Proef 1 Broom met alkanen



Dovnload 350.62 Kb.
Pagina2/3
Datum23.07.2016
Grootte350.62 Kb.
1   2   3

P.S : Bij alle proeven van zowel hoofdstuk 1 als 2 komen systematische en toevallige fouten bij voor. De belangrijkste fouten zijn : het niet nauwkeurig aflezen van gegevens, het niet precies afmeten van oplossingen, maar het is ook zeer vaak dat de warmte die ontstaat deels wordt afgestaan aan de omgeving waardoor de uitkomsten vrij onnauwkeurig zijn.

HST 2 --- Entropie :
Proef 2 - Vlugzout :

We ruiken aan enkele kristallen ammoniumcarbonaat. Ammoniumcarbonaat is de chemische verbinding (NH4)2CO3(s), een wit kristallijn poeder, dat een zeer indringende geur heeft en sterk naar ammoniak ruikt (het laatste waarschijnlijk omdat ammoniumcarbonaat zeer langzaam overgaat tot ammoniumwaterstofcarbonaat : (NH4)2CO3(s) g NH4HCO3(s) + NH3(g)). We verwarmen enkele kristallen ammoniumcarbonaat en leiden het gas door kalkwater waardoor er vertroebeling ontstaat.. Bovenaan de reageerbuis ontstaan er hele kleine kristallen en er is waterdamp ontstaan.


Wanneer ammoniumcarbonaat wordt verhit, vindt de volgende reactie plaats : (NH4)2CO3(s) verhitten g NH3(g) + CO2(g) + H2O(g). De waterdamp condenseert wanneer het bovenaan de reageerbuis komt en er ontstaan dus waterdruppeltjes. Het gas wat is ontstaan leiden we door kalkwater waardoor er een witte troebeling ontstaat, de gas die er door heen is geleid moet dus CO2(g) zijn (CO2(g) + Ca(OH)2 g CaCO3(s) + H2O(l)). De kristallen die ontstaan bovenaan de reageerbuis ontstaan zijn dus NH3 kristallen.
Vragen bij het verslag :

1. (NH4)2CO3(s) verhitten g NH3(g) + CO2(g) + H2O(g).

2. Wanneer je het in de open lucht zet, zal het met O2(g) gaan reageren tot stikstof (N2(g)) en water (H2O(l)) ontstaan (mengsels van ammoniak en zuurstof zijn vaak explosief).

3. De DS van de reactie is positief omdat er gassen bij komen. De reactie verloopt goed, dus moet de totale-entropieverandering positief zijn. Dus -DH/T + DS > 0. De reactie verloopt al bij niet al te hoge temperaturen, dus moet de DH negatief zijn wil de reactie verlopen. Het is dus een exotherme reactie.


Proef 3- Reactie met gas :

a) We doen in een reageerbuis een oplossingf van natriumcarbonaat, waarin we met behulp van een pipet drie druppels fenoltaleïen aan toevoegen. Er ontstaat een lichtrode oplossing. Vervolgens blazen we om de beurt met rietje in de vloeistof tot dee kleur is verdwenen.

b) We doen in een reageerbuis een oplossing van natriumwaterstofcarbonaat en doen er weer 3 druppels fenolftaleïen aan toe. De kleur van de oplossing blijft dan kleurloos. Vervolgens zetten we deze oplossing in een warm waterbad van ongeveer 1000C. Na een korte tijd krijgt de vloeistof een lichtpaarse kleur.
Conclusie :

a) Door het blazen met een rietje in de oplossing leiden we CO2(g) door de vloeistof. De volgende reactie vindt dan plaats : CO32-(aq) + CO2(g) + H2O(l) g 2 HCO3-(aq). Tegelijkertijd vindt ook deze evenwichtsreactie plaats : CO32-(aq) + H2O(l) D OH-(aq) + 2 HCO3-(aq). De oplossing is dus basisch, en wel met een pH van hoger dan 10,0. Naarmate er meer CO2(g) in de vloeistof wordt geblazen, hoe minder CO32-(aq) er is, en dus hoe minder OH-(aq) wordt omgezet, en hoe minder de basisch de oplossing wordt. Op een gegeven moment wordt de pH zo laag dat het onder 8,2 komt wat de indicator fenolftaleïen aangeeft door kleurloos te worden.

b) Omdat de Kb van HCO3-(aq) groter is dan de Kz van, is HCO3-(aq) dus een base. De reactie die in deze oplossing plaats vindt, gaat als volgt : HCO3-(aq) + H2O(l) D OH-(aq) + H2CO3(aq) (wat gedeeltelijk uit elkaar valt in CO2(g) en H2O(l)). Het is dus een basische oplossing. Wanneer we de indicator fenoltaleïen bij doen blijft de oplossing kleurloos : de pH is dus kleiner dan 8,2. Wanneer we de oplossing gaan verwarmen gebeurt er blijkbaar iets waardoor er meer OH-(aq) wordt gevormd. Dit is zeer makkelijk te verklaren met behulp van de entropie-regel : -DH/T -DS. Bij een evenwicht moet de uitkomst van deze regel 0 zijn. Als we de temperatuur hoger wordt (DH blijft gelijk), dan moet de DS natuurlijk ook groter worden moet de uitkomst 0 blijven. DS is symbool voor de entropie van de deeltjes; als deze groter wordt zal er dus meer deeltjes ontstaan bij de reactie : er zal dus meer OH-(aq) ontstaan.


Proef 4- Kookpuntsverhoging :

We nemen 50ml demiwater en bepalen hiervan het kookpunt. Doordat de meeste thermometers op school niet geijkt zijn, geeft hij 99,50C aan, in plaats van de 1000C. Vervolgens gaan we het kookpunt bepalen van 50ml verzadigde oplossing van keukenzout. Om zo’n oplossing te maken, kijken we eerste in Binas T45B bij hoeveel gram NaCl 1 liter water is verzadigd. Dit blijkt 359 gram te zijn bij 1 kilo water. Voor 50ml lossen we dus 17,95 gram NaCl op en bepalen hiervan het kookpunt. Dit blijkt 1050C te zijn. Er is dus sprake van een kookpuntsverhoging.


We kunnen de verhoging van het kookpunt verklaren met de theorie over entropie. Bij het koken van water en bij het koken van de oplossing verdampt alleen water. Bij het kookpunt stelt zich hetzelfde evenwicht in : H2O(l) D H2O(g). Voor het evenwicht geldt : -DH/T + DS = 0. Dus DH/T = DS.

Bij zuiver water is de DSw dan = S(damp) - S(water).

Bij de oplossing is de DSo = S(damp) - S(oplossing). Nu is de entropie van de oplossing groter dan die van water doordat er NaCl is toegevoegd. Dus DSw > DSo. Dus is DH / Twater > DH / Toplossing, waaruit volgt dat de kooktemperatuur van de oplossing hoger is dan die van water.
Proef 5 - De instelling van een nieuw evenwicht :

We voegen 25ml 0,01 M kaliumthiocyanaat en 25ml 0,01 M ijzer(III)chloride bij elkaar. Er stelt zich dan het volgende evenwicht in :

Fe3+(aq) (geel) + (kleurloos) D FeSCN2+(aq) (rood).

Vervolgens verdunnen we de oplossing zodat de kleur niet al te intens is en verdelen we het over 5 reageerbuizen. Vervolgens gaan we met 4 reageerbuizen proeven uitvoeren waarbij we de 5de reageerbuis steeds als referentie gebruiken om de kleurverandering te bepalen.

a) We doen in reageerbuis nummer 1 een beetje 0,1 M oplossing van ijzer(III)chloride. Vergeleken met de referentie is de kleur donkerder geworden. Oftewel er is meer FeSCN2+(aq) ontstaan; het evenwicht is dus naar rechts verschoven. Dit komt doordat de Fe3+-concentratie is verhoogd.

b) We doen in reageerbuis nummer 2 een paar kristallen kaliumthiocyanaat en schudden net zolang totdat deze zijn opgelost. De kleur van de oplossing is nu donkerder geworden. Het evenwicht is dus naar rechts verschoven. Dit komt doordat [SCN-(aq)] groter is geworden.

c) De derde reageerbuis doen we in een warmwaterbad van warm waterbad van ongeveer 780C. Het gevolg hiervan is dat de kleur van de oplossing lichter is geworden. Door de temperatuurvehoging is de evenwichtsconstante van de reactie hoger geworden, de reactie zal dan verschuiven naar de kant met de meeste deeltjes, en in dit geval is het dus naar links.

d) We maken eerst een oplossing van jood en kaliumjodide en verdunnen deze zo totdat de kleur van deze oplossing bijna gelijk is aan de kleur van de referentie. Vervolgens nemen we evenveel oplossing van reageerbuis 4 als van de net gemaakte oplossing en doen daar evenveel water bij totdat de reageerbuis bijn vol is. Vervolgens schudden we beide reageerbuizen en we zien dat de oplossing van reageerbuis 4 bijna kleurloos terwijl de oplossing van jood en kaliumjodide geel is geworden.


HST 3 --- Eenvoudige organische stoffen :
Proef 3 - Twee aantoningsreacties op aldehyden :

We doen in een zeer goed schoongemaakte en in een minder goed schoongemaakte reageerbuis, beide enkel ml glucose-oplossing. Vervolgens doen we bij de glucose-oplossing in de zeer goed schoongemaakte reageerbuis 1ml ammoniakale zilveroplossing en aan de andere buis enkele milliliters Haines reagens. Bij de zeer goed schoongemaakte reageerbuis met glucose-oplossing ontstaat er een zwarte neerslag en bij de andere buis verandert de kleur van de oplossing naar rood.


Conclusie :

Uit deze proef blijkt dat we glucose op twee manieren kunnen aantonen :

1) Met behulp van een ammoniakale zilveroplossing. Hierin komen zilver-ionen voor, die door ammoniakmolekulen worden omringd : Ag(NH3)2+(aq). Bij de reactie van deze ionen met aldehyden ontstaat er zilver. Als de proef zou zijn uitgevoerd in een schone reageerbuis, zou het zilver zich als een mooie glimmende vaste stof af moeten zetten op het glas van de reageerbuis. Er ontstaat een zilverspiegel. Het feit dat er bij ons geen mooie glimmende zilverspiegel ontstaat, komt denken wij doordat de concentratie van de glucose-oplossing niet sterk genoeg was. Er ontstaat dus maar weinig zilver; de zwarte stof is dan ook zeer fijn verdeeld zilver.

2) Met behulp van de Haines reagens. Dit reagens bevat Cu2+-ionen, en deze worden door de reactie met de aldehyde omgezet tot het rode onoplosbare koper(I)oxide. Er zal hierbij dus een rode kleur ontstaan.


Proef 4 - Aantoningsreactie van glucose :

We doen in 3 reageerbuizen enkele ml van een verdunde glucose oplossing, een beetje 7-Up en 7-Up Light. Met behulp van teststrookjes proberen wij de aanwezigheid van glucose in de drie oplossingen te bepalen. In 7-Up was er een duidelijke aanwezigheid van glucose, wat niet zo verwonderlijk is : in 7-Up zit namelijk koolzuurhoudend water, suiker(=glucose), citroenzuur, zuurteregelaar(E331) en natuurlijke aroma’s. In de verdunde glucose oplossing was er een niet al te grote hoeveelheid glucose aanwezig. En in 7-Up Light zat nauwelijks glucose.


Proef 6 - Samenstelling van halvarine en margarine :

We doen een schepje margarine in een reageerbuis en laten deze substantie smelten door het in een warm waterbad te plaatsen. Na verloop van tijd ontstaan er twee duidelijk van elkaar te onderscheiden lagen : één waterlaag en nog een vetlaag (wat drijft op de waterlaag). We schatten hiervan dat ongeveer 80% van het geheel uit vet bestaat en 20% uit water.

Dit zelfde proces herhalen we ook bij een halvarine, en na het smelten hiervan ontstaan weer twee lagen. Dit keer is de vetgehalte veel minder groot : namelijk slechts 40%, 60% is dus water.

Nu kunnen we ook meteen de naam halvarine verklaren : in halvarine zit namelijk 2 keer zo weinig vetten als in margarine (40% tegenover 80% van margarine).


Proef 7 - Verzeping van margarine :

Wij koken een klontje margarine met geconcentreerd natronloog ongeveer 5 minuten. Na het koken nemen wij uit een klein vlokje uit de vloeistof en doen dat in een reageerbuis met gedestilleerd water. Na schudden ontstaat er een schuimlaag.


De tafelmargarine die door ons werd gebruikt bestond uit 80gr vet waarvan 35gr meervoudig onverzadigde, en 20gr verzadigde vetten waren. Margarine bestaat dus uit vetten. Alle oliën en vetten zijn opgebouwd uit verschillende vetzuren, zodat zij een gecompliceerd mengsel van glyceriden zijn. Er zijn enkele vetzuren die herhaaldelijk terugkeren in deze gecompliceerde stoffen : vooral verscheidene meervoudig onverzadigde vetzuren (een vetzuur met meer dan één dubbele koolstof-koolstof binding in het molecuul) waaronder linolzuur; en ook oliezuur, palmitinezuur en stearinezuur zijn steeds terugkerende componenten. Hierbij is vooral stearinezuur bij deze proef van belang. Doordat de margarine wordt gekookt met een geconcentreerde natronloog-oplossing, wordt de evenwicht van de estervorming verbroken en ontstaat er een aflopende reactie. In plaats van het carbonzuur zal dan het natriumzout ontstaan, zodat de teruggaande reactie niet mogelijk is. Zo’n aflopende reactie van een ester met natronloog wordt verzeping genoemd en is dus het retroproces van verestering. Hierbij ontstaat dus glycerol en zeep, de zouten van de betreffende carbonzuren.

Dit is de algemene formule van een vet of olie :


Aangezien zeep ontstaat moet één van de R-groepen

een stearaatgroep zijn. Na verzeping met natronloog

ontstaat dus glycerol en stearine, wat na oplossen in

water het stearine-ion vormt. En natuurlijk vormt het

stearine-ion met water de bekende micellen die voor

schuim zorgen.



HST 4 --- Rekenen met zuren en basen :
Proef 2 - pH-metingen :

We nemen een 1,0 M zoutzuur-oplossing en meten daar de pH van. Vervolgens verdunnen we de oplossing tot 3 verschillende oplossingen met respectievelijk de pH’s : 1x10-1, 1x10-2 en 1x10-3 M. Ook hiervan meten we de pH.

Er is gemeten met een elektrische pH-meter die ons is verschaft door Lodewijk. De onnauwkeurigheden komt door de niet goed gemaakte concentraties van het zoutzuur, wat zelf moest worden gemaakt. Deze concentraties zijn gemaakt door 1 deel van het zoutzuur en dan 9 delen water bij elkaar te voegen waardoor de concentratie van de oplossing 10x kleiner wordt. Dit proces herhaalden wij meerdere malen totdat wij de gevraagde concentraties hadden.
Tabel :


De juiste pH is berekend door de formule -log [H3O+]. HCl(l) + H2O(l) g H3O+(aq) + Cl-(aq). Doordat zoutzuur een sterk zuur is, is het een aflopende reactie. De H3O+(aq)-concentraties dus gelijk aan de HCl-concentratie.
Demonstratieproef 3 - Kb-bepaling:

We meten de pH van een 0,1 M natriumacetaatoplossing met een pH-meter. De pH hiervan is 8,93. Om de Kb te berekenen, moet eerste de [OH-] bekend zijn. Aangezien de pH nu bekend is, kunnen we nu gebruik maken van de formule pOH = -log [OH-]. De pH is 8,93, de pOH is 14-pH. De pOH is dus 5,07 waaruit kan worden afgeleid dat de [OH-] 8,51x10-6 is.

De reactievergelijking : CH3COO-(aq) + H2O(l) D OH-(aq) + CH3COOH(l). De evenwichtsconstante is dus als volgt :
De [OH-] is x, dus 7,2x10-11(x2) / 0,1 - 8,51x10-6 is gelijk aan de Kb. De Kb is dus gelijk aan 7,2x10-10. De waarde die in Binas T49 wordt gegeven is 5,9x10-10. Er is dus wel enigszins verschil tussen de gemeten waarde en de gegeven waarde. Dit verschil komt doordat de meter niet goed genoeg is omgespoeld, waardoor de de gemeten pH enigszins verschilt van de werkelijkheid; en de Kb in de Binas is gemeten bij een temperatuur van 298K, terwijl de gemeten waarde is bepaald bij een temperatuur van 293K. En natuurlijk zijn er de gebruikelijke meetfouten.

HST 5 --- Zuren en basen in de praktijk :
Proef 1 - Waterstofcarbonaat als zuur en als base :

We leiden eerst wat koolstofdioxide door kalkwater (Ca(OH)2). Er ontstaat eerst een troebeling, en na verder doorleiden van koolstofdioxide door kalkwater verdwijnt de neerslag, en wordt de vloeistof weer helder. De twee reacties zijn als volgt :

a) CO2(g) + Ca(OH)2 g CaCO3(s) + H2O(l). Doordat CaCO3(s) ontstaat, slaat dus eerst een stof neer waardoor er in de oplossing vertroebeling ontstaat.

b) CaCO3(s) + CO2(g) + H2O(l) g Ca2+(aq) + 2HCO3-(aq). Wanneer men dus aan dezelfde oplossing een overmaat aan CO2(g) toevoegt, zal al het CaCO3(s) wegreageren tot HCO3--ionen waardoor weer een heldere oplossing ontstaat.


De na het doorleiden van CO2(g) verkregen oplossing verdelen we over drie reageerbuizen. De eerste reageerbuis zetten we in een warmwaterbad en koken het enige tijd. Er ontstaat een neerslag.

Ca2+(aq) + HCO3-(aq) +verwarmen (T>800C) g CaCO3(s) + H2O(l) + CO2(g)

Het water wordt dus onthard. De van Ca(HCO3)2 afkomstige hardheid verdwijnt bij verwarming van water onder vorming van een neerslag van onoplosbaar CaCO3 (wat dus ketelsteen is).

Bij de tweede reageerbuis voegen we een beetje geconcentreerd zoutzuur toe. We nemen ontkleuring van de vloeistof waar en gasvorming :

HCO3-(aq) + H3O+(aq) g H2CO3(aq) + H2O(l).

Doordat H2CO3 instabiel is, valt dat uit elkaar in H2O(l) en CO2(g), waardoor er gasvorming ontstaat.

Aan de derde reageerbuis voegen we een beetje kaliloog toe. We nemen een vertroebeling waar :

HCO3-(aq) + OH-(aq) g CO32-(aq) + H2O(l).

Ca2+(aq) + CO32-(aq) g CaCO3(s).

Doordat onder invloed van OH- van HCO3- CO32- wordt gevormd, wordt er samen met Ca2+ (wat al in de oplossing zat van het kalkwater) de vaste stof CaCO3(s) gevormd wat voor vertroebeling zorgt,


Vragen bij het verslag :

1. b) Ca2+(aq) + HCO3-(aq) +verwarmen (T>800C) g CaCO3(s) + H2O(l) + CO2(g).

c) HCO3-(aq) + H3O+(aq) g H2CO3(aq) + H2O(l).

d) HCO3-(aq) + OH-(aq) g CO32-(aq) + H2O(l) en daarna Ca2+(aq) + CO32-(aq) g CaCO3(s).

2. Bij de reactie bij b) werkt het deeltje
Proef 2 - Waterstofcarbonaat als zuur en als base :

We lossen eerst de witte vaste stof op in water. NaHCO3(s) oplossen g Na+(aq) + HCO3-(aq). We voegen dan bij de oplossing de indicator thymolblauw. De oplossing kleurt groengeel.

Nu lossen we de vaste stof NaHSO4 op in water : NaHSO4(s) oplossen g Na+(aq) + HSO4-(aq). Hierbij voegen we ook wat thymolblauw toe en nu kleurt de oplossing roodpaars.

Vervolgens doen de twee oplossing bij elkaar en een nieuwe oplossing ontstaat. De H3O+ en de OH- - ionen gaan dan met elkaar reageren (zuur-base reactie, de sterkste zuur gaat met de sterkste base reageren). De oplossing kleurt nu geel.


Vragen bij het verslag :

1. De indicator thymolblauw kan rood zijn bij de pH-waarde kleiner dan 1,2 , een gele kleur wanneer de pH een waarde heeft van tussen de 2,8 en 8,0 , en als laatst kan thymolblauw nog een blauwe kleur hebben wanneer de pH-waarde hoger is dan 9,6.

2. Bij de oplossing van NaHCO3 kleurt de oplossing groengeel, de pH ligt dus tussen het omslagtraject tussen 8,0 en 9,6.

Bij de oplossing van NaHSO4 kleurt de oplossing roodpaars, de pH zal dus rond 1,2 liggen.

Bij de oplossing van NaHCO3 en NAHSO4 gemengd, heeft de oplossing een groengele kleur, de pH is ligt dus rond de 8,0.

3. In de oplossing van NaHCO3 zit natuurlijk H2O(l), H2CO3(aq), maar ook OH-(aq) omdat de oplossing basisch reageert en Na+(aq).

In de oplossing van NaHSO4 zit natuurlijk weer H2O(l), HSO4-(aq) en Na+(aq); maar omdat deze oplossing zuur reageert is H3O+(aq) aanwezig.

In de gemengde oplossing is er weer H2O(l) aanwezig, Na+(aq), óf H3O+(aq) óf OH-(aq) (het hangt ervan af welke stof in overmate aanwezig is; de stof die in overmate wordt toegevoegd zal na de reactie nog aanwezig zijn), CO2(g) ontsnapt en er blijft dan nog SO42-(aq) over (voor uitleg zie vraag 4).

4. De oplossing van NaHCO3 heeft een pH van tussen de 8,0 en 9,6, dus reageert de oplossing natuurlijk basisch. De reactievergelijking is dus als volgt : HCO3-(aq) + H2O(l) D OH-(aq) + H2CO3(aq) (wat uit elkaar valt in CO2(g) en H2O(l)).

De oplossing van NaHSO4 heeft een pH van rond de 1,2, en is dus een zuur. H3O+ zal dus ontstaan en de reactie gaat dan ook als volgt : HSO4-(aq) + H2O(l) D H3O+(aq) + SO42-(aq).

De oplossing waar zowel NaHSO4 als NaCO3 is, heeft een pH van tussen de 2,8 en 8,0. Het is dus niet helemaal duidelijk of het een zure of basische oplossing is. We kijken naar de de stoffen die in de twee oplossingen zitten : 1) OH-(aq) en HCO3-(aq) 2) H3O+(aq) en HSO4-(aq). Wanneer je deze twee oplossingen bij elkaar voegt, ontstaan er 2 zuur-base reacties :

1) H3O+(aq) + OH-(aq) g 2 H2O(l).

2) HCO3-(aq) + HSO4-(aq) g SO42-(aq) + H2CO3(aq) (wat gedeeltelijk uit elkaar valt in CO2(g) en H2O(l)).

Er blijft dus na de twee reacties voornamelijk alleen SO42-(aq) over, wat een zwakke base is. De oplossing is dus basisch.


Proef 4 - Titratie van zoutzuur en natronloog :

We maken het glaswerk eerst zeer goed schoon, zoals ons dat is voorgeschreven in het boek. We maken gebruik van : een 50,00 ml buret, die wat we ook precies met 50,00 ml NaOH vullen en een erlynmeyer van 300 ml waarin we met behulp van een pipet 25,00 ml HCl pippeteren. We doen bij het zoutzuur de indicator broomthymolblauw-oplossing (wat een omslagtraject heeft bij 6,0-7,6 wat omslaat van geel naar blauw). De oplossing kleurt nu geel. Vervolgens beginnen we met pippeteren : met een elektrische pH-meter meten we voortdurend de verandering van de pH ten opzichte van de toegevoegde natronloog. Dit is hieronder uitgezet in een tabel en grafiek.


Tabel :



Vragen bij het verslag :

3. Doordat bij de beide stoffen sterke zuren/basen zijn, zal het een aflopende reactie zijn en wordt er geen evenwichtsreactie gevormd. Wanneer er tijdens het toevoegen van natronloog al het zoutzuur is weggereageerd, blijft er dus alleen maar neutrale deeltjes over of deeltjes die zo zwak zijn dat ze geen invloed hebben op de pH (bijvoorbeeld Cl-). Op dat punt (equivalentiepunt) zal dus de pH 7 zijn, en omdat het omslagtraject van broomthymolblauw rond de 7 is, is het de perfecte indicator om te laten wanneer de pH 7 wordt, oftewel wanneer al het HCl is weggereageerd.

4. Tussen 203 en 204 ml toegevoegde NaOH verandert de pH van 6,82 naar 7,40. Het punt waar de pH precies 7 is zal dus ongeveer tussen 203 en 204 ml inzitten. We nemen voor het gemak 203,5 ml.

HCl(aq) + H2O(l) g H3O+(aq) + Cl-(aq)

1H3O+(aq) + 1OH-(aq) g 2 H2O(l).

Er is 1 mol OH-(aq) nodig om 1 mol H3O+(aq) weg te laten reageren. We hebben dus 203,5ml van een 0,09740 M natronloog oplossing genomen : er was dus 0,2035 * 0,09740 = 0,02 mol nodig geweest om de pH op 7 te brengen. Er was dus ook 0,2 mol H3O+(aq) aanwezig dus ook 0,02 mol HCl aanwezig. Er was 0,02 mol Hcl aanwezig in 25,00 ml, dus de molariteit van de gebruikte HCl-oplossing was dus 0,8 M. Door de meetfouten, maar vooral door het niet goed schoonspoelen van het glaswerk en van de pH-meter zal de uitkomst waarschijnlijk ietwat verschillen met de werkelijkheid.


Proef 5 - Titratie van zoutzuur en natronloog met een pH-meter:

Deze proef is grotendeels (eigenlijk helemaal) gelijk aan de vorige proef, dus we kunnen hierover kort zijn. De beginstand van het natronloog waarmee werd gepippeteerd was op 18,45ml, en het equivalentiepunt was bereikt nadat 9,3 ml natronloog was toegevoegd (eindstand dus 27,75 ml) en de pH op het equivalentiepunt is natuurlijk 7. Er werd gewerkt met een 0,1 M natronloog-oplossing, er werd 9,3 ml toegevoegd wat gelijk staat aan 0,93 mmol OH-(aq). Er is dus ook 0,93 mmol H3O+(aq) aanwezig in het 25 ml zoutzuur. De molariteit van het zoutzuur is dus 0,04 M.


Proef 6 - Titratie van oxaalzuur en natronloog met een pH-meter :

We maken het glaswerk eerst zeer goed schoon, zoals ons dat is voorgeschreven in het boek. We maken gebruik van : een 50,00 ml buret, die wat we ook precies met 50,00 ml 0,1M NaOH vullen en een erlynmeyer van 300 ml waarin we met behulp van een pipet 25,00 ml H2C2O4 pippeteren. We doen bij het oxaalzuur de indicator methylrood-oplossing (wat een omslagtraject heeft bij 4,4-6,2 en omslaat van rood naar geel). De oplossing kleurt nu rood. Vervolgens beginnen we met pippeteren : de beginstand van het NaOH is 00,00ml en we pippeteren totdat de kleur van de indicator omslaat. Dit gebeurt wanneer 20,77 ml NaOH is toegevoegd. Hier doen we dan 3 druppels fenoltaleïen bij (wat een omslagtraject heeft van 8,2 tot 10,0 en omslaat van kleurlkoos naar paarsrood). De kleur van de oplossing blijft praktisch ongewijzigd. We gaan weer verder met pippeteren totdat de kleur weer omslaat. Dit gaat al snel na het toevoegen van 0,66 ml NaOH. De kleur van de oplossing slaat dan om naar rood.


Vragen bij het verslag :

1. Doordat oxaalzuur twee H+-ionen kan afstaan, zijn er dus twee pH sprongen aanwezig.

2. In het eerste equivalentiepunt is er 20,77 ml NaOH toegevoegd. Bij het tweede equivalentiepunt is er in totaal 21,43 ml NaOH toegevoegd.

3. De volgende twee reacties vinden er plaats in de oplossing :

Tijdens het eerste “vlakke” stuk : H2C2O4(aq) + H2O(l) D H3O+(aq) + HC2O4-(aq)

Tijdens het tweede “vlakke” stuk : HC2O4-(aq) + H2O(l) D H3O+(aq) + C2O42-(aq).

Wanneer men OH-(aq) toevoegt vindt deze reactie plaats : 1H3O+(aq) + 1OH-(aq) g 2 H2O(l).

Na 20,77 ml 0,1M NaOH te hebben toegevoegd, is al het H3O+(aq) verdwenen, is al het omgezet in HC2O4-(aq) en dan is de [HC2O4-(aq)] gelijk aan de [H2C2O4(aq)] aan het begin van deze evenwichtsreactie. Er is 2,077 mmol OH-(aq) toegevoegd, er was dus ook 2,077 mmol H2C2O4(aq) in de oplossing aanwezig. De molariteit van deze oxaalzuuroplossing is dus 2,077 x 10-3 / 0,025l = 0,08M.


EXTRA PROEVEN -- Substral :

We nemen een 1:1 verdunde Substral-oplossing, en met behulp van een universeel indicatorpapiertje meten we de pH hiervan.




1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina