Pyreneeën: De Pyreneeën Algemeen Bossen van laagland en heuvels



Dovnload 21.77 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte21.77 Kb.

Pyreneeën: De Pyreneeën Algemeen



Bossen van laagland en heuvels.

  • Typerend voor de laaggelegen gebieden aan de noordzijde zijn bossen met als belangrijkste boomsoort de zomereik.

  • Zijn grootste omvang bereikt de zomereik in bossen die tijdelijk overstroomd raken door de overvloed aan smeltwater.

  • Langs de oevers van de `gaves' die dat water afvoeren, staan vaak populieren, essen, linden en wilgen.

  • In de struiklaag en op de bodem van de eikenbossen groeien veel planten die ook in onze streken bekend zijn: hulst, vuilboom, hazelaar, kamperfoelie, varensoorten, longkruid, hengel, salomonszegel, fraai hertshooi en valse salie.

  • Op wat betere gronden mengen zich essen tussen de eiken en is de ondergroei ook wat rijker.

  • Aan de zuidkant van de Pyreneeën zijn de laagste regionen oorspronke­lijk begroeid geweest met steeneikbossen, waarvan het grootste deel in de loop van de eettwen is platgebrand om meer ruimte te scheppen voor het vee.

  • Nu groeien in dat gebied veel verspreid staande struiken, waaronder stekelige bremsoorten, aardbeiboom en kermeseik.

  • In het vroege voor­jaar duiken daartussen veel bolgewassen op en later in het jaar warmte­minnende planten als de Montpellier  aphyllantes, herkenbaar aan zijn grasachtige uiterlijk en vrij grote helderblauwe bloemen.

  • Vrijwel alle planten hebben kleine blaadjes, of het nu gaat om de vlas  en gamander­soorten, tijm, lavendel, zonneroosjes of blauwe strobloem.

  • De planten in dit gebied zijn aangepast aan droogte en zon.

  • Er zijn in dit zonnige kli­maat overigens nog twee eikensoorten die uitgestrekte bossen vormen: de donzige eik, die vooral op droge kalkbodem staat, en de kurkeik, die vooral in de buurt van de Middellandse Zee zijn klimaat vindt.


Bossen van de berghellingen.

  • Aan de Franse kant zijn de hellingen gewoonlijk bebost met beuken en zil­versparren, in een bosgordel die praktisch dezelfde hoogte aanhoudt als de vaak hardnekkige nevelige bewolking, globaal tussen 1000 en 1500 m.

  • De beuken, die op allerlei bodemtypen groeien (van kalk tot graniet), staan meestal iets lager dan de zilversparren, die een voorkeur hebben voor een licht zure bodem.

  • Maar vaak komen ze gemengd voor.

  • In het beukenbos bloeien in het voorjaar, voordat het dichte bladerdek zich ontplooit, de Pyreneese sterhyacint en de bosanemoon.

  • Later in het jaar heerst er onder de bomen een schemerig en vochtig milieu, waarin onder andere akeleiruit, knikkend nagelkruid en Pyreneeën lelie bloei­en.

  • Onder de zilversparren groeien rondbladig wintergroen, hazesla, witte rapunzel en grootbloemige brunel.

  • Vrijwel alle bomen hebben een dichte begroeiing van korstmossen op stam en takken.

  • Beuken en zilversparren vormen ook bossen op de zuidflank van het gebergte, vooral in de gebieden met de meeste regenval en dan nog het liefst op de beschaduwde hellingen.

  • Een van de bekendste voorbeelden van dit bostype op Spaanse bodem is het Bos van Irati (Iraty), waar behalve kapitale beuken en zilversparren ook eeuwenoude taxusbomen staan.

  • Dit is tegelijk het meest westelijke zilversparrenbos van de Pyreneeën.

  • Op zonnige warme hellingen staan doorgaans grove dennen, soms ge­mengd met beuken.

  • De grove den is te herkennen aan zijn roodachtige schors, vooral bovenin, maar wijkt voor het overige nogal af van het ons bekende beeld door zijn krachtige kaarsrechte stam en silhouet als van een spar.

  • In de ondergroei komt veel buxus voor, ook wel palmboompje genoemd, een plant die zeer algemeen is op de grens van het Mediter­rane klimaat.

  • Rond een hoogte van 1500 m, waar de bovengenoemde bos­typen ophouden, bevindt zich vaak een smalle gordel van berken en lijs­terbessoorten.

  • Daarboven, tot 2000 m, maar soms nog wel tot 2500 m hoogte, staan de donkere bergdennen. In het Spaans worden ze `zwarte' dennen genoemd.

  • Gewoonlijk is er vrij veel ruimte tussen de bomen, die hier en daar in kleine groepjes bijeen staan op steile wanden en hoge richels.

  • Andere plaatsen met een betere bodem blijven dikwijls onbegroeid.

  • Dit heeft te maken met de dikte van de sneeuw, die zich 's winters juist in de dal­kommen met de betere bodem hoog opstapelt.

  • De bergden is kort van stuk en neemt zijn toevlucht tot de hoger gelegen stukken waar minder sneeuw ligt.

  • Vooral op een ondergrond van kalk, waar water snel ver­dwijnt, blijft de bergden ondanks zijn lange levensduur maar klein: een zeer stevige, taps toelopende stam van hooguit 10 m lengte met veel korte, zeer buigzame zijtakken.

  • De bergden is ook de boom die het meest te verduren krijgt van het ruwe natuurgeweld.

  • De bodem ligt hier en daar bezaaid met uitgeloogde stammen, geveld door bliksem, storm of lawine.

  • Maar er zijn er ook veel die het na een leven van enkele eeuwen wel genoeg vinden en gewoon de geest geven.

  • Dergelijke grote aantallen dode bomen zijn in dit geval geen teken van slechte invloeden als bij­voorbeeld zure regen.

  • Hoewel de bergden op andere ondergrond dan kalk meestal groter wordt en ook dichtere bossen vormt, is gewoonlijk geen sprake van aaneenge­sloten bos.

  • Eigenlijk zijn het de vooruitgeschoven posten van het bos dat zijn grillige vingers uitstrekt naar de toppen, zoals bijvoorbeeld in het Karstgebied van Larra in Navarra.

  • Op de open ruimten tussen de bomen staan struikjes, zoals het roestbladige alpenroosje, bosbes, berendruifen peperboompje.

  • Hier staat ook de stengelloze distel, die de naam heeft slecht weer te kunnen voorspellen, maar meestal sluiten de bloemen zich pas als het al regent.


Boven de boomgrens.

  • De bloemrijke weiden van het hooggebergte liggen ongeveer acht maan­den van het jaar onder de sneeuw.

  • Daaronder zijn de planten goed beschermd tegen de felle winterkou, terwijl ze het licht dat er doorheen schijnt al kunnen benutten voor hun ontwikkeling in het voorjaar.

  • Plan­ten als de kwastjesbloem en de hondstand steken hun bloeistengels door de smeltende sneeuw heen en de groen blijvende alpenroosjes nemen via hun bladeren vocht op uit de sneeuw.

  • De uitbundige bloemenpracht direct na het smelten van de sneeuw heeft alles te maken met de haast van de planten om op tijd te bloeien, vrucht te zetten en zich via zaden te verspreiden, want dat moet allemaal in dat korte seizoen gebeuren.

  • De flora op deze hoogten vertoont veel overeenkomst met die van andere hooggebergten en de toendra.

  • Soorten als dwergwilgen, zilverwortel en glet­sjerranonkel komen in al deze gebieden voor.

  • Ze hebben een ruime ver­spreiding gekend toen in Europa de ijstijden heersten en hebben zich kunnen handhaven in de randgebieden waar tot op heden vergelijkbare omstandigheden heersen.

  • Andere planten zijn op overeenstemmende wijze overgestoken vanuit oostelijke steppen, zoals gentianen en edelweiss, maar er zijn ook verschillende plantensoorten die uitsluitend in de Pyre­neeën voorkomen.

  • De overeenkomsten met de Alpen zijn het grootst, zodat een boekje over de alpenflora hier goede diensten kan bewijzen.

  • De vegetatie van de bergweiden is niet overal even gevarieerd.

  • Er zijn plaatsen die door overbegrazing zijn omgevormd tot uniforme, stugge grasmatten, doorsneden door honderden smalle schapenpaadjes.

  • Daarin groeien vaak wel planten die door het vee ongemoeid worden gelaten, zoals de giftige irissen en akonieten.

  • Uitzonderlijke groeivormen bereiken de planten waar aarde schaars wordt, zodat ze zich nestelen in de kleine ruimten tussen het verspreid liggende gesteente of in groeven in de grotere rotsblokken.

  • Dergelijke planten hebben veelal een windbe­stendige kussenvorm waarin de blaadjes zo dicht op elkaar gepakt zitten dat ze een schild vormen tegen het ruwe klimaat, zoals bij mansschild en stengelloze silene.

  • Andere planten zoals bijvoorbeeld zilverwortel veranke­ren zich met lange wortels tussen het gruis van puinhellingen en weten te overleven ondanks het voortdurend schuivende gesteente.

  • Boven de boomgrens zijn ook grotere en kleinere gebieden met venen en meren.

  • Naast veenmossen, wollegras en zeggesoorten komen daarin biesvaren, kranswier, waterdrieblad en egelskop voor.

  • De meren zijn uitgesleten door gletsjers en raken geleidelijk opgevuld met plantenresten die zich in de loop van de eeuwen ophopen op de bodem.

  • De venen zijn te beschouwen als de laatste stadia van dit proces.

  • Op andere plaatsen zijn bronnen en snelstromende smeltwaterbeekjes, die vrijwel altijd begeleid worden door gele bergsteenbreek en parnassia.

  • Ook vetblad komt er veel voor, vlees­etende planten met kleverige bladeren vol kleine vliegjes en met blauwe, gespoorde bloemen.

  • Een plant waarvan de naam nog niet is gevallen, de ramondie, is ver­noemd naar de botanicus Ramond, die in 1802 als eerste de Monte Per­dido bedwong.

  • Met haar prachtige blauwviolette bloemen en rozet van stevige bladeren lijkt de plant wel wat op een Kaaps viooltje.

  • En dat is geen toeval: beide behoren met nog 500 andere soorten tot de Gloxinia­familie die praktisch alleen tropische vertegenwoordigers heeft.

  • Waar­schijnlijk is de ramondie een van de zeer zeldzame voorbeelden van een soort die zich in de Pyreneeën vestigde toen tropisch oerwoud de hellin­gen nog bedekte en zich als getuige van een lang verleden nog steeds laat bewonderen.

  • Begin juli bloeien ze volop in het Nationale Park van de Ordesa, meestal in spleten en scheuren van losse, grote rotsblokken.


Fauna

  • Tot in de verste uithoeken bevolken dieren het gebergte, vanaf de diepste kalkgrotten tot aan de ijzige kam.

  • Uit de hoogste regionen vluchten de vogels en zoogdieren bij het invallen van de winter weg op enkele uitzon­deringen na.

  • Maar in het voorjaar, dat in mei wordt ingeluid met hevige regenbuien, zijn de gieren alweer enkele maanden aan het broeden, gon­zen de weiden van insecten en brengt de herder het vee naar boven.








Samengesteld door: BusTic.nl






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina