Promotor-woordvoerder



Dovnload 224.01 Kb.
Pagina1/4
Datum27.08.2016
Grootte224.01 Kb.
  1   2   3   4
transportgedrag van potentieel schadelijke agentia in zelfverdichtend beton en relatie met het uiteindelijke duurzaamheidsgedrag
Promotor-woordvoerder: G. De Schutter1

Co-promotor: L. Vandewalle2, J. Vantomme3

Onderzoekers: V. Boel1, K. Audenaert1, G. Heirman2, B. Desmet3, J. d’Hemricourt3, J.M. Ndambi3
1Laboratorium Magnel voor Betononderzoek, Universiteit Gent

2Katholieke Universiteit Leuven

3Koninklijke Militaire School
Gedetailleerd verslag FWO-project G.0018.02 oktober 2004

Opgemaakt door V. Boel





  1. Inleiding

Zelfverdichtend beton werd ontwikkeld in de jaren ’80 in Japan. Het doel was een beton te ontwikkelen dat zonder verdere verdichtingsenergie aangewend kon worden in reële constructies. Hierbij werd getracht tegemoet te komen aan mogelijke gezondheids- en milieuproblemen ten gevolge van langdurig trillen van beton, evenals aan mogelijke duurzaamheidsproblemen van betonconstructies die onvoldoende of slecht getrild zijn. Bij de aanvang van het project was er nog weinig of niets gekend betreffende de intrinsieke duurzaamheid van het nieuwe cementgebonden materiaal zelf. Een gebrek aan fundamenteel inzicht manifesteert zich in het ontbreken van accurate specificaties voor de toepassing van zelfverdichtend beton. Aangezien zelfverdichtend beton een materiaal is met een fundamenteel verschillende grondslag in vergelijking met traditioneel beton, kunnen traditionele modellen niet zonder meer naar zelfverdichtend beton geëxtrapoleerd worden. Door de fundamenteel andere samenstelling van het materiaal, en de hieruitvolgende andere poriënstructuur, is het mogelijk dat ook het duurzaamheidsgedrag niet volledig gelijklopend is met dit van traditioneel beton. In hoeverre de te verwachten verschillen belangrijk zijn voor de bouwpraktijk diende eveneens te worden onderzocht.

Aantastingsmechanismen worden in grote mate beïnvloed door de permeabiliteit van het cementgebonden materiaal ten opzichte van potentieel schadelijke agentia. In eerste instantie wordt bijgevolg een fundamentele studie beoogd door middel van basisproeven waarbij de penetratie van vloeistoffen en gassen in zelfverdichtend beton bepaald wordt. In tweede instantie worden enkele duurzaamheidsproeven uitgevoerd. Voor de parameterstudie werd een proevenprogramma met acht samenstellingen zelfverdichtend beton en één samenstelling traditioneel beton opgesteld.
De doelstellingen van dit project kunnen als volgt worden samengevat:


  • theoretische en experimentele studie van het transportgedrag van potentieel schadelijke agentia in zelfverdichtend beton

  • experimentele studie van de duurzaamheid van zelfverdichtend beton, en verband met de fundamentele transportmechanismen.

Beide doelstellingen moeten leiden tot een meer gefundeerde en meer duurzame toepassing van zelfverdichtend beton.
In voorliggend verslag worden de tot op dit moment verkregen resultaten weergegeven en kort besproken. Een meer gedetailleerde analyse van de resultaten, evenals een modellering, dienen nog te worden uitgevoerd.


  1. Samenstellingen

In het experimentele gedeelte van het project worden er negen verschillende samenstellingen beproefd. Hiervan is er één samenstelling traditioneel beton (TC) en zijn er acht samenstellingen zelfverdichtend beton (SCC). De mengelingen worden steeds in het laboratorium te Gent vervaardigd. Een overzicht van de betreffende mengelingen bevindt zich in Tabel 1.1. Naast de samenstelling worden telkens ook de eigenschappen van het verse beton en de druksterkte fccub150,28, bepaald op 28 dagen ouderdom op kubussen met zijde 150 mm, weergegeven.


Tabel 1.1: Betonsamenstellingen





TC1

SCC1

SCC3

SCC5

SCC9

CEM I 42,5 R [kg/m³]

360

360




300

360

CEM III A 42,5 LA [kg/m³]







360

300




Kalkfiller [kg/m³]




240

240







Vliegas [kg/m³]













240

Water [kg/m³]

165

165

165

165

165

Zand 0/5 [kg/m³]

640

853

853

853

853

Grind 4/14 [kg/m³]

1225

698

698

698

698

Superplastificeerder [l/m³]




2,75

2,5

2,4

3,0

W/C factor [-]

0,46

0,46

0,46

0,55

0,46

Zetmaat [mm]

14













Schokmaat [-]

1,89













Slump flow [mm]




875

905

785

800

V-funnel [s]




7,9

7

8,1

16,6

U-box [-]




ZN

ZN

ZN

ZN

Luchtgehalte [%]

1,1

1,7

0,7

2,3

3,5

fccub150,28 [N/mm²]

47,6

57,1

69,2

49,0

63,5







SCC14

SCC15

SCC16

SCC17

CEM I 42,5 R [kg/m³]

360

360

360

360

Kalkfiller [kg/m³]

240

240

240

240

Water [kg/m³]

144

198

165

216

Zand 0/5 [kg/m³]

865

835

853

825

Grind 4/14 [kg/m³]

707

683




675

kalksteenslag 4/14 [kg/m³]







698




Superplastificeerder [l/m³]

4,0

2,0

3,6

2,0

W/C factor [-]

0,40

0,55

0,46

0,60

Slump flow [mm]

775

920

875

805

V-funnel [s]

20

3,48

8

2,78

U-box [-]

ZN

ZN

ZN

ZN

Luchtgehalte [%]

2,5

1,1

1,1

0,4

fccub150,28 [N/mm²]

68,4

46,7

73,3

39,9

In Tabel 1.2 wordt voor de verschillende mengelingen een overzicht van de parameters W/C, C/P en W/P gegeven (P staat voor poeder en is de som van de hoeveelheid cement C en de hoeveelheid vulstof F).
Tabel 1.2: Parameters





TC1

SCC1

SCC3

SCC5

SCC9

SCC14

SCC15

SCC16

SCC17

W/C

0,46

0,46

0,46

0,55

0,46

0,40

0,55

0,46

0,60

C/P

1

0,6

0,6

0,5

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

W/P

0,46

0,28

0,28

0,28

0,28

0,24

0,33

0,28

0,36

In het onderstaande worden steeds de volgende mengelingen onderling vergeleken (SCC1 geldt als referentiemengeling):




  • SCC1  TC1

De hoeveelheden water en cement zijn constant gehouden waardoor beide mengelingen een gelijke W/C factor hebben, namelijk 0,46. De mengeling zelfverdichtend beton wordt zo vergeleken met een mengeling traditioneel beton met gelijke hoeveelheid cement en gelijke W/C factor.


  • SCC1  SCC3

Portlandcement CEM I 42,5 R wordt vervangen door hoogovencement CEM III A 42,5 LA.


  • SCC1  SCC5

De hoeveelheid cement en vulstof worden zodanig gewijzigd dat de totale hoeveelheid poeder constant blijft terwijl de hoeveelheid water eveneens constant wordt gehouden. Dit heeft tot gevolg dat de W/P factor gelijk blijft. Een verlaging van de hoeveelheid cement zorgt voor een verlaging van de C/P factor en een verhoging van de W/C factor.


  • SCC1  SCC9

De hoeveelheden van de verschillende materialen worden niet gewijzigd. De vulstof kalkfiller wordt vervangen door vliegas.


  • SCC1  SCC14, SCC15, SCC17

De hoeveelheden cement en vulstof zijn constant gehouden terwijl de hoeveelheid water gevarieerd wordt. Een vermindering van de hoeveelheid water heeft tot gevolg dat de W/C en de W/P factoren dalen. De C/P factor blijft constant.


  • SCC1  SCC16

De hoeveelheden van de verschillende materialen worden niet gewijzigd. Het grof granulaat grind 4/14 wordt vervangen door kalksteenslag 4/14.

De bestudeerde parameters zijn aldus:




  • W/C factor - C/P factor

  • type vulstof - type grof granulaat

  • type cement - TC  SCC

  1. Karakterisering van de materialen


Granulaten

Het fijne granulaat is een rijnzand 0/5 en het grove granulaat is een rolgrind 4/14. De korrelverdelingsdiagrammen van beide granulaten worden in Fig.3.1 voorgesteld. Het kalksteenslag 4/14 werd samengesteld uit de korrelmaten 2/7 en 7/14 opdat een quasi gelijke verdeling als bij het rolgrind 4/14 werd verkregen.





Fig. 3.1 Korrelverdelingsdiagrammen van Zand 0/5 en Grind 4/14
Vulstoffen

De korrelverdelingsdiagrammen van de vulstoffen kalkfiller en vliegas worden in de onderstaande figuur Fig. 3.2 weergegeven.



Fig. 3.2 Korrelverdelingsdiagrammen van Kalksteenfiller en Vliegas

De chemische samenstelling evenals de fysische eigenschappen worden weergegeven in Tabel 3.1.


Tabel 3.1: Chemische samenstellingen en fysische eigenschappen van Kalksteenfiller




Kalksteenfiller

Chemische samenstelling [%]




CaCO3

97,3

totaal carbonaatgehalte

98,4

Fysische eigenschappen




Absolute volumememassa [kg/m³]

2651



Cement

De cementtypes die in dit programma werden gebruikt, zijn:



  • CEM I 42,5 R

  • CEM III A 42,5 LA.

In Fig. 3.3 worden de korrelverdelingsdiagrammen van beide cementtypes voorgesteld. De chemische samenstelling en de fysische eigenschappen bevinden zich in Tabel 3.2..



Fig. 3.3 Korrelverdelingsdiagrammen van CEM I 42,5 R en CEM III A 42,5 LA
Tabel 3.2: Chemische samenstellingen en fysische eigenschappen van CEM I 42,5 R




I 42,5 R

Chemische samenstelling [%]




SiO2

19,6

Al2O3

5,0

Fe2O3

3,0

CaO (total)

61,5

MgO

0,8

SO3

3,3

Na2O

0,4

K2O

0,9

Gloeiverlies

3,8

Fysische eigenschappen




Specifiek oppervlak, Blaine [m²/kg]

351

Absolute volumememassa [kg/m³]

3077



Superplastificeerder

In het onderzoeksprogramma wordt gebruik gemaakt van glenium 51 con. 35 %. Dit is een superplastificeerder van de derde generatie waarbij gebruik wordt gemaakt van polycarboxyl ethers.




  1. Transportgedrag van potentieel schadelijke agentia in zelfverdichtend beton

4.1 Vloeistoftransport
Waterdoorlatendheid (UGent)

Voor elke mengeling worden 3 kubussen 150x150x150 mm³ vervaardigd. Deze proefstukken worden gedurende 56 dagen bij 20°C  2°C en meer dan 90 % R.V. in een klimaatkamer bewaard. Uit elke kubus wordt uit de kern één cilinder met diameter 80 mm en hoogte 25 mm gehaald. Deze cilinders worden vacuüm verzadigd in water en vervolgens in de proefopstelling geplaatst. Het water bevindt zich boven het proefstuk terwijl zich onder het proefstuk geen water bevindt. Op deze manier is het drukverschil gekend en kan de waterdoorlatendheid als volgt worden berekend:


[m/s] (1)
met:
K: doorlatendheidscoëfficiënt

At: dwarsdoorsnede van het buisje

As: dwarsdoorsnede van het proefstuk

d: dikte van het proefstuk

t: tijd

t0: tijdstip bij het opstarten van de proef



h: waterpeil bij t

h0: waterpeil bij t0


Wateropslorping door onderdompeling (UGent)

Voor elke mengeling worden 3 kubussen 100x100x100 mm³ vervaardigd. Deze proefstukken worden gedurende 28 dagen bij 20°C  2°C en meer dan 90 % R.V. in een klimaatkamer bewaard. Op 28 dagen ouderdom worden deze proefstukken gedurende 2 weken bij 20 °C  3°C en 60 %  3 % R.V. bewaard. Vervolgens worden de kubussen in water ondergedompeld tot het massaverschil in 24h maximaal 0,1 % is (M1). Daarna worden de proefstukken in een oven bij 105°C geplaatst tot de massavariatie in 24h maximaal 0,1 % is (M2). Voor elke mengeling wordt deze test op 3 proefstukken uitgevoerd. Uitgaande van deze massa’s kan vervolgens de wateropslorping (% van de droge massa) bepaald worden. De wateropslorping door onderdompeling wordt gegeven door:


[%] (2)
Capillaire opslorping (UGent)

Voor elke mengeling worden 3 kubussen 150x150x150 mm³ vervaardigd. Deze proefstukken worden gedurende 28 dagen bij 20°C  2°C en meer dan 90 % R.V. in een klimaatkamer bewaard. Op 28 dagen ouderdom worden deze kubussen minstens twee weken en maximaal drie weken bij 40°C  5°C en 40 % R.V. bewaard. De test zelf wordt uitgevoerd bij 20°C  3°C en 60 %  3 % R.V.. Hierbij worden de kubussen zodanig in water opgesteld dat het waterniveau zich 5  1 mm boven de onderkant van de kubus bevindt. Voor de test en na 3, 6, 24, 72 en 168 h wordt de massa van de proefstukken bepaald. Uitgaande van deze resultaten kan de capillariteit S, uitgedrukt in g/uur, bepaald worden.


In de onderstaande figuren 4.1 t.e.m. 4.2 worden de resultaten betreffende het vloeistoftransport voorgesteld.



Fig. 4.1 Waterdoorlatendheid K, wateropslorping door onderdompeling A en capillariteit S voor de mengelingen TC1, SCC1, SCC3, SCC5, SCC9


  • SCC1  TC1

De mengeling zelfverdichtend beton SCC1 heeft over het algemeen iets lagere waarden voor de waterdoorlatendheid, de wateropslorping door onderdompeling en de capillariteit dan de traditionele mengeling TC1.


  • SCC1  SCC3

Vervanging van portlandcement CEM I 42,5 R door hoogovencement CEM III A 42,5 LA, veroorzaakt een verlaging van de waterdoorlatendheid en de capillaire opslorping terwijl voor de wateropslorping door onderdompeling een verhoging wordt vastgesteld.


  • SCC1  SCC5

Door de hoeveelheid cement te verlagen bij gelijkblijvende hoeveelheid poeder, worden hogere waarden voor de waterdoorlatendheid, de wateropslorping door onderdompeling en de capillaire opslorping verkregen.


  • SCC1  SCC9

Vervanging van kalkfiller door vliegas brengt een verlaging van de watertransporteigenschappen mee.




Fig. 4.2 Waterdoorlatendheid K, wateropslorping door onderdompeling A en capillariteit S voor de mengelingen SCC14, SCC1, SCC15, SCC17, SCC16


  • SCC1  SCC14, SCC15, SCC17

Constant houden van de hoeveelheden cement en vulstof in combinatie met verhoging van de hoeveelheid water, veroorzaakt een duidelijk merkbare verhoging van de waarden voor waterdoorlatendheid, wateropslorping door onderdompeling en capillaire opslorping. In Fig. 4.2 zijn de mengelingen SCC14, SCC1, SCC15 en SCC17 gerangschikt volgens toenemende hoeveelheid water.


  • SCC1  SCC16

Indien het grof granulaat grind 4/14 door kalksteenslag 4/14 wordt vervangen, treedt een verlaging van de waterdoorlatendheid en de wateropslorping door onderdompeling op terwijl de capillaire opslorping quasi gelijk blijft.
De wateropslorping door onderdompeling werd eveneens in het laboratorium van de KUL bepaald in het kader van de vorstproeven, hiervoor wordt verwezen naar het desbetreffende hoofdstuk waar dan ook de resultaten van de beide labo’s naast elkaar worden geplaatst.

4.2 Gastransport


Waterdampdiffusie (UGent)

De proefmethode is gebaseerd op DIN 52615 ‘Bestimmung der Wasserdampfdurchlässigkeit von Bau- und Dämmstoffen’. Voor elke mengeling wordt 1 kubus met zijde 150mm gebruikt. Deze kubussen worden in een geklimatiseerd lokaal bij 20°C  2 °C en meer dan 90 % R.V. bewaard. Na minstens 28 dagen worden uit deze kubus 4 kernen geboord met diameter 80mm en dikte 20mm. Deze proefstukken worden tot de beproevingsdatum bewaard in hetzelfde geklimatiseerd lokaal en op een ouderdom van minstens 6 maanden wordt de proef opgestart. Hiertoe worden de proefstukken boven een recipiënt met een hygroscopische oplossing van NH4H2PO4 in water geplaatst waardoor een luchtlaag met een constante RV van 93% boven water verkregen wordt. Het proefstuk en het recipiënt worden vervolgens in een geklimatiseerde ruimte bij 20°C  3 °C en 60 %  3 % R.V. geplaatst. Hierdoor wordt er een vochtigheidsgradiënt over het proefstuk gecreëerd. Op regelmatige tijdstippen wordt de massa bepaald van het proefstuk en het recipiënt, waardoor de vermindering van de massa water kan worden bepaald. Door deze massavermindering uit te zetten in functie van de tijd kan een waterdampdiffusiecoëfficiënt D berekend worden.




Fig. 4.3 Waterdampdiffusiecoëfficiënt D voor de mengelingen TC1, SCC3, SCC5, SCC9, SCC14 en SCC15


  • SCC1  TC1

De mengeling zelfverdichtend beton SCC1 heeft een lagere waterdampdiffusiecoëfficiënt dan TC1.


  • SCC1  SCC3

Vervanging van portlandcement CEM I 42,5 R door hoogovencement CEM III A 42,5 LA, zorgt voor een lichte verhoging van de waterdampdiffusiecoëfficiënt.


  • SCC1  SCC5

Verlaging van de hoeveelheid cement bij gelijkblijvende hoeveelheid poeder, verhoogt de waterdampdiffusiecoëfficiënt.


  • SCC1  SCC9

Vervanging van kalkfiller door vliegas zorgt voor een duidelijke verlaging van de waterdampdifusie.


  • SCC1  SCC14, SCC15

Constant houden van de hoeveelheden cement en vulstof in combinatie met verhoging van de hoeveelheid water, veroorzaakt een verhoging van de waterdampdiffusie.
Gaspermeabiliteit (UGent)

Per mengeling wordt één prisma 400x400x100mm³ vervaardigd. De prisma's worden ontkist als ze 1 dag oud zijn. Hieruit worden op een ouderdom van 21 à 28 dagen, drie kernen met diameter 150 mm geboord. Uit het midden van deze kernen worden schijven met hoogte 50 mm gezaagd en de oppervlakken worden geëffend. De verkregen proefstukken worden tot op een ouderdom van ongeveer 12 weken bij 20°C en meer dan 90 % R.V. bewaard.

De proefprocedure verloopt analoog met de bepalingen volgens "Rilem TC 116-PCD: Permeability of concrete as a criterion of its durability. (Recommendations)". Als doorstromend fluïdum wordt gebruik gemaakt van zuurstofgas (O2). De procedure ter bepaling van de gaspermeabiliteit staat weergegeven in Tabel 4.1. De permeabiliteitsmetingen worden telkens uitgevoerd bij drie verschillende opgelegde drukken P1, namelijk 3, 4 en 5 bar.
Uitgaande van de formule van Hagen-Poisseuille voor laminaire stroming van een samendrukbaar fluïdum doorheen een poreuze massa onder stationair regime, is het mogelijk de schijnbare gaspermeabiliteitscoëfficiënt kapp te bepalen:
kapp = [m²] (3)
met:

kapp: schijnbare gaspermeabiliteitscoëfficiënt

Q: debiet [ml/s]

L: hoogte van het proefstuk [m]

A: dwarsdoorsnede van het proefstuk [m²]

P1 en P2: stroomopwaartse en stroomafwaartse druk [bar]


De proef wordt bij 20°C uitgevoerd waardoor voor de dynamische viscositeit van zuurstofgas 2,02.10-5 Nsm-2 kan aangenomen worden. De stroomafwaartse druk P2 is overeenkomstig de atmosferische druk en wordt gelijk aan 1 bar (105 N.m-²) gesteld. Tijdens de test wordt de tijd gemeten die een zeepbel nodig heeft om een bepaald volume te doorstromen. De tijd die bepaald wordt, is de tijd die het zuurstofgas nodig heeft om drie proefstukken tegelijkertijd te doorstromen.

Tabel 4.1: Procedure ter bepaling van de gasdoorlatendheid


Dag

Instructie

Meting

0 (vr)

drogen bij 80°C




6 (do)

wegen




7 (vr)

wegen

M0'

10 (ma)

uit de oven halen

vacuümverzadiging (3u vacuüm, water er langzaam in

en pomp uitzetten)


A

11 (di)

wegen

hydrostatisch wegen

mantel met Al-folie omwikkelen (*)

opnieuw wegen

drogen bij 80°C


B

C


12 (wo)

volledig met Al-folie omwikkelen (**)

drogen bij 80°C






13 (do)

uit de oven halen

bewaren bij 20°C en 60 % R.V.






14 (vr)

wegen

1ste permeabiliteitsmetingen

drogen bij 80°C


Ms1

kapp1



17 (ma)

volledig met Al-folie omwikkelen (**)

drogen bij 80°C






18 (di)

uit de oven halen

bewaren bij 20°C en 60 % R.V.






19 (wo)

wegen

2de permeabiliteitsmetingen

drogen bij 105°C


Ms2

kapp2



24 (ma)

uit de oven halen

bewaren bij 20°C en 60 % R.V.






25 (di)

wegen

3de permeabiliteitsmetingen



Ms3

kapp1



(*) De omwikkeling van de mantel gebeurt om radiaal vochtransport te vermijden.

(**) Dit gebeurt om homogene redistributie van het vocht mogelijk te maken. Doordat in dit geval geen vochtuitwisseling met de omgeving mogelijk is, zorgt de verhoogde temperatuur voor een versnelde herverdeling van het vochtgehalte in radiale zin tot een homogene distributie wordt verkregen.


Ter vergelijking van verschillende betonmengelingen met de gaspermeabiliteit als een duurzaamheidsindex is het interessant gebruik te maken van de schijnbare gaspermeabiliteit kapp bepaald op droge proefstukken (S = 0%) en bij één bepaalde opgelegde druk. In de onderstaande figuren Fig. 4.4 en Fig. 4.5 wordt voor de verschillende mengelingen de gaspermeabiliteitscoëfficiënt kapp, bepaald op droge proefstukken bij verschillende opgelegde drukken uitgezet.

Fig. 4.4 Schijnbare gaspermeabiliteitscoëfficiënt kapp voor de mengelingen TC1, SCC1, SCC3, SCC5 en SCC9

  • SCC1  TC1

De gaspermeabiliteit van de traditionele betonmengeling TC1 ligt ongeveer vijf maal hoger dan deze van de overeenkomstige mengelingen zelfverdichtend beton SCC1.


  • SCC1  SCC3

Bij vervanging van portlandcement CEM I 42,5 R door hoogovencement CEM III A 42,5 LA, wordt er weinig verandering in de gasdoorlatendheid vastgesteld.


  • SCC1  SCC5

Door de hoeveelheid cement te verlagen bij gelijkblijvende hoeveelheid poeder, treden hogere waarden voor kapp op.


  • SCC1  SCC9

Vervanging van kalkfiller door vliegas brengt een verlaging van de gasdoorlatendheid mee.



Fig. 4.5 Schijnbare gaspermeabiliteitscoëfficiënt kapp voor de mengelingen SCC14, SCC1, SCC15, SCC17 en SCC16


  • SCC1  SCC14, SCC15, SCC17

In Fig. 4.5 worden 4 mengelingen SCC met een verschillende W/C factor voorgesteld. Deze variatie in W/C factor werd verkregen door de hoeveelheid cement constant te houden en de hoeveelheid water te variëren. Het is duidelijk dat de permeabiliteit toeneemt naarmate de W/C factor stijgt. Door de W/C van 0,40 tot 0,60 te brengen, komt de schijnbare gaspermeabiliteit ongeveer 7 keer hoger te liggen, rond de 1,4 x 10-16 m². Variatie van de W/C factor heeft bijgevolg een grote impact op de gaspermeabiliteit van zelfverdichtend beton.


  • SCC1  SCC16

Indien kalksteenslag 4/14 in de plaats van rolgrind 4/14 kalk gebruikt wordt, neemt de gaspermeabiliteit licht af.

  1. Relatie met het duurzaamheidsgedrag van zelfverdichtend beton

5.1 Krimp en kruip (KUL)


De proefstukken worden enkele uren na het vervaardigen in het Laboratorium Magnel te Gent ter beproeving naar het labo Reyntjens van de KUL gebracht. Per betonsamenstelling worden er 9 cilinders met diameter 120 mm en hoogte 300 mm gegoten (4 voor de krimpmetingen, 4 voor de kruipmetingen en 1 reserve). Na aankomst worden de cilinders bij 20C en 95 % R.V. bewaard tot de daaropvolgende dag waarop ze ontkist en klaargemaakt worden voor de krimpmetingen. De krimpmetingen gebeuren in een geklimatiseerde ruimte bij 20C en 60 % R.V.. en worden tot minstens 3 maanden na het gieten van de proefstukken uitgevoerd. Na 28 dagen krimpmetingen worden de 4 proefstukken voor het opmeten van kruip onder druk gezet. De druk wordt berekend als één derde van de cilinderdruksterkte. Doordat de drukflessen echter slechts met een beperkte nauwkeurigheid gevuld kunnen worden en er steeds enkele bar verlies op de leidingen zit, is de werkelijke belasting iets kleiner dan één derde van de druksterkte. Details zijn terug te vinden in tabel 5.1.
Tabel 5.1: Gemiddelde cilinder druksterkte en toegepaste druk in de kruipproeven

Mengsel

Druksterkte [N/mm2]

Aangebrachte druk [N/mm2]

Druk van de drukflessen [bar]

SCC1

46.6

14.1

67

SCC14

54.1

16.4

77

TC1

36.7

10.1

50

SCC15

41.1

10.1

50

De mengelingen TC1 en SCC15 zijn noodgedwongen op dezelfde druk gezet daar deze twee mengelingen in dezelfde batterij kruiptoestellen geplaatst moesten worden. De cilinders worden in de kruiptoestellen per twee boven op elkaar geplaatst.





  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina