Proef 1 Broom met alkanen



Dovnload 350.62 Kb.
Pagina1/3
Datum23.07.2016
Grootte350.62 Kb.
  1   2   3
Hoofdstuk 9--- Reacties met koolstof verbindingen :
Proef 1 - Broom met alkanen :

Doel van de proef :

Het substitueren van broom met een alkaan.


Uitvoering :

We hebben aan twee reageerbuizen, elk gevuld met 2 ml hexaan, ongeveer 5 ml broomwater toege­voegd. Na schudden loste de broom beter op in de hexaan­laag dan in water. Vervolgens hebben we een van de rea­geerbuizen met aluminiumfolie omwik­keld. Na 5 minuten bleek dat in die reageerbuis geen reactie was opgetreden, maar in de andere wel.


Conclusie :

Een verklaring voor het feit dat broom beter oplost in de hexaanlaag komt omdat een gelijke altijd oplost in een gelij­ke. Water heeft een dipool, broom en hexaan niet. In de reageerbuis die omwikkeld was, kon geen reactie optre­den, omdat er geen broomradicalen konden ontstaan. Deze kunnen wel ontstaan onder invloed van licht. Hierdoor trad er ook geen reactie op. Bij de andere reageerbuis ontstond een substitutiereactie.


Vragen bij het verslag :

1. Treedt in beide buizen een reactie op?

Nee, alleen in de buis waar zonlicht bij kon komen.

2. Waaraan is te zien dat er een reactie optreedt?

Aan het ontsnappende gas, namelijk H2(g).

3. Wat is voor het verloop van de reactie nodig?

Er is licht nodig, want anders loopt de reactie af (zie reactievergelijkingen).
Br2 => 2Br* (fotolyse)

C6H14 + Br* => C6H13* + BrH

C6H13* + Br2 => C6H13Br + Br*

2C6H13* => C12H26

2Br* => Br2

C6H13* + Br* => C6H13Br


Fouten bij de proef :

Door scheel te kijken bestaat de kans dat je de reageerbuizen met elkaar verwart. Ook kun je dan denken dat er drie reageerbuizen zijn, waardoor je aantekeningen hun correctheid kunnen gaan missen. Daarom moet je proberen zo min mogelijk scheel te kijken.


Proef 2 - Broom met alkenen :

Doel van de proef :

Het adderen van broom aan een alkeen.


Uitvoering :

We hebben in twee reageerbuizen hexeen gedaan en vervolgens een van de buizen afgesloten van zonlicht. Vervolgens voegden we aan beide reageerbuizen 1 ml broomwater toe. Na het schud­den zagen we dat in beide buizen een reactie was opgetre­den.


Conclusie :

Voor een additie-reactie is geen licht nodig. Als de koolstofketen verzadigd is en er nog genoeg broom aanwezig is en de buis wordt in het licht gehouden, kan de reactie overgaan op substitutie. Broom is een goede reagens voor dubbele bindingen.




Vragen bij het verslag :

Verloopt de reactie van broom met hexeen onder dezelfde omstan­digheden als bij de reactie van broom met hexaan?

De reactie van broom en hexeen verloopt zowel met als zonder licht. De reactie van broom met hexaan verloopt alleen met licht.
Fouten bij de proef :

Het kan zijn dat je in het verkeerde lokaal terecht bent GEKOMEN omdat je dacht dat het lokaal Duits was en ben je daarom meteen in slaap gevallen.


Proef 3 - Bereiding van alcohol :

Doel van de proef :

Het bereiden van alcohol door middel van gisting.


Uitvoering :

In een erlenmeyer met een 15% glucose-oplossing wordt een lepeltje bakkersgist gedaan. Deze wordt met een buisje verbonden met een andere erlenmeyer waar kalkwater(Ca­OH2) in we zetten de erlenmeyers op een niet te koude plaats. In de ene erlenmeyer ontstaat een gele vloeistof. In de andere wordt het kalkwater troebel.


Conclusie :

Het kalkwater is troebel geworden door CO2. Door gisting ontstaat alcohol.


Vragen bij de proef :

1. Is er bij deze bereidingswijze van ethanol zuurstof nodig?

Nee, zuurstof neemt geen deel aan de reactie.

2. Stel de reactievergelijking op.

C6H12O6 + gist => 2C2H5OH + 2CO2(g).
Hoofdstuk 10 --- Zuren en basen :
Proef 1 - Indicatoren in oplossingen :

Doel van de proef :

Onderzoeken van werking van bepaalde indicatoren.


Uitvoering :

Van elke stof uit de onderstaande tabel hebben we 4 ml in een reageerbuis gedaan. Van elke oplossing hebben we een druppel gebracht op:

-een snipper blauw lakmoespapier

-een snipper rood lakmoespapier

-een snipper universeel indicatorpapier

Ook hebben we bij alle oplossingen een beetje rode koolsap gedaan als indicator. De waarnemingen zijn in de tabel opgeno­men :




Conclusie :

Met deze indicatoren kunnen we bepalen of een stof zuur of basisch is. Als het blauw lakmoespapier rood kleurt is de stof zuur. Als het rood lakmoespapier blauw kleurt is de stof basisch. Als de stof groen wordt na toevoeging van rode koolsap is de stof basisch en als het rood wordt is de stof zuur. Een neutrale stof zal paars worden. Uit de tabel blijkt dat zure oplossingen een pH onder de 5 hebben, basische oplossingen een pH boven de 8 hebben en neutrale oplossingen daar tussen liggen.


Vragen bij het verslag :

1. Sorteer op basis van je waarnemingen de onderzochte oplos­singen in drie groepen.

Zure oplossingen: azijn, HCl, accuvloeistof, citroensap en NaNO4.

Neutrale oplossingen: pekelwater, kraanwater en NaNO3.

Basische oplossingen: soda-oplossing, loog en ammonia.

2. Welke eigenschappen kun je van elk van de drie groepen opnoemen?

Zuren: -Stroom geleiding door vrije ionen

-Bij reactie met metaal ontstaat H2

-Heeft pH groter dan 8

-Geeft lakmoes een roodkleuring

Neutr: -De pH licht tussen de 5 en 8

-bij lakmoes behoudt het zijn kleur

Basen: -De pH licht boven de 8

-Stroomgeleiding door vrije ionen

-Lakmoes keurt blauw
Proef 2 - Zure oplossingen :

Uitvoering :

Met behulp van de pH-meter hebben we de geleidbaarheid van enkele zure oplossingen gemeten: azijnzuur, zoutzuur en water. Na de metingen hebben we bij de zure oplossingen een stukje magnesium gedaan. En na de reactie waarbij een gas ontstaat hebben we de geleidbaarheid nog een keer gemeten. Mg(s) + 2H+ => Mg2+ + H2(g).



Conclusie :

Het gas dat ontstaat bij de reactie is H2. De zure oplossing geleid omdat in de oplossing vrije ionen aanwezig zijn: H+ of H3O+ ionen. Na de reactie is geleiding mogelijk door Mg2+ ionen. Nu geleiden ze nog een stuk beter dan voor de reactie. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat Mg2+ een beweeglijker ion is. Mg2+ staat zijn elektronen makkelijker af dan H+ als er een bij komt.



Hoofdstuk 11 --- Zuur-base reacties :
Proef 1 - Welke deeltjes zijn basen :

Uitvoering :

Aan een aantal reageerbuizen met verschillende oplossingen hebben we een rood lakmoespapiertje toegevoegd om te zien of de oplossingen basisch zijn of niet. Als het rood lakmoes blauw kleurt is dit het geval.



Conclusie :

De oplossingen ammonia, ethaanamine, CaO in water,

natriumsul­fide en natriumsulfiet zijn basisch. Dit komt door de deeltjes NH3, C2H5NH2, CaO, S2- en SO32-.
Proef 2 - De reactie tussen zoutzuur en natronloog :

Uitvoering :

In een klein bekerglas hebben we 10 ml 0,1 M zoutzuur gedaan en vervolgens hebben we hieraan een paar druppels broomthymol­blauw (BTB) toegevoegd. Hierdoor werd de vloeistof geel, want BTB kleurt geel in een oplossing met een lage pH-waarde, met een hoge pH blauw.

Bij deze oplossing doen we een paar druppels 0,1 M natronloog tot de vloeistof kleurloos is geworden, dus de oplossing is niet meer zuur. De vloeistof hebben we ingedampt, waarbij een blauwe vaste stof ontstond. H3O+ + OH- => 2H2O
Conclusie :

Een zuur reageert met een base waarbij het zuur H+ afstaat aan de base. Het blauwe poeder dat ontstaat, bestaat uit de stof­fen NaOH, BTB en NaCl.


Vragen bij het verslag :

1. Welke ionen bevinden zich in zoutzuur?

H3O+ en Cl-.

2. Welke ionen zijn uit de oplossing verdwenen als de oplos­sing net niet meer zuur is?

De H3O+ ionen zijn dan grotendeels verdwenen.

3. Welke ionen bevinden zich in natronloog?

Na+ en OH-.

4. Welke ionen uit de basische oplossing zullen verantwoorde­lijk zijn voor het verdwijnen van de ionen uit de zure oplossing?

OH- ionen.

5. Stel de reactievergelijking op.

H3O+ + OH- => 2H2O

Na+ + Cl- =>indampen=> NaCl

Na+ + OH- =>indampen=> NaOH
Proef 3 - De reactie tussen zoutzuur en calciumcarbonaat :

Uitvoering :

Aan een bekerglas gevuld met een laagje 1 M zoutzuur hebben we een paar druppels methyloranje toegevoegd (bij lage pH is de kleur rood, het omslagtraject 3,1-4,4 , een pH hierboven kleurt oranje-geel). De kleur van de vloeistof verandert in lichtrood. Vervolgens hebben we calciumcarbonaatpoeder schepje voor schepje toegevoegd totdat de oplossing niet meer zuur was.


Conclusie :

Door het feit dat de kleur van de indicator weer omslaat na toevoeging van calciumcarbonaat betekent dit dat er een reac­tie optreedt waarbij het zoutzuur H+ afstaat aan de base CO32-.


Vragen bij het verslag :

1. Welke ionen bevinden zich na de reactie niet meer in de oplossing?

H+ en CO32- ionen.

2. Welke stof is het gasvormige product?

CO2

3. Stel de reactievergelijking op.

2H3O+ + CaCO3 => 2H2O + Ca2+ + H2CO3

Omdat H2CO3 niet stabiel is in water wordt de totale reac­tievergelijking:

2H3O+ + CaCO3 => 3H2O + Ca2+ + CO2(g)
Proef 4 - Magnesiumoxide met verdund azijnzuur :

We schenken in een bekerglas 20 ml water, daar doen we 3 druppels fenolftaleïen bij als indicator. De kleur van het water is nog steeds kleurloos. Vervolgens doenb we hier een schepje magnesiumoxide bij en de kleur slaat dan om naar paarsrood. We voegen dan met een vulpipet net zolang verdund azijnzuur toe tot de kleur van de indicator weer omslaat naar kleurloos.


Zuiver water heeft een pH van 7. Fenoltaleïen heeft een omslagtraject van 8,2-10,0. Voor 8,2 is de kleurloos en bij pH groter dan 10,0 is de kleur paarsrood. Het is dus logisch dat de kleur van water kleurloos blijft na toevoeging van de indicator. Dan doen we er magnesiumoxide (MgO(s)) bij wat oplost tot Mg2+(aq) en O2-(aq). Dan volgt er deze reactie : O2-(aq) + H2O(l) g 2OH-(aq). Doordat er veel OH-(aq) wordt gevormd wordt de oplossing basischer; de pH wordt groter dan 10,0 en de kleur slaat om naar paarsrood. Nu pippeteren we er azijnzuur bij totdat de kleur weer omslaat naar kleurloos. De volgende reactie vindt dan plaats : OH-(aq) + H3O+(aq) g 2 H2O(l). De sterkste zuur gaat dan reageren met de sterkste base en er ontstaan een zuur-base reactie. We pippeteren er dus net zolang H3O+(aq) bij totdat er zoveel OH-(aq) is omgezet in water dat de pH weer gedaald is tot lager dan 8,2.
Proef 5 - Reacties met zwavelzuur :

We vullen drie reageerbuizen voor 1/3 met verdund zwavelzuur (H2SO4) en voegen aan elk van de reageerbuizen 3 druppels broomthylblauw aan toe. De oplossingen worden nu geel. We gaan nu met elk van de drie reageerbuizen proeven uitvoeren.

a) Aan één reageerbuis voegen we NaOH(aq) toe totdat de kleur van de indicator van geel is omgeslagen naar eerst snel groen en toen naar blauw.

b) Aan de tweede reageerbuis voegen we een flinke schep bariumchloride-oplossing toe. Eerst wordt de oplossing donkergeel, daarna witgeel, en vervolgens sloeg er een vaste stof neer.

c) Aan de laatste reageerbuis doen we enkel schepjes magnesiumcarbonaat. Er ontsnapt een gas en de kleur van de indicator wordt iets lichter geel.
Vragen bij het verslag :

1. Stel voor deze 3 proeven de reactievergelijkingen op :

a) H3O+(aq) + OH-(aq) g 2H2O(l)

b) Ba2+(aq) + SO42-(aq) g BaSO4(s)

c) H3O+(aq) + CO32-(aq) g H2CO3(aq) ( wat deels uit elkaar valt in CO2(g) en H2O(l)).

2. Er zijn bij de reacties a) en b) zuur-base reacties opgetreden.


Proef 6 - IJzerroest met zoutzuur :

Na wat ijzerroest verzameld te hebben, proberen we dit met warm en niet te verdund zoutzuur weg te laten reageren. Er vindt dan een reactie plaats :

Fe2O3 . nH2O(s) + H3O+(aq) g Fe2O2OH (H2O)n - (aq) + H2O(l) .
Proef 7 - Een bereiding van kopersulfaat :

We hebben een zout bereid waarin een sterke base, O2-(aq) en Cu2+(aq) aanwezig zijn. We laten dit reageren met 1M zwavelzuur. Hierdoor ontstaat een oplossing. Dit dampen we in waarbij een witte neerslag ontstaat.


Door middel van een sterke base in een zout is het mogelijk om met een zuur een neerslag van een ander zout te berwerkstelligen. In dit geval was het de sterke base O2- . Nadat deze weggewerkt was, bleven er in de oplossing slechts Cu2+(aq), SO42-(aq) en H2O(l) over. Als je deze oplossing indamp is al het H2O(l) weg en blijft er alleen nog maar de vaste zout CuSO4 over.

CuO(s) + 2H3O+(aq) g Cu2+(aq) + H2O(l)

Cu2+(aq) + SO42-(aq) indampen g CuSO4(s).
Proef 8 -Kwalitatieve analyse :

a) We krijgen een reageerbuis die óf is gevuld met bariumcarbonaat óf bariumsulfaat. We voegen daar dan zinkchloride toe. Na een reactie slaat er een stof neer.

b) In de tweede reageerbuis zit óf bariumcarbonaat óf zinkcarbonaat. Wanneer we er zwavelzuur bij doen ontstaat er een vaste stof die neerslaat. De reageerbuis is dus gevuld met bariumcarbonaat.

c) Vervolgens krijgen we 3 reageerbuizen met oplossingen van respectievelijk natriumchloride, natriumsulfaat en natriumcarbonaat aan ons de taak om te onderzoeken welke welke is. We verdelen eerst elke inhoud van de reageerbuizen over 2 verschillende reageerbuizen om ermee te experimenteren.

We voegen er eerst bij de reageerbuizen 1a, 2a en 3a zoutzuur toe. De reageerbuis waar dan een gasontwikkeling (CO2(g)) plaatsvindt is dan Na2CO3. In de reageerbuizen 1b, 2b en 3b doen we dan een oplossing van Ba(OH)2. In de reageerbuis waar een stof neerslaat en bij het vorige experiment geen gas is ontstaan is de reageerbuis gevuld met Na2SO4.
Vragen bij het verslag :

a) Zn2+(aq) + SO42-(aq) g Zn2+(aq) + SO42-(aq)

Zn2+(aq) + CO32-(aq) g ZnCO3(s).

b) Ba2+(aq) + SO42-(aq) g BaSO4(s).

c) 1. H3O+(aq) + SO42-(aq) g HSO4-(aq) + H2O(l)

2. H3O+(aq) + Cl-(aq) g geen reactie

3. H3O+(aq) + CO32-(aq) g H2O(l)+ H2CO3(aq) (wat uit elkaar valt in H2O(l)en CO2(g), waardoor er een gasontwikkelijk ontstaat.

1. Ba2+(aq) + SO42-(aq) g BaSO4(s)

2. Ba2+(aq) + CO32-(aq) g BaCO3(s)
HST 12 --- Redoxreacties :
Proef 1 - Etsen :

We nemen een plaatje zink en schuren dit goed schoon en glad. Vervolgens bestrijken we beide kanten met een was laag en schrijven daarin onze namen. Vervolgens doen we het zinkplaatje in een bekerglas met zoutzuur. Op de plekken waar het zinkplaatje niet meer is afgedekt door de waslaag zal deze reactie plaatsvinden : Zn(s) + 2H3O+(aq) g Zn2+(aq) + H2(g) + 2H2O(l). Er zal dus gasvorming plaatsvinden en het zink zal gedeeltelijk wegreageren waardoor er kloofjes ontstaan in het zinkplaatje. Na ongeveer 5 minuten halen we het zinkplaatje eruit en spoelen we de waslaag eraf.


Vraag bij het verslag:

Ja, dat is mogelijk. Zolang de concentratie van het zoutzuur hoog genoeg is, het zinkplaatje niet te dik en je het lang genoeg in laat zitten.


Proef 2 - Reacties tussen metalen en zoutzuur :

We doen in 4 reageerbuizen respectievelijk 1,2,3,4 magnesium, zink, ijzer en koper. In alle 4 de reageerbuizen doen we zouzuur en we kijken of er een reactie plaatsvindt.

1. Een zeer heftige reactie, gasvorming, en warmte-ontwikkeling.

Mg(s) + 2H3O+(aq) g Mg2+(aq) + H2(g) + H2O(l) .

2. Gasontwikkeling, goeie reactie en warmte-afgifte.

Zn(s) + 2H3O+(aq) g Zn2+(aq) + H2(g) + H2O(l) .

3. Lichte gasontwikkeling, reactie komt pas op gang na verhitten.

Cu(s) + 2H3O+(aq) verhitten g Zn2+(aq) + H2(g) + H2O(l) .

4. Goede reactie + gasontwikkeling.

Fe(s) + 2H3O+(aq) g Zn2+(aq) + H2(g) + H2O(l) .


Proef 3 - Koper en ijzer :

In een reageerbuis schenken we wat kopersulfaat-oplossing. Deze heeft een temperatuur van 19,10C. Vervolgens duwen we er met behulp van de thermometer een stukje staalwol in de blauw kopersulfaat-oplossing. Het gevolg is een temperatuur stijging en er ontsnapte een gas. De kleur van de oplossing is minder blauw geworden en er ontstaat een rode stof op het plukje staalwol.


Er vinden enkele halfreacties plaats :

1) SO42-(aq) + H2O(l) D OH-(aq) + HSO4-(aq)

2) O2(g) + 2 H2O(l) + 4e- D 4 OH-(aq) 1

3) Cu2+(aq) + 2e- g Cu(s). 2

Doordat er bij reactie 2) O2(g) ontstaat, is er dus sprake van gasvorming.
Vragen bij het verslag :

1. De temperatuur van de oplossing stijgt. De reactie is dus exotherm.

2. 1) O2(g) + 2 H2O(l) + 4e- D 4 OH-(aq) 1

2) Cu2+(aq) + 2e- g Cu(s). 2

3. Nee. De reductor Cu is kennelijk niet sterk genoeg om elektronen af te geven aan de oxidator Fe2+ . Je kunt ook zeggen dat de oxidator te zwak is voor de reductor Cu. Op grond van het feit dat de vokgende reactie verloopt : Fe(s) + Cu2+(aq) g Fe2+(aq) + Cu(s) , kun je afleiden dat de reductor en de oxidator vóór de reactie sterker zijn dan die van na de reactie . Dus : Cu2+(aq) is een sterkere oxidator dan Fe2+(aq), en Fe is een sterkere reductor dan Cu.
Proef 4 - Zink en lood :

In een reageerbuis met loodnitraat doen we een korreltje zink. We laten het enkele minuten staan en het korreltje begint te vervormen en er ontsnapt een gas. Na nog even wachten stopt de reactie.

Dan doen we een stukje lood in een reageerbuis met een zinknitraat-oplossing. Hierbij gebeurt er niks.
Vragen bij het verslag :

1. Zn(s) g Zn2+(aq) + 2e- 1

Pb2+(aq) + 2e- g Pb(s). 1

Zn(s) + Pb2+(aq) g Zn2+(aq) + Pb(s)

2. Pb2+ is een sterkere oxidator dan Zn2+ en dus is Zn een sterkere reductor dan Pb.
Proef 5 - Koper en zilver :

Na een stuiver te hebben schoongepoetst met schuurpapier en vetvrij te hebben gemaakt met aceton, leggen we de munt in zilvernitraat. Dit laten we even staan. Na het even te hebben laten staan ontstaat er op de stuiver een zilverlaagje.


Vragen bij het verslag :

1. Cu(s) g Cu2+(aq) + 2e- 1

Ag+(aq) + e- g Ag(s) 2 .

Cu(s) + 2Ag+(aq) g 2Ag(s) + Cu2+(aq)

2. Niets.

3. Ag+ is een sterkere reductor dan Cu2+ en dus is Cu een sterkere reductor dan Ag. Daarom gebeurt er bij vraag 2 dan ook helemaal niets.



HST 1 ---- Energie :
Proef 1 - De verbrandingsenergie van stearinezuur :

We nemen een kaars en meten hiervan het gewicht. Dit is gram. We verwarmen 250 ml water in een erlenmeyer met behulp van die kaars em wachten tot het 100C is gestegen. Daarna wegen we de kaars weer, en nu is het gewicht gram geworden.

Het molaire gewicht van stearine C17H35COOH(s) is 284,5 gram. De gram die is gebruikt voor het verwarmen van water is dus gelijk aan mol. De soortelijke warmte van H2O is 4,18 JGr-1K-1. 1 liter water is 998 gram, dus 250 ml water is 249,5 gram. Het water heeft dus 100C x 4,18 x 249,5gram = 10,4 kJ opgenomen. We weten hoeveel mol stearine hier voor nodig was geweest. We kunnen dus heel makkelijk de verbrandingswaarde van stearine uitrekenen : 10,4 kJ / mol =

kJmol-1.

Bij deze proef zijn er echter tal van fouten. De grootste is wel dat de warmte die de kaars afgeeft, lang niet allemaal wordt opgenomen door het water, waardoor valse uitkomsten worden berekend. En natuurlijk zijn er ook nog de gebruikelijk meetfouten.
Proef 2 - Oplosenergie van zwavelzuur :

We doen in een bekergals 90 ml leidingwater en nemen hiervan de temperatuur op. Dit is 21,50C. Vervolgens doen we hier 5,5 ml zuiver zwavelzuur bij (hierdoor ontstaat er een 1,0M zwavelzuur-oplosing), en meten ook hier de temperatuur van. Dit blijkt 340C te zijn.


De temperatuursverschil voor en na het toevoegen van zwavelzuur is dus 12,50C. Door het optreden van de volgende reactie : H2SO4(aq) + H2O(l) g HSO42-(aq) + H3O+(aq), komt er oplosenergie vrij. De enthalpie is dis negatief.
Vragen bij het verslag :

1) Er is 90 ml leiding water, en dat is gelijk aan 90 gram; 5,5 ml H2SO4 is gelijk aan 10 gram, en samen is het dus een oplossing van 100 gram.

2) Het water is 12,50C gestegen. Om de hoeveelheid opgenomen energie te bereken gebruiken we de soortelijk warmte van water, wat 4,18 103Jkg-1K-1 is. Berekening is dus als volgt : 4,18 x 100gram x 12,50C = 5225 J. Dit heeft het water opgenomen en dus heeft het zwavelzuur ook zoveel afgestaan.

3) Aangezien we bij de vorige vraag al hebben berekend dat 0,1 mol H2SO4 5,23 kJ afstaat bij het oplossen, is de oplossingsenergie van H2SO4 logischerwijs 52,3 kJmol-1.


Problemen bij de proef :

Doordat het water een stuk warmer is geworden, wordt de drijvende kracht voor warmtetransport ook groter. Hierdoor zal lijken alsof zwavelzuur bij het oplossen minder warmte heeft afgestaan, maar dat komt dus doordat water zelf ook warmte afstaat aan de omgeving. Tevens is het zo dat een kleine afwijking van de voorgeschreven 5,5 ml zwavelzuur, een grote invloed zal hebben op de ontstane hoeveelheid energie, en dus zo ook op de temperatuursverschil.


Proef 4 - Reactie-energie :

We schenken in een maatcilinder 25 ml 1,0M ammonia en meten hiervan de temperatuur. Dit is 22,50C. Vervolgens doen we in een maatcilinder 25 ml 1,0M zoutzuur en ook hier meten we de temperatuur van. Dit is 230C. Als begintemperatuur nemen we het gemiddelde van beide temperaturen. Dat is dus 22,80C. Vervolgens doen we beide oplossingen bij elkaar . De temperatuur stijgt dan tot 280C. De reactie-enthalpie van deze reactie is dus negatief, want er wordt warmte afgegeven.


Vragen bij het verslag :

1) H3O+(aq) + NH3(aq) g H2O(l) + NH4+(aq) .

2) De temperatuur van het water is met 5,20C gestegen. Er is dus 5,20C x 50gram x 4,18 = 1,09 kJ opgenomen door het water. Als 0,025 mol van beide stoffen een reactie-energie afgeeft van 1,09 kJ, dan geeft 1 mol dus 43,5 kJ af. De reactie-energie van deze reactie is dus 43,5 kJmol-1.
Proef 5 - Indirecte bepaling van een reactie-enthalpie :

We lossen 0,025 mol wit kopersulfaat op in 50ml water. Wit kopersulfaat is CuSO4(s), met een molaire massa van 159,6 gram; we hebben dus 4 gram opgelost in 50 ml water. Het water was voor het toevoegen van wit kopersulfaat 190C; na het toevoegen was de temperatuur gestegen tot 24,40C. Vervolgens lossen we 0,025mol blauw kopersulfaat op in 50ml water. Blauw kopersulfaat is CuSO4.5H2O(s), de molaire massa hiervan is 249,6 gram; we moeten dus 6,5 gram oplossen in 50ml water. De temperatuur na het toevoegen van blauw kopersulfaat was gedaald tot 180C.


a) Wit kopersulfaat : CuSO4(s) oplossen g Cu2+(aq) + SO42-(aq). Bij het oplossen is de temperatuur van het water 5,40C omhoog gegaan. Het water heeft dus 50gram x 5,40C x 4,18J=1,1kJ opgenomen. De oplosenthalpie van 0,025 mol CuSO4(s) is dus 1,1 kJ; de oplosenthalpie van 1,0 mol CuSO4(s) is dus 4,5 kJmol-1.

b) Blauw kopersulfaat : CuSO4.5H2O(s) oplossen g Cu2+(aq) + SO42-(aq) + 5 H2O(l) . Bij het oplossen is de temperatuur van het water 1,00C omhoog gegaan. Het water heeft dus 50gram x 1,00C x 4,18J=0,2kJ afgestaan. De oplosenthalpie van 0,025 mol CuSO4(s) is dus 0,2 kJ; de oplosenthalpie van 1,0 mol CuSO4(s) is dus -0,8 kJmol-1.


Proef 6 - Ionisatie van azijnzuur :

We schenken 25 ml 2,0M azijnzuur in een reageerbuis en meten hiervan de temperatuur. Dit is 220C. Vervolgens schenken we 25 ml 2,0M kaliloog in een andere reageerbuis en ook hier meten we de temperatuur van. Dit is 200C. Als begin temperatuur nemen dus 210C. Vervolgens schenken we deze twee oplossingen bij elkaar en meten hier weer de temperatuur van. Deze is nu gestegen naar 330C. De reactie-enthalpie van deze reactie is dus 120C x 4,18 x 50gram = 2,5 kJ.

Nu schenken we 25 ml 2,0M zoutzuur in een reageerbuis en meten hiervan de temperatuur. Dit is 210C. Vervolgens schenken we 25 ml 2,0M kaliloog in een andere reageerbuis en ook hier weer meten we de temperatuur ervan. Dit is ook 210C. Als begin temperatuur nemen dus 210C. Vervolgens schenken we deze twee oplossingen bij elkaar en meten hier weer de temperatuur van. Deze is nu gestegen naar 320C. De reactie-enthalpie van deze reactie is dus 110C x 4,18 x 50gram = 2,3 kJ.



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina