Prof. Dr A. Hermans



Dovnload 57.11 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte57.11 Kb.

Prof. Dr A. Hermans


1e Licentie Pedagogische Wetenschappen

Orthopedagogiek


Academiejaar 97-98


Geschiedenis van de opvoedkunde. Pedagogische Theorieën.

"
Spraakmakers over meisjesopvoeding”


Bio- Bibliografische verkenning van Betje Wolff.

Sofie Van Eynde

samengewerkt met:

Nathalie Van Genechten

Sarah Soenen



Biografie: Levenschets van Betje Wolff.

1. Jeugdjaren van Betje Wolff

Elisabeth werd geboren op 24 juli 1738 te Vlissingen in een burgergezin. Haar ouders, Jan Bekker en Johanna Boudrie, hechtten veel belang aan de oudvaderlandse traditie en toonden een zeker verlangen naar hogere ontwikkeling. Van dit conventionele burgermilieu heeft Betje Wolff zich reeds vroeg proberen te distantiëren.
Betje was een nakomertje en door haar vroegrijpe weetlust, leergierigheid en begaafdheid eiste ze bijna alle aandacht van heel het gezin op. Haar moeder speelde hierin een positieve rol: ze gaf een ideale opvoeding volgens moderne principes, ze stimuleerde haar o.a. tot volledige ontplooiing. Spijtig genoeg stierf ze toen Betje slechts 13 jaar was. Dit betekende het plotse einde van haar gelukkige kindertijd en een zeer groot verlies, ze zocht steeds meer een vlucht in lectuur en werk.

Reeds vroeg in haar jeugd stond Betje voor een dilemma: enerzijds een overheersende kennisdrang wat voor haar leidde tot afzondering van de buitenwereld, in de stille eenzaamheid van de natuur. Anderzijds een grote behoefte om zich te profileren in gezelschappen.

Door de affaire met Matthijs Gargon, die niet tot de burgerstand behoorde, werd ze het middelpunt van roddel en sensatie. Dit was voor Betje haar eerste echte crisismoment, haar kansen op een goed huwelijk leken nu minder evident. Tegen alle verwachtingen in trouwde ze met Adriaan Wolff, een gereformeerd predikant, wat ambivalente gevoelens uitlokte. De basis van dit huwelijk bestond enkel uit haar verlangen om uit Vlissingen weg te gaan en de overeenkomst in stand en geloof tussen de partners.

2. Haar leven in de pastorie te Beemster.

Door haar huwelijk met Adriaan Wolff komt ze in een andere omgeving en familiekring terecht en krijgt ze zelfs een nieuwe status: domineesvrouw. Van haar kerkelijk leven te Beemster is echter weinig teruggevonden in haar werk. Hun huwelijk was niet gebaseerd op liefde, dit gebrek probeerde ze te compenseren door haar intense interesse voor de wereld van literatuur, haar hogere werkelijkheid, en door de vriendschappelijke contacten buitenshuis. Vele van deze vriendschappen worden gekenmerkt door een zich steeds herhalend patroon, bijvoorbeeld haar plots opvlammende vriendschap met Anna van der Horst. Deze werd gekenmerkt door een bijna te hevige bewondering van de kant van Betje waarna haar hartsvriendin echter weer even plots uit haar leven verdween. Zou ze te hevig hebben willen opgaan in sommige vriendschappen of ligt het aan een gebrek aan mensenkennis?

Een andere hartsvriend was Cornelis Loosjes die een zeer belangrijke rol speelde in haar werk Walcheren, wat haar definitieve doorbraak als dichteres betekende. Omdat Betje niet schreef volgens de toen geldende regels van de dichtgenootschappen, kreeg ze al gauw commentaar. Cornelis vroeg haar of ze als dichteres of enkel als vrouw behandeld wilde worden, omdat zij alleen belang hechtte aan de gevoelsethiek. Voor Cornelius Loosjes was de vorm het allerbelangrijkste, deze vormcultus was algemeen aanwezig in de dichtgenootschappen van die tijd. Met Aan Mijnen Geest, een discussie tussen haar als dichteres en haar eigen schrijfdrift, nam ze afscheid van haar poëtische ambities. Hierin verwoordt ze dat haar schrijftalent haar enerzijds wel genoegen bezorgt maar anderzijds zoveel moeilijkheden. Ze aarzelde immers niet om anderen openlijk te bekritiseren, steeds meer en meer ging ze zich bemoeien in kerkelijke en politieke geschillen.



De schryfster zal, vreezen wij, terwyl zy andren doet lachen, zich zelf nog eens een onheil op den hals haalen; wy hoopen er echter het beste van.

Door haar steeds meer escalerende pennestrijd, die zeer rijk aan kritische inhoud was, verwijderde ze zich onbewust van het poëtische. Ze begon sterk te twijfelen aan het nut van de poëtische geschriften, de stijl ervan of had ze misschien de verkeerde onderwerpen gekozen? Zo besefte ze dat ze het verkeerde ideaal had nagestreefd en kreeg inzicht in de ‘ ware poëzie‘.

Gemengde gevoelens ten opzichte van haar persoonlijkheidsontwikkeling traden hier ook duidelijk op de voorgrond. Betje Wolff ‘s provocerende werken waren mede te verklaren door haar bijzonder karakter. Noch tegenover haarzelf, noch tegenover de buitenwereld kon ze zich verbergen in een schijnwereld, eerlijkheid was een van haar fundamentele eigenschappen. Steeds was op ze zoek naar haar eigen werkelijkheid en waarheid. Andere typerende karaktertrekken waren haar zedelijke ernst, het impulsieve, haar loyaliteit maar eveneens het driftige en overmoedige temperament. Haar energetische bedrijvigheid doordrong haar gehele persoonlijkheid en haar zedelijke wereld. Voor haar was elke theorie waardeloos en eiste van zichzelf en de andere de toepassing, waarin wilskracht steeds een centrale rol speelde.

Haar crisis in het dichterschap, uitgedrukt in Aan Mijnen Geest en in haar sociale contacten, de sterfte van haar man en vooral de kennismaking met Aagje Deken, die een zeer belangrijke rol in haar leven zou spelen, waren de aanleiding voor een ingrijpende heroriëntatie in het leven van Betje Wolff.

3. Haar vriendschap met Aagje Deken.

Aagje en Deken vormden als het ware een eenheid van geest en hart, maar juist het bijzondere aan deze eenheid was dat ze uit vele tegenstellingen was opgebouwd.

Zo was het opvoedingsmilieu van Aagje sterk verschillend van dat van Betje: tot haar 25ste levensjaar verbleef ze in een weeshuis waar de kloostersfeer, haar zeldzame vriendschappen en een toekomst van dienstbaarheid, van bovenuit opgelegd, kenmerkend was. Haar ontwikkeling was zeer begrensd en verliep eenzijdig in godsdienstige richting, waar onder ander onderworpenheid en aanvaarding van het lot centrale waarden waren. Betje’s burgerlijk milieu, namelijk de koopmansklasse met de gelegenheid tot een veelzijdige ontwikkeling, waren haar volslagen vreemd.

Het dichterlijk talent van Aagje Deken was een van de weinige lichtpunten uit haar weeshuisbestaan. Ook hierin was ze radicaal tegengesteld aan haar vriendin: ze nam dan wel haar idealen van dichteres-moraliste even ernstig, maar Betje’s zelfgevoel was veel groter, bijvoorbeeld Wolff’s snelle geprikkeldheid ten opzichte van critici en haar zeer vergaande durf om voor zichzelf en haar seksegenoten de vrijheid op te eisen...



... om niet alleen dichteressen en schilderessen, maar wiskundigen en philosophen te worden, als hun daartoe de gaven geschonken zijn.

In 1775 gaf Aagje Deken haar eerste dichtbundel uit, het accent lag hier op godsdienstige en gelegenheidspoëzie met af en toe een opvoedkundige toon.

Tijdens haar laatste jaren te Amsterdam, kwam Aagje tot het fundamentele inzicht dat haar waarheid gelegen was in de opvoedster, die haar geloof in de praktijk van het leven wil toepassen. Juist in deze periode kwam ze in contact met het werk van Betje Wolff. De strijd van Betje in naam van verdraagzaamheid, mensenliefde en vrije geloofsovertuiging, maakte voor Aagje de vele kwade geruchten over de Beemster domineesvrouw irrelevant. Hun vriendschappelijke correspondentie, waarin Aagje met eerlijke moed Betje zowel bekritiseert als erkend, liep uit op een persoonlijke ontmoeting en leidde zelfs na de dood van Betje’s man tot samenwonen.

Toch kende deze opmerkelijke vriendschap ook een basis van overeenstemming, namelijk hun behoefte en verlangen naar geestelijke vrijheid en hun liefde voor de medemens. Aagje Deken vulde Betje perfect aan, ze gaf haar vriendin rust door haar ongecompliceerde geest en kalme overtuiging.

De intense samenwerking met Aagje had vergaande gevolgen: de mentale en poëtische crisis leek voor Betje tot het verleden te behoren, tevens ging haar vinnig en egocentrische pennestrijd langzaam verloren. Samen ging hun aandacht naar het maatschappelijk belang. Dit uitte zich voornamelijk op twee grote vlakken.

Ten eerste de economisch-patriottische herstelbeweging: voor de economische achteruitgang die er toen heerste, zocht men onder andere een uitweg in het Verlichtingsidealisme. Op hun manier gaven Betje en Aagje steun aan dit economisch herstel, namelijk door het verspreiden van propagandabrochures voor vrouwen. Dit betekende vooral voor Betje een omkering van haar persoonlijke ambities in sociale zin. Hun houding was enigszins ambivalent: enerzijds gaven ze de rijke burgerij de schuld van het wijdverspreide pauperisme, anderzijds wezen ze erop dat de burgerrust continu bedreigd werd door het uitschot van het volk.

Het tweede vlak waar hun aandacht voor het maatschappelijke tot uiting kwam, was de Pedagogische Verlichting. Een zeer treffend voorbeeld hiervan is Proeve over de opvoeding, gericht aan de Nederlandse moeders geschreven door Betje, uitgegeven in1779. Betje’s visie over de plaats van de vrouw, het kind en over de opvoeding komen hierin uitvoerig aan bod. (zie infra ).

Hiernaast hielden ze ook een pleidooi voor de nationale cultuur en toonden een geestdriftige belangstelling voor de oudvaderlandse taal- en letterkunde. Kenmerkend voor beide vrouwen was de continue wisselwerking tussen hun liefde voor de nationale cultuur en hun genegenheid voor de burgerij.

4. Het leven van Betje Wolff en Aagje Deken op Lommerlust.(1782-1788).

In deze periode waren onder andere twee grote romans het resultaat van hun gezamenlijke schrijverscarrière, namelijk Sara Burgerhart en Willem Leevend. In de eerste staan termen als verhouding tussen man en vrouw, burgerklasse... centraal, in de tweede handelt het rond het bijbels christendom en ongeloof.

Naast schrijfsters zijn ze tevens raadgeefsters en opvoedsters via hun correspondentie over het gehele land. Het belangrijkste terrein waar Betje en Aagje hun gezag lieten gelden, was het pedagogisch-godsdienstige en het maatschappelijke. Op politiek vlak kunnen we van een zekere bewustwording spreken, maar deze bleef zeker en vast ondergeschikt aan het eerste terrein. Zo ondersteunden ze bijvoorbeeld met volle overtuiging het vrijheidsstreven van de burger-patriotten.

Aan deze zeer gelukkige periode kwam echter een einde door een politieke ommekeer in 1787.

5.Hun verblijf te Trevoux (1788 -1797).

Deze periode van de Franse Revolutie in 1789 betekende ook voor hen een tijd van armoede, hongersnood, ziekte en grote onzekerheid over hun financiële toestand.

Hun kritisch standpunt ten opzichte van deze zeer belangrijke politieke gebeurtenis was enigszins tweezijdig: langs de ene kant toonden ze openlijk begrip voor de wraak van de onderdrukte volksklasse, maar langs de andere kant koesterden ze de hoop dat de burgerij de revolutie in goede banen zou leiden.

Een belangrijk standpunt van Betje Wolff hierbij is dat van volkssoevereiniteit: niet de burger als individu, maar enkel het gehele volk heeft het recht op opstand. Het volk dient zich te richten naar de wetten, opgesteld door Rede en Voorzichtigheid. Anarchie is volgens haar volkomen uitgesloten.



... een Volk, verlicht genoeg om te weeten waarin de Vrijheid bestaat, is verpligt zijne Regeerders te ontwapenen en hen magt, die zij misbruiken, af te nemen.

Deze burgerlijke vrijheid is echter niet alleen een geluk, maar ook een opgave.



Ja, men is even zeer verpligt vrij als deugdzaam te zijn.

In deze erg moeilijke periode hebben beide vrouwen getoond wat ze als mens waard waren. Ze werden hierbij gesteund door een grote vriendengroep.

In 1793 werd de financiële toestand voor hen zeer slecht en ze keerden terug naar hun vaderland, namelijk Nederland.

6. De Haagse periode van Betje Wolff en Aagje Deken (1797-1804).

In Den Haag onderhielden Betje en Aagje geen of slechts heel weinig contacten met het literaire wereldje, hun echte vrienden daarentegen waren voornamelijk kooplieden, ambtenaren, politici en predikanten. Van af hun samenwonen hebben de twee hartsvriendinnen steeds als het ware aan de zijde van het literaire circuit geleefd.

Betje Wolff had echter ook vele vijanden. Ook in deze periode bleef haar ironische, superieure toon in haar werken niet achterwege, wat vele recensenten geïrriteerd heeft. De verhouding tussen Betje en haar critici is tot het laatste toe gekenmerkt geweest door wederzijds onbegrip in een zeer vijandige sfeer. Maar Aagje is nooit van de zijde van haar vriendin geweken en heeft haar steeds blijven steunen. Ook op dit vlak vormden ze een gemeenschappelijk front, een onverbreekbare eenheid.

Een van de laatste grote werken waarmee de hartsvriendinnen hun prozacarrière afsloten was Geschrift eener bejaarde vrouw. Het bijzondere aan dit werk is dat het een zelfportret is van beide vrouwen, een weerspiegeling van hun eigen inzichten en waarnemingen, en een soort analyse van hun eigen ontwikkeling.
De hoofdpersoon van dit boek is Mietje, waarin we zowel trekken van Betje als van Aagje in kunnen herkennen, zoals bijvoorbeeld haar vroegrijpe leergierigheid, spontaniteit, kritische gezindheid, spotlust en haar sterke moederbinding. Dit symboliseert op zeer mooie wijze hun gelijkgezindheid dat tussen de hartsvriendinnen was ontstaan na vijfentwintig jaar samenleven.
Mietje is het enige kind van rijke ouders uit de koopmansklasse. Haar geschiedenis wordt niet verteld in de vorm van een aaneengesloten verhaal, maar vormt een verzameling van een groot aantal losse fragmenten, wat het verrassend modern en origineel maakt. Zeer interessant is eveneens de rijke variatie aan thema’s: het sentimentele, geleerde vrouwen, kindersterfte, Voltaire, slavernij, joden, echte en valse mystiek… Het hoofdthema echter is de opvoeding vanuit een godsdienstig en ethisch oogpunt. De positie van de schrijfsters wordt duidelijk in de dialoog tussen de opvoeder, voornamelijk Mietje’s moeder, en het kind.

Vanaf 1801 stond de correspondentie van Aagje en Betje bijna volledig in het teken van verscheidene medische kwalen en ziektes. Maar zelfs in haar ziektes toonde Betje Wolff een merkwaardige hypersensibiliteit, wat van haar een ongewone patiënte maakte.

Haar einde kwam op 5 november 1804 en op uitdrukkelijke wens van Betje Wolff vond de begrafenis plaats in alle stilte; ook kerkelijke ceremoniën bleven achterwege, aangezien Betje noch Aagje lidmaat was van enige kerkgemeenschap. Aagje Deken probeerde haar groot verdriet, maar tevens haar dankbaarheid te verwoorden:

Zeven en twintig jaar hebben wy oneindig veel zuur en zoet te zaamen ondervonden. Zy is het waarom gaan ondervinden. De vriendschap doet my bloedige traanen schreyen. ‘t Verstand en de godsdienst leeren my dankbaar zyn, dat zy uit zooveel ellende verlost is.

Nog geen negen dagen later is ook haar hartsvriendin Aagje Deken gestorven en werd in hetzelfde graf als Betje Wolff begraven, zelfs over de dood heen bleven ze een onlosmakelijke eenheid.

7. Belangrijke conclusies uit het leven van Betje Wolff en Aagje Deken.

In de bloeiperiode van hun samenwerking zijn Wolff en Deken tot opvoedsters van het volk geworden. Hun aandacht ging hoofdzakelijk (maar zeker niet uitsluitend! ) naar de jonge meisjes en vrouwen, met het accent op hun verstandelijke ontwikkeling, want deze kwamen op dit vlak veel te kort. Een cruciale vraag hierbij is, of men dit mag zien als een strijd voor vrouwenemancipatie?

Vooreerst merken we op dat de politieke en economische factoren wel aanwezig zijn, maar slechts in beperkte mate. En belangrijker, hun eis van vrije geestesontplooiing richtte zich noch voornamelijk, noch op de eerst plaats op vrouwen. Dat iedereen het recht en de plicht had de talenten die hem geschonken waren, ten volle te gebruiken, gold volgens hen niet enkel voor vrouwen. Erg verduidelijkend voor deze visie zijn twee uitspraken van Betje Wolff: het eerste gericht aan haar lezeressen, het tweede aan haar publiek in het algemeen.

Leert denken, net denken. En regelt uw leven naar de schets, die uw verlicht verstand u vormt.

In “Zedenzang aan de Mensenliefde”, waarin zij een vurig pleidooi houdt gericht tot alle landgenoten, om zich vrij te maken van hard en liefdeloos vooroordeel, klinkt het: “Is’t mogelijk, leert toch denken!

Juister zou dus zijn, te stellen dat de twee vriendinnen geen strijdsters waren voor vrouwen, maar wel strijdsters voor mensenrechten. Dit neemt natuurlijk helemaal niet weg dat het recht van de vrouw op geestesontwikkeling een zeer centrale plaats in hun strijd ingenomen heeft. De aandacht die beide vrouwen vroegen voor de ontwikkeling en bredere opvoeding van vrouwen en meisjes, had verscheidene motieven. Het belangrijkste motief was de vrouw beter geschikt te maken om als echtgenote, huisvrouw, maar vooral als moeder haar taak te vervullen.(zie infra bespreking van Proeve over de opvoeding.).Hiervoor eisten ze een volledige ontplooiing van haar persoonlijkheid, in functie van haar roeping niet alleen als vrouw en moeder, maar ook als mens.

Hebben Wolff en Deken betekenis gehad voor onze tijd? Of bleef hun invloed enkel gelden binnen hun eigen tijd? Enerzijds waren ze met hun pedagogische opvattingen, met hun mening omtrent de positie van de vrouw in de maatschappij en in hun strijd voor verdraagzaamheid en geestelijke vrijheid uitstekende vertegenwoordigers van de Verlichting. Maar anderzijds waren ze ook hun tijd vooruit. Ze hebben gestreden voor het behoud van waarden en voor de verwerkelijking van ideeën welke ook nu nog geestelijk en maatschappelijk in het geding zijn.

Positie van de vrouw


1. Algemene visie in die tijdsperiode waarin Betje Wolff leefde.

De positie van de vrouw was sterk bepaald door de klasse waartoe ze behoorde, maar ongeacht de stand bleef ze in ieder geval ondergeschikt aan de man.

De manier waarop de vrouw uit de hoogste klasse, namelijk de adel, enigszins zin probeerde te geven aan haar leven bestond onder andere uit het zich verdiepen in de schone kunsten of in de wetenschap. Dit was vaak slechts een ideaal, want haar gebrekkige opvoeding stelde haar niet in staat tot een actief intellectueel leven. Ze werd vooral opgevoed tot haar representatie in gezelschappen. Ook in de zorg voor de kinderen en het huishouden speelde ze een ondergeschikte rol, ze had daarvoor personeel. Voor haar echtgenoot had ze weinig betekenis als erotisch object, de monogamie in die tijd werd immers door de mannen uit de bovenste lagen veel met de voeten getreden. De begrippen echtgenote en moeder waren enkel en alleen labels en hadden zeer weinig emotionele betekenis.

Heel anders was de situatie voor de vrouw uit de middenstand. Ze speelde een grotere rol in de huishouding en de opvoeding van de kinderen. Dit werd gezien als haar plicht die ze nu eenmaal had te vervullen. Niettegenstaande dat vrouwenwerk als oninteressant werd gezien, kon haar betekenis als moeder en huisvrouw emotioneel zeer groot zijn. In deze stand waren de zeden voor de man meer belangrijk, hij voelde zich dan ookmeer bij zijn vrouw betrokken.

Bij de lagere klasse, namelijk de boeren, was de vrouw moeder en huishoudster, soms ook een goedkope arbeidskracht. Een groot voordeel voor deze vrouwen was toch dat er een financiële zekerheid was en dat de zeden heel streng waren.

Bij de onderlaag van de bevolking, de arbeiders in de steden, kon de vrouw onder andere als naaister of als prostituee overleven. De hygiëne in de steden was alles behalve, wat het krijgen van kinderen risicovol maakte. Ten gevolge van de zeer ongunstige levensomstandigheden in haar beroep, was ook haar rol als moeder bedreigd.

In het algemeen was er in deze periode erg weinig begrip voor de positie van de vrouw. De eerste tekenen van feminisme werden op gang gebracht met het boek A Vindication of the Rights of Women van Mary Wollstonecraft in 1792. Zij stond onder invloed van Rousseau en de wijsgeren van de Franse Revolutie, waarin volgens haar het streven naar de gelijkberechtiging van de vrouw slechts een minieme rol speelde.
Zoals Betje Wolff, stond de strijd voor vrouwenrechten centraal in haar leven: de geest van een mens heeft geen geslacht, met als gevolg dat de geest van een vrouw even veel waard is als die van een man. Deze beide vrouwen hebben in hun werk veel belang gehecht aan de vrouwenopvoeding. Mary Wollstonecraft was van mening dat meisjes dezelfde beroepen kunnen leren als jongens. Betje Wolff had hierover een andere mening, maar toch waren er eveneens nog verscheidene gelijkenissen, onder andere noodzaak aan een intelligente moeder die zelf haar kinderen opvoedt via discussie. ( zie infra opvoeding. )

2. De positie van de vrouw volgens Betje Wolff.

Volgens Betje Wolff is iedere vrouw verplicht volgens haar eigen stand te leven, maar ze moet wel respect hebben voor de andere standen. In haar boekje Proeve over de opvoeding, dat we als uitgangspunt genomen hebben voor de bespreking van haar visie van de vrouw en de opvoeding, richt ze zich vooral tot de vrouw van de middenstand.
De hoofdgedachte van haar boek is dat ze vrouwen wil doen beseffen dat ze redelijke en zedelijke wezens zijn, ook moeten ze hun eigen waarden beter leren kennen. Dit is immers volgens haar niet alleen weggelegd voor mannen:

Onze ziel is van geen andere stof... De Sex heeft, in het geen waartoe ik dan U aanmaan, geen stem. Wy zyn beiden geestelyke volmaakbare wezens. Al het overige is eigentlyk ons IK niet.

Ze vindt het niet nodig dat vrouwen sterrekunde, meetkunde, natuurkunde... leren, maar wel dat zij kennis krijgen van kundigheden die voor hen onmisbaar zijn. Enerzijds houdt dit volgens Betje in dat ze deugden en een optimistische ingesteldheid moeten verwerven om hun echtgenoot gelukkig te kunnen maken. Anderzijds is het van belang dat ze zich met die zaken bezighouden die ze hun kinderen willen bijbrengen. Zo moeten vrouwen zich niet enkel bezighouden met muziek en schilderen, een verstandige vrouw voedt haar kinderen zelf op en leidt deze tot de rede.

Wolff weerlegt de pessimistische visie van die tijd op het moeder worden, namelijk dat vrouwen ongelukkige schepsels zijn, en zich moeten enkel en alleen met oninteressant ‘werk’ bezig houden, namelijk het opvoeden van hun kinderen. Moeder worden betekent daarentegen volgens haar een verrijking van het geluk van de vrouw. Tevens is het huwelijk de allervolmaaktste vriendschap. De vrouw verdient volgens haar waardering en respect:

Nogmaal zeg ik, ... dat eene Vrouw onze hoogste achting verdient, dat zy der Maatschappy diensten doe, die, al wilde men die belonen, nooit te belonen zyn. Maar, het Gemeen van alle Rang, is te onredelyk om daar op te letten, ik laat staan om er met erkentenisse aan te denken. ( p. 80 ).

De visie op opvoeding.

1. De visie van Betje Wolff op opvoeding.

De kern van haar theorie is dat kinderen moeten opgevoed worden tot redelijke wezens. Zo stelt Betje in haar Proeve over de opvoeding dat men moet spreken tot de rede van het kind en niet tot zijn geheugen, wat impliceert dat de vrouw de nodige inzichten en vaardigheden moet verwerven. Pas dan zal ze in staat zijn om via discussie haar kind tot de rede te brengen.

De kinderen moeten niet van jongsaf aan vanalles leren wat ze nog niet moeten kunnen. Rekening houden met de ontwikkelingsgang van het kind vormde voor Betje een zeer belangrijk principe. Dit was in scherp contrast met de toen heersende mentaliteit: vanaf zeer jonge leeftijd een grote hoeveelheid kennis vanbuiten leren zonder deze te begrijpen.

Betje beschrijft de belangrijke eigenschappen van het kind: wispelturig, nieuwsgierig, levend, vraagachtig, groots, gezellig, goed van vertrouwen, veinst niet, liegt nooit tenzij om straf te vermijden, doet graag zijn zin… Men moet rekening houden met deze eigenschappen, ze behoren tot de natuurlijke geaardheid van het kind en men mag ze niet onderdrukken onder andere door middel van straf. Zo schrijft Betje bijvoorbeeld dat als kinderen iets vragen, je de vraag niet mag afwimpelen of hen iets ongewoons bevelen, weetzucht en rusteloosheid zijn immers natuurlijke eigenschappen. Ze maken van kinderen goede burgers voor de staat. Het is de moeder zelf die verantwoordelijk is voor de opvoeding, ze is als het ware opvoedster van het volk.

Nu moet ik U een Kind weer eens in een ander

licht doen zien - Geeft gy, niet wel eens de

naam van stout, aan het geen eigentlyk niets

minder dan stout is?

Een gezond en wel te vreden Kind, is druk,

woelig, wil altoos spelen, ravotten, lopen,

kortom het wil nooit stil zyn; dit noemt gy

stout zyn - Is dit wel zo? geeft gy dit wel zynen

rechten naam? Ik denk neen! en hierom denk ik dus.

De wyze Natuur gaf aan uw Kind die

onoverwinnelyke trek tot beweging - Verbiedt

gy het te lopen? Het zal met zyn handen

kloppen; wilt gy dat het dit laat? dan zal het

met de kleine voetjes slingeren - Gy besluit

daar uit,dat het Kind stout is,en 'tkan alleen

niet stil zitten.
Proeve over de opvoeding, 1777, p. 51/52 (W)

.De harde tucht wordt door Betje onvoorwaardelijk afgekeurd, vrolijkheid en vriendelijke verhoudingen tussen ouders en kinderen moeten hiervoor in de plaats komen. Lichamelijke straf is volgens Betje verkeerd, men moet soms wel eens iets door de vingers zien. Betje’s opvatting gaat ook hier in tegen deze algemene opvoedingsmentaliteit: de tucht was zeer hard zowel op school als thuis en was het opvoedingsmiddel bij uitstek. Alle ontzag ging naar de vader en er was een voortdurende controle dat de vrouw een ondergeschikte plaats bleef innemen, ze werd als medeopvoedster niet erkend.

Betje Wolff maakte een onderscheid tussen meisjes- en jongensopvoeding, want ze stelt dat men van in het begin het doeleinde der sexe in het oog moet houden. Een belangrijk verschil volgens Betje is dat de jongens door de moeder worden opgevoed totdat ze naar school moeten, de meisjes daarentegen bleven onder toezicht van de moeder. De meisjes werden vooral opgevoed tot moeder, ze moeten zich een blijmoedige geest ontwikkelen. De jongens moeten zich een basis van vertrouwen weten te vormen.

Betje’s onderscheid impliceert voor de vrouw dat ze enerzijds een belangrijke rol vervult in de opvoeding van de kinderen, maar anderzijds moet ze wel haar sexe kennen. Ze waarschuwt hierbij ook nog dat de karakters van beide sexen elk nood hebben aan een specifieke leiding, opdat jongens en meisjes op hun manier zouden kunnen ontwikkelen.



p.76: Eene verwyfde opvoeding verwydert een manlyk Kind te ver van dien post, die op hem wagt. En hoe ongevallig is een Meisje dat haar sex niet schynt te kennen!

Betje relativeert haar visie wel door te stellen dat:



p.74: Ik bid U bedenkt toch wel, wat is verkeerder, dan eenen kleinen Jonge tot een snappend Woordenboekje te maken; en waarom worden de geestigst Meisjes alléén opgevoed om zotten te behagen.

Op vlak van spelen met kinderen is de visie van Betje eveneens tegengesteld aan de gangbare mentaliteit van de 18de eeuw: ouders en andere verbonden geen pedagogische consequenties aan het spel. Betje Wolff daarentegen is van mening dat je ook met kinderen over iets verstandig kan praten en dat je je verhaal altijd zo moet opstellen dat er een zedelijk element of een bepaalde deugd in voorkomt.



p.83: Hoe! zou men een schrander en opmerkzaam Kind, dat men een zot Sprookje vertellen kan, niet iets kunnen zeggen dat eenen beteren naam verdiende?

Betje’s voorkeur gaat uit naar mondelinge onderrichting. Ze stelt dat dit enerzijds veiliger is en de band met de moeder vaster maakt en anderzijds wil ze voorkomen dat het vroege lezen van het kind een wijsneus maakt.



p.87: Een Kind moet eigentlyk niet denken, het moet stoffen opleggen, om, als het ouder is, daar omtrent werkzaam te worden. Een peinzend Kind is iets onëigens; maar een nieuwsgierig Kind is zoals het zyn moet.

2.Pedagogische theorieën die we in Betje Wolff 's visie herkennen en waarop ze zich geïnspireerd heeft.



  • John Locke.

Betje Wolff inspireert zich voor een groot deel op John Locke, dit wordt duidelijk door de overeenkomst op verscheidene vlakken:

1) intellectuele opvoeding.


Locke hecht veel aandacht aan de ervaring(tabula rasa), dit impliceert dat de opvoeding vanaf de geboorte van het kind een zeer belangrijke rol speelt.

2) zedelijke opvoeding.


Deze is van een hoger niveau dan de intellectuele opvoeding. Locke wijst op de samenhang tussen redelijkheid en zedelijkheid, in die zin dat kennis een middel is tot deugd.

3) tucht.


Centraal staat voor hem de natuurlijke en vrije ontwikkeling van het kind. Dwang wordt door hem afgekeurd: de opvoeder moet niet te streng zijn, maar moet de kinderen behandelen als redelijke wezens.

4) individuele opvoeding.


Het doel van deze opvoeding is kinderen laten ontwikkelen tot burgers van de staat rekening houdend met de stand waartoe ze behoren. De wijze waarop dit moet gebeuren is individualistisch.

5) onderricht.


Volgens Locke moet het onderricht utilistisch zijn, enkel wat nuttig is voor de kinderen wordt aangeleerd.

Betje vindt de theorie van Locke te moeilijk voor huismoeders, dus ze vertaalt zijn gedachte in haar Proeve over de opvoeding.



  • Rousseau.

De invloed van Rousseau op Betje’s werk is minder eenduidig dan de invloed van Locke. Ze vindt zijn ideeën met betrekking tot de opvoeding van Emile in buitenmaatschappelijke context interessant, zo werd immers de natuurlijke ontwikkeling van het kind mogelijk gemaakt. De theorie was duidelijk, maar de praktijk bleek echter volgens haar niet haalbaar te zijn. Op theoretisch vlak zijn er toch een aantal overeenkomsten:

1) intellectuele opvoeding.


Rousseau besteedt nog meer aandacht aan de ervaring: kinderen moeten zelf kunnen ondervinden, zelf opmerken. Ook de ontwikkelingsgang staat voor hem centraal: hij maakt een indeling in levensfasen.

2) zedelijke opvoeding.


Net zoals bij Locke staat deze opvoeding boven de intellectuele opvoeding. Het verschil echter is Rousseau ‘s stelling van de onbedorvenheid van de menselijke natuur. De enige taak van de opvoeder is het natuurlijk instinct in de onbedorven jonge mens te behoeden voor de alles bedervende invloed van de zondige wereld.

3) negatieve opvoeding.


Volgens Rousseau mag men met kinderen niet redeneren, geen gesprekken houden en zedelessen acht hij niet belangrijk. Deze idee is sterk contrasterend met de visie van Betje Wolff. Voor haar immers hebben dialoog en discussie een belangrijke plaats in de opvoeding.

4) tucht.


Tucht staat voor Rousseau gelijk met een goed geregelde vrijheid, dit wordt verduidelijkt in zijn boek Emile. Dwang kan volgens hem in de opvoeding niet gebruikt worden.

5) individuele opvoeding.


Rousseau denkt op dit vlak ongeveer hetzelfde als Locke, maar in sterkere mate. Wat verschilt van Locke is Rousseau's weerstand tegen het opvoeden volgens eigen stand.

  • Filantropijnen.

Deze Duitse pedagogen hebben wel invloed gehad op Betje Wolff, maar in mindere mate. De overeenkomsten tussen beide:

1) intellectuele opvoeding.


Ook hier is de ervaring belangrijk. Ze benadrukken vooral het al spelend leren. Rekening houden met de ontwikkelingsgang van het kind is tevens belangrijk.

2) zedelijke opvoeding.


De kennis is hier zoals bij Locke en Rousseau middel tot deugd.

3) tucht.


De enige goede weg naar de juiste opvoeding is de natuurlijke vrije ontwikkeling. De opvoeder moet trachten de opvoeddeling zover te brengen dat hij het goede doet uit eigen wil.

De evolutie van het meisjesonderwijs in de 19de eeuw.

In de loop van de 19de eeuw gingen vrouwen langzamerhand pedagogische bezigheden buitenshuis verrichten en dit hoofdzakelijk op twee grote terreinen: onderwijs en sociaal werk. Professionalisering stond bij beide centraal. Kenmerken hiervan zijn: het werk wordt een volledige dagtaak, er ontstaat een specifieke opleidingsschool en een beroepsvereniging, concurrenten worden buiten het beroep gehouden door wettelijke maatregelen. Ook de uitbreiding van het werkterrein was zowel voor het onderwijs als sociaal werk kenmerkend.

De eerst nationale wet op het lager onderwijs in 1806 had als gevolg dat ook de professionalisering van onderwijsgevenden op gang kwam. Het diploma dat iedereen vanaf dat moment moest bezitten, had voor de vrouw weinig belang. De kennis die op hun examen werd getoetst, moesten vrouwen via zelfstudie verwerven. Voor de mannelijke leerkrachten daarentegen bestond dit diploma uit vier in moeilijkheid stijgende aktes.

Niettemin werd de achterstand op hun mannelijke collega's door de onderwijzeressen ingehaald. Vanaf 1858 werden de verschillen tussen de diploma's voor mannelijke en vrouwelijke onderwijsgevenden steeds kleiner en met de daarop volgende wet van 1878 verdwenen ze volledig. Maar de opleidingsmogelijkheden echter hielden met deze ontwikkeling geen gelijke tred. Vanaf 1860 kwam enerzijds de professionalisering van de vrouwelijke onderwijsgevenden in versneld tempo op gang en anderzijds breidden de terreinen waarop vrouwen in het onderwijs werkzaam konden zijn, zich uit. Zo werden bijvoorbeeld vrouwelijke leerkrachten in het lager onderwijs onmisbaar.

Door een aantal samenhangende omstandigheden zoals het ijveren van de liberale burgerij, het aanzetten tot liberalisering en de iets latere opkomende vrouwenbeweging, werd er steeds meer nadrukkelijker aandacht besteed aan verbetering van het meisjesonderwijs.

De professionalisering raakte niet alleen onderwijzeressen en maatschappe­lijk werksters, maar ook het moederschap werd erin betrokken. Uit Betje Wolff’s visie op opvoeding(zie supra) blijkt dat vrouwen hun eigen kinderen moesten opvoeden en daarvoor ook de nodige kennis moesten verwerven. In het begin van de twintigste eeuw ontstond hieromtrent een discussie: hoever moet men met deze kennis gaan en hoe grondig moeten moeders voor hun pedagogische taak geschoold worden? Zo werd moederschap een soort van wetenschap. Er ontstonden verschillende initiatieven die erop gericht waren om moeders beter voor hun taak bekwaam te maken zoals bijvoorbeeld oudervoorlichting via tijdschriften.

De in gang gezette professionalisering van vrouwen kreeg een extra stimulans met de opkomst van de Reformpedagogiek. Ten eerste zouden vrouwen voor die nieuwe opvoedingsmethoden, voorgesteld door de reformpedagogen, meer natuurlijke aanleg en ervaring hebben dan mannen. Daarom konden ze een unieke bijdrage leveren aan de theorievorming en in de praktijk van de opvoeding, zelfs op domeinen waar ze eerder geen invloed hadden. Ten tweede vonden sommigen Nederlandse pedagogen deze vrouwelijke pedagogische benadering zo belangrijk dat ook mannelijke opvoeders het zich moesten eigen maken. Een gevolg hiervan was dat de specifieke vrouwelijke bijdrage aan de pedagogiek een meer algemene geldigheid verwierf. De traditionele scheidingslijn tussen mannenwerk en vrouwenwerk in de opvoeding werd doorbroken.

Commentaar bij de stelling: meisjesopvoeding is opvoeden met een dubbel doel.

Betje Wolff stelt dat meisjesopvoeding expliciet gericht is op één belangrijk doel, namelijk het moeder worden. Dit impliceert dat moeders zelf kennis moeten opdoen om door te geven aan hun kinderen. In die zin is er bij Betje Wolff geen sprake van opvoeden met een dubbel doel.

Maar haar onderscheid tussen meisjes- en jongensopvoeding moet in zekere mate gerelativeerd worden. De kennis die meisjes zich in hun opvoeding moet eigen maken, is eveneens bestemd om geleerd te worden door jongens. Het specifieke van deze kennis voor meisjes is dat ze steeds in functie van hun toekomst, namelijk moeder worden, moet worden gezien. Tevens waarschuwt Betje ervoor dat het opvoedingsdoel, moeder worden, niet impliceert dat de vrouw haar gelijkwaardige en respectvolle positie prijsgeeft.

Onderzoeksweg.

De eerste stap in onze onderzoeksweg was een bezoek aan de centrale universiteitsbibliotheek in Leuven. Vermits de Encyclopédie Politique et Historique des femmes niet meer in Leuven geraadpleegd kan worden, hebben we de Grote Winkler Prins encyclopedie als uitgangspunt genomen voor een eerste verkenning van Betje Wolff. We hebben eveneens op Libis gezocht. Het resultaat van ons zoekwerk was bevredigend: een lange referentielijst met verscheidene biografische werken over Betje Wolff en Aagje Deken en ook met werken van de vrouwen zelf. De informatie over Betje Wolff uit de Encyclopédie Politique et Historique des femmes hebben we achteraf kunnen kopiëren uit het exemplaar van Prof. Dr.A. Hermans en was zeker nuttig om een algemeen overzicht te krijgen.

Onze tweede stap bestond uit het selecteren van de werken die in het kader van de opdracht relevant waren. Een bibliografie van de geschriften van en over Betje Wolff en Aagje Deken hebben we gevonden in een boek van Buijnsters en gaf ons een totaal beeld, wat hierbij voor ons een goed hulpmiddel was. Aangezien het aanbod zeer ruim was, betekende dit een hele opgave. De geselecteerde boeken hebben we in drie verschillende bibliotheken ontleend: te Leuven, de Pedagogische bibliotheek en Letteren en Wijsbegeerte. Ook ons bezoek aan de universitaire bibliotheek van Kortrijk had een succesvol resultaat.

De derde stap in onze onderzoeksweg verliep hoofdzakelijk individueel. Ieder van ons heeft hier een boek gelezen rond een specifiek thema, bijvoorbeeld over de biografie, de opvoeding, de vrouw… en een samenvatting gemaakt van de relevante informatie.

In de laatste stap lag het accent weer op groepswerk. De inzichten en ideeën werden bijeengebracht, bediscussieerd en aangepast om zo tot een geheel te komen.

Referenties.


  1. De literatuur die we gebruikt hebben in ons werk.

  • Buijnsters, Dr. P. J. (1984). Wolff en Deken, een biografie. Leiden: Martinus Nijhoff.

  • Buijnsters, Dr. P. J. (1979). Betje Wolff en Aagje Deken. Schrijversprentenboek 20. Amsterdam: De Bezige Bij. (uitgave van het Nederlands letterkundig museum en documentatiecentrum te S Gravenhage).

  • Buijnsters, Dr. P. J. (1979). Biografie der geschriften van en over Betje Wolff en Aagje Deken. Utrecht: Hes Publishers.

  • Minderaa, Prof. Dr.P. (1954) Boeket voor Betje en Aagje van en over de schrijfsters Wolff en Deken. Amstedam-Antwerpen: Wereldbibliotheek.

  • De Vletter, A. ( 1915) .De opvoedkundige denkbeelden van Betje Wolff en Aagje Deken: bijdrage tot de kennis van de opvoeding hier te lande in de achttiende eeuw. Groningen: J. B. Wolters’ U. M.

  • Van Essen, Dr. M. & Lunenberg, Dr. M. (1991). Vrouwelijke pedagogen in Nederland. Nijkerk: Intro.

  • Hermans, Dr. A.. Spraakmakers in de meisjesopvoeding. Vraagstukken uit de historische pedagogiek: Pedagogische theorieën.

  • B. Wolff(1780). Proeve over de opvoeding, aan de Nederlandsche moeders. Amsterdam: Boom Meppel.

Opmerking:
Dit werk van Betje Wolff hebben we als uitgangspunt genomen voor de bespreking van de visie op de vrouw, kind en opvoeding.

  1. De literatuur die we geconsulteerd hebben, maar niet gebruikt.

  • Buijnsters, Dr. P. J. (1971). “Sara Burgerhart” en de ontwikkeling van de Nederlandse roman in de 18de eeuw.

  • Buijnsters, Dr. P. J. (1987). Briefwisseling van Betje Wolff en Aagje Deken.

  • Ghijsen, H. C. M. (1954). Dappere vrouwenleven, karakter en levensbeeld van Betje Wolff en Aagje Deken.

  • Breekveldt, W. (1983). Opvoedingsidealen in de roman ”Cornelia Wildschut”(1793-1796) van E. Wolff-Bekker en A. Deken. In: Onderwijs en opvoeding in de 18de eeuw.

  • Van der Vliet, P. (1982). Wolff en Deken’s brieven van Abraham Blankaart, een bijdrage tot de kennis van de Nederlandse Verlichting.

  • Van Vloten, J. (1866). Het leven ende uitgelezen verzen van Elisabeth Wolff-Bekker.

  • Moquette, H. C. H. (1898). Over de romans van Wolff en Deken.

  • Huygens, Dr. G. W. (1978). Betje Wolff, Holland in het jaar 2440.Rotterdam: Manteau Marginaal.


Bijlage: Illustraties

G
eboortestad van Betje Wolff




Uit Proeve over de opvoeding. Aan de Nederlandsche moeders door Betje

.Wolff, 1779.


Betje temidden van het woelige leven. 19de-eeuwse litho naar een eigenhandige tekening van Betje.






Lieve Leevend bij het gedicht
Leevend en Chrisje in de Almenak
voor vrouwen door vrouwen, 1801.

.




Jean-Jacques Rousseau



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina