Provinciale Hogeschool Limburg Departement Gezondheidszorg Opleiding Ergotherapie Literatuuronderzoek naar betrouwbare, valide assessmentinstrumenten bruikbaar voor cliënten met psycho-sociale problemen in de arbeidsrehabilitatie



Dovnload 116.86 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte116.86 Kb.
Provinciale Hogeschool Limburg

Departement Gezondheidszorg

Opleiding Ergotherapie

Literatuuronderzoek naar betrouwbare, valide assessmentinstrumenten bruikbaar voor cliënten met psycho-sociale problemen in de arbeidsrehabilitatie:
Valpar Component Work Samples (VCWS)

Common Protocol

ERGOS Work Simulator

Merkmale zur Eingliederung von Leistungsgewandelter und Behinderter in Arbeit (MELBA)
door Annika Jackers

Afstudeerproject aangeboden tot het bekomen van het diploma van Bachelor in de Ergotherapie


o.l.v.

Els Peters, promotor
Hasselt, 2007

Trefwoorden: psychische aandoeningen, werk, arbeidsintegratie, assessmentinstrumenten.
Abstract
INLEIDING Voor dit literatuuronderzoek werd gezocht naar artikels met wetenschappelijke waarde die werkattitude en arbeidsvaardigheden van de cliënten nagaan.

METHODE Er is gezocht naar artikels met wetenschappelijke waarde met zoektermen zoals: psychische aandoeningen, werk, arbeidsintegratie en assessmentinstrumenten.

RESULTATEN Uit de literatuurstudie kwamen de volgende instrumenten naar voor:

Valpar meet gesimuleerde werkgerelateerde capaciteiten, vaardigheden, kennis en interesses. Het instrument bestaat uit twintig verschillende werkproeven. De Valpar Worksamples gaan vooral fysieke aspecten onderzoeken, alsook interpersoonlijk en cognitief functioneren.

Het Common Protocol is een vragenlijst die deel uitmaakt van een rehabilitatieprogramma (Employment Intervention Demonstration Program). De componenten als klinische kenmerken, psychosociale status en demografische karakteristieken worden in dit programma onderzocht.

Het ERGOS instrument is gebaseerd op arbeidswerkelijke simulaties.

Het instrument meet de fysieke aspecten van arbeid. (zoals werken met de handen, lichaamsmobiliteit, bewegingsnauwkeurigheid,…). Dit instrument bestaat uit een computergestuurd systeem en zorgt daarom voor objectieve testresultaten.

MELBA, een Duits onderzoeksinstrument test de mogelijkheden op vlak van arbeid. Het instrument bestaat uit een capaciteitenprofiel (capaciteiten van de cliënt) en eisenprofiel (eisen van de job). De negenentwintig items die worden beoordeeld zijn ondergebracht in de sleutelkwalificaties. De verwerking van de resultaten gebeurt door een profielvergelijking te maken.

CONCLUSIE Uit het onderzoek van dit deel besluiten we dat het ERGOS instrument en de Valpar Worksamples fysieke aspecten van arbeid onderzoeken. Om deze reden is het niet volledig bruikbaar is voor onze studie. Het Common Protocol is ook minder bruikbaar omdat het deel uitmaakt van een rehabilitatieprogramma. Interessant lijkt voor onze studie het MELBA instrument, dat peilt naar de verschillende aspecten van arbeid, namelijk arbeidsvaardigheden en werkattitude

Inleiding
In dit deel worden 4 assessmentinstrumenten besproken. De Valpar Component Worksamples zijn werkgerelateerde werkproeven die vooral fysieke aspecten gaan onderzoeken. De ERGOS worksimulator is een toestel dat objectief werkactiviteiten gaat screenen. Verder gaat het MELBA instrument aan de hand van een profielvergelijking een overzicht geven van de eisen van de job en de capaciteiten van de persoon. Ook wordt het Common Protocol beschreven, dit is een vragenlijst die deel uit maakt van een arbeidsrehabillitatieprogramma in de Verenigde Staten. Wanneer we spreken over arbeidsrehabilitatie heeft het woord rehabilitatie misschien wat meer uitleg nodig. Rehabilitatie heeft vooral betrekking op een groep mensen met een persisterende psychiatrische aandoening die interfereert met hun vermogen om zelfstandig, zonder ondersteunende behandeling of verzorging van lange duur, sociaal te functioneren.

Het uiteindelijke doel van rehabilitatie is dan ook eerherstel en maatschappelijke integratie. Na een ernstige psychiatrische stoornis zijn personen vaak langdurig werkloos. Wanneer ze terug integreren in de maatschappij speelt het terug hervatten/ inschakelen in het arbeidscircuit een belangrijke rol. Werken is in onze samenleving een gebruikelijke maat voor menselijke competentie en een belangrijke indicator van gezondheid en sociale integratie. Ook de personen die aangemeld worden in het arbeidscentrum te Tienen zijn personen met psycho-sociale problemen die toe zijn aan activering in het arbeidsproces.


Arbeidsrehabilitatie heeft als doel het arbeidsfunctioneren van personen te herstellen.

Vanuit het gezichtspunt van de cliënt gaat het bij arbeidsrehabilitatie om ondersteuning bij het kiezen, verkrijgen en behouden van een geschikte arbeidsplaats. Vanuit een professioneel gezichtspunt is arbeidsrehabilitatie het proces waarmee herstel, behoud en uitbreiding van iemands arbeidsmogelijkheden wordt beoogd. (Bron: PIETERS,G., VAN DER GAAG,M. 2000)


Nederland kent momenteel ongeveer een honderdtal arbeidsrehabilitatie programma’s die zich (gedeeltelijk) op mensen met een psychiatrische achtergrond richten. Deze projecten vervullen een of meer van de volgende functies: arbeidsoriëntatie, voorbereiding, bemiddeling en begeleiding bij beschutte en gewone werksituaties.

Arbeidsrehabilitatie programma’s maken gebruik van verschillende methoden. Maar er is geen vastomlijnd methodisch model, meestal worden verschillende inzichten gecombineerd.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:
ITB: Integrale Traject Benadering.

Integrale traject benadering wordt ook wel individuele trajectbenadering genoemd. Men probeert samen met de deelnemer een traject uit te stippelen.

De kenmerken van het traject zijn dat het tijdelijk is (1.5-2jaar) en dat het primair gericht is op het vinden van betaald werk of een beroepsopleiding. Het traject moet afgestemd zijn op de individuele cliënt en moet stapsgewijs en planmatig verlopen. Indien nodig moet het traject scholings- en trainingsmiddelen aanwenden, zoals stages in het bedrijfsleven.
IRB: Individuele Rehabilitatie Benadering.

Individuele Rehabilitatie Benadering streeft naar een optimaal functioneren in een door de cliënt gekozen maatschappelijke omgeving. Behalve op werk richt de Individuele Rehabilitatie Benadering zich op alle andere levensgebieden. De IRB deelt uitgangspunten met andere rehabilitatiebenaderingen. Zo benadrukt het de individuele (groei)mogelijkheden van de cliënt en stelt het de persoonlijke keuzen en doelen van de cliënt centraal. Ook belangrijk is het scheppen van een vertrouwensband tussen de deelnemer en de begeleider en steun bieden zolang het nodig is.

Het Individuele Rehabilitatie Benaderingsmodel kent drie fasen:

Het stellen van een rehabilitatiediagnose, het formuleren van het rehabilitatieplan en het uitvoeren van de interventies die noodzakelijk zijn om het plan te verwezenlijken.


SE: Supported Employment.

Supported employment heeft vier hoofdkenmerken. Ten eerste is het gericht op regulier werk. Verder is een snelle plaatsing van de cliënt in de gewenste werksituatie van belang. Ook begeleiding ter plekke (op de reguliere werksituatie) is een kenmerk. Ten slotte ondersteuning bieden zolang deze nodig is. Voorafgaand aan de plaatsing vindt eerst een inschatting van de arbeidsmogelijkheden plaats. Men onderzoekt ook de match tussen de persoon en de gewenste werksituatie. Het uitgangspunt is echter dat pas na plaatsing blijkt wat de deelnemer kan en welke mogelijkheden de werkomgeving biedt. Een jobcoach traint de deelnemer ter plekke in de benodigde vaardigheden en onderzoekt welke ondersteuning de deelnemer verder nodig heeft.



IPS: Individual Placement and Support model.

Het Individual Placement and Support model verenigt de inzichten van verschillende benaderingen uit de arbeidsrehabilitatie. Namelijk die van Supported Employment en de Individuele Rehabilitatie Benadering. Het model is ten eerste gericht op reguliere arbeid waarbij een snelle bemiddeling en plaatsing een kernprincipe is. Een ander kernprincipe is de integratie van geestelijke gezondheids hulpverlening en arbeidsrehabilitatie. Door dit principe onderscheid het model zich van de eerder genoemde benaderingen. Verder is het binnen dit model van belang om uit te gaan van de individuele doelen van de cliënten en continu een inschatting te maken van hun arbeidsmogelijkheden. Ook krijgen de cliënten bij dit model ondersteuning zolang het nodig is.


Belangrijk is ermee rekening te houden dat bij het ontwikkelen en invoeren van geestelijke gezondheidsprogramma’s omtrent arbeid ook verschillende moeilijkheden zichtbaar kunnen worden. Zoals organisatorische vormgeving; onduidelijkheden ten aanzien van doelstellingen, begrippen, doelgroepen; gebrek aan afstemming in de regio; de betrokkenheid van de cliënten. Het is niet gemakkelijk om te beschrijven welke kenmerken in een programma aanwezig moeten zijn zodat het effectief arbeidsprogramma genoemd kan worden.

Dit is moeilijk te beschrijven omdat arbeidsrehabilitatie programma’s verschillende methodische inzichten combineren. Wel kunnen er enkele belangrijke kenmerken van experimenteel onderzochte programma’s weergegeven worden (Bron: PIETERS,G., VAN DER GAAG,M. 2000):

De inhoud van de begeleiding afstemmen op de individuele behoeften en voorkeuren van de deelnemer; snel en dynamisch zoeken naar een baan die past bij de individuele voorkeuren en mogelijkheden; snel plaatsen in een baan, daarna training op individuele maat en intensieve ondersteuning bieden; verdere ondersteuning geven zolang als nodig is; begeleiden vanuit een multidisciplinair team van geestelijke gezondheidszorg- hulpverleners; zo nodig hulp bieden bij problemen op andere levensgebieden.

Arbeidsrehabilitatie programma in Vlaanderen:


E.C.HO –project.

Overzichtsschema arbeidstrajectbegeleiding binnen E.C.HO:



(Bron: VAN AUDENHOVE, C., VAN ROMPAEY, I., DE COSTER, I., LISSENS, G. 2000)


Het project kan omschreven worden als een gevarieerd geheel van methoden van arbeidsrehabilitatie. Als doelgroep richt het project op mensen met een psychiatrische problematiek. Zonder specifieke begeleiding is het voor deze mensen een integratie naar de arbeidsmarkt vaak niet mogelijk, ook al willen ze zelf terug aan het werk gaan. De meeste mensen met een psychiatrisch verleden weten immers niet hoe ze hieraan kunnen beginnen of ze zoeken een job maar haken na korte tijd af.

Het Vlaamse E.C.HO project heeft als doelstelling de deelnemers te helpen om de sociale rol van werknemer (opnieuw) op te nemen in de maatschappij. Werken in een normale voorziening is in dit verband een belangrijke rol en einddoel van het project. De projectdoelstellingen zijn wel meer gericht op het proces dan op het eindresultaat. Het project besteedt veel aandacht aan het proces van de functionele beoordeling en oriëntatie van de cliënt. Een eerste belangrijke opdracht is samen met iedere deelnemer na te gaan welke tewerkstellingsdoelen hij of zijn binnen E.CHO wil bereiken. In tweede instantie wordt nagegaan welke realistische stappen hij of zij hierin verder zou kunnen uitwerken.


Intakefase

Tijdens het eerste gesprek maken de beide partijen kennis met elkaar (begeleider en de kandidaat deelnemer.). De begeleider tracht de deelnemer informatie over het project duidelijk te maken. Dit door over de doelstellingen en basisprincipes van het project te spreken.

In een tweede gesprek wordt ingezoomd op de arbeidsmotivatie en voorkeuren van de deelnemer. Er wordt ook een inventarisatie gemaakt van zijn mogelijkheden en perspectieven dit door te spreken over zijn arbeids- en studieverleden, ziekte- en zorggeschiedenis, sociaal-economisch statuut, juridisch statuut, huidige leef-, woon- en werksituatie.

Tijdens het laatste gesprek van de intake fase komt men tot de beslissing of de kandidaat instapt in het project. De begeleider gaat na in hoeverre de deelnemer past in het aanbod en hoe hij het aanbod kan afstemmen op de vraag van de deelnemer.


Oriëntatiecursus


De oriëntatiecursus duurt drie weken en wordt georganiseerd voor een groep van vijf tot tien cliënten. De cursus heeft tot doel de deelnemers grondig te laten kennismaken met de wereld van het werk, hen met elkaar ervaringen te laten uitwisselen en hen te stimuleren vaardigheden te ontwikkelen om aan specifieke problemen het hoofd te bieden. De cursus laat hen ook een beter inzicht in hun eigen voorkeuren krijgen en bijgevolg een stap verder komen in hun keuzeproces.
Arbeidstraining

De stap van opname naar werk verkleint door het volgen van een training. De deelnemer krijgt de kans om in een beschermde omgeving ervaring op te doen en zich voor te bereiden op het leven als werkende. Basale arbeidsvaardigheden en –attitudes worden ingeoefend doorheen de training. Mensen die geen werkervaring hebben om op terug te blikken of voor degene die een lange opname achter de rug hebben, vormt arbeidstraining een zinvolle stap in hun arbeidsbegeleidingstraject. De arbeidstraining bestaat uit twee delen: een werkervaring of stage (deeltijds werken gespreid over drie maanden) en een vorming(wekelijks).


Stages

Stageperiodes vormen een essentieel onderdeel van de voorbereiding op werk. De stageperiodes binnen E.C.HO kunnen aansluiten bij verschillende doelstellingen.


Werkbegeleiding.

In deze fase krijgen de cliënten uit de geestelijke gezondheidszorg ondersteuning en begeleiding bij het werk. Deze fase kan onmiddellijk volgen op de aanmelding/intake kan ook aansluiten op een lange aanloopfase van training.

Deze fase kan onderverdeeld worden in het zoeken van werk, vinden van werk, en het behouden van het werk.

Het stimuleren van de zelfstandigheid van de deelnemer staat in de begeleiding centraal. De taken die de begeleider op zich neemt, worden bepaald door de behoefte aan begeleiding en ondersteuning van de deelnemer.


In grote lijnen komen de fases van het E.C.HO-project overeen met de manier waarop de cliënten gestuurd worden in het Arbeidscentrum te Tienen (intakegesprek, planning arbeidstraject, arbeidstraject zelf met arbeidstraining en werkervaringsstage.)

(bron: VAN AUDENHOVE, C., VAN ROMPAEY, I., DE COSTER, I., LISSENS, G. 2000)

Het dynamisch Proceskarakter van arbeidsrehabilitatie ( Door Prochaska en DiClemente in: VAN AUDENHOVE, C., VAN ROMPAEY, I., DE COSTER, I., LISSENS, G. 2000)


Innerlijk herstelproces

Stadia van gedrags-, intentie- en rolverandering

Arbeidstrajectbegeleiding

- attitude

- zelfeffectiviteit

- zelfbeeld








- Attitude t.o.v. arbeid: negatief

- Zelfeffectiviteit

- Zelfbeeld: negatief


Precontemplatiefase:

- vage intenties

- Patiëntenrol: de patiënt is inactief, onderneemt geen stappen.


Informatie geven omtrent de voordelen en de mogelijk positieve betekenis van arbeid voor de patiënt

- Attitude t.o.v. arbeid: positief

- Zelfeffectiviteit: laag

- Zelfbeeld: wankel


Contemplatiefase:

- Duidelijkere intenties

- Overgangsrol: patiënt verzamelt informatie, volgt een oriëntatiecursus of werkervaringsstage.


Verhogen van de zelfeffectiviteit door informatie te bieden omtrent de veranderbaarheid van de barrières die de gedragsverandering nog belemmeren

- Attitude t.o.v. arbeid: positief

- Zelfeffectiviteit: hoger

- Zelfbeeld: positief


Actiefase:

- Intenties worden omgezet in gedrag

- De patiënt neemt de werknermersrol op


Helpen bij het concreet zoeken naar een job

- Attitude t.o.v. arbeid: positief

- Zelfeffectiviteit: hoog

- Zelfbeeld: positief


Behoudfase:

- De patiënt behoudt zijn job

- Rol als werknemer


Continue begeleiding op afstand inschakelen

- Attitude t.ov. arbeid: positief

- Zelfeffectiviteit: lager

- Zelfbeeld: wankel

- Zelfbeeld: negatief



Terugvalfase:

- De patiënt onderbreekt tijdelijk zijn loopbaan

- De patiënt breekt zijn loopbaan definitief af.


Continue begeleiding in de nabijheid inschakelen

Blijven geloven in de mogelijkheden van de patiënt




Methodologie
Uitgaand van het startartikel: psychische aandoeningen en arbeid;een vergelijking van interventies (SCHENE, A., WEEGHEL, J., KLINK, J., DIJK, F. 2005) is onze onderzoeksgroep op zoek gegaan naar artikels omtrent dit probleem. De gevonden artikels hebben we kritisch bekeken aan de hand van de kwalitatieve criterialijsten van Law (LAW, e.a. 1998)

Er is gezocht naar artikels met wetenschappelijke waarde, met zoektermen zoals; Psychische aandoeningen, werk, arbeidsrëintegratie, assessmentinstrumenten. Nadat alle leden van onze onderzoeksgroep informatie hadden verzameld, hebben we deze bekeken op relevantie ten opzichte van de onderzoeksvraag, en zo verdeeld dat ieder lid van de onderzoeksgroep 3 of 4 onderzoeksinstrumenten kon uitwerken. In dit onderdeel wordt er toegespitst op twee fysieke assesmentinstrumenten (VCWS, ERGOS). Ook wordt er in dit onderdeel een assessmentinstrument (Common Protocol) dat kadert binnen een arbeidsrehabilitatie programma (Employment Intervention Demonstration Program) uitgediept.

Door nog verdere informatie door te nemen en op zoek te gaan naar wetenschappelijke informatie kwam onze onderzoeksgroep terecht bij het Vlaams Ergotherapeuten verbond, deze geven een voorstelling van het instrument “MELBA” op een beurs (www.reva.be) Deze instrumenten worden nader besproken op vlak van inhoudelijke en structurele criteria voor arbeid. Er wordt besproken of ze valide en betrouwbaar zijn, hoe de procedure van afname verloopt en of ze bruikbaar zijn voor toepassing in de praktijk van de ergotherapeuten van het arbeidscentrum.

Resultaten
The Valpar Component Work Samples (VCWS)
Valpar Work Samples meten werkgerelateerde capaciteiten, vaardigheden, kennis en interesses. In welke functie dan ook, er wordt altijd beroep gedaan op iemands capaciteiten. Wanneer we werken gaan we denken, voelen en doen op hetzelfde moment. Valpar Work Samples zijn op deze werkrealiteit gebaseerd.

The Valpar Component Work Samples (VCWS), het VCWS-systeem is ontwikkeld in 1960 en geïntroduceerd in 1973 door Sax; Valpar International Corporation te Tuscon)

Valpar is het enige bedijf in het veld van criteriaverwijzend assessment, dat direct gekoppeld is aan de job-standaarden van het U.S ministerie van arbeid (U.S Department of labor). De worksamples zijn gebaseerd op industriële tijd standaarden, deze zijn ontwikkeld door MTM studies (Methods-Time Measurement). Ze zijn ontwikkeld om het werkpotentieel van mensen te evalueren.

WorkSamples zijn veralgemeende “Work-like” taken (werkelijke of gesimuleerde onderdelen van werk) die worden toegediend onder specifieke omstandigheden. Ze zijn vaak gebruikt om personen met fysieke en psychische beperkingen te onderzoeken en te evalueren op vlak van werk gerelateerd potentieel. (Bron: CURIST, STOELING. 1991)


Het instrument (VCWS) bestaat uit meer dan 20 verschillende WorkSamples (Werkproeven). Ze zijn zo ontwikkeld dat elke werkproef andere vragen beantwoordt. De werkproeven dienen daarom geselecteerd te worden.

Elke werkproef is individueel beschikbaar (via het internet te bestellen: http://www.valparint.com/) en heeft verschillende onderdelen. De werkproeven verschillen van inhoud en van onderdelen. Sommige proeven zijn verkrijgbaar in koffers met al het benodigde materiaal, andere werkproeven zijn metalen frames met daarin verschillende werkpanelen. De werkproeven, onderdelen en handleidingen zijn geschreven in het engels. Ook de Methods-Time Measurement (MTM) , Learning Curve en het Worker Qualifications Profile, ter beoordeling van de prestaties zijn in het engels. Over het Europees referentie kader is er in de bestudeerde literatuur geen informatie te vinden, wel kunnen de resultaten van de test gekoppeld worden aan de Amerikaanse database met Werktitels.


De werkproeven vertrouwen op criteriaverwijzende testing. Deze testing gebruikt een objectieve standaard of uitvoeringsgraad. De geëvalueerde is verplicht om zijn bekwaamheid op dat afzonderlijk niveau te demonstreren door taken uit te voeren bij die moeilijkheidsgraad. Scores bij criteriaverwijzende testing tonen wat iemand kan doen, niet hoe ze gescoord hebben in relatie tot de scores van bepaalde groepen of personen (zoals bij normverwijzende testing).

Er word ook gebruik gemaakt van MTM (Methods-Time Measurement) bij het scoren van de werkproeven. MTM is een methode van analyseren van de werktaken, om te bepalen hoe lang een goed getrainde industrieël werker nodig heeft om een bepaalde taak uit te voeren, op een aanhoudend tempo bij een acht uren werkdag.

Er is in de bestudeerde literatuur geen informatie gevonden omtrent de validiteit en betrouwbaarheid van deze manier van scoren. Wel zijn er MTM standaards beschikbaar (MTM%) (Bron: BRYAN, B., CHRISTOPHERSON., PH. 1995 )
De VCWS zijn ontwikkeld om op verschillende vragen een antwoord te geven. De Werkproeven kunnen geselecteerd worden in samenspraak met de cliënt. Het is belangrijk een relevante werkproef te kiezen voor de cliënt. Bij gebruik van de VCWS is de medewerking van de persoon en de interactie tussen cliënt en evaluator is essentieel. De Werkproeven zijn gestandaardiseerd bij verschillende populaties, maar toch mogen er aanpassingen gedaan worden door de evaluator binnen de uitvoering van de werkproeven.

Alle aanpassingen die gemaakt zijn bij de werkproeven moeten genoteerd worden in de interpretaties.


De evaluator legt de cliënt uit wat er van hem verwacht wordt. Hij gaat dan het geheel evalueren en interpreteren. De werkproeven zijn individueel voor de cliënt gekozen, zo dat hij ze zeker kan uitvoeren,en tegelijkertijd toch een uitdaging zijn. De moeilijkheidsgraad van de werkproeven hangt af van de mogelijkheden van de cliënt. De duur van afname bij de Werkproeven is verschillend en wordt bepaald door de inhoud van de werkproef en de mogelijkheden van de cliënt.
Valpar International geeft handleidingen uit bij elke werkproef. Elke handleiding presenteert de achtergrond en het doel van de werkproef. Verder geeft de handleiding het algemeen beleid, scoring, instructies naar de cliënt toe, weer. De handleidingen presenteren ook een beschrijving van de werkgroep waar de proef zich het meeste mee verhoudt. Uit de literatuur kon niet worden opgemaakt of de scoring gemakkelijk of moeilijk te doen is en of deze veel tijd in beslag neemt, er worden geen voorbeelden aangehaald.

Wanneer de VCWS gebruikt worden is het essentieël om de persoon zijn vertrouwen te winnen en te kunnen samenwerken. Werkproef testing is een interactieve evaluatie manier en de interactie tussen de cliënt, de evaluator en de werkproef is erg belangrijk. Op die manier draagt het testen ook bij aan de zelfwaarde van de persoon.

Er is in de bestudeerde literatuur geen relevante informatie gevonden omtrent de non-respons.
De VCWS gaan vooral onderzoek verrichten naar het fysieke welzijn en het fysiek functioneren .

Voorbeelden van onderdelen die door de VCWS worden onderzocht:

VCWS04: Range of Motion van de bovenste ledematen, en werktolerantie in het bovenlichaam, VCWS11: Oog-hand-voet coördinatie, de mogelijkheid om de ogen te bewegen, handen en voeten gecoördineerd.
Enkele van de VCWS leveren ook onderzoek naar interpersoonlijk en cognitief functioneren.

Voorbeelden van onderdelen die door de VCWS worden onderzocht:

VCWS06: Zelfstandig probleemoplossend vermogen, de mogelijkheid om aandacht te schenken aan details., VCWS14: Integratie tussen werknemers, om de interactie tussen werknemers te stimuleren, VCWS02: Discriminatie van grootte.

Common Protocol
Employment Intervention Demonstration Program (EIDP) Common Protocol is opgestart in 1995 door Coordinating center staff op de universiteit van Chicago, meer bepaald in het Human Services Research Institute, EIDP project. Het Common protocol is een assessmentinstrument dat ontwikkeld is om informatie te verzamelen van de deelnemers van het EIDP. Deze meervoudige onderzoeksstudie combineert innovatieve programma’s die werkrehabilitatie combineren met klinische diensten en hulp, voor personen met geestelijke gezondheidsproblemen.

Het Common Protocol gaat informatie verzamelen van de deelnemers. Het bestaat uit verschillende onderdelen (Baseline interview, Six month interview, clinical reporting form, employment tracking forms) Het baseline interview word afgenomen wanneer de cliënt start met de studie. Het onderzoekt componenten zoals de klinische kenmerken, psychosociale status, demografische karakteristieken van de deelnemers van het EIDP. Dit gebeurt aan de hand van een vragenlijst.


De assessmentdocumenten van het EIDP zijn verkrijgbaar op de site van de studie (http://www.psych.uic.edu/eidp/default.htm). De documenten en de bijhorende handleiding zijn daar aanwezig om te downloaden. De vragenlijsten van het Common Protocol zijn in het engels geschreven, alsook de bijhorende handleidingen. Alvorens te kunnen beginnen met de vragenlijsten zal de instructiebundel doorgenomen worden, hierin staan aanwijzingen voor het afnemen van de vragenlijsten.

Het Common Protocol van het EIDP bevat gestandaardiseerde instrumenten die frequent gebruikt worden in evaluaties van personen met ernstige geestelijke gezondheidsproblemen:

Positive and Negative Syndrome Scale (PANSS), Rosenberg Self-Esteem Scale, The medical Outcomes Study Short Form-36 (SF-36), The Quality of Live Interview (QOLI)

Het protocol bevat ook enkele instrumenten die speciaal voor het EIDP zijn ontwikkeld (Schalen die onderzoek gaan doen naar werkmotivatie en het verkeerd beeld van sociale zekerheids voordelen)


Voordat er gestart kan worden met het afnemen van de vragenlijst (Baseline interview) van het Common Protocol hebben er zeker twee voorgaande ontmoetingen hebben plaatsgevonden met de cliënt. Waarin er besproken is wat de bedoeling is van de studie, wat de participatie van de cliënt inhoudt, waarin er vragen kunnen beantwoord worden en een toestemming is ondertekend.

De persoon die de vragenlijsten afneemt gaat zich voorbereiden door het lezen van de instructiebundel. Hierin wordt beschreven hoe de ondervrager de vragen gaat aanduiden en op welke manier ze worden aangebracht.

De vragenlijst wordt ingevuld door de ondervrager. Het is niet moeilijk om in te vullen. Er moeten enkel keuzes aangeduid worden die door de cliënt worden aangegeven.

De duur van de afname van de vragenlijst is afhankelijk van de cliënt, er is geen meting van de tijd of bepaalde tijdslimiet. Over het verwerken en de duur van de verwerking van de resultaten is er in de bestudeerde literatuur niets te vinden.


Veel items in het Baseline interview zijn persoonlijk en zullen voor sommige deelnemers opdringerig overkomen. Het is daarom belangrijk om een goede relatie te onderhouden met de deelnemer. Het strikt vertrouwelijke karakter van de studie zal de ondervraagden meer op hun gemak doen voelen wanneer ze hun persoonlijke informatie delen met de afnemer van de test (COOK, J., MC HUGO, G., SALYERS, 2001)
Er worden doorheen de vragenlijst verschillende criteria voor arbeid aangehaald

- Alcohol en drugsgebruik, demografische kenmerken, woonsituatie, financiën, vorige werkgeschiedenis, vorige werktraining, werkinteresse, werkmotivatie, fysieke gezondheid, quality of life, zelfvertrouwen, niveau van functioneren, klinisch, medicatie, sociale vaardigheden.(Bron: Cliënt Baseline interview, Center for Mental Health Services, Substance Abuse and Mental Health Services Administration.)



ERGOS Work Simulator
The ERGOS work simulator is ontwikkeld in 1986 door Simwork Systems, Tuscon.

Het concept van de ERGOS worksimulator is gebaseerd op de arbeidswerkelijkheid en ten opzichte van dit concept is de methode van onderzoek consistent. De ERGOS is volledig gebaseerd op het principe van arbeidssimulaties.

De testen van de ERGOS worksimulator bestaan uit werkactiviteiten, het is een volledig geautomatiseerde test die uit 5 testpanelen bestaat. Op deze panelen worden de belangrijkste en meest voorkomende werkgerelateerde krachten gemeten, in houdingen zoals deze ook daadwerkelijk op het werk voorkomen.
Het systeem is een zogeheten stand-alone netwerk dat bestaat uit 6 computers, waarvan een computer als “master” dienst doet. Op de master worden alle testdata verzameld en bewerkt. 

Rapporten worden automatisch gegenereerd en geven de testresultaten o.a. op verschillende manieren grafisch weer. Aan de onderzoeker zowel als de cliënt kan desgewenst onmiddellijke feedback worden geboden op de testprestaties. Gestandaardiseerde instructies worden geschreven, gesproken en ondersteund met pictogrammen. Met behulp van barcode technologie kan de onderzoeker zijn/haar observaties gemakkelijk en gestandaardiseerd verwerken.


De ERGOS worksimulator is een instrument dat meteen gebruiksklaar is, het is computergestuurd. Het is wel zo dat de ERGOS worksimulator een grote ruimte in beslag neemt en niet kan worden meegenomen op verplaatsing. Het instrument kan tot 5 personen tegelijk testen, de computer verwerkt de gegevens.(Bron: http://www.wrebv.com/frset_ergos_go_n.htm )

Voor het kunnen bepalen van de betrouwbaarheid van de (objectieve) testresultaten en van de (subjectieve) klachtenbelevingen die door de cliënt gemeld worden, gaat men meerdere invalshoeken in samenhang met elkaar gebruiken. De objectieve meetgegevens worden gevormd door de testresultaten. De door de cliënt gemelde klachten tijdens het onderzoek (psychofysische data) worden beschouwd als additionele informatie en hebben geen invloed op de testresultaten.

De meettestresultaten worden uitgebreid onderzocht op hun betrouwbaarheid (interne consistentie) getoetst door middel van analyses van: Grafisch verloop van resultaten (grafiekvormen), correlatie tussen subtesten (intra test resultaten), correlatie tussen verschillende testen (inter test resultaten), consistentie links rechts verschillen, consistentie maximum en gemiddelde prestaties, verloop hartfrequentie en bloeddruk, standaarddeviaties en variantie coëfficiënten, (logica) tijdsverhoudingen bij test en retest(en)

De objectieve data worden na analyse op hun eigen interne consistentie vervolgens ook geanalyseerd op hun consistentie met: de psychofysische (subjectieve) data van de klachtenbeleving van de cliënt en de observaties van de onderzoeker. Op deze manier wordt op de ERGOS Werk Simulator structureel aandacht besteed aan de interne consistentie (meetgegevens)  en aan de externe consistentie (hoe verhouden de meetgegevens zich ten opzichte van de psychofysische data.)

Of er begeleiding nodig is voor het afnemen van de testen van de ERGOS worksimulator is onduidelijk en niet te vinden in de bestudeerde literatuur.

Het afnemen van alle onderdelen van de ERGOS worksimulator duurt 4u, het verwerken van het rapport van de ERGOS duurt 40 minuten. Dit rapport zal naderhand ook met de cliënt besproken worden.

Bij de ERGOS worksimulator gaat het over de fysieke aspecten van arbeid, en komt het stellen van vragen niet aan bod.
De fysieke aspecten die aan bod komen zijn: werken met armen, handen en vingers, werkgerelateerde arbeidshoudingen, lichaamsflexibiliteit en –mobiliteit, uithoudingsvermogen, duurbelastbaarheid, bewegingssnelheid en –nauwkeurigheid, statische en dynamische kracht en dragen.


Merkmale zur Eingliederung von Leistungsgewandelter und Behinderter in Arbeit (MELBA)
“Melba” is een duitse afkorting die staat voor “Merkmale zur Eingliederung von Leistungsgewandelter und Behinderter in Arbeit.” Naar het nederlands vertaald betekent dit evenveel als “Profielkenmerken voor de arbeidsintegratie van mensen met beperkingen”

Het melba-systeem is sinds 1986 in ontwikkeling. MELBA werd in opdracht van het "Bundesministeriums für Arbeit und Sozialordnung" ontwikkeld. (Federaal Ministerie voor werk en sociale orde). Dit gebeurde in Duitsland, aan de Universiteit van Siegen. Het instrument is in 2001 vertaald naar het Nederlands.


Personen die na een langdurende periode terug aan het werk willen gaan komen vaak een heleboel problemen tegen op de weg naar arbeid. Het vinden en kunnen behouden van een job, is voor deze mensen van groot belang. Het is een belangrijk aspect, om te reïntegreren in de maatschappij. Deze integratie is zeker belangrijk voor personen die langdurig ziek zijn geweest.

Het is belangrijk om een duidelijk zicht te hebben op de mogelijkheden van de persoon, op vlak van arbeid. Het melba systeem gaat enerzijds kijken naar de arbeidsmogelijkheden van de cliënt. Anderzijds is het belangrijk een zicht te krijgen op de eisen van de functie aan de cliënt vereist. Ook hierop kan het melba systeem een antwoord geven.


MELBA is een systeem waarmee de mogelijkheden van een persoon getest kunnen worden. Ook kan men met melba de eisen van een functie onderzoeken

Het systeem bestaat uit een capaciteiten- en een eisenprofiel. Capaciteiten van de persoon, en eisen van de uit te voeren functie. Wanneer er een vergelijking van deze profielen gemaakt word kan de cliënt op een adequate manier over de keuze van job geadviseerd worden.

De 29 items die bij het melba systeem beoordeeld worden zijn ondergebracht in sleutelkwalificaties (cognitieve aspecten, sociale aspecten, uitvoeringsaspecten, psychomotorische aspecten en communicatieve aspecten)


Cognitief

Sociaal

Uitvoering

Psychomotorisch

Communicatief

Werkplanning

Doorzettings-vermogen

Uithoudings-

Vermogen


Energetische inzet

Lezen

Bevattingsvermogen

Leiderskwaliteit

Kritische controle

Fijne Motoriek

Rekenen

Oplettendheid

Contact-vaardigheid

Frustratietolerantie

Reactiesnelheid

Schrijven

Concentratie-vermogen

Kritisch beoordelen

Ordenend vermogen




Spreken

Leren/onthouden

Ontvangen van kritiek

Stiptheid







Probleemoplossing

Teamwork

Zelfstandigheid







Omschakeling




Zorgvuldigheid







Voorstellings-vermogen




Verantwoording







(Bron: RADEMAKERS, H. 2005, http://www.melba.nl/ )
Het Melba systeem bestaat uit :een handboek (dit bevat de definities van de capaciteiten en eisen), de Melba software, een SL-versie (Stark Leistungsbeeinträchtigten), IDA (Instrumentarium zur Diagnostik von Arbeidsfähigkeiten).
De melba software is in een basisversie beschikbaar, maar kan ook met aangevuld worden met extra modules: „MELBA SL voor capaciteiten“, „MELBA Mobiel“ voor flexibel gebruik, bijvoorbeeld wanneer u op verschillende werkplekken profielen opstelt, „MELBA Talen“, allereerst Nederlands, Italiaans, Slowaaks en Litouws, „MELBA SL voor eisen“
De basisversie MELBA 2.0 kost in de stand-alone versie vanaf € 395,- en in de netwerkversie vanaf € 595,-. Bij meerdere toepassers (stand-alone en netwerk ) wordt de prijs steeds iets hoger. (bron: http://www.melba.nl/ )
De aspecten die aan bod komen bij de beide profielen zijn zorgvuldig en betrouwbaar gedefinieerd, zodat verschillende gebruikers, met een verschillende achtergrond en in verschillende werksituaties het systeem eenduidig kunnen interpreteren en tot vergelijkbare resultaten kunnen komen. Om deze test valide en betrouwbaar te maken is het vereist dat de afnemer van de test een opleiding gevolgd heeft. Het gebruik van Melba is bijgevolg voorbehouden aan personen die een opleiding gevolgd hebben, en hiervoor een licentie hebben (voor meer informatie zie www.melba.nl : softwaretraining). De opleidingen kan men zowel in Duitsland als in Nederland volgen. Deze opleiding is kostelijk (1500euro) en vereist om de drie jaar een update.
De duur van de Melba afname is afhankelijk van verschillende factoren. De kennis, ervaring van de afnemer: hoe vaker de Melba afgenomen wordt, hoe sneller dit kan. Ook is de afnameduur afhankelijk van de bronnen die gebruikt worden (gaat de afnemer enkel af op wat de cliënt in kwestie zegt of gebruik de afnemer ook andere bronnen)

Voor elke bron wordt een Melba score gegeven, waarvan de afnemer dan uiteindelijk een gemiddeld cijfer krijgt. Er wordt per bron een half uur voor de afname geteld. Daarbij komt ook nog een half uur tot een uur voor de verwerking.


De afname is op zich niet moeilijk. Belangrijk is om de begripsdefiniëring onder de knie te krijgen daar er in de Melba termen niet altijd hetzelfde bedoelt wordt als er in de “volksmond” bedoelt wordt met hetzelfde begrip. Ook het onder de knie krijgen van een waarde gevoel bij de cijfers vraagt tijd. Daarom dient men een opleiding te volgen. De afname kan verbaal gebeuren (bij verschillende bronnen), aan de hand van medische gegevens of  indien er te weinig informatie voorhande is over bepaalde aspecten kan de IDA afgenomen worden. IDA (Instrumentarium zur Diagnostik von Arbeitsfähigkeiten) is een instrument dat bestaat uit een veertiental arbeidsvaardigheidsproeven van verschillende moeilijkheidsgraad waarvan na afname de resultaten makkelijk vertaalbaar zijn naar Melba cijfers).
Het Melba systeem is ingedeeld in 2 delen; het capaciteitenprofiel en het eisenprofiel.
Het capaciteitenprofiel.

De verschillende sleutelkwalificaties die belangrijk zijn wanneer iemand terug arbeid gaat verrichten, zijn deze die bij het capaciteitenprofiel aan bod komen (zie boven).

De vaardigheden waarover een persoon beschikt, worden op een vijfpuntsschaal gescoord. De mogelijkheden van het capaciteitenprofiel van het Melba systeem zijn uiteenlopende: Er gaat op een gestandaardiseerde manier gezocht worden naar de mogelijkheden van de persoon om tot een optimaal functioneren te komen. Hierbij gaat er gecommuniceerd worden over de zwakke en sterke punten van de cliënt (met cliënt zelf, begeleiders, werkgever,…). Op die manier gaat men systematisch een planning opmaken (in verband met begeleiding, training, te stellen eisen,…). Deze planning wordt doorheen de ontwikkeling gevolgd en het resultaat van de maatregelen wordt geëvalueerd. Ook wordt er een vergelijking gemaakt tussen de inschatting van de cliënt zijn eigen mogelijkheden en de mening van anderen.
Het eisenprofiel

Wanneer we spreken over het eisenprofiel, gaat het over de criteria die belangrijk zijn voor een bepaalde functie. Ook hier gaat er op een vijfpuntsschaal worden gescoord, er wordt gekeken welke taakeisen in welke mate vereist worden.

Een voordeel van het eisenprofiel is dat, onafhankelijk van de branche waartoe de functie behoord, de taakeisen van een bepaalde functie geanalyseerd kunnen worden.Ook de mogelijkheden van het eisenprofiel zijn uiteenlopend: men gaat op een gestandaardiseerde manier de eisen van een functie documenteren. Wanneer deze punten duidelijk zijn kan hierover gecommuniceerd worden en kunnen de verschillende werkplekken vergeleken worden op basis van hun taakeisen. Op die manier kan men een functie vorm geven met de nodige eisenstructuur.
De profielvergelijking

Het verwerken van de resultaten van de beide profielen gebeurd door gebruik te maken van een profielvergelijkingssyteem (Van HOOFF, M., Bos, P. 2004.) Dit is mogelijk omdat de beide profielen op een identieke manier opgebouwd zijn. Men gaat de twee profielen over elkaar leggen en vaststellen bij welke aspecten de mogelijkheden van de cliënt overeenstemmen met de eisen van de functie. Discrepanties kunnen op een profielvergelijkingsformulier vastgelegd worden.



Op deze manier kan er onderzocht worden of een functie voor een bepaalde cliënt geschikt is en om zo aan de hand van de mogelijkheden van de cliënt een functie of taak te selecteren. Zo kunnen er ook gerichte plaatsingsmaatregelen genomen worden, of veranderingen worden doorgevoerd.

Discussie
Doorheen het proces van zoeken naar een bruikbaar onderzoeksinstrument zijn er toch een aantal punten die in beschouwing moeten genomen worden. Als eerste punt dient er bij de Valpar Componend Worksamples rekening mee gehouden te worden dat de werkproeven, onderdelen en handleidingen zijn geschreven in het engels. Er is bij deze test ook geen informatie beschikbaar over het Europese referentie kader, de resultaten van de test worden gekoppeld aan een database met standaarden uit Amerika. Daarbij kan de vraag gesteld worden of dit vergelijkbaar is met Europa. Daarbij komt ook nog dat enkele onderdelen van de test moeilijk verplaatsbaar zijn. Uit de bestudeerde literatuur kan niet opgemaakt worden hoe de scoring gebeurt en hoeveel tijd dit in beslag neemt. Dit heeft ook te maken met het punt dat er weinig bruikbare literatuur over te vinden is. Verder scoort de test vooral naar fysiek welzijn en fysisch functioneren omtrent arbeid en niet zozeer naar andere aspecten van arbeid (zoals psychologisch welzijn en psychisch functioneren, beroepsfunctioneren, interpersoonlijk functioneren, …)
Bij het Common Protocol dient er rekening gehouden te worden met het feit dat deze vragenlijst(en) een onderdeel zijn van een rehabilitatieprogramma in Chicago en dus eigenlijk ook hiervoor opgesteld zijn en onlosmakend hiermee verbonden zijn. Belangrijk om te vermelden is ook dat het Common Protocol een vragenlijst is, die de deelnemers naar believen kunnen invullen. Er is weinig tot geen informatie beschikbaar over hoe de resultaten gescoord en geïnterpreteerd worden. De vragenlijst is opgesteld in het Engels en er is geen vertaling beschikbaar, ook in verband met het Europese referentie kader is er geen informatie beschikbaar. Er zijn bij het afnemen van het Common Protocol extra ontmoetingen met de cliënt nodig, om de studie te verduidelijken en vragen te stellen over de participatie van de cliënt. Sommige vragen uit de lijst kunnen opdringerig overkomen naar de cliënt, hiervoor is een goede relatie met de cliënt van belang. Het opbouwen van een goede cliënt therapeut relatie kost tijd. De vragen uit de lijst niet specifiek gericht naar het arbeidsfunctioneren, maar eerder algemeen gesteld.
Over de ERGOS kan besloten worden dat er een heleboel positieve kenmerken aanwezig zijn (scoring, eenduidige resultaten,…), maar toch dient er rekening mee gehouden te worden dat deze test enkel onderzoek verricht naar fysieke aspecten en dat de ERGOS niet voldoet aan de criteria van de onderzoeksvraag (arbeidsvaardigheden en werkattitude). Ook is het een groot instrument dat niet verplaatsbaar is, dat kan zeker een minpunt zijn voor onderzoekers. Het instrument is ook onpersoonlijk (computer) en er is dus geen interactie met de onderzoeker. Ook heeft eventuele belangrijke additionele informatie of observaties geen enkele invloed op de testresultaten.
Bij het MELBA instrument zijn er weinig negatieve punten bespreekbaar. Wel dient men rekening te houden met de kostprijs, die voor het basispakket +/- 400 euro kost. En daarbij komt ook nog een kostelijke opleiding. Informatie over hoe er onderzoek gedaan is over de betrouwbaarheid en validiteit is niet gevonden in de bestudeerde literatuur.

Conclusie
De Valpar Componented Worksamples is een fysiek gerichte test (staan;lopen, bukken, knielen, hurken, reiken, hand- en vingervaardigheid wordt getest) met ook enkele inter- en intrapersoonlijke (probleemconceptualisatie, zelfvertrouwen, frustratietolerantie, taakconcentratie) en cognitieve aspecten(algemene (leer)aanleg, verbale aanleg, numerieke aanleg, ruimtelijk inzicht, vormperceptie, administratief inzicht). Met de werkgerelateerde proeven krijgt de tester een duidelijk beeld van hoe de cliënt zou presteren in een werk-omgeving. Maar niet alle belangrijke aspecten van arbeid komen in dit aspect aan bod (Psychologisch welzijn en psychisch functioneren, ziekte-inzicht, zelfzorg en onafhankelijk functioneren, rollen, beroepsfunctioneren, algemene levenskwaliteit, het is niet volledig genoeg voor onze onderzoeksgroep.

Een aantal componenten van deze test zijn zeker bruikbaar (inter en intra-persoonlijke aspecten, cognitieve aspecten), maar verder onderzoek op dit vlak is zeker essentieel.


Het Common Protocol van het EIDP is een vragenlijst die scoort naar een aantal goede aspecten van arbeid, die te vinden zijn in het Cliënt Baseline interview. Dat de vragenlijst vrij beschikbaar is op het internet is ook een pluspunt. Minder positief is dat er weinig informatie beschikbaar is over hoe de test gescoord moet worden, en dat het een vragenlijst is. De ondervraagden kunnen op de vragen in de lijst naar believen antwoorden. Er zijn goede elementen aanwezig in de vragenlijst (het gebruiken van bekende en veel gebruikte instrumenten). Maar de vragen zijn niet specifiek genoeg toegespitst op de aspecten waar deze onderzoeksgroep naar op zoek is omdat de vragen algemeen gesteld worden en men daardoor enkel een oppervlakkig beeld van de cliënt krijgt.
De ERGOS worksimulator is een testintrument met een hoge wetenschappelijke waarde. De testmogelijkheden op fysiek vlak zijn uitgebreid. Onze onderzoeksgroep is op zoek naar een onderzoeksinstrument dat aan meer aspecten van arbeid (mentale aspecten, inter- en intrapersoonlijke aspecten, cognitief functioneren, …) voldoet dat dit instrument. Daarom is dit instrument niet 100% bruikbaar voor onze werkgroep. Ook de hoge kost en niet kunnen verplaatsen van dit meetinstrument is een nadeel. Verder onderzoek naar instrumenten met meer mogelijkheden is van belang.

‘MELBA’ is een systeem met een heleboel mogelijkheden, omdat dit systeem peilt naar een heleboel goede kenmerken van arbeid (die onderverdeeld zijn onder: Cognitief, Sociaal, uitvoering, psychomotorisch, communicatief). Deze zijn terug te vinden in de 29 items, van de sleutelkwalifitaties. Op het eerste zicht is deze test geschikt voor naar wat onze onderzoeksgroep op zoek is. Maar daarbij moet wel rekening gehouden worden met het punt dat deze test niet bekeken is kunnen worden, en er niet zoveel Nederlandse literatuur over beschikbaar is. Het zou dus goed zijn om nog extra informatie te kunnen verkrijgen over het melba systeem.

Uit dit literatuuronderzoek naar bruikbare en valide assessment instrumenten voor personen met psychosociale problematiek die het werk terug willen hervatten kunnen we besluiten dat er een heleboel instrumenten beschikbaar zijn, het één al meer bruikbaar dan het andere.

De test “MELBA” is op het eerste zicht het meest bruikbaar voor gebruik in het arbeidscentrum te Tienen.

MELBA is aangepast aan het Europeese referentiekader en is vertaald naar het engels. Verder zijn de competenties voor arbeid duidelijk omschreven in de sleutelkwalificaties. Ook word er rekening gehouden met de jobvereisten en kan de profielvergelijking hierin een duidelijk overzicht scheppen.

Verder moeten we wel aangeven dat het ERGOS instrument en The Valpar Componented Worksamples ook zeer bruikbare tests zijn binnen het gebied ergotherapie, in het domein van de fysiekgerichte ergotherapie . Ze onderzoeken naar meer fysieke aspecten van arbeid. Daarom zouden binnen een andere setting deze instrumenten zeker ook bruikbaar kunnen zijn. Het ERGOS instrument is voorzien van een éénduidige scoring en geeft de resultaten objectief weer.



Referenties
BAWETT, T., KING, P., TUCKWELL, N. A Critical Review of Functional Capacity Evaluations. In: Physical Therapy . Volume 78 . Number 8, (1998)

BRYAN, B., CHRISTOPHERSON., PH. Valpar and Methods-Time Measurement (MTM). In: Valpar Views en News, Vol 1, No1 (1995)

COOK, P., e.a., Effects of Job Development and Job Support on Competitive Employment of Persons With Severe Mental Illness. In: http://ps.psychiatryonline.org. Volume. 56 No. 10 (2005)

COOK, P., e.a., Integration of Psychiatric and Vocational Services: A Multisite Randomized, Controlled Trial of Supported Employment. In: American Journal of Psychiatry. (2005), 162, 1948–1956

COOK, J., MC HUGO, G., SALYERS, M., Reliability of Instruments in a Cooperative, Multisite Study: Employment Intervention Demonstration Program. In: Mental Health Services Research. Volume 3, No. 3 (2001), 129-139.

CURIST, STOELING. Vocational evaluation of persons with disabilities: A summary of experience and research with the valpar componented work samples. In: guidance & counselling. Volume 6, No 4.

(1991)

ELLIS, J., HARKESS,J., JACKSON, M., Reporting Patients' Work Abilities: How the Use of Standardised Work Assessments Improved Clinical Practice in Fife. In: British Journal of Occupational Therapy. Volume 67, No 3 (2004), 129-132.



FRINGS-DRESEN, M., KUIJER, P., RUSTENBURG, G., The Concurrent Validity of the ERGOS™ Work Simulator and the Ergo-Kit® with Respect to Maximum Lifting Capacity. In: Journal of Occupational Rehabilitation. Volume 14, No 2 (2004), 107-118.

GIBSON, L., STRONG, J. A conceptual framework of functional capacity evaluation for occupational therapy in work rehabilitation. Department of Occupational Therapy, The University of Queensland, Brisbane, Queensland, Australia (2001)



KAISER, H., KERSTING, M., SCHIAN, H. The value of the ERGOS work simulator as an element of capacity diagnostic judgement. In: Rehabilitation. Volume 39, No 3 (2000) 175-184.

LAW, M., STEWARD.D., POLLOCK, N., LETTS, L., BOSCH, J., WESTMORELAND, M. Critical Review Form – Quantitative Studies. (1998)


LEE, G., CHETWYN, C., CHAN, H. Work profile and functional capacity of formwork carpenters at construction sites. In: Disability and rehabilitation. Volume 23, No 1(2001), 9-14.

PIETERS,G., VAN DER GAAG,M. In: Rehabilitatiestrategieën. 2000

PITTELJON,G., SOENEN, K., VANHAECKE, J. Arbeidsrehabilitatie in Vlaanderen. In : Maandblad Geestelijke volksgezondheid. Volume 54 (1999), 765-770

RADEMAKERS, H. Projectplan MELBA. UVW Arnhem. Juli 2005.

RAAIJMAKERS, M. De smaak van Melba bij Prismaas. Centrum voor arbeidsreintegratie prismaas

SHENE,A., HENSELMANS, H., Psychiatrische rehabilitatie in Nederland en Vlaanderen. In: maandblad Geestelijke Volksgezondheid. Volume 54 (1999)

VAN HOOFF, M., BOS, P. MELBA, Een arbeids(re)integratiemethode. In: tijdschrift voor ergotherapie. Volume 5, 2004

VAN HOOFF, M., BOS, F. Kwaliteit van interventies in het rehabilitatieproces in onderzoek en ontwikkeling. Tijdens: congres; “rehabilitatie als maatschap”. 2004

VAN AUDENHOVE, C., VAN ROMPAEY, I., DE COSTER, I., LISSENS, G. In: Op weg naar werk. 2000

VAN WEEGHEL, J., MICHON, H., KROON, H., Arbeidsrehabilitatie vanuit een ggz-team. In: maandblad geestelijke volksgezondheid, volume 57 (2002)


Via WWW:

http://pareonline.net/getvn.asp?v=5&n=2

http://www.psych.uic.edu/eidp/default.htm

http://www.valparint.com/wsstudy.htm

http://www.eega.nl/adacwerknemer.php

http://www.melba.nl/

http://ergos.deds.nl/exp/index.php?lng=nl

http://www.wrebv.com/frset_ergos_go_n.htm


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina