Preek over Psalm 34: 9a



Dovnload 35.1 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte35.1 Kb.
Preek over Psalm 34:9a

(bed. h. Avondmaal)


Orde van dienst
1. Votum en groet

2. Psalm: 118:1

3. Wet des Heeren/ Apost.Gel.

4. Psalm: 79:4 / 149:1

5. Schriftlezing: Psalm 34:1-9

6. Gebed


7. Tekst: Psalm 34:9a: Smaakt en ziet, dat de

Heere goed is.



Verdeling van de preek

1. Een psalm van het herwonnen Godsvertrouwen

2. Proefondervindelijk genieten

3.God blaast het ene kooltje aan
8. Inzameling der gaven

9. Psalm: 130:2, 4

10. Prediking

11. Psalm: 34:4

12. Bediening heilig Avondmaal

13. Psalmen 145:3,6; 33:9,10

14. Dankgebed

15. Psalm 143:8

16. Zegenbede.
* * *
U zult allemaal, gemeente wel eens dat merkwaardige verhaal gelezen hebben van David, opgesloten in de Filistijnse stad Gath. In het opschrift van Psalm 34 wordt ernaar verwezen. Ook in Psalm 56:1. Psalm 34 is in feite een kanttekening bij wat daar aan David passeerde.
Wat is er aan de hand? David is achterna gezeten door koning Saul. Die wil hem doden. En al vele malen is hij op het nippertje aan de haat en vervolging van Saul ontkomen. Maar David vreest, dat hij wellicht toch een keer in handen van Saul valt. En wat doet hij dan? Hij zoekt zijn toevlucht bij de Filistijnen, de aartsvijanden van Israël. Daar denkt hij veilig te zijn. Daar zal koning Saul hem niet gemakkelijk te pakken krijgen. En met een goed verhaal – denkt hij - zal David wel vriendschap kunnen sluiten met Achis, de koning van Gath (Abimelech is zijn burgemeesterstitel). Saul is immers ook de grote vijand van de Filistijnen. Zie 1 Sam. 21:11vv. Vgl. Gen.20:2; 26:1.
Maar de hovelingen van de koning van Gath vertrouwen de zaak niet. De man die de Filistijn reus Goliath verslagen had, kon moeilijk als een vriend worden beschouwd. Had men David in Israël niet als een held bezongen: ‘Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?’ Daarom grijpen ze David en sluiten de poorten van hun stad. En zo zit David dan als een rat in de val. Hij vergaat bijna van angst. En wat doet hij dan? Hij gaat zich opeens heel vreemd gedragen, als was hij gek geworden. Met het schuim op de lippen en in z’n baard probeert hij weg te komen.‘ 1

Als een dolzinnige vliegt hij met verwilderde ogen tegen het traliewerk van de gesloten poorten op. Als een razende gaat hij tekeer. 2 En dan laat men hem maar gauw weer gaan. De koning zegt ook, dat hij geen behoefte heeft aan een gek. De deur uit met die man. En zo loopt David dan even later weer op vrije voeten rond. Staaltje van list. Dat kan hij straks nog eens in geuren en kleuren aan zijn kameraden vertellen.




  1. Een psalm van het herwonnen Godsvertrouwen

Maar hoor hem dan nu zingen in Psalm 34. Is dit een loflied op kloekzinnigheid? Geeft hij hier zich de nodige klopjes op de schouder? Of moet hij zichzelf alleen maar de schuld geven van zijn grote onvoorzichtigheid en moet hij niet God alleen de eer geven voor zijn redding uit doodsgevaar? Ja, dat laatste. ‘Ook hier valt de nadruk niet op eigen kracht of verdienste, maar op Gods genade en verlossing.’ 3 David zingt uit volle borst: ‘Ik zal de Heere loven….Maakt de Heere met mij groot…Deze ellendige riep, en de Heere hoorde; Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.’ Gered door de beschermende engel des Heeren. Zie ook Ps. 35:5v. Smaakt en ziet, dat de Heere goed is’ .4


C.H. Spurgeon schrijft in zijn inleiding op deze psalm: ‘Uit dit voorbeeld kunnen wij leren, dat wij met onze zonden niet moeten pronken, gelijk sommige snoevende belijders zo gaarne doen, en die daarbij even trots schijnen te zijn op hun zonden, als oude veteranen op de veldslagen, die zij hebben bijgewoond en de wonden die zij hebben ontvangen. David heeft met buitengewone bekwaamheid voor dwaas gespeeld; maar in werkelijkheid was hij niet dwaas genoeg, om zijn dwaze daden te gaan bezingen.’ 5
Zo het eerste deel van Psalm 34. David heeft het bij ondervinding, dat de Heere goed is. Daar heeft hij iets van geproefd, toen de poorten van Gath voor hem opengingen en hij als een gekooide vogel het luchtruim in kon vliegen. Psalm 34 is wel genoemd: de psalm van het herwonnen Godsvertrouwen. Ja, herwonnen. Want aan Godsvertrouwen had het David ontbroken, toen hij naar de Filistijnen vluchtte 6
2. Proefondervindelijk genieten
Vanmorgen mogen wij door Gods genade weer het heilig Avondmaal vieren.

Wij gedenken het verlossingswerk van onze Heere en Heiland Jezus Christus. De Heere is goed. Wat David uit ondervinding wist, dat heeft God Zelf in de volheid van de tijd laten zien in de zending van Zijn Zoon.


En dat wordt ons ook getoond aan de tafel van Gods verbond, in de viering van het Avondmaal. Want in de tekenen van brood en wijn presenteert de Heere ons het gebroken lichaam en het vergoten bloed van de Zaligmaker. Zie Hem, de Man van smarten Die onze schuld voor Zijn rekening wilde nemen. Uit vrijwillige zondaarsliefde kwam Hij voor de Zijnen onder de vloek van God en verloste hen uit alle benauwdheden van zonde, dood en satan.
De Heere is goed. Waar is dat duidelijker aan de dag getreden dan in Christus’ opstanding uit de doden? Hij heeft al de Zijnen in Zijn hart en vertroost hen met Zijn genade en liefde. Dat doet Hij ook aan Zijn tafel. 7
Want daar wil Hij in hoogst eigen persoon door Zijn Geest tegenwoordig zijn. Daar waar twee of drie in Zijn Naam vergaderd zijn en eten en drinken van brood en wijn, ter gedachtenis aan Hem. Daar buigt Hij Zich over de Zijnen heen en verzekert hen van Zijn liefde, waarmee Hij voor hen de dood inging. Zijn goedheid gaat het al te boven. Dat een zondaar als ik welkom ben aan Zijn tafel om te genieten van Zijn tegenwoordigheid.
Onze tekst herinnert aan een oud-Joods gebruik om na het brengen van een lofoffer in de tempel een offermaaltijd te houden door de offeraar voor zijn familie of vrienden. Een Joodse familie at dan van het offervlees, dat een deel was van het offerdier dat als het ware door God weer werd teruggeven aan de offeraars. Men proefde dan in het vlees de verzoenende kracht van het offer en daarin de troostrijke nabijheid van de verzoende God. En zo kon men elkaar ook toeroepen: ‘Smaakt en ziet, dat de Heere goed is’. 8 Zo is dan onze tekst een en al uitnodiging om de gemeenschap met de Heere te beleven.
De goedheid van de Heere wil proefondervindelijke waarheid in ons worden. In onze tekst worden wij opgeroepen om te proeven van de goedheid van de Heere. 9 Laat die goedheid van God dus niet slechts een zaak van beschouwing zijn. ‘Proef en geniet: hoe zoet is de heerE’ (Willibrordvertaling).
Da Costa vertelt ergens van twee jongens die ieder voor zich een appel kregen. De één sneed zijn appel in acht stukjes en at die vervolgens één voor één op. De ander zette zijn tanden in de appel, zodat het sap langs zijn kin droop. De laatste genoot eigenlijk de volle smaak van die appel. Niet door het te analyseren, maar door het te ‘consumeren’ genieten wij de volle smaak van het Evangelie.
George Whitefield vroeg eens aan iemand: ‘Wat gelooft u?’ De man antwoordde: ‘Ik geloof wat mijn kerk gelooft’. ‘En wat gelooft uw kerk dan?’, vroeg Whitefield. ‘Wat ík geloof’, ant­woordde de man. Onverschrokken probeerde White­field het opnieuw en vroeg: ‘En wat gelooft u dan beiden?’ ‘Wel, wij beiden geloven dezelfde dingen’, was het ontwijkende antwoord.
Er zijn mensen wier geloof uit weinig meer bestaat dan uit een uitwendige belijdenis van wat de kerk gelooft. Zij houden voor waar wat God in Zijn Woord zegt. Zij eigenen zich ook zonder problemen Gods beloften toe. Het ‘ware geloof evenwel is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus wil’ (Heid.Cat., Zondag 7, antwoord 21).
Het geloof is als het ware het zesde zintuig, het vermogen om bovennatuurlijke dingen te zien en te geloven. Daardoor wordt Gods waarheid ervaren waarheid in ons binnenste.

Daarmee is niet gezegd, dat u achter de waarheid van Gods Woord nog een andere waarheid moet zoeken. Het komt erop aan, dat u de waarheid van Gods Woord ingedrukt krijgt door Gods Geest in uw hart. Daardoor wordt alles persoonlijk. Daardoor leer ik wat God zegt te ‘mijnen’. Gods waarheid wordt dan persoonlijk bevonden Gods waarheid, ook voor mij te zijn.



Het kan zijn, dat de Heere u in het verleden vaak heeft uitgered uit allerlei benauwdheden en dat u daarvoor ook dankbaar bent. Maar het grootste wonder dat uw deel kan zijn, is toch, als de Heere u geleerd heeft, hoe bitter de zonde is en hoe onuitsprekelijk rijk het is, als u uit de omklemming van de zonde bent verlost en tot de grote bevrijding bent gebracht door het geloof in de Heere Jezus. Dan is dat voor u niet maar een zaak van beschouwing. Maar u proeft dan de zoetigheid van het verlossingswerk van de Heere Jezus. Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven. En dat proeft u dan ook in het stukje brood dat spreekt van Christus’ verbroken lichaam en in het ene slokje wijn, het teken en zegel van Christus’ bloedstorting.
Een mens kan wel eens enig gevoel krijgen van de eeuwige straf die hij verdiend heeft door zijn zonden en daarover hete tranen schreien, zonder dat het hem in waarheid om de Heere Zelf te doen is. Ik denk aan buurman Gezeggelijk uit de Christenreis van John Bunyan. Hij wilde ook wel net als christen naar de hemelstad. Maar toen hij in de poel Moedeloosheid viel, vond hij het meteen welletjes. Zoveel beproeving had hij niet over voor de eeuwige erfenis. Breken met de zonde, het kruisigen van zijn boze vlees was er niet bij.
In het ware geloof gaat het van meet aan om God. Dan betreurt u het niet slechts, dat u door te zondigen de hemel verspeelt. Maar dan kent u een droefheid naar God, gewerkt door Gods Geest, waardoor het u tot een diepe smart wordt, dat u door te zondigen, zovaak de Heere hebt bedroefd en Zijn eer door het slijk hebt gehaald. In het ware geloof is Christus ons dierbaar, niet alleen omdat hij de onvrede en angst om eeuwig verloren te gaan uit ons hart wegneemt, maar omdat Hij de Borg is Die in mijn plaats voldaan heeft aan het recht van God, dat door mij zo geschonden was. Het ware geloof gaat ook gepaard met een hartelijk verlangen om heilig voor God te leven. Daarin kruisigen we dagelijks ons boze vlees. Daardoor buigen we ons stil onder God, ook als Hij ons in zware beproevingen brengt.
Welnu, in die weg wordt Christus ‘krachtig bevonden een hulp in benauwdheden’ (Ps. 46:2b). Dan kunt u net zo min pochen op uw moed en list, als David dat kon in Gath.10 U hebt slechts één begeerte: de Heere grootmaken om alles wat Hij voor u deed, voor Zijn genade en liefde. Zo behaagt het God om uw zwakke geloof door de tekenen van brood en wijn te ondersteunen.
3.God blaast het ene kooltje aan
Het kan zijn, dat u op dit moment in een situatie verkeert, waarin u weinig ziet van Gods goedheid. Het is donker in uw hart. Het kan wel zijn, dat u er weinig smaak van hebt, als u de tekenen van het heilig Avondmaal tot u neemt. Er zijn niet meer die tere uitgangen van uw hart naar de Heere en Zijn beloften, zoals toen u nog in uw eerste liefde was. En u vraagt zich dan ook af, of u zich misschien tot nu toe vergist hebt. Is alles niet maar enkel inbeelding geweest? Nee, u kunt niet ontkennen, dat de Heere Zich met u heeft ingelaten. Maar in uw verborgen omgang met God ondervindt u weinig smaak. Uw hart schreeuwt om nieuwe blijken van Gods gunst.

Nu, wat is het dan een wonder, dat de tekst van deze morgen u als het ware de spijs en drank van Christus’ lichaam en bloed voorhoudt en u toeroept: ‘Kom, proef er nog eens wat van. Geef uw ogen de kost.’ Door Zijn Geest wakkert de Heere u dan aan om op Hem te vertrouwen. U kunt in een toestand van geestelijke verlating zijn en voor uw gevoel alles missen wat u nodig hebt om de Heere te behagen. Het is dan met uw geloof als met een haard die bijna uitgebrand is. Maar weet dan, dat het voor de Heere niet te veel moeite is om het ene kleine kooltje dat nog bleef branden, weer aan te blazen, zodat uw ziel binnen de kortste keren weer een vuurzee wordt.


Nu, het is Gods gewone wijze van doen om Zijn kinderen niet alleen geestelijke spijs en drank toe te reiken, maar ook om hen er smaak van te geven, als ze die gebruiken. En als uw smaak weg is, doe dan in elk geval wat het tweede deel van onze tekst zegt: Zie, dat de Heere goed is. Welgelukzalig is de man die op Hem betrouwt. Welgelukzalig, dat is overgelukkig.

Een verklaarder van de Psalmen schrijft: ‘Bijna in elke psalm klinkt de verzekering en de ervaring, dat God aan de verdrukten denkt, dat Hij hun angstgeroep hoort, dat Hij hun gebeden verhoort, dat Hij hen verlost, uithelpt en kracht geeft, dat Hij hun recht doet en hun toevlucht wil zijn.’ (Dr. Joh.de Groot, a.w.,blz.160.) En Calvijn schrijft in zijn verklaring van onze tekst: ‘Daarom is de man welgelukzalig, die op Hem vertrouwt, omdat Hij niemand tevergeefs begerig doet zijn naar Zijn genade. Ons echter staat alleen ons ongeloof in den weg, om tevreden te zijn met den overvloed van goede gaven, die zoo mild en weldadig ons gegeven worden.’


Ik denk, dat er vanmorgen iemand is, die niet aan het heilig Avondmaal denkt te mogen komen, omdat hij van de vorige avondmaalsviering zo weinig profijt had. Laat ik u dan een paar vragen mogen stellen. a) Bent u er in uw hart van overtuigd, dat u in uzelf niets hebt om God te behagen?; b) Bent u er in uw hart van overtuigd, dat Christus’ gerechtigheid de enige toevlucht van uw leven is?; c) Bent u er in uw hart van overtuigd, dat er blijdschap was bij de Heere, toen Hij u bij de vorige avondmaalsviering aan Zijn tafel zag, al was er toen wellicht niet zoveel vreugde in uw eigen hart?
Laat dan in elk geval uw smaak niet bederven door de vorst der duisternis met zijn influisteringen. Bedenk, dat u, als u thuis aan tafel hebt gezeten om te eten, de ene keer meer smaak ervan zult hebben dan een andere keer. Maar daarom was het voedsel dat u tot u nam, nog wel voedzaam en nuttig voor uw lichaam. Om werkelijk smaak te hebben van de goedheid van God, moet u niet allereerst op uw smaak letten, maar op de goedheid van God Zelf.
Ik stel u nog enkele vragen. 1) Kunt u het, als u alleen staat in ’t leven, toch ook niet op zijn tijd zeggen: ‘God is goed?’ 2) Kunt u, als u wellicht opziet tegen een zware taak die op uw schouders ligt, toch ook niet zeggen: ‘God is goed?’ 3) Hoewel u zich wellicht diep moet schamen over uw tekorten, vooral ook in het getuigen van de Heere, kunt u toch ook niet zeggen: ‘God is goed?’
Roep dat dan maar uit. Meer is niet nodig. Laat dat de stof van uw verwondering zijn aan Gods tafel. God is goed, goed ook voor mij.
Voel ik zo veel gebreken?

Hij, Die mij roept, is trouw.

Die van geen schuld zal spreken,

zo ‘k Hem als Borg aanschouw.

Hij wil zo vaak vergeven,

als ik vergeving vraag;

Hij troost mij in dit leven,

wanneer ik treur en klaag.11



Amen.


1 Zo Ds. C. Vonk, I en II Samuel (De voorzeide leer; deel If; De heilige Schrift). Barendrecht 1976; blz.211.

2 De Statenvertaling geeft het ‘zich waanzinnig aanstellen’ in 1 Sam.21:13 weer met: hij maakte zich gek.

3 Aldus Dr. F. M. Th. Böhl, De Psalmen (Tekst en Uitleg); Groningen- Batavia, 1946, blz.163.

4 ‘Wij hebben hier het hoogtepunt van de psalm, evenals in de voorgaande (Psalm 33) in het heil het volk, welks God Jahwe is, de natie die hij zich ten erve verkoos, vs.12.’ Aldus Dr. J. J. P. Valeton Jr., De Psalmen; eerste deel (Psalm 1-41); Nijmegen 1902; blz.264.

5 Zo C. H. Spurgeon, De Psalmen Davids (met ophelderende aantekeningen van verschillende beroemde godgeleerden); uit het engels vertaald door Elisabeth Freystadt; eerste deel (Ps.1-41); 4e druk. Amsterdam; blz 437.

6 Psalm 34 is een van de 9 zogenaamde abc psalmen (elk vers begint met een volgende letter uit het Hebr.alfabeth). ‘Vele Davidische Psalmen dateren uit de tijd der vervolgingen door Saul (18, 34, 52, 54, 56, 57, 59, 63, 142).’ Aldus Dr. Johannes de Groot, De Psalmen; verstaat gij wat gij leest. Baarn (BBBserie) 1941; blz.50.

7 De afbeelding is gekozen uit Bij brood en beker (Leer en gebruik van het heilig avondmaal in het Nieuwe Testament en in de geschiedenis van de westerse kerk); red.o.a. Prof.dr. W. van ’t Spijker; Goudriaan 1980; blz.222 (Het avondmaal bij de hervormden. Tekening van Bernard Picart (1732).

8 Zo Dr. A. van Deursen, De achtergrond der Psalmen (BBB-serie), Baarn z.j., blz.225.

9 = proeven, ondervinden, waarnemen; een kleine hoeveelheid eten (bijv. brood). = zich bergen; zijn toevlucht zoeken. Vgl. Jes. 30:2; Ps. 61:5; Zef .3:12. = de man. Spurgeon schrijft in zijn verklaring van onze tekst: ‘…Hebt proefondervindelijke kennis van de goedheid des Heeren. Gij kunt niet zien, zo gij niet smaakt; maar indien gij smaakt, dan zult gij zien, want evenals door Jonathans honing, zullen uw ogen erdoor verlicht worden…Het geloof is het smaakorgaan der ziel.’ Zo C. H. Spurgeon, a.w., blz. 443v.

10 ‘In nood zijn we elk ogenblik. En dan gaan we denken en denken, zinnen op middelen, die ons kunnen redden. Op zichzelf niet verkeerd, maar heel verkeerd, als het is een steunen op eigen wijsheid…Wat kunnen we verwachten, als we slechts met David weten te krabben aan de poorten der stad…’Zo Dr. J.W. Grosheide, De Psalmen; eerste deel (Psalm 1-70); Kampen 1952; blz.99.

11 Uit Petrus Immens, De godvruchtige avondmaalganger (Lied van Joh.Hazer Czn).







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina