Prof. Dr. F. F. Bruce1



Dovnload 409.38 Kb.
Pagina1/10
Datum25.07.2016
Grootte409.38 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10
De betrouwbaarheid van de geschriften

van het Nieuwe Testament


Prof. Dr. F. F. Bruce1



Inhoud

Voorwoord


I Is het van belang?

II De geschriften van het Nieuwe Testament

III De canon van het Nieuwe Testament

IV De Evangeliën

V De wonderen van de Evangeliën

VI Het getuigenis van Paulus

VII De geschriften van Lukas

VIII Meer archeologische bewijzen

IX Bewijsmateriaal uit vroege Joodse geschriften

X Bewijsmateriaal van vroege niet-Joodse schrijvers

Register van namen en onderwerpen (werd hier niet opgenomen)




Voorwoord


‘Betrouwbaarheid in welk opzicht?’ vroeg een scherpzinnige recensent van de eerste druk van dit boekje, als commentaar op de titel. Hij wilde daarmee zeggen denk ik, dat we ons moeten bezig houden met de betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament als een getuigenis van Gods zelf-openbaring in Christus, en niet met de betrouwbaarheid ervan als een verslag van historische gebeurtenissen. Dat is waar: maar de twee kwesties staan in nauw verband met elkaar. Want omdat het christelijk geloof zegt te berusten op een historische openbaring, is het niet onjuist de geschriften die er de grondslag van zijn te bekijken vanuit het standpunt van de historische kritiek.

Toen de eerste druk van dit boek (mijn eerste pennevrucht) uitkwam in 1943, doceerde ik oude geschiedenis en ik was al sinds lange tijd gewend het Nieuwe Testament te bezien in zijn samenhang met de klassieke oudheid. Van tijd tot tijd werd ik gevraag om een lezing te houden voor middelbare scholieren en studenten over de betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament in het algemeen en de evangelieverhalen in het bijzonder. Het was dan mijn gewoonte aan te tonen dat de gronden om het Nieuwe Testament als betrouwbaar te accepteren heel gunstig afstaken bij de gronden waarop de studenten in de klassieke talen de echtheid en de geloofwaardigheid van veel oude documenten accepteren.

Uit dergelijke voordrachten is dit boek oorspronkelijk gegroeid. Het heeft, naar ik hoor, zijn nut bewezen voor de lezers voor wie het bedoeld was, niet alleen in Engelstalige landen maar ook in Duitse en Spaanse vertalingen.

De historische en taalkundige benaderingswijzen hebben natuurlijk hun beperkingen. Zij kunnen geen bewijs leveren voor de bewering der Christenen dat het Nieuwe Testament het door de Heilige Geest geïnspireerde verslag van de openbaring bevat. Mijn niet-theologische studenten (voor wie dit boek geschreven is) zijn, naar mijn ervaring, eerder bereid die bewering te aanvaarden voor een geschrift dat wél historisch betrouwbaar is, dan voor één dat dat niet is. En ik geloof dat ze gelijk hebben. Het is natuurlijk moeilijk een bespreking van de nieuwtestamentische geschriften te beperken tot het zuiver historisch vlak; de theologie spreekt steeds weer mee. Maar zo moet het ook; geschiedenis en theologie zijn onontwarbaar met elkaar verweven in het evangelie van onze verlossing, dat zijn eeuwige en universele geldigheid ontleent aan bepaalde gebeurtenissen die plaats vonden in Palestina toen Tiberius keizer was van het Romeinse Rijk.

Ik heb graag van de gelegenheid gebruik gemaakt dit boek grondig te herzien (niet grondig genoeg zullen sommigen van mijn vrienden misschien vinden); en nu ik het opnieuw de wereld instuur draag ik het weer op aan al die studenten van universiteiten en andere instituten overal in de wereld die, alleen of in groepen, het apostolisch getuigenis staande houden voor Jezus Christus onze Heer.

April 1959, F. F. Bruce.


Hoofdstuk I: IS HET VAN BELANG?


Is het van belang of de geschriften van het Nieuwe Testament historisch betrouwbaar zijn of niet? Is het zo erg belangrijk of kunnen we ze zien als echte historische documenten? Sommige mensen zullen zonder aarzelen op beide vragen een ontkennend antwoord geven. De grondslagen van het Christendom, zeggen zij, zijn neergelegd in de Bergrede en elders in het Nieuwe Testament; hun geldigheid wordt niet beïnvloed door het waar of niet waar zijn van het omlijstende verhaal waarin ze geplaatst zijn. Misschien weten we wel niets zeker over de Leraar in wiens mond ze gelegd worden; misschien is het verhaal van Jezus zoals het ons overgeleverd is zelfs wel een mythe of een legende, maar de leer die aan Hem wordt toegeschreven – of Hij er nu werkelijk verantwoordelijk voor was of niet – heeft een helemaal op zichzelf staande waarde, en iemand die die leer aanneemt en volgt kan een goed Christen zijn, zelfs als hij gelooft dat Christus nooit bestaan heeft.

Deze redenering klinkt aannemelijk en het kan zijn dat zij opgaat voor sommige godsdiensten. Het is bijvoorbeeld heel goed verdedigbaar, te zeggen dat de ethiek van het Confucianisme een op zich zelf staande waarde heeft, geheel onafhankelijk van de levensgeschiedenis van Confucius zelf, zo goed als de filosofie van Plato op haar eigen verdiensten beoordeeld moet worden, los van de overleveringen die wij kennen over het leven van Plato en de vraag in hoeverre hij zijn ideeën ontleend heeft aan Socrates. Maar deze redenering kan op het Nieuwe Testament alleen toegepast worden als we aan de werkelijke kern van het christelijke geloof voorbij gaan. Want het evangelie van Christus is niet in de eerste plaats een gedragscode of een metafysisch systeem; het is in de allereerste plaats goed nieuws, en als zodanig is het door zijn eerste predikers verkondigd. Het is waar dat zij het christelijk geloof ‘de Weg’2 en ‘het Leven’3 noemden, maar het christelijk geloof als levenswijze is gebaseerd op het aannemen van de Boodschap als goed nieuws. En dit goede nieuws is nauw verbonden met de geschiedenis, want het vertelt ons hoe God, om de wereld te verlossen, in de geschiedenis binnentrad; het eeuwige kwam in de tijd, het Koninkrijk der hemelen kwam naar de aarde toe, in het geweldige gebeuren van de menswording, kruisiging en opstanding van Jezus Christus. De eerste woorden van onze Heer die in de bijbel staan, zijn de woorden die Hij sprak tot de menigte in Galilea: ‘De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie’4.

Dat het christelijk geloof wortelt in de geschiedenis wordt uitdrukkelijk gezegd in de oude belijdenissen van de Kerk, waarin de hoogste openbaring van God vast wordt verbonden aan een speciaal moment in de tijd, toen ‘Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heer…. geleden heeft onder Pontius Pilatus.’

Dit historische ‘eens en voor al’ van het christelijk geloof, het onderscheid van die godsdienstige en filosofische systemen die niet speciaal verbonden zijn met een bepaalde tijd, maakt betrouwbaarheid van de geschriften die pretenderen deze openbaring te beschrijven een kwestie van het grootste belang.

Men kan hier opmerken dat, ook al gaan we er van uit dat de waarheid van het christelijk geloof nauw verbonden is met de historiciteit van het Nieuwe Testament, de vraag naar de historiciteit van dat document van weinig belang is voor degenen die op andere gronden de waarheid van het christelijk geloof ontkennen.

De Christen zou dan kunnen antwoorden dat de historiciteit van het Nieuwe Testament en de waarheid van het christelijk geloof niets van hun belangrijkheid voor de mensheid verliezen, ook al worden ze ontkend of opzij geschoven. Maar de waarheid van de nieuwtestamentische geschriften is ook op zuiver historische gronden een heel belangrijke kwestie. De woorden van de historicus Lecky, die niet in een geopenbaarde godsdienst geloofde, zijn vaak geciteerd:

‘De persoonlijkheid van Jezus is niet alleen het volmaaktste voorbeeld van goedheid, maar ook de meest meeslepende aansporing om dat na te volgen, en dit heeft zo’n sterke invloed gehad, dat we beslist kunnen zeggen dat het simpele verslag van drie korte jaren van actief leven meer gedaan heeft om de mensheid te vernieuwen en te beschaven, dan alle uiteenzettingen van filosofen en alle vermaningen van moralisten’5.

Maar Jezus persoonlijkheid kunnen we alleen maar leren kennen uit de mededelingen van het Nieuwe Testament; de invloed van zijn persoonlijkheid is daarom eigenlijk hetzelfde als de invloed van het Nieuwe Testament. Zou het dan niet paradoxaal zijn als de geschriften die, naar het oordeel van een rationalistisch historicus, een dergelijke uitwerking hadden, niet op historische waarheid zouden berusten? Dit is natuurlijk op zichzelf geen bewijs voor de historiciteit van deze geschriften, want de geschiedenis is vol paradoxen, maar het geeft ons een extra reden om een serieus onderzoek te beginnen naar de betrouwbaarheid van documenten die zo’n duidelijke invloed gehad hebben op de geschiedenis van de mensheid. Of onze benadering nu theologisch is of historisch, het is beslist van belang of de geschriften van het Nieuwe Testament betrouwbaar zijn of niet6.





  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina