Preventieplan



Dovnload 135.62 Kb.
Pagina1/2
Datum21.08.2016
Grootte135.62 Kb.
  1   2
PREVENTIEPLAN
voor leerlingen

ter voorkoming van

geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag
2009
LIMITS vzw

In opdracht van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,

Frank Vandenbroucke

Het preventieplan voor leerlingen is niet los te koppelen van het interventieplan geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag ter bescherming van leerlingen. Ook het preventie- en interventieplan voor personeelsleden kan niet buiten beschouwing gelaten worden, vermits het een invloed heeft op het algemeen schoolklimaat en bijgevolg ook indirect bijdraagt tot het welbevinden van de leerlingen. Bovendien past dit preventieplan in een zorgbeleid, dat gerelateerd is aan het pedagogisch project van iedere school.


Dit preventieplan is opgesteld met het oog op de bescherming van leerlingen die niet in beschouwing worden genomen in de welzijnswet. Men moet er echter rekening mee houden dat een groep leerlingen gelijkgesteld wordt aan werknemers, en bijgevolg binnen het toepassingsgebied van de wet vallen.

Volgens de wet1 worden volgende personen gelijkgesteld aan werknemers:



  • de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;

  • de personen die een beroepsopleiding volgen waarvan het studieprogramma voorziet in een vorm van arbeid die al dan niet in de opleidingsinstelling wordt verricht;

  • de personen gebonden aan een leerovereenkomst;

  • de stagiairs;

  • de leerlingen en studenten die een studierichting volgen waarvan het opleidingsprogramma voorziet in een vorm van arbeid die in de onderwijsinstelling wordt verricht.

Voor de leerlingen, die door de wet gelijkgesteld worden aan werknemers, verwijzen we naar het preventieplan voor personeelsleden van de school. Deze leerlingen kunnen bijvoorbeeld net zoals de personeelsleden van de school terecht bij de vertrouwenspersoon en de preventieadviseur. Het is echter heel belangrijk dat de school er zich steeds van bewust blijft dat ook deze leerlingen niet zomaar als volwassenen beschouwd kunnen worden en er toch een aangepaste aanpak vereist is.


Bij het opstellen van dit plan is rekening gehouden met de ervaring, initiatieven en suggesties van verschillende deskundigen die in de voorbije jaren relevante projecten hebben ontwikkeld in Vlaanderen:

  • Zo wordt rekening gehouden met recente praktijkgerichte publicaties2.

  • Daarnaast werd voortgebouwd op de ervaring van Limits vzw, die sinds 1997 in opdracht van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming het Steunpunt Ongewenst Gedrag op school verzorgt.

Dit preventieplan voor leerlingen kan inspirerend werken voor al wie rechtstreeks betrokken is bij het welbevinden van leerlingen. Sommige scholen kunnen hierdoor gestimuleerd worden om hun werking op een zinvolle manier verder te zetten. Andere scholen zullen zich door dit plan beter bewust worden van de noodzaak van een preventief beleid. Dit preventieplan is dan ook in de eerste plaats bestemd voor directies, leerkrachten, medewerkers van Centra voor Leerlingenbegeleiding.


In dit preventieplan gebruiken we het mannelijk persoonlijk voornaamwoord ‘hij’ omdat dit grammaticaal neutraal is. Daarmee verwijzen we dus zowel naar mannen als naar vrouwen. Wie dat wil, kan ‘hij’ dus gerust als ‘zij’ lezen.

Inhoud
Inleiding……………………………………………………………………………………... 4
Fase 1: Expliciteren van beleidskeuze(s) door de schoolleiding 6
Fase 2: Werkgroep samenstellen 7
Fase 3: De beginsituatie van de school in kaart brengen 9
Fase 4: Preventieve maatregelen selecteren en uitwerken 11
Fase 5: Evaluatie 20
Bijlage 1 Werken met een gedragscode tegen pesten 21

Bijlage 2 Vormings- en ondersteuningsaanbod voor scholen 26


Inleiding

De school als leer- en leefgemeenschap heeft een bijzondere taak in het opvoedingsproces van jongeren. Kinderen en jongeren moeten op school optimale groeikansen krijgen. Dat kan pas als ze opgroeien in een sfeer van waardering en geborgenheid. Het welbevinden van kinderen en jongeren staat daarbij centraal. Iedereen die betrokken is bij het schoolgebeuren, is in dat opzicht medeverantwoordelijk voor dat welbevinden.


Geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag schaden het algemeen welbevinden van leerlingen. Niemand twijfelt er nog aan dat pesten en andere vormen van grensoverschrijdend gedrag zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. De gevolgen op korte en lange termijn zijn niet te onderschatten.

Werk maken van een positieve, veilige en geweldloze school- en leefomgeving betekent ook dat rekening wordt gehouden met de Internationale Verklaring voor de Rechten van het Kind. Volgens deze verklaring hebben alle kinderen en jongeren ten behoeve van hun eigen welzijn en ontwikkeling recht op onderwijs en op een leefomgeving waarin geweld afwezig is (IVRK, Art. 17, 28 en 34).


Veel scholen zijn zich hier al geruime tijd van bewust en hebben in het verleden, hetzij op eigen initiatief, hetzij onder impuls van projecten in Vlaanderen, positieve acties ondernomen om, onder meer, pestgedrag te voorkomen. Pesten, geweld en ongewenst seksueel gedrag worden meer bespreekbaar en de noodzaak van een geïntegreerde aanpak waarbij gestreefd wordt naar een optimale samenwerking tussen directie, leerkrachten, schoolbegeleiders, ouders en leerlingen staat tegenwoordig buiten kijf.

De toegenomen aandacht voor gelijke kansen, geestelijke en fysieke gezondheid, welbevinden op school en de wetgeving over geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag op het werk van juni 2002, heeft aan de aanpak van deze problematiek nog een extra impuls gegeven. Bovendien wordt op scholen, vanuit de media, extra druk uitgeoefend om werk te maken van de aanpak van maatschappelijke problemen zoals geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag.


Het streven naar een positief schoolklimaat en ‘sterke en warme scholen’ vormt de basis van een preventiebeleid rond ongewenst gedrag op school. Ook de ontwikkelingsdoelen en eindtermen vormen een belangrijke vertrekbasis voor de preventie van ongewenst gedrag. Leerlingen zullen in dit kader gestimuleerd worden tot het ontwikkelen van hun sociale vaardigheden, het opbrengen van respect voor elkaars meningen, het leren omgaan met verschillen in culturen en achtergronden, enz.

Ze leren op school ook omgaan met de grenzen die door anderen of door de omgeving worden getrokken. Daar is aandacht voor vanaf de kleuterklas tot in de laatste graad van het secundair onderwijs.

De betrokkenheid van en samenwerking met alle partijen die deel uitmaken van de onderwijs- en schoolgemeenschap is hierbij een absolute noodzaak. Leerkrachten, leerlingen en ouders zullen elk op hun manier geïnformeerd, gesensibiliseerd en extra gevormd moeten worden om hun verantwoordelijkheid in deze optimaal op zich te kunnen nemen. Leerlingen zullen aan de ene kant gestimuleerd worden tot het ontwikkelen van hun sociale vaardigheden en aan de andere kant ook moeten leren omgaan met de grenzen die door anderen of door de omgeving worden getrokken. Door participatie en inspraak van de leerlingen op school toe te laten, kunnen deze vaardigheden verder ontwikkeld en ingeoefend worden en krijgen leerlingen de kans om mee te werken aan het beleid van de school.
Naast aandacht in de lessen is het belangrijk dat scholen werk maken van goede structurele maatregelen. Enkele mogelijke structurele maatregelen worden verder in dit preventieplan geconcretiseerd. Dit kan niet zonder de sensibilisatie van leerkrachten, ondersteuning van het logistiek schoolpersoneel, medewerking en participatie van ouders en leerlingen, waardoor de verschillende betrokken partijen beter op elkaar afgestemd worden. Elke betrokkene draagt immers een steentje bij tot het welslagen van een constructief beleid.
Dat de schoolleiding een cruciale rol speelt bij het uittekenen, uitwerken en opvolgen van het preventie- en remediëringsbeleid wordt in Pesten en geweld op school3 onderstreept. Schoolleiders, directies en coördinatoren krijgen in deze publicatie informatie4, hulpmiddelen en werkvormen5 aangereikt die hen in staat stellen de centrale rol die men speelt zo goed mogelijk waar te maken.
De volgende stappen verduidelijken op welke manier scholen hun preventiebeleid ter voorkoming van geweld, pesten en ongewenst seksueel gedrag bij leerlingen kunnen uitbouwen of versterken:

Fase 1: Expliciteren van beleidskeuze(s) door de schoolleiding

Fase 2: Werkgroep samenstellen

Fase 3: De beginsituatie van de school in kaart brengen

Fase 4: Preventieve maatregelen selecteren en uitwerken

Fase 5: Evaluatie

Fase 1: Expliciteren van beleidskeuze(s) door de schoolleiding
Wanneer de schoolleiding haar keuze voor een (her)nieuw(d)e aanpak klaar en duidelijk toelicht en motiveert, lukt het beter om tot een goed en duurzaam resultaat te komen. Door maatregelen of initiatieven te nemen die de gemaakte beleidskeuzes kracht bij zetten, wordt het voor de leerkrachten, de leerlingen en de ouders nog duidelijker waar de school naartoe wil.
Voor het uittekenen van (nieuwe) beleidslijnen op het gebied van het voorkomen van pesten, geweld en ongewenst seksueel gedrag binnen de school (leerlingenniveau) maken scholen het best gebruik van een helder en goed te hanteren preventiekader. De publicatie Pesten en geweld op school reikt twee dergelijke modellen aan6. Het ‘model van wenselijke preventie’ (Vettenburg, Burssens et al, 2008) en de ‘preventiepiramide van Deklerck’ laten scholen toe om tot een bredere, integrale kijk te komen. Op die manier worden problemen grondig aangepakt en beperkt men zich niet tot symptoombestrijding.
Het naar voor schuiven van een goed afgebakende en heldere probleemomschrijving biedt eveneens een meerwaarde. Dan lukt het beter om alle neuzen één kant op te krijgen, doelgerichte maatregelen uit te werken en nadien te evalueren.
Beleidskeuzes hangen nauw samen met het beoogde schoolprofiel en de eigen pedagogische visie. Ze kunnen ook het gevolg zijn van een schooldoorlichting of zorgvuldige zelfevaluatie. Wanneer deze evaluatiegegevens niet voorhanden zijn, kan de school ervoor kiezen om haar actieplan uit te laten gaan van een zelfonderzoek of een uitgebreide enquête van de schoolbetrokkenen (zie ook verder: fase 3).

Fase 2: Werkgroep samenstellen


Als de krachtlijnen van het schoolbeleid vast liggen en op een gemotiveerde manier aan de andere partners binnen de school werden voorgelegd, komt het er op aan een schoolinterne werkgroep samen te stellen. Deze werkgroep wordt de motor van het implementatie- of veranderingsproces. Binnen de werkgroep kan er een coördinator aangesteld worden die een globaal overzicht behoudt, voor de praktische zaken zorgt en de inhoudelijke werking van de werkgroep bewaakt.
Omdat de medewerking van alle schoolbetrokkenen wenselijk is voor het bereiken van een duurzaam resultaat en de effectieve uitvoering van het vooropgestelde actie- of werkplan, is het aangewezen om te kiezen voor een heterogeen samengestelde werkgroep. Dit komt hier op neer dat de directie, de leerkrachten, de leerlingen, de ouders, het CLB en in sommige gevallen ook vertegenwoordigers uit de schoolomgeving in de werkgroep worden opgenomen. Wanneer dit om één of andere reden niet haalbaar is, kan de werkgroep er nog altijd naar streven om alle betrokkenen via overleg, informatiemomenten en het delegeren van verantwoordelijkheid bij het proces te betrekken.
Een vruchtbaar en effectief werkproces veronderstelt dat de werkgroep efficiënt te werk gaat en de samenwerking plaatsvindt in een aangename, positieve werksfeer. Door het krijgen van een duidelijk mandaat van de directie hoeft de werkgroep zich niet telkens opnieuw te verantwoorden, zal de taakgerichtheid toenemen en wordt een positief groepsproces in de hand gewerkt.
Naast de toekenning van een duidelijk mandaat aan de werkgroep, is het belangrijk dat de directie ook op andere manieren het engagement van de school in de verf zet, door bijvoorbeeld in de nodige faciliteiten te voorzien, de werking van de groep te ondersteunen en eventuele bedenkingen van collega’s of ouders te ondervangen, het project blijvend te bewaken binnen de ruimere beleidsvisie, enz.

De taken die de werkgroep op zich neemt, hangen vanzelfsprekend af van haar opdracht of mandaat. In de meeste gevallen betekent dit dat de werkgroep op basis van haar mandaat



  • de na te streven doelen zo concreet mogelijk omschrijft;

  • de aanwezige problemen zo goed mogelijk in kaart brengt en analyseert;

  • beleidsvoorstellen formuleert;

  • een werkplan met taakverdeling uittekent;

  • de timing bepaalt en bewaakt;

  • opdrachten of taken delegeert;

  • zelf bepaalde initiatieven neemt of actiepunten uitwerkt;

  • de uitvoering van de verschillende deeltaken (tussentijds) evalueert;

  • voorstellen formuleert voor de bijsturing of optimalisering van het werkplan.

De werkgroep kan gebruik maken van de ‘actiecirkel’, een nuttig instrument dat, aan de hand van concrete vragen, het implementatieproces stapsgewijs helpt uitwerken en voorbereiden.7


Het is raadzaam dat één van de eerste taken van de werkgroep erin bestaat te bepalen welke personen kunnen instaan voor het voeren van een opvanggesprek en het doen van tussenkomsten indien er voorvallen zijn van ongewenst gedrag (zie interventieplan leerlingen). Dit moet alle schoolbetrokkenen zo snel mogelijk gecommuniceerd worden, zodat geweten is bij wie men terecht kan of naar wie men doorverwezen kan worden wanneer dat nodig zou blijken.
Om een goede werking te garanderen, is het belangrijk dat de werkgroep in nauw contact blijft staan met de schoolleiding evenals de andere aan de school verbonden actoren. Goed communiceren en kiezen voor inspraak en betrokkenheid vormt dus een extra aandachtspunt. Op korte termijn mag deze visie voor enige vertraging zorgen, op middellange en lange termijn leidt ze tot diepgaandere en duurzamere resultaten.

Fase 3: De beginsituatie van de school in kaart brengen
Het valt voor dat scholen initiatieven nemen tot het uitwerken van een beleid rond ongewenst gedrag nadat ze te maken kregen met een of ander incident. Deze probleemsituatie geeft de school een signaal en kan een eerste vertrekpunt zijn om tot een dergelijk beleid te komen. Bij het uitwerken van een actie- en preventieplan is het echter aangewezen om het thema vanuit een breder perspectief te benaderen. Op die manier vermijdt men paniekvoetbal en het tunnelperspectief dat hier vaak mee gepaard gaat.

Die bredere kijk krijgt men door de reële beginsituatie van de school in kaart te brengen. Verschillende instrumenten (observatie-instrumenten zoals een leerlingvolgsysteem, de GOK-beginsituatieanalyse (voor wat betreft sociaal-emotionele ontwikkeling), instrumenten voor zelfevaluatie, het meest recente doorlichtingsrapport, een enquête over pesten en geweld op school, focusgespreksgroepen, enz.) lenen zich hiertoe.


Het in kaart brengen van de beginsituatie van de school kan bijvoorbeeld door werk te maken van een sterkte/zwakte-analyse8. Ook leerlingen, ouders en leerkrachten kunnen bij een enquête ondervraagd worden over de situatie op school. Bestaande vragenlijsten9 kunnen zonodig aangepast worden op maat van de leerkrachten en leerlingen van de betreffende school en de ouders.
Zoals in de publicatie Welbevinden op School10 verhelderd wordt, kunnen scholen zich ook laten leiden door een positieve kijk op de situatie. Een niet probleemgerichte kijk biedt ongetwijfeld een aantal voordelen. Peilen naar het welbevinden van leerlingen en/of leerkrachten en/of ouders levert hoe dan ook boeiende informatie op en kan er toe leiden dat bepaalde bestaande problemen aan de oppervlakte komen.
De meeste peilingsinstrumenten onderscheiden drie tot meer niveaus: het schoolniveau, het klasniveau en het individuele niveau. In sommige gevallen wordt ook gekeken naar de buitenschoolse context of de schoolomgeving. Omdat leerkrachten in de schoolwerking een centrale plaats innemen, kan het nuttig zijn om ook het ‘teamniveau’ apart in kaart te brengen.

Doordat verschillende actieniveaus worden onderscheiden, wordt de probleemanalyse verfijnd en is een preciezere doelformulering het gevolg. Dit komt ten goede aan de uitvoering van het vooropgestelde actieplan.


Wat scholen in geen geval uit het oog mogen verliezen, is dat elke soort enquête – net als elk ander initiatief om pesten en geweld tegen te gaan – verwachtingen en reacties uitlokt binnen het team en bij leerlingen en ouders. Pesterijen en geweldincidenten voltrekken zich meestal op een verdoken manier. Vaak heeft zich een taboe geïnstalleerd en is het concrete pest- of geweldprobleem al geruime tijd niet meer bespreekbaar. Door mensen de kans te geven hun mening te uiten of een probleem aan te kaarten, komen de opgehoopte spanningen vrij. Een aantal van de betrokkenen zullen van de gelegenheid gebruik maken om incidenten te melden. Scholen moeten in dat geval dus voorbereid zijn op dit soort meldingen. Hiervoor kunnen ze ondersteuning vinden in het interventieplan ten behoeve van leerlingen.

Van zodra de beginsituatie in kaart is gebracht en geanalyseerd, komt het er op aan de meest relevante informatie terug te koppelen naar alle betrokkenen. Leerkrachten, leerlingen en ouders zijn immers betrokken partij en verdienen het feedback te krijgen. Vanzelfsprekend moet erover gewaakt worden dat ieders privacy gerespecteerd blijft.

Het informeren van alle betrokkenen is belangrijk omdat het bijdraagt tot de erkenning van het probleem en het vergroten van het draagvlak voor het uitvoeren van het actieplan binnen de schoolgemeenschap.

Fase 4: Preventieve maatregelen selecteren en uitwerken
Preventie omvat alle doelbewuste en systematische initiatieven die er op gericht zijn om problemen te voorkomen (definitie van Vettenburg, Goris, Burssens e.a.).
Om er voor te zorgen dat pestgedrag, geweld en ongewenst seksueel gedrag wordt voorkomen, werken scholen een preventiebeleid uit. Dit beleid omvat idealiter een samenhangend geheel van zorgvuldig gekozen initiatieven die zich richten tot de gehele schoolgemeenschap en in het bijzonder tot diegenen die het hoogste risico lopen om slachtoffer en/of steller van ongewenst gedrag te worden.

De te nemen maatregelen zijn afhankelijk van de situatie waarin de school zich op dat ogenblik bevindt. Deze zogenaamde ‘beginsituatie’ verschilt van school tot school en wisselt ook binnen de school zelf. Wat het ene schooljaar prioriteit verdient, verschuift het schooljaar daarop mogelijk wat meer naar de achtergrond.


Het selecteren van een uitgebalanceerd geheel van preventiemaatregelen die het actuele schoolbeleid versterken, is een cruciale taak die niet aan het toeval mag worden overgelaten. De hulp van een preventiekader maakt het iets gemakkelijker om gepast in te spelen op de sterktes en zwaktes van het tot dan toe gevoerde beleid.
Of een maatregel of initiatief aanslaat, hangt niet alleen af van de kwaliteit ervan. Zo liggen de slaagkansen doorgaans hoger in een omgeving die gekenmerkt wordt door een positieve atmosfeer of waar de veranderingsbereidheid groot is. (zie Deboutte, 2009)11 Men kijkt er ook bij voorkeur op toe dat de te (onder)nemen initiatieven/acties niet ingaan tegen de vertrouwde schoolcultuur.

Men mag evenmin uit het oog verliezen dat ook bij goede initiatieven resultaten kunnen uitblijven omdat er op voorhand onvoldoende rekening is gehouden met een aantal randvoorwaarden.12


De uitbouw van een preventiebeleid houdt in dat er tegelijkertijd en op een samenhangende manier werk wordt gemaakt van vier soorten initiatieven:
(a) Leefklimaatbevorderende initiatieven:

Hoewel de zorg voor een positief klas- en schoolklimaat niet onder de hoger genoemde preventiedefinitie valt, is het duidelijk dat een dergelijk klimaat probleemsituaties helpt voorkomen. Als mensen zich goed in hun vel voelen, zich veilig en verbonden voelen met elkaar en in hun omgeving een oprechte betrokkenheid ervaren, dan stijgt hun welbevinden en duiken er minder conflicten op.

Leefklimaatbevorderende initiatieven scheppen bovendien een context waarin er openlijker kan worden gepraat over gevoelens, strubbelingen en andere problemen. Het onderlinge vertrouwen en de wederzijdse zorg voor elkaar dragen er toe bij dat problemen in een pril stadium in de kiem worden gesmoord.

Het scheppen van leer- en leefcondities, die het welbevinden en de positieve omgang versterken, is voor elke school een permanent aandachtspunt, al was het maar omwille van het positieve effect op de leerresultaten van de leerlingen.


Kenmerkend is dat dit soort initiatieven in geen geval probleemgericht kan worden genoemd. De doelgroep is breed en omvat alle leerlingen, leerkrachten en ouders. De leefklimaatbevorderende initiatieven zijn vaak structureel van aard, maar hebben soms ook een informeel karakter. Hun effect laat zich dan eerder voelen op het niveau van de persoonlijke beleving en attitudes.
Voorbeelden van leefklimaatbevorderende maatregelen of initiatieven:


  • Permanente zorg besteden aan inspraak en een zo groot mogelijke betrokkenheid van ouders, leerlingen en leerkrachten bij het schoolgebeuren;

  • Ruimte maken voor creativiteit en persoonlijk initiatief van leerlingen, ouders en leerkrachten;

  • Een waarderende houding creëren bij het schoolpersoneel: positief gedrag en positieve initiatieven gaan niet ongemerkt voorbij;

  • Aandacht hebben voor persoonlijk contact tussen leerlingen en personeelsleden onderling, maar ook voor contact tussen personeelsleden en leerlingen: via kleine en grote rituelen is er aandacht voor verjaardagen, belangrijke overgangsmomenten, ingrijpende gebeurtenissen, enz.;

  • Organiseren van klasdoorbrekende initiatieven of grote groepsmomenten: start en einde van het schooljaar; meerdaagse uitstappen (bosklassen, eindejaarsreis, enz.), fietspooling bij aanvang van het schooljaar of tijdens ‘de week van de fiets’, sport- en spelcompetities, schooltoneel, musical, enz.;

  • Zorgen voor aangename leslokalen en voor een voldoende ruime en veilige speelplaats;

  • Verzorgde en goed toegeruste leslokalen met voldoende licht, lucht en ruimte; aangename stoelen en banken, enz.;

  • Ontplooien van team- of groepsbevorderende initiatieven: alternatieve ‘studiedag’, verwenweek, knuffeldag, enz.;

  • Het mooi inkleden van de lerarenkamer met werk- en ontmoetingszone: aangename kleuren, verzorgd meubilair, leesaanbod (dagblad, tijdschriften, enz.).13

(b) Algemeen preventieve of ‘breed spectrum’ initiatieven:



In dit geval gaat het om structurele en/of persoonsgerichte maatregelen die ervoor zorgen dat leerkrachten, hulpopvoedend personeel, leerlingen en ouders ‘sterker staan’ (breed spectrum-preventie). Deze maatregelen zullen niet alleen het schoolklimaat positief beïnvloeden, maar hebben ook een direct effect op het ongewenst gedrag op school dat daardoor minder kans maakt om zich voor te doen.
Voorbeelden van algemeen preventieve maatregelen:


  • Het zinvol invullen van de recreatiemomenten zorgt er voor dat leerlingen zich kunnen uitleven en vermaken. Verveling kan namelijk een voedingsbodem zijn voor ongewenst gedrag. Door de recreatiemomenten zinvol in te vullen worden indirect ook de sociale vaardigheden van de leerlingen versterkt. Samenspel, bijvoorbeeld, kan er toe leiden dat leerlingen nieuwe vrienden maken, wat de sfeer alleen maar ten goede komt.




  • Een verzorgde en goed ingerichte speelplaats: overzichtelijk, die uitnodigt tot samenspel en rekening houdt met de diverse behoeften binnen de leerlingengroep: naast de zone voor balspelen, is er ook plaats voor rustiger activiteiten (hinkelspel, knikkerhoek, dambordspel, speeltuigen, enz.), fantasiespel (verkleedkoffer, speelbus, wigwam, enz.) en voor leerlingen die behoefte hebben aan rust is er een zithoek of zijn er banken voorzien.

Een groene speelplaats of een grasplein, waar zich in sommige gevallen ook kleine huis- of neerhofdieren mogen ophouden (in hokken), haalt in leerlingen andere vaardigheden naar boven, wat evenzeer hun welbevinden bevordert. Sommige speelplaatsen zijn voorzien van een kleine zone (cirkel, geschilderde clown) waarin kinderen kunnen plaatsnemen wanneer ze zich willen aanbieden voor een spel.



  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina