Die om u geeft en naar u uitziet. Dat geloof brengt blijdschap mee. Onze tekst zegt: Dies (daarom) zijn wij verblijd. Wie zou niet blij zijn, als hij geloven mag, dat hij niet meer op een hellend vlak verkeert, maar op weg is naar de eeuwige gelukzaligheid. Wie zou niet ‘huppelen van zielenvreugd?’
Uw blijdschap zal dan onbepaald

door ’t licht dat van Zijn Aanzicht straalt,



ten hoogsten toppunt stijgen. (Ps.68:2)
Wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Dat bepaalt onze gang. Lees het nog maar eens na wat de apostel Paulus schrijft in 1 Korinthe 15 over de opstanding der doden. ‘Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid; het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt…’ (1 Kor. 15:42b - 44a).
Als wij daarop letten, gemeente, hebben we nog heel wat tegoed. Daarom mag het ons aanhoudend gebed wel zijn: ‘O Heere! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden’ (Ps. 126:4). Als de Heere u genade bewees, zie dat dan niet als een sluitstuk van Gods genadewerk in u, maar als het beginpunt van de grote werken van de Heere in uw leven. Laten alle vroegere uitreddingen die de Heere u bewees, een pleitgrond zijn om God te vragen om meer genade. ‘De tekst toont ons aan hoe verstandig het is, om zich opnieuw te wenden, tot de Heere, die te voren zo goed voor ons is geweest’ (Spurgeon, a.w., blz.309).
Zoals er stromen zijn die het Zuiderland doen herleven, laat zo ook Gods milde zegen als een bruisende beek en aanhoudende stroom zijn, die u van dag tot dag doet opleven. Eenmaal zei Jezus: ‘Die in mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen van het levende water zullen uit zijn buik vloeien’ (Joh. 7:38). Er is toch zeker geen rijker leven dan een leven uit de liefde van Christus in aanhoudende zelfverloochening. Ook al moet u steeds van uzelf zeggen, dat u maar ‘een klein beginsel van gehoorzaamheid’ kent. Wees maar steeds, zo veel in u is: ‘Een leesbare brief van Christus’. 10 Tot de dag van de grootste ommekeer komt. Dat is de dag waarop de hemelse Bruidegom Zijn aardse bruid thuishaalt. Dat is de dag waarop alle woestijnen zullen bloeien als een roos. Dat is de dag waarop ik mijn ellende voor eeuwig mag vergeten. Dat is de dag waarop God eeuwig de eer krijgt die Hem toekomt.
Mag ik u vragen: Kunt u zich indenken wat het zal zijn, als God alle tranen van de ogen afwist?! 11Dan zal men niet alleen onder de heidenen zeggen: ‘De Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan’, maar dan zal er ook geen heidenvolk zijn, dat niet zal zeggen: ‘De Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan’. Mag ik u vragen, of u met dit loflied kunt instemmen.
Hoe blij was Israël, toen dit volk uit Babel terugkeerde naar het thuisland. Daarvan getuigt Psalm 126. Maar er zijn natuurlijk ook Israëlieten geweest, die het leven in het heidense Babel met alle gemak en vrolijkheid daarvan verkozen boven een thuiskomen in het beloofde land met alle ellende van dien. 12 Mag ik vragen: Geldt dat misschien ook van u? Hebt u wellicht nooit verlangd naar iets hogers en beters dan wat aardse rust? U bent een gesetteld mens die het zo kwaad nog niet hebt in de wereld. Dan wordt u vanmiddag de rust opgezegd. Het is u wellicht om het even, of u avondmaalsganger bent of niet. Maar laat mij u dan zeggen, dat u vroeg of laat met alles waaraan u uw hart ophaalt buiten Christus Jezus, omkomt.
Daarom roep ik u tenslotte toe: ‘Laat u met God verzoenen’. Wees heilig jaloers op allen die de vrede van het ware geloof in Jezus Christus mogen kennen. Al is hun gang dan een gang al gaande en wenende. Voorzeker, ze komen met gejuich weer, dragende hun schoven (Ps. 126:6). Laat daarom uw hart opspringen van vreugde en zing:
Heft Gode blijde psalmen aan:

verhoogt, verhoogt voor Hem de baan,

laat al wat leeft Hem eren!

Bereidt de weg, in Hem verblijd,

die door de vlakke velden rijdt:

Zijn Naam is Heer’ der heren. (Ps.68:2b)


Amen.


1 Vgl. voor de blijdschap van de terugkerenden uit Babel: Jes.48:20; 49:13: 51:11; 55:12.

21. De Hebreeuwse tekst van Psalm 126:3 en 4 luidt: הגדיל יהוה לעשׂות עמנו היינו שׂמחים׃ שׁובה יהוה את־שׁבותנו כאפיקים בנגב׃

De King James vertaling heeft: The LORD hath done great things for us; whereof we are glad. Turn again our captivity, O LORD, as the streams in the south.

De Septuagint (LXX) (Ps.125:3 en 4) leest:

ἐμεγάλυνεν κύριος τοῦ ποιῆσαι μεθ᾿ ἡμῶν, ἐγενήθημεν εὐφραινόμενοι. ἐπίστρεψον, κύριε, τὴν αἰχμαλωσίαν ἡμῶν ὡς χειμάρρους ἐν τῷ νότῳ.




3 M.Henri schrijft: These are precious seed, such as the husbandman sows when corn is dear and he has but little for his family, and therefore weeps to part with it, yet buries it under ground, in expectation of receiving it again with advantage. Thus does a good man sow in tears.’

4 In de commentaar van Keil-Delitz lees ik: ‘Even the heathen confessed that it was Jahve's work, and that He had done great things for them (Joe.2:20, 1Sa.12:24) - the glorious predictions of Isaiah, as in Psa.45:14; 52:10, and elsewhere, were being fulfilled. The church on its part seals that confession coming from the mouth of the heathen. This it is that made them so joyful, that God had acknowledged them by such a mighty deed.’

Nog enkele kanttekeningen van M.Henri: The heathen were but spectators, and spoke of it only as matter of news; they had no part nor lot in the matter; but the people of God spoke of it as sharers in it, (1.) With application: “He has done great things for us, things that we are interested in and have advantage by.” Thus it is comfortable speaking of the redemption Christ has wrought out as wrought out for us. Who loved me, and gave himself for me.’



5 ‘Zelfs in het dorre Zuiderland wordt alles weer groen (door de vroege regen), dan is er de volheid van wilde kruiden voor de kudden, dan kolken de beekbeddingen van waterweelde; …het beeld van de verrassende uitredding, het symbool van de vervulling van hetgeen het hart hoopte…’ Zo Dr. A.van Deursen, De achtergrond der Psalmen (BBBserie; Baarn; blz.42). Zie ook Dr. B. Gemser, De Psalmen III (serie Tekst en Uitleg; Groningen/ Batavia 1948); blz.181.

6 Calvijn schrijft in zijn verklaring van vs. 2 van Psalm 126: ‘Want gelijk er niets ellendiger is dan in ballingschap te moeten leven, waar zij als afgesneden waren van het erfdeel, dat God hun had beloofd, zo is er ook niets begerenswaardiger dan in het bezit ervan weer hersteld te worden.’


7 ‘ Zijn er niet ogenblikken in het geestelijk leven, waarin het is, als was de hemel geopend, en alles, ook het donkerste, omgezet wordt in stralend licht, Toen werd onze mond met lachen vervuld en onze tong met gejuich…Maar zo blijft het niet; en de toestand van het dagelijks leven beantwoordt er niet aan’ Aldus Dr. J. J. P. Valeton jr., De Psalmen III (Ps.90-150); Nijmegen 1905; blz. 257v.

8 ‘Met het Paasfeest horen wij ook van grote dingen, van een grote verlossing, van een ommekeer als nimmer te voren, van een leven dat uit de dood verrijst, en wij verblijden ons daarin. Zo Dr. J. J. P. Valeton jr., a.w., blz. 260.

9 ‘Welk een wenden van onze gevangenis hebben wij ervaren bij onze eerste bekering! Nooit zal die ure door ons worden vergeten! Blijdschap heeft onze ziel vervuld. En sinds dat ogenblik zijn wij verlost uit menigvuldige benauwdheid, en gedruktheid van geest, uit een toestand van treurige afval, en zware twijfel; en wij zijn onmachtig om de zaligheid te beschrijven, die op ieder van deze verlossingen gevolgd is..De Heere, die alleen onze gevangenschap wendt, doet niets ten halve. Degenen die Hij verlost van de hel, brengt Hij ook naar de hemel.’ Aldus Zo C. H. Spurgeon, De Psalmen Davids (met ophelderende aantekeningen van verschillende beroemde godgeleerden); Eng. vertaling van Elisabeth Freystadt; vijfde deel (Psalm CXIX tot CL); 2e druk. Amsterdam, blz. 306v.


10 ‘Als iemands hart zo bewogen is over de zonden van anderen, dat hij erover weent, dan is hij verkoren om met zegen te arbeiden in de wijngaard des Heeren. Zij die wenen over de zielen, zullen zielen winnen.’ Zo C. H. Spurgeon, a.w., blz. 310v.

11 J. Calvijn schrijft: ‘Aldus zullen wij ervaren, dat deze profetie aan alle gelovigen toekomt, nl. dat God niet slechts de tranen van hun ogen zal afwissen, maar ook hun hart met een onwaardeerbare blijdschap zal vervullen’ (a.w., Comm.bij vs.5 en 6 van Ps.126).

12 ‘Hoewel aan al het volk de vrijheid was gegeven om terug te keren, weten wij toch, dat het getal dergenen, die van deze vrijheid gebruik hebben gemaakt, klein was, in vergelijking van de grote menigte, die achterbleven.’ Aldus J. Calvijn bij vs.4 van Ps. 126.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina