Programma Bonifatius Rijswijk Johann Sebastian Bach (1685-1750)



Dovnload 12.33 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte12.33 Kb.
Programma Bonifatius Rijswijk
Johann Sebastian Bach (1685-1750)

- Toccata et Fuga F-dur, BWV 542


Charles-Marie Widor (1845-1937)

- Uit Bach’s Memento :

- Nr. 1:Pastorale
Herbert Howells (1892-1983)

- Psalm preludes set 2 nr. 3: psalm 33


Louis Vierne (1870-1937)

Uit Suite III op 54

- Sur le Rhin

- Fantômes

- Carillon de Westminster
Hayo Boerema (*1972)

- Improvisatie


Marcel Dupré 1886-1971)

- Final (uit Sept Pièces)


Korte toelichting:

De toccata in F is beslist een van Bach’s monumentaalste orgelwerken. Na twee zeer uitgebreide canons boven een orgelpunt, afgewisseld met een evenzeer uitvoerige pedaalsolo volgt een ingenieuze doorwerking waarin Bach praktisch geen toonsoort onbenut laat. Achter deze overrompelende toccata plaatst Bach als contrast een veeleer ingetogen fuga met een chromatisch thema in lange notenwaarden. Halverwege vangt een tweede fuga aan met een licht en beweeglijk thema. Tot besluit worden deze beide thema’s in fraai contrapunt gecombineerd

Het grote voorbeeld van Bach heeft veel componisten na hem geïnspireerd. Zowel Widor in Frankrijk als Reger in Duitsland hechtten veel waarde aan Bach’s orgelwerk als basis voor het orgelspel en het schrijven voor orgel. Aan het eind van Widor’s lange leven schreef hij Bach’s Memento, een zestal werken waarin Widor een citaat uit het oeuvre van Bach bewerkt.

Nr 1., Pastorale is een bewerking van het derde deel uit de pastorale voor orgel van Bach.

De koor- en orgelwerken van Herbert Howells behoren tot de hoogtepunten uit het Engelse repertoire van begin 20e eeuw. Oorspronkelijk beinvloed door Stanford en Vaughn Williams, heeft Howells een typische eigen stijl ontwikkeld. Kenmerkend zijn de lange stromende lijnen die quasi polyfoon zich ontwikkelen, golvend in intensiteit en dynamiek. De derde van de psalmpreludes set 2 is een feestelijk werk met als motto psalm 33 vers 3: zingt hem een nieuw lied, speelt schoon op de snaren onder geschal. De opening kenmerkt zich door marcato akkoorden, guirlandes en scherpe ritmiek. In het middendeel is meer ruimte voor lyriek en polyfonie. Na een crescendo komt het markante karakter van het begin weer terug, uitmondend in een indrukwekkend slot.
In de jaren ’20 is Vierne begonnen met het schrijven van zijn ‘Pièces de fantaisie’, 24 karakterstukken waarin Vierne op creatieve en kleurrijke wijze een karakteristiek gegeven muzikaal uitwerkt; gebouwen, rivieren, sprookjesfiguren, zon, ster, maan – het passeert allemaal de revue. De 24 stukken zijn ingedeeld in 4 suites met elk 6 delen. De derde suite, opus 54, stamt uit 1927.
Sur le Rhin, is opgedragen aan de Brusselse organist Paul de Maleingreau. Breed en langzaam voortschrijdend als een trage rivier klinkt er de hoofdmelodie afwisselend in manuaal en pedaal. In het middendeel poco piu vivo is de klank milder en de beweging vloeiender. Na een korte overgang, waarin de hoofdmelodie in de verkleining klinkt en er naar een climax wordt toegewerkt, klinkt tot slot in tutti het begin wederom, nu in het pedaal voorzien van een ritmisch motief die voor meert vaart zorgt.

Fantômes, is wellicht een van de meest opvallende werken in Vierne’s oeuvre. Het is opgedragen aan zijn leerling Pierre Auvray en heeft als ondertitel ‘pour le concert seulement’ (alleen voor concerten). Aan het werk ligt een dialoog ten grondslag:


L’évocateur: Qui donc prépare l’avenir ?

Le jeune esthète: C’est moi. Je suis libre!

Le vieux pédant: C’est moi. Je garde la tradition!

Le nègre: l’Avenir est au danseur.

Le singe: l’Avenir est à la fantaisie.

Le mendiant: Il est à la misère… “Solo Mio”.

Le destin: Il est nulle part et partout.
De geestoproeper: Wie dan bereidt de toekomst voor?

De jonge estheet: Ik ben het. Ik ben vrij!

De oude betweter: Ik ben het. Ik bewaar de traditie!

De neger: De toekomst is aan de danser

De aap: De toekomst is aan de fantasie.

De bedelaar: Het is aan de misère… “Solo Mio”.

Het lot: Het is nergens en overal.
Elke spreker krijgt een eigen motief (in de partituur met een cijfer aangegeven) en om de beurt komen de sprekers enkele malen aan het woord, waarna ‘het lot’ zeer effectief het werk mysterieus afsluit.

Het bekende Carillon de Westminster is opgedragen aan de Britse orgelbouwer Henry Willis. Vierne heeft hiervoor het bekende ‘uurwijsje’ van de Westminster-toren gebruikt. Een pendelend carillonmotief omlijst de introductie van dit wijsje, en al spoedig verschijnt dit gegeven in verschillende gedaanten en liggingen, voortdurend ondersteund door ostinato zestienden. Boven een orgelpunt fis in de bas werkt Vierne naar een grote climax toe en tot besluit klinkt het thema met het volle orgel stralend in hoge ligging. Vier grote dissonante akkoorden onderbreken het ‘perpetuum mobile’ en luiden de afsluiting in van wellicht het meest bekende werk van Vierne.


De grote orgelvirtuoos, improvisator en componist is zowel bij Widor als Vierne in de leer geweest. Zijn invloed op de Franse orgelcultuur is enorm geweest. Mede door zijn vele concertreizen, o.a. in de V.S., is zijn invloed ook wereldwijd te merken geweest. Dupré hield erg veel van de grote Amerikaanse concertorgels van bouwers als Ernest Skinner, welke hij tijdens de tournees leerde kennen. Zijn ‘Sept Pièces’ zijn dan ook grotendeels geïnspireerd geweest door deze instrumenten. Het laatste deel, Final, is een typisch virtuoos slotwerk waarin een ritmisch markant thema wordt afgewisseld met een koraalachtig thema, met daaromheen doorlopend een chromatisch motief in snelle zestiendenbeweging.
Hayo Boerema werd geboren in 1972 in Groningen.
Aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag studeerde hij orgel (bij Johann Th. Lemckert) en kerkmuziek (bij Marijke van Klaveren). Tevens behaalde hij er zijn Aantekening Improvisatie (bij Jos van der Kooy).
Aan het Rotterdams Conservatorium studeerde hij koordirectie (bij Barend Schuurman).
Verdere improvisatielessen volgde hij bij Jos van der Kooy en Naji Hakim te Parijs. Bij Ben van Oosten specialiseert hij zich in het frans-symphonische repertoire

Hij won prijzen tijdens diverse concoursen en festivals in Wenen (1998), Neurenberg (1999), Parijs (1999), St Albans (2001), Nijmegen (2004) en Kotka (2005).

Naast concerten in het binnenland maakte hij concertreizen naar Spanje, Duitsland, Finland en Frankrijk.

Sinds december 2005 is hij organist van de Grote of St. Laurenskerk te Rotterdam.



Vorig jaar ontving hij van de Société Académique d’Education et d’Encouragement ‘Arts, Sciences, Lettres’ in Parijs de zilveren medaille vanwege zijn verdiensten voor de franse orgelkunst.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina