Professionalisering van maatschappelijke instellingen en filantropie mr drs. Reinier W. L. Russell Inleiding



Dovnload 46.8 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte46.8 Kb.
Professionalisering van maatschappelijke instellingen en filantropie

mr. drs. Reinier W.L. Russell
Inleiding

In deze lezing1 wil ik iets vertellen over recente ontwikkelingen in de filantropische sector en de relevantie daarvan voor vermogensbeheerders als private bankers en wealth managers. De belangrijkste ontwikkeling is dat het beheer en de besteding van gegeven geld steeds professioneler worden. Ten eerste zal ik uitleggen waardoor deze ontwikkeling wordt gestimuleerd, ten tweede waaruit de professionalisering blijkt en tot slot zal ik ingaan op de gevolgen die deze professionalisering voor vermogensbeheerders heeft. Zo hoop ik enkele handvatten aan te reiken die hen kunnen helpen om hun vermogende cliënten goed te adviseren bij de keuze aan welk doel zij hun geld wensen te geven en op welke wijze zij dit kunnen organiseren.


Geschiedenis en recente trends
Geschiedenis
Filantropische instellingen fungeren momenteel vooral als vangnet voor maatschappelijke taken die de politiek laat liggen. Oorspronkelijk lagen deze verhoudingen precies omgekeerd. In de tijd van de middeleeuwen werd de zorg voor armen en andere zwakken in de samenleving gefinancierd door giften van particulieren, hetzij aan de kerk, hetzij aan de stad, hetzij in eigen stichtingen. Zij deden dit tot eer van God en tot heil van de naaste, al speelden ook het prestige van de eigen stad en de roem van de familie een rol. Hieraan danken wij instellingen als de Hollandse hofjes, zoals het laatmiddeleeuwse Sint Anna Aalmoeshuis te Leiden en het classicistische Corvershof in Amsterdam, in 1721 gesticht uit de nalatenschap van Joan Corver en Sara Maria Trip.
Al in de Middeleeuwen nam ook de stedelijke overheid dergelijke taken op zich, maar deze werden voornamelijk gefinancierd uit de inkomsten uit geschonken land en giften. Bovendien was dit alleen aanvulling en lag de eerste verantwoordelijkheid bij de kerken en de burgers. Wel vormde het bestuur van stedelijke instellingen als weeshuizen en armenhuizen voor jonge regenten een ideaal opstapje naar als meer verantwoordelijk beschouwde functies in het stadsbestuur. De liefdadigheid was echter geen tweederangsactiviteit zoals blijkt uit het zelfbewustzijn waarmee talloze regenten en regentessen van sociale instellingen zich lieten portretteren.
In de negentiende eeuw bleef de rol van de overheid beperkt. Daar heerste het ideaal van de staat als nachtwaker die zich beperkte tot politie, justitie en militie. Niet alleen de zorg voor armen en zieken, maar ook het culturele leven werd overgelaten aan het particulier initiatief. Het beroemde Concertgebouw is niet opgericht door de stad Amsterdam, maar door een groep particulieren die besloten een NV op te richten toen in 1881 de enige grotere muziekzaal in hun stad gesloopt werd. Ook het Vondelpark was geen stedelijk, maar een privéproject. Burgers brachten het geld bijeen waarmee de grond voor het park gekocht kon worden. De aanleg van het park werd verder gefinancierd door een deel van de gekochte grond te gebruiken voor woningbouw. Een vroege vorm van venture filantropie?
In de loop van de tijd nam de overheid steeds maar taken op zich en vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw kreeg de verzorgingsstaat vorm met de invoering van een heel stelsel van uitkeringen en subsidies. De financiering van maatschappelijke doelen werd vrijwel geheel door de staat overgenomen. Dat alles was mogelijk doordat de overheid kon profiteren van de baten van de gasbel in Slochteren, de lage lonen (en dus ook uitkeringen) en de invoering van de staatslening als financieringsmiddel door Minister van Financiën W. Duisenberg. Dankzij de staatssteun werd de Nederlandse non-profitsector de grootste ter wereld, waarin momenteel 14% van de beroepsbevolking werkt.
De rol van de particuliere liefdadigheid veranderde van de voornaamste partij op het terrein van de zorg in die van een aanvuller, die de kers kon plaatsen op de door de overheid betaalde zorgtaart. De organisaties financierden bijzondere projecten die bij instellingen buiten de algemene middelen vielen of waarvoor geen subsidies beschikbaar waren. Gevolg hiervan was dat de instellingen gerund werden door professioneel personeel, terwijl de vrijwilligers in het bestuur deze ontwikkeling soms maar met moeite konden bijbenen.
Recente trends
Het tij is nu echter aan het keren. Het totaalbedrag van alle giften is tussen 1995 en 2009 meer dan verdubbeld van - omgerekend - € 2.279 miljoen naar € 4.712 miljoen, ruimschoots boven het inflatiepercentage in dezelfde periode.2 Door zowel economische, demografische als politiek-sociale ontwikkelingen wint de filantropie weer aan maatschappelijk belang.
De belangrijkste economische ontwikkelingen zijn de toegenomen welvaart en de stijging van het aantal vermogende mensen. Het toegenomen welvaartspeil en de geringere omvang van gezinnen zorgen ervoor dat er meer geld beschikbaar is om aan goede doelen te geven. Deze toegenomen welvaart wordt ook anders over de bevolking verdeeld, waardoor er meer vermogende mensen zijn. Zij geven gemiddeld bijna tien keer meer dan gemiddelde Nederlanders: jaarlijks € 2.275 tegenover € 239.3 Aangezien zij een ander geefgedrag hebben en andere verwachtingen hebben van filantropische organisaties heeft dit ook voor die organisaties gevolgen. Hier kom ik later uitvoeriger op terug.
Op demografisch gebied wordt Nederland geconfronteerd met de vergrijzing die grote invloed zal hebben op de filantropische sector. Te verwachten valt dat dit zal leiden tot een toename van de inkomsten van de maatschappelijke en filantropische instellingen. Ten eerste zullen de komende jaren omvangrijke vermogensoverdrachten tussen generaties plaatsvinden. Prof. Schuyt, hoogleraar Filantropische Studies aan de Vrije Universiteit, heeft in het rapport Geven in Nederland 2003 de verwachting uitgesproken dat de generaties na de Tweede Wereldoorlog zo wijs zullen zijn om niet alles aan hun kinderen na te laten, maar ook een gedeelte zullen schenken aan het goede doel. Ten tweede geldt dat hoe ouder men wordt, hoe meer men gaat geven aan maatschappelijke organisaties. Dit kan mede komen doordat zij meer kerkelijk betrokken zijn. Uit onderzoek blijkt namelijk dat kerkleden meer geven. Een ander gevolg is de vergrijzing van de besturen van de filantropische: mensen blijven langer gezond en hebben door het gelijk blijven van de pensioenleeftijd meer tijd om zich ook actief in te zetten voor de maatschappelijke organisaties.
Ook sociale en politieke ontwikkelingen doen het belang van de filantropie weer toenemen. In de samenleving is het gevoel van eigen verantwoordelijkheid weer toegenomen. Mensen zijn gemiddeld beter opgeleid en ook mondiger geworden. Dit uit zich in een toenemende bereidheid om zich te verbinden aan maatschappelijke doelen. Het particuliere initiatief in Nederland staat over het algemeen hoog in het vaandel. Nederlanders zijn bereid zich privé en vrijwillig in te zetten om de kwaliteit en leefbaarheid van de maatschappij te bewaren én te verbeteren. Ondernemerschap, handelsgeest en betrokkenheid bij de maatschappij kunnen dan ook gezien worden als belangrijke en bekende typeringen van de Hollanders.
Dit valt samen met een wijziging in het overheidsbeleid. De Nederlandse regering wordt tegelijkertijd geconfronteerd met dalende inkomsten als gevolg van de economische crisis en stijgende uitgaven als gevolg van de vergrijzing. Dit heeft geleid tot verandering van prioriteiten met als gevolg ingrijpende bezuinigingen op een aantal beleidsterreinen. Die in de culturele sector zijn hiervan het meest spraakmakend en hebben een schrikreactie teweeg gebracht bij veel orkesten, theaters, etc. Echter ook onderzoeksfondsen, ontwikkelingshulp en milieuorganisaties zien de subsidiestroom fors smaller worden. Om te kunnen overleven zullen zijn andere financieringsbronnen aan moeten boren. Daartoe zullen zij zich om dienen te buigen tot organisaties die meer gericht zijn op het eigen lokale, regionale draagvlak van burgers en bedrijven. Op die manier zijn immers ook het Concertgebouw en het Vondelpark tot stand gekomen.
Het kabinet-Rutte laat het echter niet alleen bij de bezuinigingen, maar neemt ook concrete stappen om particulieren, waaronder vermogensfondsen en andere filantropische instellingen, te stimuleren het gat dat de overheid noodgedwongen moet laten vallen in ieder geval gedeeltelijk op te vullen. Twee initiatieven vallen hierbij het meest in het oog. Het eerste is het plan voor een Geefwet die het fiscaal nog aantrekkelijker moet maken om te geven. Ten tweede heeft het kabinet op 21 juni jl. met de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF) het convenant “Ruimte voor Geven” gesloten. Hierin is vastgelegd dat de goededoelenorganisaties en de regering hun beleid op elkaar af zullen stemmen en meer informatie zullen uitwisselen. De overheid zal maatregelen nemen om geven te stimuleren. Naast de fiscale maatregelen uit de geefwet hoort hierbij ook het verbeteren van het vertrouwen van het publiek in de goededoelenorganisaties door onder andere het versterken van het toezicht op en de transparantie van deze instellingen. De filantropische sector zal zelf werken aan een gedragscode. Ook zullen de maatschappelijke organisaties meer ruimte krijgen om door commerciële activiteiten inkomsten te verwerven, zonder dat zij hierdoor hun fiscale status als algemeen nut beogende instelling verliezen.4
Filantropische inkomsten zullen dan ook een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het behoud van de onder druk staande culturele en artistieke instellingen. Er valt een nieuwe ‘gouden eeuw’ van de filantropie te verwachten, zowel wat betreft de vraag naar maatschappelijke ondersteuning als wat betreft het aanbod van giften. Om deze rol goed te kunnen vervullen zullen de filantropische organisaties wel kwaliteit moeten leveren.
Geefgedrag van vermogensfondsen en vermogende particulieren
Hoe wordt er momenteel in Nederland gegeven? In 2009 werd een totaalbedrag van circa € 4,7 miljard gegeven aan goede doelen. Huishoudens geven het meest, namelijk ruim 40% van het totaalbedrag aan giften. Hiernaast zijn bedrijven de belangrijkste gevers met meer dan 35% van alle giften. Hierin zien we duidelijk het effect van het maatschappelijk verantwoord ondernemen, waarin bedrijven niet alleen naar het eigen, maar ook naar het algemeen belang kijken. Inzet voor liefdadige instellingen is een van de manieren om dit maatschappelijk doel te realiseren. Bovendien draagt sponsoring van goede doelen bij tot aan een positieve reputatie van een bedrijf. Het uitbreken van de financiële en economische crisis in 2008, die zorgde voor een recessie in 2009 lijkt vooralsnog geen grote gevolgen voor het geefgedrag van bedrijven te hebben gehad.
De groeiende betekenis van filantropie is nu wel duidelijk. Doordat er meer en meer geld omgaat in de filantropische sector is het voor private bankers en wealth managers ook een interessant gebied geworden. De bijdrage van vermogensfondsen lijkt mogelijk wat mager met net geen 5% van de totale gegeven som geld. Dit percentage zal echter in werkelijkheid waarschijnlijk hoger liggen vanwege de onvolledige gegevens, juist over deze groep gevers.5 Bovendien is de ondergrens nog altijd het aanzienlijke bedrag van € 215 miljoen. Het totale vermogen van de vermogensfondsen bedraagt volgens schatting van de eigen brancheorganisatie, de Vereniging Fondsen in Nederland (FIN), circa € 40 miljard.6
Hoe kunnen wealth managers hun cliënten helpen hun geld zo goed mogelijk te besteden in overeenstemming met hun wensen? Daarvoor dienen zij natuurlijk eerst te weten wat de wensen van hun cliënten zijn. Het is dan ook goed om eens te kijken naar het geefgedrag van vermogende Nederlanders in het algemeen. Waarom willen zij geld weggeven? En aan wat voor soort doelen? Hoe bepalen zij aan welke organisatie zij geld geven en aan welke organisaties niet? Naar deze vragen is recent onderzoek gedaan door het onderzoeksproject Geven in Nederland, verbonden aan de Vrije Universiteit, en door filantropisch adviseur Diana van Maasdijk. Hieruit komen de volgende trends naar voren:
Filantropie wordt voor vermogende Nederlanders echt een serieuze activiteit op het moment dat zij vinden voor zichzelf financiële zekerheid te hebben gerealiseerd. Ongeacht geslacht, achtergrond, vermogen of filantropische betrokkenheid geven alle respondenten aan dat zij grote donaties (€ 10.000 of meer) begonnen te geven op het moment dat ze de beschikking hadden gekregen over een aanzienlijk vermogen. Dat kan zijn na een erfenis, toen zij hun bedrijf verkochten of na een promotie op het werk. De motieven om te geven zijn vooral het bewustzijn van de eigen bevoorrechte positie, verantwoordelijkheidsbesef en de behoefte verschil te willen maken. De in de opvoeding meegekregen waarden en tradities betreffende geven spelen ook een belangrijke rol.7 Slechts een minderheid van de vermogende Nederlanders werkt met een vast bedrag per jaar of een vast percentage van het inkomen dat aan giften besteed wordt. Deze minderheid geeft gemiddeld wel meer dan de meer impulsieve gevers.8

Aan wat voor doelen geven zij? Hierin verschillen de vermogende gevers op een aantal punten van de gemiddelde Nederlander. Zij geven drie maal zo vaak aan kleinschalige ontwikkelingsprojecten, vijf keer zo vaak aan lokale zorginstellingen en tien keer zo vaak aan lokale culturele instellingen. Wanneer we kijken naar de gemiddelde bedragen dan zijn internationale hulp (€ 629 tegenover € 31, dus 20 keer zo veel), cultuur (€ 97 tegenover € 4, dus bijna 25 keer zo veel) en onderwijs en onderzoek (€ 138 tegenover € 2, dus bijna 70 keer zo veel) de uitschieters. De grootste afwijking zit echter in de categorie overige (€ 272 tegenover € 2, meer dan 135 keer zo veel). Hieronder vallen de giften aan eigen stichtingen en fondsen en rechtstreekse giften aan projecten, zonder tussenkomst van een hulporganisatie.9


Veel respondenten geven aan geen voorkeur te hebben voor bepaalde doelen of organisaties. De omvang van de organisatie is niet van belang, zolang deze maar een verschil kan maken met hun donatie. De helft van de vermogende gevers geeft evenveel aan nationale als aan internationale projecten. Bij de overigen ligt de focus toch vooral op Nederland. De meeste filantropen doneren liever aan projecten dan aan organisaties. Bij projecten is het namelijk beter mogelijk om te volgen waaraan je donatie besteed en te zien wat de effecten daarvan zijn. Donaties via periodieke schenkingen of machtigingen hebben niet de voorkeur omdat deze vorm van geven weinig invloed geeft op de wijze waarop de ontvangers het geld besteden.10
Hoe beslissen vermogende particulieren welke organisatie zij willen steunen? De keuze is namelijk groot, aangezien alleen Nederland al zo’n 50.000 algemeen nut beogende instellingen telt.11 De belangrijkste reden om een organisatie te steunen is vertrouwen in de inspirerende leiders ervan. Vaak worden giften ook ad hoc gedaan, gebaseerd op een ‘goed’ gevoel bij een bepaald doel. Uit deze beide punten blijkt opnieuw hoeveel waarde men hecht aan betrokkenheid bij het gesteunde doel en direct contact met de leiding ervan.12
Wie geeft wil daar graag ook een tevreden gevoel aan over houden. Pas dan doet goed doen je goed. Welke zaken zijn voor vermogende gevers van belang om inderdaad met genoegen gegeven te hebben? De belangrijkste van deze “satisfiers” is zien dat de giften inderdaad verschil maken en dat het geld goed besteed wordt. De goede doelen zullen dus moeten zorgen voor een heldere communicatie en een transparante organisatie, ook in financieel opzicht. Wanneer hieraan voldaan is kan de vermogende gever ook niet meer alleen financieel, maar ook persoonlijk betrokken zijn bij projecten en organisaties als bestuurder, adviseur of gewoon vrijwilliger. En persoonlijke inzet en betrokkenheid is voor hen nog bevredigender dan alleen maar geven. De filantropische organisaties moeten dan echter wel aan hoge kwaliteitseisen voldoen.13
Professionalisering van de filantropie
In het voorgaande heb ik twee belangrijke impulsen voor professionalisering van de filantropie genoemd. Ten eerste de terugtredende overheid die meer verantwoordelijkheid en taken bij de maatschappelijke organisaties legt en ten tweede de kwaliteitseisen die met name de grote gevers, maar niet alleen zij, stellen aan het beheer en de besteding van hun donaties. Wat doen de filantropische instellingen zelf om aan deze eisen te voldoen? Met andere woorden: hoe krijgt de professionalisering van de filantropie vorm?
Een belangrijke vorm van professionalisering is het ontwikkelen en handhaven van kwaliteitsstandaarden. Binnen de filantropie krijgt deze onder andere vorm in een viertal keurmerken waarvan het CBF-keurmerk van het Centraal Bureau Fondsenwerving het bekendste is. Kleinere keurmerken zijn het Keurmerk Goede Doelen van het Instituut Fondsenwerving en het keurmerk van de Raad Financiële Betrouwbaarheid. De keurmerken zijn alleen van toepassing op fondsenwervende organisaties. Vermogensfondsen vallen hier tot nu toe buiten. De regering onderzoekt echter de mogelijkheid om te komen tot één keurmerk voor de gehele filantropische sector en overweegt om het hebben van dit keurmerk te maken tot voorwaarde voor de toekenning van de fiscaal gunstige ANBI-status. Een sleutelrol bij het ontwikkelen van de richtlijnen voor verlening van dit keurmerk is weggelegd voor de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF).14
Een ander teken van professionalisering is het beschikken over een eigen opleiding en onderzoeksinstellingen. Sinds september 2009 heeft de Erasmus Universiteit te Rotterdam het Erasmus Centre for Strategic Philanthropy. Lucas Meijs is als hoogleraar aan dit instituut verbonden. Momenteel zijn er twee opleidingen voor wie zich beroepsmatig met filantropie wil gaan bezig houden. De Hogeschool Windesheim in Zwolle heeft een minor opleiding Fundraising, Grantmaking & Sponsoring op HBO-niveau. Een universitaire opleiding filantropie is er aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. De VU biedt al enige jaren een minor Goede Doelen, Filantropie en Non-Profits aan en een post-academische opleiding Philantropic Studies. De vakgroep Filantropische Studies, die geleid wordt door Theo Schuyt, is vooral bekend van het tweejaarlijkse rapport Geven in Nederland, waarvan de laatste editie dit jaar uitkwam. Bij deze vakgroep is ook een opleiding ondergebracht die speciaal voor private bankers en wealth managers interessant is, namelijk de post-academische opleiding Jong Bestuurstalent voor Filantropische Vermogensfondsen, bij de oprichting waarvan ik vanuit de KSBW zelf betrokken ben geweest.
Bij de professionalisering van de non-profitsector behoort namelijk ook de aandacht voor de kwaliteit en diversiteit van de bestuursleden. Het merendeel van de bestuurders van filantropische vermogensfondsen behoort tot de generatie van de babyboomers. De vermogensfondsen verschillen in dit opzicht niet veel van de financiële sector als geheel. Nu de filantropie een enorme groei laat zien kan deze onevenwichtige leeftijdsverdeling nadelige gevolgen hebben voor de continuïteit van de organisaties. Verjonging is dan ook wenselijk. Behalve continuïteitsredenen zijn er ook inhoudelijke redenen om verjonging van de besturen na te streven. Diversiteit zal namelijk de kwaliteit van het besturen ten goede komen. Jongeren hebben via hun opleiding kennis opgedaan van moderne inzichten betreffende het besturen van organisaties en brengen actuele financiële en juridische knowhow in. Hun stijl van werken is ook anders. Zij willen liever in kleine groepen participeren en werken aan projecten waar ze persoonlijk bij betrokken zijn. Een werkwijze die goed aansluit bij de wensen van juist de vermogende gevers. Een ander pré is hun kennis van de social media die een snelle, persoonlijke en efficiënte communicatie naar verschillende groepen gevers mogelijk maakt. Zoals genoemd is juist heldere en transparante communicatie van groot belang voor de gevers. Jonge bestuursleden brengen ook een heel ander netwerk van relaties binnen. Zij zijn nog volop aan het werk en kunnen zo binnen hun eigen werkkring filantropie promoten als een van de vormen van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Bovendien vergroot hun aanwezigheid de herkenbaarheid voor een jonger publiek. Ook de filantropie is een markt waar verschillende organisaties met elkaar strijden om de gunst van de gever. Een brede basis is dus van belang.
Jonge bestuurders zijn van groot belang voor de kwaliteit van filantropische instellingen. Maar is het ook voor hen interessant om in deze organisaties actief te zijn? Het merendeel van de zittende bestuurders is van een andere generatie, zodat de jongere vaak als eenling in een bestuur van zestigers zit. Bovendien ontbreekt bij alle kennis en vaardigheden geregeld specifieke kennis van de filantropische sector. Beide problemen worden aangepakt door de Post Academische Opleiding Jong Bestuurstalent voor Filantropische Vermogensfondsen. Via deze opleiding leert de jonge bestuurder “lotgenoten” kennen en wordt specifieke kennis aangereikt die nodig is om met vrucht aan de slag te gaan in een bestuur.
De belangrijkste onderdelen van de opleiding geven een goed beeld van wat een professioneel filantroop hoort te weten. Dat is ten eerste kennis van de hoofdlijnen en belangrijkste recente trends op het gebied van de filantropie in Nederland. Hierbij behoort ook inzicht in de redenen waarom mensen geven. Als tweede valt daaronder het besturen en leiden van een niet-commerciële organisatie. De vrijwilligers vragen weer om een andere benadering dan de werknemers op het bureau van het fonds. Ten derde is kennis vereist van de wet- en regelgeving en gedragscodes die van toepassing zijn op vermogensfondsen. Onderdeel hiervan is de vraag in hoeverre met het beheerde kapitaal risico’s mogen worden genomen. Het vierde en niet het minst belangrijke is het kunnen managen en evalueren van projecten. Hoe hou je de vinger aan de pols en hoe kunnen het best de resultaten worden gepresenteerd aan de achterban?
Samenvattend: de filantropische sector is stevig aan het professionaliseren en gereed om haar toegenomen maatschappelijke verantwoordelijkheid op zich te nemen. Keurmerken, de opzet van eigen opleidingen en onderzoeksinstellingen en de komende verjonging van de besturen zijn allemaal signalen dat de goededoelenorganisaties investeren in de kwaliteit van hun organisatie en daar plukken de goede doelen zelf de vruchten van.
De rol van de wealth manager en private banker
Professionalisering is niet alleen van belang voor de filantropische sector, maar ook voor de vermogende gever. Geld geven is namelijk niet moeilijk, maar dat op een effectieve manier doen wel. En voor de tevredenheid over het eigen geefgedrag is effectiviteit, het verschil maken, een belangrijke factor. Goed doen wil je immers goed doen. Wanneer we echter kijken naar de manier waarop de meeste beslissingen worden genomen (vanwege de betrouwbare, inspirerende leiding van project of op basis van een “goed gevoel” bij het goede doel) dan lijkt het alsof de verwachte effectiviteit en de professionaliteit van de organisatie wat naar de achtergrond zijn verdwenen. Geven is blijkbaar toch niet zo eenvoudig.
Er is dan ook grote behoefte aan gedegen advies over schenken van geld aan goede doelen, bijvoorbeeld bij het bepalen van een missie of het maken en uitvoeren van een schenkingsplan. Uit het eerder genoemde onderzoek van Diana van Maasdijk blijkt dat 85% van de respondenten graag filantropisch advies wil.15 Maar wie moet dat advies geven? Het meeste vertrouwen is er in een nieuwe beroepsgroep, de onafhankelijke filantropische adviseur (60%). Hieruit blijkt dat kennis van de filantropische sector als belangrijkste indicatie voor de kwaliteit van het advies wordt gezien. Minder verwachting is er van de vermogensadviseur of de bank (30%), al heeft 80% van de ondervraagden wel belangstelling voor een eventuele filantropische adviesservice die door een bank beschikbaar wordt gesteld. Van notarissen of belastingadviseurs wordt nog minder aangenomen dat zij een positieve bijdrage zullen leveren aan de kwaliteit van de filantropische bestedingen.16
Op welke terreinen willen de vermogende gevers graag advies ontvangen? De helft van de respondenten geeft aan dat ze graag in contact willen komen met medefilantropen. Het is aan te raden de vorming van dergelijke netwerken te faciliteren, bijvoorbeeld door evenementen te organiseren waar vermogende gevers geïnspireerd kunnen worden en informatie krijgen over verschillende sociale problemen. Veel belangstelling is er ook voor instrumenten om controle uit te oefenen op de besteding van het gegeven geld. Hoe worden projecten gepland, hoe monitor ik de voortgang en hoe evalueer ik de resultaten van mijn giften?17
Minder belangstelling is er tot nu toe voor het investeren in nieuwe vormen van filantropische betrokkenheid zoals het investeren in sociale ondernemingen die winst willen maken en tegelijk sociale problemen aanpakken. Toch is het aan te bevelen cliënten te informeren over dergelijke vormen en ze ook daadwerkelijk in de gelegenheid te stellen een dergelijke investering te doen, aangezien het gebrek aan belangstelling voor een groot deel het gevolg is van onbekendheid met dergelijke alternatieve financieringsvormen.18
Naast het doneren aan bestaande goede doelen en projecten is er voor vermogende gevers nog een optie. Veel particulieren richten, net zoals Joan Corver en Sara Maria Trip dat al aan het begin van de achttiende eeuw deden, een eigen stichting op of ze stichten een ‘fonds op naam’ bij een bestaande filantropische organisatie. Hoewel de belastingvoordelen de voornaamste reden voor deze constructie vormen, past deze werkwijze ook goed bij de wensen van de vermogende gever. De stichter van het fonds kan namelijk zelf kiezen voor een of meer doelen waarmee hij of zij grote affiniteit heeft. Bovendien voldoet de eigen stichting aan de behoefte om controle te houden over de besteding van het eigen vermogen, zodat er meer zekerheid is dat het geld ook goed terecht komt.19
De nieuwe filantroop is vaak een geslaagde ondernemer, die naast het doel ook graag de resultaten, efficiency en transparantie in de gaten houdt. Hij is gewend aan ‘heldere doelen, meetpunten, precieze informatie en een exit-strategie’. De insteek is dus persoonlijk én zakelijk. Bij een eigen stichting komt een hoop kijken. Denk aan het besturen, vermogensbeheer, opmaken jaarstukken, fiscale zaken, financieel beheer etc. Een moderne adviseur moet ook al deze facetten bieden. In dit verband wijs ik graag nogmaals op de PAO-opleiding Jong Bestuurstalent voor Filantropische Vermogensfondsen.
Slot

Ik vat de hoofdlijn van mijn betoog nog kort samen. Filantropie wordt steeds professioneler. De verandering van de prioriteiten bij de overheid daagt maatschappelijke organisaties en filantropische instellingen uit om meer verantwoordelijkheid te nemen. De oude liefdadigheid wordt dan ook een vak met filantropische professionals met eigen kwaliteitsstandaarden en opleidingen. Maar niet alleen van de filantropische instellingen wordt meer gevraagd. De vermogensadviseur van de rijke gever krijgt te maken met concurrentie van de filantropisch adviseur, terwijl zijn cliënt hoge eisen stelt niet alleen aan het beheer van het vermogen, maar ook aan de besteding van de giften. Het geld moet terechtkomen bij organisaties die transparant zijn en hun uitgaven verantwoorden, die helder communiceren en professioneel bestuurd worden. Voor ons allen geldt dan ook: Goed doen moet je goed doen.




Literatuur
René Bekkers, Bas Janssen en Pamala Wiepking, Geefgedrag van vermogende Nederlanders. Een verkennende studie, Amsterdam: Geven in Nederland, 2010.

(raadpleegbaar via http://www.geveninnederland.nl/file/47/2010-04-geefgedrag-van-vermogende-nederlanders.pdf)


D. van Maasdijk, Filantropie en de vermogenden in Nederland, 2010 (raadpleegbaar via http://www.philianconsulting.com/docs/Filantropie%20en%20de%20vermogenden%20in%20Nederland_oktober_%202010.pdf)
D. van Maasdijk, Goed geven, Amsterdam: Lenthe Publishers & Consultants, 2011.
P. Nouwen, Toekomst vraagt om nieuwe generatie bestuurders, 2009 (raadpleegbaar via http://www.nintes.nl/download/?id=10280549)
Ruimte voor geven. Convenant tussen het kabinet en de sector filantropie, 21 juni 2011. Bijlage bij de brief van de Staatssecretarissen van Veiligheid en Justitie, van Financiën en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de Tweede Kamer, 21 juni 2011, kamerstuk 32740, nr. 6. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-120385.html.
Th.N.M. Schuyt (red.), Geven in Nederland 2003: Giften, Legaten, Sponsoring en Vrijwilligerswerk, Houten/Mechelen: Bohn Stafleu Van Loghum, 2003.
T.N.M. Schuyt, Overheid en filantropie: elkaar kennen, elkaar ontmoeten en elkaar versterken (advies), 2010
T.N.M. Schuyt (red.), Geven in Nederland 2011, Amsterdam: Reed Business, 2011.

1 Deze tekst is oorspronkelijk als voordracht gehouden op 31 augustus 2011 tijdens het congres “Wealth Management & Private Banking. Conferentie 2011” in Grand Hotel Krasnapolsky te Amsterdam.

2 Van Maasdijk, p. 5. In 2009 zou € 3.033 miljoen dezelfde waarde hebben als € 2.279 miljoen uit 1995. Met inflatiecorrectie werd dus 55 % meer gegeven.

3 Bekkers e.a., p. 21.

4 Het convenant “Ruimte voor geven” is opgenomen als bijlage bij de brief van de Staatssecretarissen van Veiligheid en Justitie, van Financiën en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de Tweede Kamer, 21 juni 2011, kamerstuk 32740, nr. 6. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-120385.html.

5 Van Maasdijk, p. 5.

6 Ruimte voor geven, p. 11.

7 Van Maasdijk, p. 10-12.

8 Bekkers e.a., p. 28-29.

9 Bekkers e.a., p. 21-22.

10 Van Maasdijk, p. 18-20.

11 Opgave belastingdienst in Convenant “Ruimte voor geven”, p. 10.

12 Van Maasdijk, p. 13-14.

13 Van Maasdijk, p. 14-15.

14 Ruimte voor geven, p. 13 en de brief van de Staatssecretarissen, 21 juni 2011.

15 Van Maasdijk, p. 23.

16 Van Maasdijk, p. 24-25.

17 Van Maasdijk, p. 24.

18 Van Maasdijk, p. 26.

19 Van Maasdijk, p. 15-16.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina