Prof. Jan Van den Bulck Lezing 17/02/2004 startpunt



Dovnload 16.68 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte16.68 Kb.


Hoe leert men van televisiefictie?

Prof. Jan Van den Bulck


Lezing 17/02/2004

STARTPUNT


Geweld op tv.

Jarenlang heeft men zich vooral afgevraagd of zulke beelden agressie veroorzaakten.

Dit is een onmiddellijk – korte termijn effect.

Eind jaren zestig lanceert prof. George Gerbner van de Annenberg School for Communication aan de Universiteit van Pennsylvania de cultivatietheorie.

Hij vraagt zich af wat de lange termijn effecten van geweldfictie kunnen zijn en het valt hem op dat de doorsnee kijker zich wellicht eerder met het slachtoffer dan met de aanrander identificeert. Gerbner begint uitgebreide inhoudanalyses te maken en merkt dat gelijkaardige clichés continu terugkomen. Dat is ook logisch: ze zijn een gemakkelijke manier om verhalen te vertellen: als de kijker de clichés herkent, kan hij gemakkelijker “mee”.

Gerbner stelt dat naarmate men meer televisie kijkt men het wereldbeeld van televisiefictie meer en meer begint over te nemen.

Gevolg: een overschatting en foute inschatting van de hoeveelheid geweld in de wereld, van de risico’s die men zelf loopt etc.

Klassiek voorbeeld: iemand hoort ’s nacht morrelen aan de deur. Wie veel televisiekijkt kan als eerste reflex hebben: wat als het een seriemoordenaar is? De “logische” reactie is dan: zorgen dat hij niet weet dat er iemand binnen is – anders komt hij zeker binnen.

In de realiteit is de kans dat het een seriemoordenaar is ZO klein dat ze bijna onbestaande is. Het gaat ongetwijfeld om een inbreker. Gewoon het licht aandoen kan dan al genoeg zijn om hem af te schrikken.
Nu is het wel zo dat alle studies uitwijzen dat doorsnee televisiekijkers heel goed beseffen dat een fictieserie of een film maar dat is: fictie. Dus zitten we met een theoretisch en empirisch probleem: enerzijds blijkt uit tal van studies dat er inderdaad een verband is tussen veel televisiekijken en een kijk op de wereld die sterk lijkt op de clichés van televisie – anderzijds lijkt dat onmogelijk. Zoals nogal wat Amerikaanse onderzoekers stellen: als mensen weten dat ze naar fictie kijken, dan kunnen ze toch niets bijleren over hoe de wereld in elkaar zit?
Men is gaan zoeken naar de processen die dit verband zouden kunnen verklaren.
De eerste theorieën stelden dat het om geheugenfoutjes ging. Mensen nemen de hele dag dingen waar. De meeste vergeten we weer, sommige slaan we op. Sommige slaan we bewust op omdat we ze bewust verwerkt hebben, andere gebeurtenissen en waarnemingen blijven eerder toevallig “hangen”. Het gebeurt dat zo’n herinnering “fout geklasseerd” wordt. Het klassieke voorbeeld: op weg naar huis kom je een vriend tegen. Je babbelt ermee terwijl je voor een huis staat. Door het open venster van dat huis hoor je (zonder je er rekenschap van de geven) iemand tikken. Een fout opslaan van deze herinneringen zou er dan toe kunnen leiden dat men achteraf meent zijn vriend bij het intikken van iets gesproken te hebben.
Op dezelfde manier zouden fictieve beelden soms per vergissing als echte herinneringen opgeslagen kunnen worden. Wie veel kijkt zou dan in totaal meer van die fout opgeslagen herinneringen hebben, wat zou verklaren dat veelkijkers een beeld van de wereld lijken te hebben dat dichter aanleunt bij televisie dan weinig-kijkers.
Midden de jaren 90 werd deze stelling echter ontkracht door prof. L. J. Shrum van de University of Texas at San Antonio.
Hij wijst op cognitief onderzoek waaruit blijkt dat mensen zich eigenlijk niet afvragen waar hun herinneringen vandaan komen. Als men zich plots een oordeel moet vormen, dan grijpt men gewoon naar datgene wat het gemakkelijkst “naar boven” komt. Datgene waaraan men veel wordt blootgesteld, zit dus het omvangrijkst en het meest vers in het geheugen en het is dan letterlijk zo dat men zich dat het beste kan voorstellen.
Voorbeelden:

Vroeger: stereotype beelden van vrouwen (altijd verpleegster, nooit dokter) of zwarten (altijd misdadiger, nooit politieman, dokter etc.). Als men zich dan een oordeel moet vormen in de aard van “zijn er veel goede zwarte dokters?”, dan zal een zware kijker zich dit letterlijk moeilijk kunnen voorstellen.

Hier zie je ook hoe het anders kan: cf. Dr. Benton in E.R.: wie veel naar E.R. kijkt, kan zich letterlijk een competente zwarte dokter gemakkelijker voorstellen en zal dus meer geneigd zijn om te denken dat er inderdaad wel competente zwarte dokters zijn.
Shrum onderzocht dit onder meer door de reactietijd van proefpersonen te meten die antwoorden moesten geven op allerlei schattingsvragen (hoeveel zwarte dokters zijn er etc.). Niet alleen bleken zware kijkers hogere schattingen te geven (en zich dus inderdaad een versie van de wereld die op die van televisie lijkt gemakkelijker te kunnen voorstellen), ze gaven ook SNELLER een antwoord, wat aantoont dat het inderdaad letterlijk ging om dingen die sneller en beter beschikbaar waren in het geheugen.

Kan ik mij een goede zwarte dokter voorstellen? Voor een zware ER kijker is dat antwoord sneller en vaker “JA”.


Toegepast op de scène uit het begin: wie ’s nachts snel een oordeel moet vormen, zonder verder na te denken, over het geluid van een inbreker, kan zich onder invloed van televisiefictie in sommige gevallen beter indenken dat het om een seriemoordenaar gaat dan om een gewone inbreker.
Op dit punt komt echter de Vlaamse context in het verhaal binnen.

Het meeste onderzoek is Amerikaans. Amerikanen onderzoeken of het beeld dat Amerikanen hebben van de wereld door Amerikaanse televisie wordt beïnvloed. De doorsnee kijker ziet daar alleen Amerikaanse fictie en drama. Er zijn daarom dingen die niet waren opgevallen.


In Vlaanderen is een groot deel van de fictie ook Amerikaans. Die toont een wereld die soms sterk verschilt van de onze. Dat maakt van onze situatie die van een quasi-experiment. Wij kunnen veel duidelijker het onderscheid maken tussen de invloed van televisiefictie en de werkelijkheid omdat we kunnen nagaan wanneer en hoe mensen met een “Amerikaans” beeld van de wereld rondlopen wanneer onze eigen wereld eigenlijk anders in elkaar zit.
Een aantal vaststellingen (die gemakkelijk te filmen moeten zijn of via interviews met derden te verkrijgen)

  1. Verschillende politiemensen hebben mij anekdotes verteld van mensen die eisen dat ze “hun rechten gelezen” krijgen voor ze zich gewillig laten arresteren (er zijn hier hilarische en trieste verhalen over te vertellen!). Het gaat hier uiteraard om de “Miranda rights” (you have the right to remain silent etc….) van de Amerikaanse fictie. In ons rechtssysteem bestaat dat niet

  2. Recruten in het leger moeten er regelmatig op gewezen worden dat ze zich niet mogen gedragen zoals “John Wayne”. Klassieke voorbeelden zijn: een helm (zeker het oude model) moet met een riempje vastzitten om niet af te vallen. Nog: de pin van een handgranaat kan je (om evidente redenen) niet met je tanden uittrekken (zoals in de film): de pin zou blijven zitten, maar je tanden misschien niet.

  3. Ga de kerkpoort bij een paar huwelijken en je zal er zeker een vinden waarbij de bruid een ruiker bloemen achter zich gooit – met gillende meiden die hem trachten op te vangen. Dat is een typisch Amerikaanse gewoonte die bij ons niet bestond.

Er is hier nog iets anders aan de gang. Het gaat hier niet alleen om “foute” herinneringen. Als je aan mensen vraagt hoe ze dat allemaal weten, zullen ze er eventueel bijzeggen dat ze het uit de film of van tv hebben. Met collega dr. Heidi Vandebosch deed ik onderzoek bij gevangenen en dan bleek heel duidelijk dat ze 1. een duidelijk beeld meenden te hebben van wat het ging zijn in de gevangens 2. dat ze dat vooral van Amerikaanse tv en film hadden en 3. dat ze dat ook goed wisten.



Ook hier gold weer dat ze zich letterlijk geen andere versie van de werkelijkheid konden voorstellen. Een gevangene vertelde dat hij een voorgerecht mocht kiezen en dat hij dat onmogelijk kon geloven: zoiets was letterlijk onvoorstelbaar op basis van de beelden die hij in zijn hoofd had.
Het verschil met Shrum: ik ga er van uit dat mensen soms BEWUST van fictie leren (terwijl Shrum meent dat ze vergeten met de bron rekening te houden). Amerikanen blijven ervan uitgaan dat fictie geen realiteitseffecten kan hebben als men beseft dat het maar fictie is.
Ik stel het tegenovergestelde.
Namelijk dat mensen heel bewust leren van fictie. Dit staat diametraal tegenover het Amerikaanse inzicht – hoewel bv. Shrum geen foute theorie heeft, maar gewoon een ander proces beschrijft.
Hoe gaat dat leren uit fictie in zijn werk?
Het is belangrijk te beseffen dat het om lange termijn effecten gaat. Het gaat doorgaans niet om 1 element uit 1 aflevering. Typisch voor dit soort effecten is namelijk wat “intertextualiteit” wordt genoemd. Dat in feite een andere term voor “verwijzen” en “herhalen”.
Het is immers fout om te stellen dat mensen niets kunnen leren van televisie eens ze beseffen (en dat blijkt bijna iedereen te doen vanaf een jaar of 11) dat het maar om fictie gaat.
Er is onderscheid tussen het verhaaltje (waarvan iedereen weet dat het maar fictie is) en de uitbeelden ervan (waarvan niet iedereen goed kan inschatten wat wel of niet kan). Onderzoek van prof. Busselle van Washington State University lijkt dit te bevestigen. Hij toont aan dat mensen tijdens het kijken naar fictie continu twee oordelen vellen: is dit mogelijk en is dit waarschijnlijk? Vooral als ze op beide vragen een “ja” antwoorden, wordt de kans groot dat men meent iets geleerd te hebben over de realiteit.






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina