Psoriasis de gegevens die hieronder worden vermeld zijn afkomstig uit de: Richtlijn Psoriasis 2011



Dovnload 214.49 Kb.
Pagina1/4
Datum08.10.2016
Grootte214.49 Kb.
  1   2   3   4
PSORIASIS
De gegevens die hieronder worden vermeld zijn afkomstig uit de:

Richtlijn Psoriasis 2011, die in zijn geheel te lezen is (zie “links” op deze site) op de website van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV): www.nvdv.nl, onder het kopje Richtlijnen alsmede uit de patiëntenfolder:

Corticosteroïden voor de huid, eveneens via dezelfde website te lezen.
De gegevens uit de richtlijn worden in een aantal blokken weergegeven:


  • Inleiding Pag. 2

  • Lokale middelen Pag. 2

  • Lichttherapie Pag. 13

  • Systemische therapieën Pag. 16

  • Methotrexaat Pag. 16

  • Ciclosporine Pag. 19

  • Retinoïden Pag. 22

  • Fumaraten Pag. 24

  • Biologics Pag. 26

  • Psoriasis inversa (genitaal en plooien) en in het gelaat Pag. 27

  • Psoriasis bij kinderen Pag. 28

  • Het Patiëntenperspectief Pag. 29

  • Samenvatting en matrix therapiekeuze Pag. 30


Daar een uittreksel niet volledig kan zijn, wordt degenen die de tekst volledig willen lezen dan ook aangeraden het betreffende deel van de richtlijn te lezen.

Indien er voor u onduidelijkheden staan in de tekst, vraagt u dan uw huidarts om verduidelijking. Hoewel de redactie plichtsgetrouw te werk is gegaan, kunnen er fouten in de tekst terecht zijn gekomen waarvoor zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden.

INLEIDING:
Van psoriasis is bekend dat in principe geen genezing mogelijk is en dat patiënten een levenslange behandeling nodig kunnen hebben. De keuze voor een bepaalde behandeling is afhankelijk van:


  • Psoriasisgebonden factoren (type, ernst, uitgebreidheid, duur, lokalisatie);

  • Behandelingsgebonden factoren (effectiviteit, korte en lange termijn, reversibele en

irreversibele bijwerkingen, contra-indicaties, beschikbaarheid, remissieduur, voorafgaande

behandelingen en farmaco-economische factoren);



  • Patiëntgebonden factoren (leeftijd, geslacht, fysieke en mentale gezondheid, voorkeur van de patiënt).

Dermatologen hebben de beschikking over een breed arsenaal aan behandelingsmogelijkheden:



  • Topicale behandelingen, (topicaal of lokaal, betekent op de plek zelf, bv. met crème of zalf)

  • Lichttherapie, (meestal met ultra-violet B licht (UVB), in het verleden ook met ultra-violet A licht in combinatie met door de mond in te nemen medicijnen, psoralenen genaamd (PUVA)

  • Diverse systemische therapieën, (systemisch betekent hier: d.m.v. medicijnen door de mond in te nemen of bv. per infuus toe te dienen)

  • Biologics, (medicijnen gericht tegen specifieke onderdelen van het immuunsysteem, die deel uitmaken van het bij psoriasis aanwezige ontstekingsproces)

Naast monotherapieën zijn verschillende combinaties van lichttherapieën, lokale en systemische

therapieën mogelijk. De behandeling kan poliklinisch, klinisch, in dagbehandelingscentra of thuis

worden gegeven. Hieronder volgt een bespreking van de meest gangbare geneesmiddelen- en methoden.


LOKALE MIDDELEN:
Calcineurine remmers
Lokale calcineurine remmers worden, naast behandeling van eczeem, ook toegepast bij psoriasis in flexuren (plooien), zoals in het ano-genitaalgebied en in het gelaat, terwijl de toepassing voor psoriasis op andere lokalisaties niet geïndiceerd is.

In Nederland zijn twee soorten calcineurineremmers op de markt: tacrolimus (Protopic®) en pimecrolimus (Elidel®). Tacrolimus is verkrijgbaar als zalf in concentraties van 0,03% en 0,1%; pimecrolimus als een crème in een concentratie van 1%.


Werkingsmechanisme

De calcineurineremmers tacrolimus en pimecrolimus hebben een vergelijkbare werking. Het

belangrijkste farmacologische effect is de remming van enzymen die een ontstekingsbevorderende werking (waardoor de zichtbare huidafwijkingen van psoriasis ontstaan) hebben.

Dosering en doseringsregime

Tacrolimus en pimecrolimus worden in het algemeen 1 tot 2 maal per dag aangebracht. In veel

gevallen wordt een kortdurende voorbehandeling met lokale corticosteroïden toegepast. De

calcineurineremmers worden ook gebruikt als onderhoudsbehandeling of intervaltherapie. In het

gezicht begint men met een tacrolimuszalf van 0,03%; indien het goed wordt verdragen kan de

dosering worden verhoogd tot 0,1%. Aangezien pimecrolimuscrème slechts in één concentratie

beschikbaar is, is hiermee een gefaseerde aanpak niet mogelijk. De behandeling met lokale calcineurineremmers moet worden voortgezet totdat de laesies verdwijnen. Vervolgens dient reguliere

huidverzorging te worden toegepast.


Bijwerkingen/veiligheid

De meest voorkomende bijwerking is een branderig gevoel direct na het aanbrengen. Deze bijwerking treedt bij de meeste patiënten alleen op bij aanvang van de therapie en verdwijnt bij voortzetting van de behandeling. Slechts bij enkele patiënten moet de therapie vanwege aanhoudende branderigheid worden stopgezet.

Aangezien calcineurineremmers het lokale immuunsysteem verstoren, komen bacteriële infecties (folliculitis) en virusinfecties (door humaan papilloma virus geïnduceerde ziektes en herpes simplex) meer voor. Aangetoond is dat het herstel van beschadigde huidcellen na UVB bestraling bij het gebruik van calcineurineremmers afneemt. Dat calcineurineremmers in de praktijk carcinogeen (huidkanker bevorderend) zijn, is niet bewezen. Vanwege een “FDA warning” is terughoudendheid geboden met toepassing van topische calcineurine remmers in combinatie met UVB of PUVA.

Zwangerschap/ teratogeniciteit/ borstvoeding

Er is geen bewijs dat calcineurineremmers een teratogeen (misvormingen verwekkend bij het nog niet geboren kind) effect hebben. Vanwege een gebrek aan bewijs wordt lokale toepassing van pimecrolimus en tacrolimus tijdens zwangerschap en borstvoeding afgeraden.



Bijwerkingen vermijden/behandelen

Behandeling moet worden stopgezet als de branderigheid niet wordt verdragen of als zich andere bijwerkingen voordoen. Het gebruik van lokale corticosteroïden of lokale desinfectantia resulteert dan op korte termijn in een snelle verbetering van de symptomen.



Overwegingen

Calcineurineremmers niet gebruiken bij:

- Overgevoeligheid voor calcineurineremmers of één van de bestanddelen

- Aangeboren of verworven immuundeficiënties (slecht werkzaam immuunsysteem)

- Maligne of premaligne laesies

- Zwangerschap en borstvoeding
Liever niet gebruiken bij

- Huidinfecties (zoals herpes simplex, folliculitis)

- Blootstelling aan UV licht

- Leverafwijkingen

- Leeftijd < 2 jaar

- Levende vaccins


Interacties van geneesmiddelen

Er zijn geen interacties bekend.


Dagelijks gebruik

Het gebruik van lokale calcineurineremmers door de patiënt veroorzaakt doorgaans geen problemen.

Alleen de branderigheid die mogelijk bij aanvang van de therapie na het aanbrengen optreedt, kan

vervelend zijn. De toepassing van tacrolimus in het gezicht is soms cosmetisch minder geslaagd als

gevolg van de zalfbasis (vet gezicht).

Calcineurineremmers kunnen als additivum (bij intervaltherapie) of ter vervanging van lokale corticosteroïden worden gebruikt.



Ditranol
Inleiding

Na de beschrijving en introductie door Galewski en Unna in 1916, was ditranol (1,8-dihydroxy-9-

anthron, synoniemen: anthraline en cignoline) waarschijnlijk het meest gebruikte lokale middel voor

chronische plaque type psoriasis in Europa tot 1980. Pas na de introductie van andere lokale middelen

(corticosteroïden, vitamine D3-analogen) werd ditranol steeds vaker vervangen vanwege de irriterende

en vlekken gevende effecten, vooral bij poliklinische behandeling. Ditranol wordt hoofdzakelijk gebruikt

voor de behandeling van patiënten die zijn opgenomen met chronische plaque type psoriasis of

patiënten die in dagbehandeling worden behandeld.



Werkingsmechanisme

Ditranol onderdrukt de vermeerdering van huidcellen. Het heeft een ontstekingremmende werking. Ditranol wordt afgebroken tot danthron en dianthron en deze producten worden uitgescheiden

via de nieren.

Na lokale toepassing van ditranol kan dit niet in het bloed worden aangetoond, zodat er geen systemische effecten te verwachten zijn.



Dosering en doseringsregime

Ambulante behandeling (thuis of in dagbehandelcentra) wordt uitgevoerd als minuut- of korte

contacttherapie; opgenomen patiënten, patiënten in dagbehandeling en poliklinische patiënten die

ervaring hebben met ditranol, kunnen behandeld worden op de klassieke wijze, waarbij de huid na het opbrengen van de ditranol gedurende een dag niet gewassen wordt (24-uurs applicatie.)

a) Korte-contact therapie

Ditranol in een zalf of crème wordt bij aanvang 10-30 minuten toegepast in een concentratie van 0,1%

op de aangetaste plekken en vervolgens afgespoeld met lauw water, eventueel in combinatie met zure zeep. Vervolgens wordt in de loop van de behandeling de concentratie ditranol opgevoerd

naar 1, 2 of 3%, waarbij een toepassingstijd van 10–30 minuten wordt aanbevolen. Als er bijwerkingen (huidirritatie) optreden, is het beter om terug te keren naar een lagere concentratie. Bij patiënten die reeds een irritatie hebben op 0.1% kan men ervoor kiezen om naar een concentratie van 0,05% te gaan.

b) ‘Klassieke’ ditranol therapie

Ook hierbij wordt aanvankelijk de zwakste concentratie (0,1%) toegepast; eenmaal per dag wordt een

dunne laag op de plekken aangebracht. Deze zalf mag niet worden afgespoeld! Normaal gesproken

wordt de concentratie, afhankelijk van de huidirritatie, elke drie dagen verdubbeld met een concentratie van 1-3% als doel. Indien nodig moet de dosering bij ernstige huidirritatie worden verlaagd.

De behandeling duurt 4-6 weken.

Effectiviteit

In de literatuur wordt vaak gezegd dat ditranol “een van de oudste en effectiefste lokale middelen voor

de behandeling van chronische plaque type psoriasis” is.

Bijwerkingen/ veiligheid

De meest voorkomende bijwerkingen zijn erytheem (roodheid) en branderigheid op zowel de psoriasis plaques als de omringende huid. Een lichte vorm van branderigheid wordt nagestreefd omdat dit aangeeft dat een werkzame concentratie is bereikt bij de patiënt. Verkleuring van de huid in behandelde gebieden en de omringende huid is waargenomen en kan 4-6 weken duren; ook haar, nagels en kleding kunnen verkleuren. Hypopigmentatie (bleek worden) van verdwenen psoriasis plaques is gebruikelijk en verdwijnt na 4–6 weken. Blaren kunnen optreden als er een te hoge concentratie ditranol gebruikt wordt.

De ontwikkeling van allergische contactdermatitis door ditranol is zeer zeldzaam.

Zwangerschap/ teratogeniciteit/ borstvoeding

De preparaten dienen niet op grote gebieden (>30% van het lichaamsoppervlak) te worden toegepast

tijdens zwangerschap en alleen na zorgvuldige afweging van de risico’s en voordelen, aangezien er

geen kennis beschikbaar is over de veiligheid voor de foetus (ongeboren kind). Vrouwen die borstvoeding geven, dienen anthraline niet op de borsten aan te brengen.


Patiënten met nier- en leverfalen

De afbraakproducten van ditranol worden uitgescheiden door de nieren. Kenners menen dat deze producten ongevaarlijk zijn voor de nieren.



Bijwerkingen vermijden/ behandelen

De kans op de bekende bijwerkingen, zoals lichte branderigheid, lichte ontsteking van de behandelde

en omringende gezonde huid, evenals bruine verkleuring van huid, haar, kleding en textiel is hoger bij

de ‘klassieke’ lange contacttherapie dan bij de korte contacttherapie. Daarom wordt deze applicatie

vrijwel uitsluitend toegepast bij in het ziekenhuis opgenomen patiënten. Als de plaques duidelijk omschreven zijn, kan de omringende gezonde huid worden beschermd met zinkpasta. Erytheem en branderigheid kunnen 1-2 dagen behandeld worden met lokale corticosteroïden. Het verdient aanbeveling

om patiënten, die geen ervaring hebben met ditranol therapie, bij voorkeur te behandelen in dagbehandeling of op te nemen voor een klinische behandeling.

Als ditranol per ongeluk in contact komt met de ogen, kan het sterke irritatie of ontsteking veroorzaken. Als tegenmaatregel moeten de ogen grondig met water of isotone zoutoplossing worden gespoeld en

vervolgens met lokale corticosteroïden worden behandeld.



Overwegingen

Niet gebruiken bij

- Psoriatische erythroderma (algehele psoriasis van de huid)

- Pustuleuze psoriasis

- Psoriatische plaques in de buurt van slijmvliezen of ogen



Liever niet gebruiken bij

- Zwangerschap, evenals de behandeling van baby’s en kinderen.



Interacties van geneesmiddelen

De toediening van fotosensibiliserende (lichtgevoeligheid verhogende) geneesmiddelen in combinatie met ditranol kan hun fotosensibiliserende effect versterken. Verder zijn

er geen reacties op geneesmiddelen gesignaleerd.

Gebruiksaanwijzing

Vóór behandeling

• Geen

Tijdens de behandeling



• Beperking van huidirritatie door dosering aan te passen

Na behandeling

• Geen
Vanwege het irriterende effect moet de crème worden aangebracht met een vingercondoom of

handschoen om bijwerkingen aan de handen te voorkomen. Ditranol mag niet in het gezicht of op de

ogen worden aangebracht. Bij de lichaamsplooien (oksel, borstplooien, liezen) is voorzichtigheid

geboden, aangezien hier hevige huidirritatie kan optreden.


Dagelijks gebruik

De toepassing van ditranol is beperkt door de stabiliteitsproblemen van ditranol (snelle oxidatie),

evenals lokale bijwerkingen, zoals huidirritatie en bruine verkleuring van huid en kleding van de

patiënt.


Bij de beoordeling voor het dagelijkse gebruik moet duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen

thuisbehandeling, dagbehandeling en klinische behandeling. Thuisbehandeling wordt vaak als

onaangenaam ervaren. Opgenomen patiënten classificeren het dagelijks gebruik als zeer goed.

Aanbevelingen

Monotherapie met ditranol bij patiënten met matige tot ernstige chronische plaque type psoriasis wordt

aanbevolen als inductietherapie tijdens ziekenhuisopname of als dagbehandeling.

Korte contact therapie met ditranol kan gegeven worden bij matige tot ernstige psoriasis als alternatief

voor lichttherapie of systemische therapie.

De therapie moet maximaal 4-8 weken worden toegepast. Onderhouds- of langetermijntherapie met

ditranol is niet praktisch en biedt geen voordelen.

Voor de behandeling van ernstige vormen van chronische plaque type psoriasis wordt een

combinatiebehandeling van ditranol met fototherapie of andere lokale preparaten (vitamine D3-

analogen en corticosteroïden) aanbevolen vanwege de hogere effectiviteit.



Corticosteroïden
Hier wordt de tekst van de folder “CORTICOSTEROÏDEN VOOR DE HUID” afkomstig van de website van de NVDV geheel weergegeven.
Wat zijn corticosteroïden?

Corticosteroïden zijn bijnierschorshormonen en daarvan afgeleide geneesmiddelen.

Corticosteroïden kunnen verwerkt worden in zalven, crèmes, lotions en dergelijke en worden

als zodanig bij vele huidaandoeningen toegepast. In deze vorm worden zij ook corticosteroïdpreparaten genoemd. Zij hebben een krachtige werking tegen ontstekingsprocessen en bijkomende verschijnselen, zoals bijvoorbeeld jeuk. Ook remmen zij een eventueel versnelde deling van huidcellen. Ontsteking en soms ook versnelde celdeling spelen bij vele huidziekten een belangrijke rol. Daardoor hebben corticosteroïden een onmisbare plaats bij de behandeling van huidziekten. Zeer veel patiënten hebben dankzij de beschikbaarheid van deze middelen een leefbaarder bestaan gekregen.

Corticosteroïd-preparaten hebben als "hormoonzalf" bij velen een slechte naam. Door

ondeskundig gebruik zijn er in de periode dat deze middelen net op de markt kwamen,

onnodig veel bijwerkingen gezien. Door de angst voor mogelijke bijwerkingen, zoals vermeld

in de bijsluiters, roept de naam "hormoonzalf" negatieve reacties op. Vooral ouders met kleine

kinderen die "hormoonzalven" krijgen voor eczeem, zijn vaak huiverig die zalven te smeren.

Dat is begrijpelijk, maar niet terecht. Bij deskundig gebruik kunnen patiënten veel baat hebben

bij het gebruik van corticosteroïd-preparaten, zonder last te ondervinden van bijwerkingen.

Corticosteroïden zorgen ervoor dat de verschijnselen van een huidaandoening verminderen of

verdwijnen, maar de oorzaak van de aandoening wordt niet weggenomen. Hoelang de

klachtenvrije periode stand houdt, is niet te voorspellen. Soms duurt het effect kort, soms

echter zo lang dat de klachten niet meer of in beperkte mate terugkomen. Definitieve genezing

is bij een aantal huidziekten, bij de huidige stand van de wetenschap, helaas nog niet mogelijk.


Welk corticosteroïd-preparaat wordt gekozen?

Welke basis (zalf, crème, lotion, en dergelijke) men kiest, waarin het corticosteroïd op de huid

wordt aangebracht, hangt af van de aard en de plaats van de huidaandoening.

Daarnaast kan bij de corticosteroïd-preparaten worden gekozen uit verschillende sterktes.

Klasse I is de minst sterke klasse, die bij voorkeur wordt gebruikt op plaatsen waar de huid het

dunst is. Een klasse I preparaat is vaak voldoende werkzaam voor lichte vormen van eczeem

en andere huidziekten. Het meest bekende klasse I preparaat is hydrocortisonacetaat 1%.

Klasse II bevat sterker werkzame middelen, zoals bijvoorbeeld triamcinolonacetonide 0,1%.

Klasse III bevat sterke preparaten (bijvoorbeeld betamethasonvaleraat 0,1%) en klasse IV

bevat de sterkste preparaten (bijvoorbeeld clobetasolpropionaat 0,05%).

De preparaten van klasse III en IV worden onder andere gebruikt bij de behandeling van

psoriasis.

De keuze van de sterkte van het preparaat wordt mede bepaald door de inschatting van het

risico op mogelijk te verwachten bijwerkingen. Bij kinderen worden klasse IV preparaten

gewoonlijk niet toegepast. Voor het gezicht en de oogleden, de uitwendige geslachtsdelen, de

lichaamsplooien en de binnenzijde van de bovenarmen en de dijbenen heeft een corticosteroïd van klasse I of II in principe de voorkeur. Op deze plaatsen is de huid namelijk het meest gevoelig is voor lokale bijwerkingen.

Een huidaandoening wordt dikwijls in de beginfase van de behandeling met een sterk preparaat

bestreden om de verschijnselen zo snel mogelijk onder controle te krijgen. In de onderhoudsfase

kan met een minder sterk preparaat wordt nabehandeld of wordt het sterke preparaat minder frequent gesmeerd.

Wat is de toepassingswijze van corticosteroïden?

In de beginfase van de behandeling van een huidziekte adviseert de arts meestal het

corticosteroïd dagelijks één of tweemaal per dag aan te brengen. Vaker dan tweemaal per dag

opbrengen van een corticosteroïd is niet effectiever, dus niet zinvol en maakt het risico op

bijwerkingen groter. Doordat een corticosteroïd zich in de huid ophoopt, is het tweemaal per

dag smeren na een beginfase van 1 tot 4 weken niet meer nodig en zelfs af te raden.

Wanneer de huidaandoening na de beginfase voldoende verbeterd is, kan men afbouwen. Dat

wil zeggen dat men in de onderhoudsfase overgaat op éénmaal daags smeren gedurende

een beperkt aantal dagen per week (intervalbehandeling), bijvoorbeeld 3 tot 5 achtereenvolgende dagen per week. De andere 2 tot 4 dagen per week smeert men niets of een basiscrème of -zalf. De ervaring leert dat in de onderhoudsfase gedurende enkele opeenvolgende dagen per week (intermitterend) smeren een even gunstig resultaat oplevert als continue dagelijkse toepassing. Bovendien zal bij het intermitterende gebruik de werkzaamheid van het corticosteroïd langer voortduren dan bij onafgebroken toepassing.

Het is veilig om bij volwassenen niet meer dan 100 gram van een corticosteroïd-preparaat van

sterkteklasse II of III per week te gebruiken, gedurende een langere periode. Bij een klasse IV

preparaat wordt geadviseerd niet meer dan 50 gram per week te gebruiken, waarbij continu

gebruik wordt afgeraden. Voor een klasse I preparaat gelden in principe geen beperkingen ten

aanzien van de gebruikte hoeveelheid.

Bij kinderen is de toegestane maximum hoeveelheid corticosteroïd-preparaat per week kleiner

dan bij een volwassene, afhankelijk van de leeftijd en het gewicht van het kind, en wordt

klasse IV liever niet gebruikt. Hoe kleiner het kind, des te minder zal men gebruik maken van

een sterk corticosteroïd. Soms is het raadzaam om gedurende een beperkte periode van

bijvoorbeeld twee weken bij een kind met eczeem een relatief sterk (klasse III) corticosteroïd

te gebruiken om de huidaandoening rustig te krijgen.



Wat zijn de bijwerkingen?

Er worden twee soorten bijwerkingen onderscheiden: lokaal en systemisch.



Lokale bijwerkingen

Lokaal wil zeggen dat bijwerkingen optreden op de plaats waar het corticosteroïd gesmeerd

wordt. Het betreft dan met name verdunning van de huid (atrofie). Daarnaast kan de huid

gevoelig worden en kleine rode vaatverwijdingen (couperose) gaan tonen. Ook kunnen

haartjes harder gaan groeien. Soms kan in het gezicht een acne-achtige huiduitslag ontstaan

door het gebruik van corticosteroïden.

Deze lokale bijwerkingen treden alleen op wanneer hormoonzalven langdurig (maanden tot

jaren) dagelijks gesmeerd worden. Met name het gezicht, maar ook de uitwendige

geslachtsdelen en de huid in en bij de lichaamsplooien zijn gevoeliger voor lokale bijwerkingen.

In en bij de lichaamsplooien kunnen striae ontstaan, strepen zoals men die kan zien ontstaan op de buik van een zwangere vrouw. Op de handpalmen en voetzolen, waar de huid van nature dik is, treedt zelden verdunning van de huid op.

Na hoeveel tijd lokale bijwerkingen zullen optreden is afhankelijk van de frequentie van

smeren en van de sterkte van het corticosteroïd-preparaat. Een klasse I preparaat veroorzaakt

zelden lokale bijwerkingen, een klasse IV preparaat soms al na enkele weken tot maanden.

Het optreden van atrofie is iets dat geleidelijk aan gebeurt. In de beginfase zal de huid zich

nog kunnen herstellen. Pas wanneer het preparaat maanden tot jaren achtereen wordt

gebruikt, wordt de huid echt onherstelbaar beschadigd. Wanneer in de onderhoudsfase

intervalbehandeling toegepast wordt, treden lokale bijwerkingen vrijwel nooit op, ook niet na

lange tijd.


Soms kan een allergie ontstaan voor corticosteroïdpreparaten. Aan deze mogelijkheid moet

worden gedacht als een huidaandoening, tegen de verwachting, niet verbetert door het

gebruik van een corticosteroïd. Een allergie voor corticosteroïden kan worden onderzocht door

middel van allergietesten.


Systemische bijwerkingen

Systemische bijwerkingen zijn algemene bijwerkingen. Deze ontstaan doordat de

corticosteroïden die op de huid worden aangebracht, door de huid heengaan en in het bloed

terechtkomen. Dit kan aanleiding geven tot systemische (algemene) bijwerkingen zoals dikker

worden van het gezicht, botontkalking, onderdrukking van de bijnierschors, staar, verhoogde

oogboldruk en bij kinderen groeiremming. Bij volwassenen treden deze systemische bijwerkingen haast nooit op, mits men niet meer gebruikt dan de toegestane maximum hoeveelheid per week. Kinderen zijn gevoeliger voor systemische bijwerkingen, omdat ze in verhouding tot hun gewicht een relatief groot lichaamsoppervlak hebben. Bovendien is hun huid dun, zodat meer van het hormoon door de huid heen gaat. Bij kinderen is men dus voorzichtiger met de toegestane maximum hoeveelheid corticosteroïd-preparaat per week en met de sterkte van het te smeren preparaat.

Door het bijhouden van een groeicurve (door consultatiebureau of behandelend arts) kan een

groeiremming tijdig worden opgemerkt. De eventueel opgetreden groeiachterstand wordt later

vanzelf weer ingehaald.



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina