Raad van de europese unie nl c/06/148



Dovnload 154.99 Kb.
Pagina1/2
Datum18.08.2016
Grootte154.99 Kb.
  1   2











RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE





NL

C/06/148

9658/06 (Presse 148)






PERSMEDEDELING

2733e zitting van de Raad


Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken
Luxemburg, 1-2 juni 2006




Voorzitter Mevrouw Ursula HAUBNER,
minister van Sociale Zekerheid, Generaties en Consumentenbescherming
De heer Martin BARTENSTEIN,
minister van Economische Zaken en Arbeid, en
Mevrouw Maria RAUCH-KALLAT,
minister van Volksgezondheid en Vrouwenzaken van Oostenrijk










Voornaamste resultaten van de Raadszitting

De Raad heeft met gekwalificeerde meerderheid van stemmen in eerste lezing een richtlijn betreffende levensmiddelenadditieven aangenomen.

De Raad heeft een politiek akkoord bereikt over:

  • een ontwerp-verordening tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid;

  • een ontwerp-beschikking betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten voor 2006;

  • een ontwerp-besluit tot vaststelling van een communautair programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke solidariteit.

INHOUD1

DEELNEMERS 5

BESPROKEN PUNTEN

WERKGELEGENHEID EN SOCIAAL BELEID 8

– EU-Strategie voor duurzame ontwikkeling - Sociale insluiting 8

– Sociale diensten van algemeen belang 9

– Sociale zekerheid 10

– Europees Instituut voor gendergelijkheid 11

– Actieprogramma van Peking - Conclusies van de Raad 11

– Flexizekerheid 15

– Meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten 16

– Programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke solidariteit – PROGRESS 17

– Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten 18

– Arbeidstijd 19

VOLKSGEZONDHEID 20

– Levensmiddelenadditieven 20

– Gezondheid van vrouwen - conclusies van de Raad 21

– Gezonde levensstijlen - Voorkomen van type 2 diabetes - Conclusies van de Raad 25

– Gemeenschappelijke waarden en beginselen van de gezondheidsstelsels van de EU - conclusies van de Raad 30

– EU-Strategie voor duurzame ontwikkeling 34

– Paraatheid en planning bij het uitbreken van een grieppandemie 35

– Bestrijding van hiv/aids 36

– Geneesmiddelen voor geavanceerde therapie 37

– Medische hulpmiddelen 37

DIVERSEN 38

ANDERE GOEDGEKEURDE PUNTEN

VISSERIJ


Blauwe wijting en haring 40

DEELNEMERS

De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd:



België:

de heer Peter VANVELTHOVEN minister van Werk

de heer Rudy DEMOTTE minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

Tsjechië:

de heer Čestmír SAJDA vice-minister van Arbeid en Sociale Zaken, vice-ministerieel departement Europese Unie en Internationale Betrekkingen



Denemarken:

de heer Claus Hjort FREDERIKSEN minister van Werkgelegenheid

mevrouw Eva Kjer HANSEN minister van Sociale Zaken en minister van Gelijke Kansen

Duitsland:

de heer Gerd ANDRES parlementair staatssecretaris van Economische Zaken en Arbeid

mevrouw Marion CASPERS-MERK parlementair staatssecretaris van Volksgezondheid

Estland:

de heer Jaak AAB minister van Sociale Zaken



Griekenland:

de heer Savvas TSITOURIDIS minister van Werkgelegenheid en Sociale Zekerheid

de heer Georgios KONSTANTOPOULOS staatssecretaris van Volksgezondheid en Sociale Solidariteit

Spanje:

de heer Jesús CALDERA SÁNCHEZ-CAPITÁN minister van Arbeid en Sociale Zaken



Frankrijk:

de heer Gérard LARCHER toegevoegd minister van Werkgelegenheid, Arbeid en Integratie van jongeren in het beroepsleven

de heer Xavier BERTRAND minister van Volksgezondheid en Solidariteit

Ierland:

de heer Séamus BRENNAN minister van Sociale Zaken en Gezinszaken

de heer Tony KILLEEN onderminister, ministerie van Ondernemingen, Handel en Werkgelegenheid (belast met Arbeidsvraagstukken, waaronder Opleiding)

de heer Sean POWER onderminister, ministerie van Volksgezondheid en Kinderzaken (belast met gezondheidsbevordering en andere aangelegenheden)



Italië:

de heer Cesare DAMIANO minister van Arbeid en Sociaal Beleid

mevrouw Franca DONAGGIO staatssecretaris van Sociale Solidariteit, ministerie van Arbeid en Sociaal Beleid

mevrouw Livia TURCO minister van Volksgezondheid



Cyprus:

de heer Christos TALIADOROS minister van Arbeid en Sociale Zekerheid

de heer Andreas GAVRIELIDES minister van Volksgezondheid

Letland:

mevrouw Dagnija STAĶE minister van Welzijn

de heer Gundars BĒRZIŅŠ minister van Volksgezondheid

Litouwen:

de heer Rimantas KAIRELIS staatssecretaris, ministerie van Sociale Zekerheid en Arbeid

de heer Žilvinas PADAIGA minister van Volksgezondheid

Luxemburg:

mevrouw Marie-Josée JACOBS minister van Gezinszaken en Integratie, minister van Gelijke Kansen

de heer François BILTGEN minister van Arbeid en Werkgelegenheid, minister van Cultuur, Hoger Onderwijs en Onderzoek, minister van Eredienst

de heer Mars DI BARTOLOMEO minister van Volksgezondheid en Sociale Zekerheid



Hongarije:

de heer Gábor CSIZMÁR minister van Werkgelegenheid en Arbeid

de heer Gábor KAPÓCS staatssecretaris, ministerie van Volksgezondheid

Malta:

de heer Louis GALEA minister van Onderwijs, Jeugdzaken en Werkgelegenheid

de heer Louis DEGUARA minister van Volksgezondheid, Ouderen en Gemeenschapszorg

Nederland:

de heer Aart Jan de GEUS minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

de heer Johannes Franciscus HOOGERVORST minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Oostenrijk:

de heer Martin BARTENSTEIN minister van Economische Zaken en Arbeid

mevrouw Ursula HAUBNER minister van Sociale Zekerheid, Generaties en Consumentenbescherming

mevrouw Maria RAUCH-KALLAT minister van Volksgezondheid en Vrouwenzaken



Polen:

mevrouw Anna KALATA minister van Arbeid en Sociaal Beleid

de heer Jarosław PINKAS staatssecretaris, ministerie van Volksgezondheid

Portugal:

de heer José VIEIRA DA SILVA minister van Arbeid en Sociale Solidariteit

de heer António CORREIA DE CAMPOS minister van Volksgezondheid

Slovenië:

de heer Janez DROBNIČ minister van Arbeid, Gezinszaken en Sociale Zaken

de heer Andrej BRUČAN minister van Volksgezondheid

Slowakije:

de heer Miroslav BEBLAVÝ staatssecretaris, ministerie van Arbeid, Sociale Zaken en Gezinszaken

de heer Rudolf ZAJAC minister van Volksgezondheid

Finland:

mevrouw Tarja FILATOV minister van Arbeid

mevrouw Tuula HAATAINEN minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

mevrouw Liisa HYSSÄLÄ minister van Volksgezondheid en Sociale Voorzieningen



Zweden:

de heer Hans KARLSSON minister, ministerie van Industrie, Werkgelegenheid en Verkeer, belast met Arbeidsvraagstukken

de heer Morgan JOHANSSON minister, ministerie van Sociale Zaken, belast met Volksgezondheid en Sociale Voorzieningen

Verenigd Koninkrijk:

de heer Alistair DARLING minister van Handel en Industrie

mevrouw Anne McGUIRE staatssecretaris van Gehandicaptenbeleid

mevrouw Rosie WINTERTON onderminister van Gezondheidsdiensten



Commissie:

de heer Vladimír ŠPIDLA lid

de heer Markos KYPRIANOU lid

Andere deelnemers:

de heer Tom MULHERIN voorzitter van het Europees Comité voor sociale bescherming

de heer Maarten CAMPS voorzitter van het Comité voor de werkgelegenheid

De regeringen van de toetredende staten waren als volgt vertegenwoordigd:



Bulgarije:

mevrouw Emilia MASLAROVA minister van Arbeid en Sociaal Beleid

de heer Valeri TZEKOV vice-minister van Gezondheidszorg

Roemenië:

de heer Gheorghe BARBU minister van Arbeid, Sociale Solidariteit en Gezinszaken

de heer Anton Vlad ILIESCU staatssecretaris, ministerie van Volksgezondheid

BESPROKEN PUNTEN

WERKGELEGENHEID EN SOCIAAL BELEID


  • EU-Strategie voor duurzame ontwikkeling - Sociale insluiting

De Raad heeft een uitvoerig oriënterend debat (openbaar debat) gehouden en zijn goedkeuring gehecht aan een gezamenlijk advies van het Comité voor sociale bescherming en het Comité voor de werkgelegenheid (9330/06) over de herziening van de EU-Strategie voor duurzame ontwikkeling (SDO).

Bijzondere nadruk werd gelegd op de kwestie van terugdringing van de armoede (met name voor kinderen en ouderen) en versterking van de sociale cohesie. Aan de volgende punten werd bijzondere aandacht besteed:



  • een forse verhoging van de werkgelegenheid, een verbetering van de arbeidskwaliteit en  productiviteit, en een versterking van de sociale cohesie moeten essentiële onderdelen van de SDO blijven;

  • de sociale dimensie van de SDO moet worden verstevigd door te zorgen voor nauwe samenwerking met de bestaande processen in het kader van de open coördinatiemethode inzake sociale bescherming en sociale integratie, en de herziene Lissabon-strategie;

  • De lidstaten moeten de overgang naar actief en preventief beleid blijven nastreven, met name in het licht van de uitdagingen die voortvloeien uit globalisering en demografische veranderingen;

  • bevordering van goed bestuur is van essentieel belang. In dit verband is de deelname van mensen die armoede rechtstreeks ervaren belangrijk en moet inspiratie worden ontleend aan de jaarlijkse bijeenkomsten op Europees niveau van mensen die in armoede leven;

  • er is behoefte aan meer prioritering van doelstellingen, streefcijfers en voornaamste maatregelen, en van de mix van beleidsinstrumenten die in het pakket maatregelen voor de herziening van de SDO worden voorgesteld; de rol van indicatoren is in dit opzicht van bijzonder belang;

  • de Raad EPSCO heeft een rol te vervullen om tot zichtbare resultaten en meetbare vorderingen te komen bij de uitvoering van de EU-SDO, met name door versterkte synergieën tussen beleidssectoren en processen, waaronder de Lissabonagenda;

  • een ambitieuze EU-SDO dient bij te dragen tot meer samenhang tussen het interne beleid van de EU en haar internationale verbintenissen. Op sociaal gebied moeten bijzonder inspanningen worden geleverd om fatsoenlijk werk te bevorderen.

Samenvattend heeft de voorzitter er nota van genomen dat de delegaties geen nieuw proces op dit gebied nodig achten, aangezien de open coördinatiemethode (meer bepaald uitwisseling van goede praktijken en monitoring van de ontwikkelingen met behulp van indicatoren) een passend kader biedt om sociale insluiting in de SDO op te nemen als een essentieel element.

Er zij aan herinnerd dat de Europese Raad in juni 2005 een verklaring over de richtsnoeren voor duurzame ontwikkeling heeft aangenomen op basis van vier hoofddoelstellingen: milieubescherming, sociale rechtvaardigheid en samenhang, economische welvaart en het opnemen van internationale verantwoordelijkheid 1.

In december 2005 heeft de Europese Raad nota genomen van de presentatie door de Commissie van haar mededeling over een herziening van de strategie voor duurzame ontwikkeling voor de komende vijf jaar (15796/05), en opgemerkt ernaar uit te zien om "in juni 2006 een ambitieuze en alomvattende strategie aan te nemen, die streefcijfers, indicatoren en een doeltreffende monitoringprocedure bevat, die de interne en de externe dimensie moet samenvoegen en die stoelt op een positieve lange­termijnvisie, waarin de prioriteiten en doelstellingen van de Gemeenschap op het gebied van duurzame ontwikkeling worden gebundeld tot een duidelijke, coherente strategie die eenvoudig en effectief aan de burgers kan worden overgebracht." 2.

Momenteel raadpleegt het voorzitterschap alle desbetreffende Raadsformaties met het oog op de aanneming van de hernieuwde EU-SDO door de Europese Raad in juni 2006.



  • Sociale diensten van algemeen belang

De Raad is door de Commissie geïnformeerd over haar Mededeling: Uitvoering van het communautaire Lissabon-programma: Sociale diensten van algemeen belang in de Europese Unie (9038/06). De voorzitter van het Comité voor sociale bescherming heeft de eerste standpunten van het Comité betreffende deze mededeling mondeling gepresenteerd.

Doel van de mededeling is de specifieke kenmerken van sociale diensten van algemeen belang in kaart te brengen en te verduidelijken in hoeverre de communautaire voorschriften inzake staatssteun, interne markt en overheidsopdrachten voor deze diensten moeten gelden. Ze moet worden gezien in de context van de algemene bespreking over de "ontwerp-richtlijn diensten", van de werkingssfeer waarvan bepaalde sociale diensten zijn uitgesloten.

De mededeling omvat een niet-uitputtende lijst met specifieke kenmerken van sociale diensten van algemeen belang. Naast de klassieke criteria (universaliteit, transparantie, continuïteit, toegankelijkheid enz.) zijn dit kenmerken betreffende de wijze waarop deze diensten zijn georganiseerd.

Met de mededeling als uitgangspunt zal de Commissie de lidstaten, de dienstverleners en de gebruikers van de diensten raadplegen.



Uitvoeringsverordening

In afwachting van het advies in eerste lezing van het Europees Parlement heeft de Raad een partiële 1 algemene oriëntatie bereikt met betrekking tot een ontwerp-verordening tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 2 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (9584/06 + ADD 1).

Verordening (EG) nr. 883/2004 was de eerste stap in een proces tot modernisering en vereen­voudiging van de EU-voorschriften betreffende de coördinatie van de nationale socialezekerheids­stelsels, die bedoeld zijn om de burgers van de EU in staat te stellen zich vrij in Europa te bewegen met behoud van hun rechten op sociale prestaties (gezondheid, pensioenen, werkloosheids­uitkeringen enz.). Dit proces moet worden voltooid met de aanneming van een uitvoerings­verordening 3 ter vervanging van Verordening (EEG) nr. 574/72, waarvoor momenteel een voorstel ter tafel ligt.

Voorgestelde rechtsgrondslag: de artikelen 42 en 308 van het Verdrag - eenparigheid van stemmen voor een besluit van de Raad; medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement.



Bijlage XI

In afwachting van het advies in eerste lezing van het Europees Parlement heeft de Raad een partiële 4 algemene oriëntatie bereikt met betrekking tot een ontwerp-verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, en tot vaststelling van de inhoud van bijlage XI daarvan (9613/06).

Het verordeningsvoorstel bevat bepalingen betreffende specifieke aspecten van de wetgeving van de individuele lidstaten die de inhoud van bijlage XI van Verordening (EG) nr. 883/2004 zullen vormen 5.

Voorgestelde rechtsgrondslag: de artikelen 42 en 308 van het Verdrag - eenparigheid van stemmen voor een besluit van de Raad; medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement.



  • Europees Instituut voor gendergelijkheid

De Raad heeft met eenparigheid van stemmen 1 een politiek akkoord bereikt over een ontwerp-verordening tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid. De Commissie onthield evenwel haar steun aan een representatieve raad van bestuur als bepaald door de Raad; zij geeft de voorkeur aan een raad van bestuur van beperkte omvang, als uiteengezet in haar gewijzigde voorstel 2.

De ontwerp-verordening strekt tot oprichting van een Europees instituut dat technische ondersteuning biedt aan de communautaire instellingen en de lidstaten, met name wat betreft het verzamelen, analyseren en verspreiden van vergelijkbare gegevens en statistieken, alsmede het ontwikkelen van methodologische hulpmiddelen die bijdragen tot de integratie van het genderbeleid in andere beleidsterreinen (gendermainstreaming), en dat de bewustwording van gendergelijkheid onder de Europese burgers stimuleert.

In het financieel memorandum van de Commissie wordt voor de periode 2007-2013 in totaal 52,5 miljoen EUR uitgetrokken om de kosten van het Instituut te dekken.

Voorgestelde rechtsgrondslag: artikel 13, lid 2, en artikel 141, lid 3, van het Verdrag – medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement en gekwalificeerde meerderheid voor een besluit van de Raad. Het Europees Parlement heeft op 14 maart 2006 advies uitgebracht (5133/06). Vele van de amendementen zijn in de aan de Raad voorgelegde tekst opgenomen.

De overeengekomen tekst zal tijdens een volgende zitting van de Raad als gemeenschappelijk standpunt worden aangenomen en aan het Europees Parlement worden toegezonden met het oog op de tweede lezing.


  • Actieprogramma van Peking - Conclusies van de Raad

De Raad heeft de volgende conclusies over de toetsing van de uitvoering door de lidstaten en de instellingen van de EU van het Actieprogramma van Peking aangenomen3:

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Overwegende hetgeen volgt:

1. Gendergelijkheid is een fundamenteel, in het EG-Verdrag verankerd beginsel van de Europese Unie en een van de doelstellingen en taken van de Gemeenschap, en het integreren van gelijkheid tussen vrouwen en mannen in alle communautaire activiteiten vormt een specifieke opdracht voor de Gemeenschap.

2. Naar aanleiding van de vierde Wereldvrouwenconferentie van de Verenigde Naties in 1995 in Peking heeft de Europese Raad van Madrid (15 16 december 1995) verzocht de uitvoering in de lidstaten van het Actieprogramma van Peking jaarlijks te evalueren.

3. Tijdens het vervolgproces van 1996 en 1997 werd duidelijk dat een bestendiger en systematischer toezicht op en evaluatie van de uitvoering van het Actieprogramma van Peking op EU-niveau nodig was.

4. Op 2 december 1998 kwam de Raad overeen dat de jaarlijkse evaluatie van de uitvoering van het Actieprogramma een voorstel voor een reeks kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren en benchmarks zou omvatten.

5. Sinds 1999 hebben de opeenvolgende voorzitterschappen een reeks kwalitatieve en kwanti­tatieve indicatoren ontwikkeld op een aantal van de 12 cruciale aandachtsgebieden van het Actieprogramma van Peking, namelijk: 1999   Vrouwen in de politieke besluitvorming; 2000   Vrouwen in de economie (het combineren van beroeps- en gezinsleven); 2001   Vrouwen in de economie (inzake gelijke beloning); 2002   Geweld tegen vrouwen; 2003   Vrouwen en mannen in de economische besluitvorming; 2004   Seksuele intimidatie op de werkplek. Elk jaar heeft de Raad conclusies over deze indicatoren aangenomen.

6. In de context van de tienjaarlijkse toetsing van het Actieprogramma van Peking hebben de EU-ministers verantwoordelijk voor het gendergelijkheidsbeleid op 4 februari 2005 een gezamenlijke verklaring aangenomen waarin zij, onder meer, hun krachtige steun en inzet voor de volledige, effectieve uitvoering van de verklaring van Peking en het Actieprogramma uitspreken.

7. Conform het verzoek van de Europese Raad van 20 21 maart 2003 stelt de Europese Commissie in samenwerking met de EU-lidstaten jaarlijks voor de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad een verslag op over de ontwikkelingen op het gebied van gendergelijkheid, dat richtsnoeren bevat voor de gendermainstreaming van het sectorale beleid.

8. Op 29 juni 2000 kwam de Raad overeen een Comité voor sociale bescherming op te richten dat fungeert als instrument voor uitwisseling in het kader van de samenwerking tussen de Europese Commissie en de EU-lidstaten op het gebied van de modernisering en verbetering van de socialebeschermingsstelsels. Het comité heeft een Subgroep Indicatoren opgericht die werkt aan het opstellen van indicatoren en statistieken ter ondersteuning van zijn taken. Als onderdeel van zijn opdracht werkt het comité aan de beleidsuitdaging te zorgen voor een kwalitatief hoogwaardige en betaalbare gezondheidszorg.

9. De Raad hechtte op 4 oktober 2004 zijn goedkeuring aan het advies van het Comité voor sociale bescherming over de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de open coördinatiemethode (OCM) op gezondheidszorg en langdurige zorg.

10. Op 23 september 2002 hebben het Europees Parlement en de Raad het communautair actie­programma op het gebied van de volksgezondheid (2003 2008) aangenomen met als voor­naamste doelstellingen de verbetering van de voorlichting over en de kennis op het gebied van de gezondheid, het snel reageren op bedreigingen van de gezondheid, de bevordering van de gezondheid en het voorkomen van ziekten door op alle beleidsterreinen en bij alle activiteiten rekening te houden met gezondheidsdeterminanten.

11. In het kader van het Actieprogramma van Peking wordt onder gezondheid, zoals in de definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie, verstaan een toestand van algeheel lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden en niet alleen de afwezigheid van ziekte of gebrek. Het Oostenrijkse voorzitterschap van de EU heeft een verslag opgesteld met de volgende drie indicatoren in verband met vrouw en gezondheid:



  • Gezonde levensjaren

De "Gezonde levensjaren" maken deel uit van de essentiële Europese structurele indicatoren.

  • Toegang tot gezondheidszorg (niet vervulde vraag)

Tijdens de Europese Raad in Barcelona in 2002 werden drie leidende beginselen voor de hervorming van de gezondheidszorgstelsels erkend, onder meer dat ze voor iedereen toegankelijk dienden te zijn.

  • Hart  en vaatziekten

Hart  en vaatziekten vormen de belangrijkste doodsoorzaak voor vrouwen in de Europese Unie.

Deze indicatoren moeten naar geslacht worden uitgesplitst.

1. MEMOREERT het streven van de lidstaten om vrouwen in dezelfde mate als mannen het recht te garanderen op een zo hoog mogelijk niveau van lichamelijke en geestelijke gezondheid gedurende het hele leven, en WIJST EROP dat het ontbreken van een genderperspectief op gezondheidsgebied een obstakel vormt voor de verwezenlijking van gendergelijkheid, zoals vastgelegd in het Actieprogramma van Peking;

2. MEMOREERT dat de Raad in het communautair actieprogramma op het gebied van de volks­gezondheid (2003 2008) verklaart dat alle relevante statistieken naar geslacht uitgesplitst en geanalyseerd moeten worden;

3. MEMOREERT dat de lidstaten zich ertoe verbonden hebben maatregelen te nemen en passende indicatoren en statistieken uit te werken om het Actieprogramma van Peking verder uit te voeren, en dat de Raad in juni 2005 de Commissie verzocht heeft om de beoordeling van relevante indicatoren die zijn ontwikkeld voor de follow-up van de uitvoering van het Actieprogramma van Peking, op te nemen in haar jaarverslag voor de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad;

4. BENADRUKT dat de erkenning van de genderdimensie op het gebied van de gezondheid, als vermeld in de "Routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (2006 2010)" (COM(2006) 92 def.) een essentieel onderdeel van het gezondheidsbeleid van de EU is;

5. NEEMT NOTA van het verslag over de gezondheid van vrouwen van het Oostenrijkse voorzitterschap, en van de drie indicatoren voor de toekomstige follow-up van het Actieprogramma van Peking aangaande het kritische gebied van vrouwen en gezondheid;

6. ERKENT



  • dat voor vrouwen een levensverwachting zonder handicap lager ligt;

  • dat de EU een specifiek genderperspectief in acht moet nemen en daarbij de verschillende belemmeringen voor de toegang tot en het gebruik van gezondheidszorg in kaart moet brengen;

  • dat het onderzoek naar hart- en vaatziekten lange tijd gebaseerd is geweest op langetermijnstudies met betrekking tot mannen, zodat de bevindingen niet noodzakelijk ook voor vrouwen gelden;

7. VERZOEKT de komende voorzitterschappen om, in samenwerking met de lidstaten en de Commissie, de nodige maatregelen te nemen om te zorgen voor een genderperspectief in het gezondheidsbeleid, en in de open coördinatiemethode voor gezondheidszorg en langdurige zorg, en om zich in de Subgroep Indicatoren te concentreren op het genderperspectief van gezondheidsindicatoren;

8. VERZOEKT de lidstaten verder te gaan met de verbetering van het verzamelen, opmaken, analyseren en verspreiden van recente, betrouwbare en vergelijkbare gegevens, uitgesplitst naar geslacht en leeftijd, onder meer met medewerking van de nationale instituten voor de statistiek, en in het kader van het communautair statistisch programma, zodat statistieken en medische gegevens betreffende de drie door het Oostenrijkse voorzitterschap voor­gestelde indicatoren en statistische gegevens over andere indicatoren met betrekking tot de thema's van het Actieprogramma van Peking op gezette tijden beschikbaar zijn en regelmatig worden bestudeerd; VERZOEKT de lidstaten TEVENS genderspecifieke gegevens te verzamelen, en de gendergezondheidsindicatoren verder uit te werken op communautair niveau;

9. ZEGT TOE zich te blijven concentreren op de in het Actieprogramma genoemde kritische aandachtsgebieden, en de geboekte vooruitgang periodiek te evalueren, en verzoekt de toekomstige voorzitterschappen om in samenwerking met de lidstaten de eerder besproken thema’s opnieuw op te nemen en de vooruitgang op die gebieden te beoordelen aan de hand van de ontwikkelde indicatoren;

10. VERZOEKT de Europese Commissie en de lidstaten in andere communautaire processen, in voorkomend geval, rekening te houden met de thema' s die in het kader van de follow-up van het Actieprogramma van Peking besproken zijn en waarvoor reeds indicatoren zijn aangenomen;

11. ROEPT de regeringen op


  • te bepalen wat de voorwaarden zijn voor een goede gezondheid zowel bij vrouwen als bij mannen, rekening houdend met de specifieke aspecten van de gezondheid van vrouwen om een klimaat te scheppen dat goed is voor elk van beide geslachten;

  • onderzoek naar gendergelijkheid met betrekking tot gezondheid te stimuleren;

12. VERZOEKT de Commissie en de lidstaten om, overeenkomstig hun respectieve bevoegd­heden, gendergezondheidsaspecten in het gezondheidsbeleid te integreren, met een bijzondere nadruk op de drie door het Oostenrijkse voorzitterschap voorgestelde indicatoren (gezonde levensjaren, toegang tot gezondheidszorg (niet vervulde vraag), hart- en vaatziekten)."

De Raad heeft ook nota genomen van het verslag van het voorzitterschap waarin drie indicatoren voor de toekomstige follow-up van het Actieprogramma van Peking aangaande het kritische gebied van "Vrouwen en gezondheid" worden gepresenteerd.



  • Flexizekerheid

De Raad bekrachtigde de gezamenlijke bijdrage van het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité voor sociale bescherming over flexizekerheid (9633/06).

De Europese Raad in het voorjaar van 2006 heeft de lidstaten ertoe opgeroepen bijzondere aandacht te schenken aan "flexizekerheid" en de flexibiliteit in combinatie met zekerheid te bevorderen, en de segmentering van de arbeidsmarkt te verminderen.1

In de gezamenlijke bijdrage worden vier elementen aangegeven om een goed evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid op de arbeidsmarkt te bereiken: beschikbaarheid van geschikte contractuele regelingen, actief arbeidsmarktbeleid, betrouwbare systemen voor een levenlang leren en moderne socialezekerheidsstelsels.

Erkend wordt dat verdere analyse nodig is om rekening te houden met de specifieke situatie van de lidstaten met betrekking tot onder meer



  • specifieke voorbeelden van hetgeen in verschillende landen goed functioneert,

  • interne kwantitatieve en functionele flexibiliteit (d.w.z. de werkorganisatie) en diverse aspecten van de arbeidswetgeving,

  • het meten van flexizekerheid,

  • de kosten en baten van flexizekerheid voor verschillende groepen op de arbeidsmarkt, waaronder randgroepen,

  • de kosten en baten van flexizekerheid voor de overheidsfinanciën en de samenleving in haar geheel,

  • de houdbaarheid van sociale en financiële verbintenissen, vooral in ongunstige economische omstandigheden,

  • verschillende trajecten naar (meer) flexizekerheid voor lidstaten met verschillende uitgangssituaties.

De Comités nemen kennis van het voornemen van de Commissie om een groenboek over de arbeidswetgeving te publiceren, de flexizekerheidsaspecten in de context van het jaarlijks voortgangsverslag te analyseren en in 2007 een mededeling over een stel gemeenschappelijke beginselen goed te keuren, alsook van het voornemen van het komende Finse voorzitterschap om dit punt op de agenda te zetten van de tripartiete sociale top in het najaar van 2006.

  • Meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten

In afwachting van het advies in eerste lezing van het Europees Parlement nam de Raad nota van een voortgangsverslag over de stand van de besprekingen over het voorstel voor een richtlijn betreffende de verbetering van de meeneembaarheid van aanvullende pensioenen (9100/1/06).

Nu de aanvullende pensioenregelingen voor de dekking van het ouderdomsrisico in de lidstaten steeds belangrijker worden, wordt met dit Commissievoorstel beoogd het vrij verkeer van werknemers tussen de lidstaten en de mobiliteit binnen een lidstaat te vergemakkelijken, door afschaffing van eventuele restrictieve bepalingen in de aanvullende pensioenregelingen waardoor mobiele werknemers minder mogelijkheden hebben om in de loop van hun leven voldoende pensioenrechten op te bouwen.

De belangrijkste doelstellingen zijn:


  • de verwerving van bedrijfspensioenrechten vergemakkelijken;

  • een passende bescherming voor de slapende rechten van vertrekkende werknemers garanderen;

  • de overdracht van verworven pensioenrechten vergemakkelijken;

  • ervoor zorgen dat werknemers in geval van beroepsmobiliteit correct worden ingelicht.

Voorgestelde rechtsgrondslag: de artikelen 42 en 94 van het Verdrag – eenparigheid van stemmen voor een besluit van de Raad en medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement.

  • Programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke solidariteit – PROGRESS

Nu er overeenstemming over het financieel kader voor 2007-2013 is bereikt, heeft de Raad een volledig 1 politiek akkoord bereikt over een ontwerp-besluit tot vaststelling van een communautair programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke solidariteit.

Doel van het programma is, de uitvoering van de doelstellingen van de Europese Unie op sociaal en werkgelegenheidsgebied financieel te ondersteunen en aldus bij te dragen tot de verwezenlijking van de Lissabonstrategie.

Het programma is verdeeld in vijf onderdelen: werkgelegenheid, sociale bescherming en integratie, arbeidsomstandigheden, discriminatiebestrijding en verscheidenheid, en gelijkheid van mannen en vrouwen.

Met dit besluit wordt één gestroomlijnd financieel instrument vastgesteld, dat tot doel heeft de vier bestaande specifieke actieprogramma's te consolideren en te voorzien in de voortzetting en uitbreiding van de activiteiten waarmee een begin is gemaakt uit hoofde van:



  • het Besluit van de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bestrijding van discriminatie (2001-2006) 2;

  • de Beschikking betreffende het programma in verband met de communautaire strategie inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen 3;

  • het Besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter aanmoediging van samenwerking tussen lidstaten bij de bestrijding van sociale uitsluiting 1;

  • het Besluit van het Europees Parlement en de Raad inzake communautaire stimulerings­maatregelen op het gebied van de werkgelegenheid 2, en

  • het Besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bevordering van organisaties die op Europees niveau op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen actief zijn3,

en de voortzetting en uitbreiding van activiteiten op communautair niveau met betrekking tot de arbeidsomstandigheden.

De begroting voor de duur van het programma bedraagt 658 miljoen euro tegen prijzen van 2004.

Voorgestelde rechtsgrondslag: artikel 13, lid 2, artikel 129 en artikel 137, lid 2, punt a) van het Verdrag – gekwalificeerde meerderheid voor een besluit van de Raad; medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement. Het Europees Parlement heeft op 6 september advies uitgebracht (11954/05).

De overeengekomen tekst zal tijdens een volgende zitting van de Raad als gemeenschappelijk standpunt worden aangenomen en aan het Europees Parlement worden toegezonden met het oog op de tweede lezing.



  • Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten

De Raad bereikte een politiek akkoord over een ontwerp-beschikking betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten voor 2006 (9471/06).

Conform het Commissievoorstel blijven de vorig jaar goedgekeurde richtsnoeren (10205/05) ongewijzigd.

Voorgestelde rechtsgrondslag: artikel 128, lid 2 van het Verdrag - eenparigheid van stemmen voor een besluit van de Raad; raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité van de Regio's.

De overeengekomen tekst zal in juni 2006 ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Europese Raad en in een komende zitting van de Raad formeel worden aangenomen.



  • Arbeidstijd

In aansluiting op zijn eerdere debat in december 2005 heeft de Raad op basis van door het voorzitterschap ingediende compromisteksten over het controversiële punt van de opt-out opnieuw lange en uitvoerige besprekingen gehouden over een gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/88/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd 1.

Alle delegaties en de Commissie waren ingenomen met de vastbeslotenheid van het voorzitterschap om tot algemene overeenstemming te komen gezien de noodzaak een gemeenschappelijke oplossing te vinden voor de uitdagingen die uit de SIMAP-Jaegerarresten voortvloeien.

Ondanks de vorderingen die gemaakt zijn bij het aanwijzen van mogelijke elementen voor een akkoord en gezien de verschillen in de arbeidsmarktsituaties en in de standpunten van de lidstaten over de eventuele noodzaak van en voorwaarden voor handhaving van de opt-out, was het evenwel niet mogelijk in dit stadium een algemeen politiek akkoord te bereiken.

De doelstelling van het gewijzigde Commissievoorstel is tweeledig:

Ten eerste rekening houden met de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie, met name de arresten in de zaken SIMAP 2 en Jaeger 3, volgens welke aanwezigheidsdiensten van artsen volledig als arbeidstijd moeten worden aangemerkt wanneer de fysieke aanwezigheid van de arts in het gezondheidscentrum vereist is.

Ten tweede een aantal bepalingen herzien van Richtlijn 2003/88/EG betreffende de mogelijkheid om de maximale wekelijkse arbeidstijd (48 uur) niet toe te passen indien de werknemer met het verrichten van dergelijke arbeid instemt (de "opt-out"-bepaling).

De belangrijkste resterende vraagstukken betreffen de "opt-out"-bepaling en de vraag of de maximale wekelijkse arbeidstijd per overeenkomst dan wel per werknemer moet worden berekend.

Voorgestelde rechtsgrondslag: artikel 137, lid 2, van het Verdrag - eenparigheid van stemmen voor een besluit van de Raad; medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement. Het Europees Parlement heeft op 11 mei 2005 zijn advies in eerste lezing uitgebracht (8725/05) en de Commissie heeft op 31 mei 2005 haar gewijzigde voorstel ingediend (9554/05).



VOLKSGEZONDHEID

  • Levensmiddelenadditieven

De Raad heeft met gekwalificeerde meerderheid van stemmen 1 in eerste lezing 2 een richtlijn aangenomen tot wijziging van Richtlijn 95/2/EG betreffende levensmiddelenadditieven met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen, en Richtlijn 94/35/EG inzake zoetstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt (PE-CONS 3663/05).

Richtlijn 95/2/EG betreffende levensmiddelenadditieven, met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen bevat een lijst van toegestane levensmiddelenadditieven, de levensmiddelen waarin zij mogen worden gebruikt en de gebruiksvoorwaarden. Zij moet aan recente technische en wetenschappelijke ontwikkelingen worden aangepast.

De wijzigingen hebben betrekking op:


  • de herziening van bestaande vergunningen (nitriet en nitraat, bijvoedingsmiddelen, voedingssupplementen en voeding voor medisch gebruik, p-Hydroxybenzoaten, geleermiddelen in geleiproducten in minicups),

  • de vergunning voor nieuwe levensmiddelenadditieven (erytritol, 4-Hexylresorcinol, hemicellulose van soja, ethylcellulose, pullulan, TBHQ),

  • de vergunning voor uitbreiding van het gebruik van al toegelaten levensmiddelenadditieven (natriumwaterstofcarbonaat in zuremelksekaas, sorbaten en benzoaten in schaaldieren, siliciumdioxide als draagstof, additieven in traditionele producten).

Richtlijn 94/35/EG inzake zoetstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt, bevat een lijst van toegestane zoetstoffen, de levensmiddelen waarin zij mogen worden gebruikt en de gebruiksvoorwaarden. Zij moet aan recente technische en wetenschappelijke ontwikkelingen worden aangepast.

De wijzigingen hebben betrekking op de vergunning voor een nieuw levensmiddelenadditief (erytritol).

Voorgestelde rechtsgrondslag: artikel 95 van het Verdrag - gekwalificeerde meerderheid van stemmen voor een besluit van de Raad; medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement. Het Europees Parlement heeft op 26 oktober 2005 in eerste lezing advies uitgebracht (13689/05).


  • Gezondheid van vrouwen - conclusies van de Raad

De Raad nam de volgende conclusies aan:

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

1. MERKT OP dat de burgers van de Europese Unie, van wie meer dan de helft vrouwen zijn, grote waarde hechten aan een zo goed mogelijke menselijke gezondheid, en deze als een essentiële voorwaarde voor een hoge levenskwaliteit beschouwen.

2. MEMOREERT HET VOLGENDE:



  • In artikel 3, lid 2, van het EG-Verdrag en in artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie staat dat de gelijkheid van mannen en vrouwen moet worden gewaarborgd op alle gebieden;

  • In artikel 152 van het EG-Verdrag staat dat bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid wordt verzekerd, en dat het optreden van de Gemeenschap een aanvulling vormt op het nationale beleid en gericht is op verbetering van de volks­gezondheid, preventie van ziekten en aandoeningen bij de mens en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de menselijke gezondheid;

  • Op 4 december 1997 heeft de Raad een resolutie aangenomen over het verslag 1 over de gezondheidstoestand van vrouwen in de Europese Gemeenschap 2;

  • Op 9 maart 1999 heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen over het verslag van de Commissie over de gezondheidstoestand van vrouwen in de Europese Gemeenschap 3;

  • Op 28 april 2005 heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen over modernisering van de sociale bescherming en ontwikkeling van kwaliteitszorg, waarin de Commissie wordt opgeroepen een nieuw rapport over de gezondheidssituatie van vrouwen in de Europese Unie 4 voor te leggen;

3. MEMOREERT het verslag over de vooruitgang in de Europese Unie wat betreft de uitvoering van het Actieprogramma van Peking, dat in januari 2005 door het Luxemburgse voorzitterschap is opgesteld en waarin wordt gesteld dat vrouwengezondheid nog steeds een actiegebied is en dat er relevante gegevens moeten worden verzameld.

4. MEMOREERT het strategisch actieplan voor de gezondheid van vrouwen in Europa, dat tijdens de bijeenkomst van de WHO van 5-7 februari 2001 in Kopenhagen is aangenomen.

5. ERKENT dat sociale determinanten en gezondheidsdeterminanten, klinische verschijnselen, therapeutische benaderingen, doeltreffendheid en bijwerkingen van de behandeling van ziekten en aandoeningen voor vrouwen en mannen verschillend kunnen zijn.

6. BENADRUKT dat het grote publiek, maar ook degenen die werkzaam zijn in de gezondheidszorg, zich sterker bewust moeten worden van het feit dat het geslacht een belangrijke gezondheidsdeterminant is.

7. ERKENT dat er iets moet worden gedaan aan eventuele ongelijkheden tussen en in de lidstaten en dat daarvoor de sociale en economische gezondheidsdeterminanten moeten worden aangepakt.

8. VERWELKOMT de mededeling van de Commissie: Een routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2006-2010 1, waarin de genderdimensie in de gezondheid wordt erkend en onder meer wordt gepleit voor een hechtere integratie van genderaspecten in het gezondheidsbeleid.

9. STELT VAST dat het communautair actieprogramma op het gebied van de volks­gezondheid (2003-2008) 2 beoogt de menselijke gezondheid te beschermen en de volksgezondheid te verbeteren, en aldus bijdraagt tot het wegwerken van ongelijkheden op gezondheidsgebied.

10. JUICHT TOE dat het voorstel voor een beschikking van de Raad betreffende het specifiek programma "Samenwerking" tot uitvoering van het zevende kaderprogramma (2007-2013) van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, techno­logische ontwikkeling en demonstratie 3, beoogt genderaspecten in het gezondheids­onderzoek te integreren.

11. ERKENT dat gendergebonden biomedisch onderzoek nodig is, evenals onderzoek naar sociaal-economische determinanten.

12. ERKENT dat, hoewel vrouwen langer leven dan mannen, zij gebukt gaan onder de last van een groter aantal jaren van ongezond leven. Bepaalde ziekten zoals osteoporose komen bij vrouwen meer en vaker voor. Andere ziekten, zoals hart- en vaatziekten, kanker en geestelijke-gezondheidsproblemen, treffen mannen en vrouwen op verschillende wijze. Sommige aan geboorte en voortplantingsorganen gelieerde ziekten, zoals endometriose en baarmoederhalskanker, treffen uitsluitend vrouwen.

13. BENADRUKT dat hart- en vaatziekten voor vrouwen in de Europese Unie een belangrijke doodsoorzaak zijn en een belangrijke oorzaak vormen van een vermindering van de levenskwaliteit, hoewel ze in sommige lidstaten nog steeds worden beschouwd als ziekten die overwegend bij mannen voorkomen.

14. STELT MET BEZORGDHEID VAST dat de toename van het aantal rokende vrouwen in sommige lidstaten een sterk verhoogd risico van longkanker en hart- en vaatziekten met zich meebrengt.

15. STELT MET BEZORGDHEID VAST dat wordt voorspeld dat depressie in sommige lidstaten tegen 2020 de belangrijkste ziekte zal zijn bij vrouwen. Een slechte geestelijke gezondheid heeft gevolgen voor de kwaliteit van het leven en kan derhalve de ziekte- en sterftecijfers beïnvloeden.

16. ZIET IN dat ongezonde leefwijzen een grote invloed hebben bij een beduidend aantal ziekten en oordeelt derhalve dat het aanprijzen van onder meer gezonde voedingspatronen en lichaamsbeweging veel kan doen om het aantal hart- en vaatziekten en bepaalde vormen van kanker te verminderen.

17. IS HET EROVER EENS dat gendergevoelige preventieve maatregelen, stimulering van een gezonde levensstijl en behandeling, bijdragen tot de verlaging van de ziekte- en sterftecijfers tengevolge van ernstige ziektes bij vrouwen, en derhalve de kwaliteit van hun leven kunnen verhogen.

18. STELT VAST dat betrouwbare, compatibele en vergelijkbare gegevens over de gezondheidstoestand van vrouwen van essentieel belang zijn voor een betere voorlichting van het publiek en voor het ontwikkelen van goede strategieën, goed beleid en goede maatregelen die moeten zorgen voor een hoog niveau van gezondheidsbescherming, en stelt vast dat genderspecifieke gegevens en verslaglegging van essentieel belang zijn voor de beleidsvorming.

19. BENADRUKT dat er, na bijna tien jaar, een nieuw verslag moet worden opgesteld over de gezondheidstoestand van vrouwen in de uitgebreide Europese Unie.

20. VERZOEKT de lidstaten om



  • Genderspecifieke gegevens over de gezondheid te verzamelen en statistische gegevens uit te splitsen en te analyseren naar geslacht;

  • Initiatieven te nemen om de kennis over de relatie tussen gender en gezondheid bij het grote publiek en bij degenen die werkzaam zijn in de gezondheidszorg te vergroten;

  • Gezondheid te bevorderen en ziekten te voorkomen met inachtneming van eventuele verschillen tussen de geslachten;

  • Onderzoek naar de uiteenlopende effecten van geneesmiddelen op vrouwen en mannen te bevorderen, evenals genderspecifiek gezondheidsonderzoek;

  • Aan te sporen tot het integreren van genderaspecten in de gezondheidszorg;

  • Eventuele ongelijkheden op het gebied van de gezondheid te bestuderen en aan te pakken zodat de gezondheidskloof wordt gedicht en de gelijke behandeling en gelijke toegang tot zorg worden gewaarborgd.

21. VERZOEKT de Europese Commissie om

  • Genderaspecten een plaats te geven in gezondheidsonderzoek;

  • De uitwisseling van informatie en ervaring inzake goede praktijken in gendergevoelige stimulering van een gezonde levensstijl en preventie te bevorderen;

  • De lidstaten te helpen doeltreffende strategieën te ontwikkelen om gezondheidsongelijkheden die een genderdimensie hebben, te verkleinen;

  • De vergelijkbaarheid en compatibiliteit van genderspecifieke informatie over gezondheid in de lidstaten en op communautair niveau te bevorderen en te versterken door het ontwikkelen van bruikbare gegevens;

  • Een tweede verslag in te dienen over de gezondheidstoestand van vrouwen in de Europese Unie.

22. VERZOEKT de Europese Commissie om, mede met behulp van de deskundigheid van EUROSTAT en van het toekomstige Europese Instituut voor Gendergelijkheid, bij te dragen tot het verzamelen en analyseren van gegevens en het uitwisselen van beste praktijken.

23. VERZOEKT de Europese Commissie te blijven samenwerken met de internationale en intergouvernementele organisaties op dit gebied, in het bijzonder de WHO en de OESO, teneinde te bewerkstelligen dat de activiteiten goed worden gecoördineerd."



  • Gezonde levensstijlen - Voorkomen van type 2 diabetes - Conclusies van de Raad

De Raad nam de volgende conclusies aan:

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

1. MERKT OP dat de burgers van de Europese Unie grote waarde hechten aan een zo goed mogelijke menselijke gezondheid, en deze als een wezenlijke voorwaarde voor een hoge levenskwaliteit beschouwen;

2. MERKT voorts OP dat het optreden van de EU erop gericht moet zijn de belangrijkste oorzaken van sterfte en vroegtijdige sterfte, alsook van verminderde levenskwaliteit bij de burgers van de Europese Unie aan te pakken.

3. MEMOREERT HET VOLGENDE:


  • Artikel 152 van het EG-Verdrag bepaalt dat het optreden van de Gemeenschap een aanvulling vormt op het nationale beleid, en gericht is op verbetering van de volksgezondheid, preventie van ziekten en aandoeningen bij de mens en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de menselijke gezondheid. Bij het optreden van de Gemeenschap op het gebied van de volksgezondheid worden de verantwoordelijkheden van de lidstaten voor het organiseren en verstrekken van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging geëerbiedigd;

  • Op 29 juni 2000 heeft de Raad een resolutie inzake maatregelen op het gebied van gezondheidsdeterminanten 1 aangenomen;

  • Op 14 december 2000 heeft de Raad een resolutie betreffende gezondheid en voeding 2 aangenomen;

  • op 2 december 2002 heeft de Raad conclusies inzake zwaarlijvigheid 3 aangenomen;

  • op 2 december 2003 heeft de Raad conclusies inzake gezonde leefstijlen 4 aangenomen.

4. MEMOREERT VOORTS HET VOLGENDE:

  • Op 2 juni 2004 heeft de Raad nota genomen van een informatieve nota van het Ierse voorzitterschap over de mogelijkheden voor een Europese diabetesstrategie 1;

  • Op 15 maart 2005 heeft de Europese Commissie een EU-platform op het gebied van eetgewoonten, lichaamsbeweging en gezondheid opgericht;

  • Op 8 december 2005 heeft de Europese Commissie een Groenboek "Bevorderen van gezonde voeding en lichaamsbeweging: een Europese dimensie voor de preventie van overgewicht, obesitas en chronische ziekten" aangenomen, dat ingaat op de factoren die tot type 2 diabetes kunnen leiden;

  • Op 3 april 2006 heeft het Europees Parlement een schriftelijke verklaring over diabetes 2 aangenomen.

5. NEEMT NOTA van de bijgevoegde conclusies van de Conferentie over de "Preventie van type 2 diabetes" die het Oostenrijkse voorzitterschap op 15-16 februari 2006 in Wenen heeft georganiseerd, en waaraan is deelgenomen door deskundigen van de lidstaten, de toetredende staten en de kandidaat-lidstaten, waaronder gezondheidswerkers en vertegenwoordigers van diabetesverenigingen en patiëntengroepen.

6. BEKLEMTOONT dat diabetes voor de burgers van de Europese Unie één van de belangrijkste oorzaken van sterfte en vroegtijdige sterfte, alsook van verminderde levenskwaliteit is.

7. VERKLAART dat gezondheidsbepalende factoren invloed hebben op diabetes, en dat, naast familiegeschiedenis en hoge leeftijd, de belangrijkste risicofactoren voor type 2 diabetes te vinden zijn in overgewicht, een zittende levensstijl, tabaksgebruik en/of hoge bloeddruk, die kunnen worden beïnvloed met maatregelen die gericht zijn op de onder­liggende factoren. Andere belastende factoren zijn zwangerschapsdiabetes, verminderde glucosetolerantie en een verhoogde nuchtere glucosewaarde.

8. ONDERKENT dat type 2 diabetes en de bijbehorende complicaties (voor hart en bloedvaten, nieren, ogen en voeten) vaak te laat worden ontdekt en dat de complicaties vaak pas op het moment van de diagnose als zodanig worden herkend.

9. VERKLAART dat preventieve maatregelen, vroegtijdige herkenning en diagnose en een efficiënt ziektebeheer het Europees sterftecijfer als gevolg van diabetes kunnen doen dalen en kunnen leiden tot een hogere levensverwachting en levenskwaliteit bij de Europese bevolking.

10. IS BEZORGD over de negatieve gevolgen voor de gezondheid, in het bijzonder wat diabetes betreft, van de toename van het aantal gevallen van overgewicht en zwaarlijvigheid in alle leeftijdsgroepen van de bevolking van de Europese Unie, met name bij kinderen en jongeren. Meer bepaald heerst er bezorgdheid over de gevolgen van type 2 diabetes voor vrouwen in hun vroege reproductieve jaren.

11. VERKLAART dat met betrekking tot diabetes en de onderliggende gezondheidsbepalende factoren dringend gerichte maatregelen moeten worden genomen om de toenemende incidentie en prevalentie van de ziekte, alsook de stijging van de directe en indirecte kosten ervan aan te pakken.

12. ONDERKENT dat het mogelijk is type 2 diabetes te voorkomen of uit te stellen en de bijbehorende complicaties te beperken door de onderliggende gezondheidsbepalende factoren aan te pakken, in het bijzonder slechte voedingsgewoonten en gebrek aan lichaamsbeweging, zelfs bij jonge kinderen.

13. ONDERKENT dat het voorkomen van diabetes rechtstreeks positieve gevolgen heeft voor andere niet-overdraagbare aandoeningen, zoals hart- en vaatziekten, die ook tot de belangrijke gezondheidsrisico's voor de burgers van de Europese Unie behoren, alsmede voor de druk op de gezondheidszorgstelsels en de economie.

14. ERKENT dat diabetes gevolgd en bestudeerd moet worden, onder meer door het uitwisselen van gegevens over ziekte en sterfte als gevolg van diabetes en over risicofactoren, en dat meer inzicht moet worden verworven in de levensstijlen, de kennis, de attitudes en de gedragingen van de bevolking in de hele EU.

15. ERKENT dat verder onderzoek in Europa naar de gezondheidsfactoren die bepalend zijn voor de bestrijding van de risicofactoren met betrekking tot diabetes een positieve bijdrage zou kunnen leveren aan de bestrijding van die ziekte in de toekomst.

16. ONDERKENT dat, teneinde de diabetesproblematiek aan te pakken en te beperken, een benadering op lange termijn nodig is die maatregelen omvat ten behoeve van zowel de gezonde bevolking als personen die een groot risico lopen of diabetes hebben.

17. ERKENT dat gezondheidsbevordering een geïntegreerde aanpak vergt, breed opgezet, transparant, multisectoraal en multidisciplinair moet zijn, en op participatie en het beste beschikbare wetenschappelijke onderzoek en de best beschikbare gegevens dient te berusten. Met name is het van belang dat ziektepreventie zich op alle levensfasen richt, in het bijzonder bij mensen voor wie het diabetesrisico het grootst is, en dat daarbij rekening wordt gehouden met sociale, culturele, sekse- en leeftijdsverschillen. Er moeten inspanningen worden geleverd met het oog op een passende evaluatie, inclusief de evaluatie van en het toezicht op maatregelen en programma's.

18. VERHEUGT ZICH EROVER dat de Commissie een actieplatform op het gebied van eetgewoonten, lichaamsbeweging en gezondheid heeft opgericht.

19. ERKENT de belangrijke rol die de civiele samenleving kan spelen bij het voorkomen van diabetes en de gevolgen ervan.

20. VERZOEKT de lidstaten om zich, rekening houdend met de beschikbare middelen, in het kader van de aanneming of herziening van nationale volksgezondheidsstrategieën en bij hun pogingen om voorrang te geven aan gezondheidsbepalende factoren en het bevorderen van een gezonde levensstijl, te beraden over:



  • het op nationaal niveau verzamelen, registreren, volgen en rapporteren van volledige epidemiologische en economische gegevens over diabetes en gegevens over onderliggende factoren;

  • het, waar nodig, ontwikkelen en uitvoeren van kaderplannen voor de aanpak van diabetes en/of de bepalende factoren, van op wetenschappelijk bewijs gebaseerde ziektepreventie, screening en beheer op basis van beste praktijken, met een op meetbare doelstellingen gebaseerd evaluatiesysteem voor het in kaart brengen van resultaten op het gebied van gezondheid en kostenefficiëntie, waarbij rekening wordt gehouden met de organisatie en het prestatieniveau van de gezondheidszorgsystemen in de verschillende lidstaten, met ethische, juridische, culturele en andere relevante vraagstukken alsook met de beschikbare middelen;

  • het ontwikkelen van op wetenschappelijk bewijs gebaseerde, duurzame en kostenefficiënte maatregelen met het oog op de bewustmaking van het publiek en primaire preventie, die toegankelijk en betaalbaar zijn en inspelen op de behoeften van wie het hoogste diabetesrisico loopt, en van de bevolking in haar geheel;

  • het ontwikkelen van betaalbare en toegankelijke maatregelen voor secundaire preventie die gebaseerd zijn op nationale, op wetenschappelijk bewijs gebaseerde richtsnoeren, en die erop gericht zijn het ontstaan van diabetescomplicaties te ontdekken en te voorkomen;

  • het kiezen voor een holistische, multisectorale en multidisciplinaire beheersaanpak ten aanzien van diabetespatiënten, waarbij de nadruk ligt op preventie en waarbij de primaire, secundaire en gemeenschapszorg, de sociale diensten en het onderwijs worden betrokken;

  • het verder ontwikkelen van een integrale diabetesopleiding voor gezondheidswerkers.

21. VERZOEKT de Europese Commissie om de lidstaten, waar nodig, te steunen in hun pogingen om diabetes te voorkomen, en een gezonde levensstijl aan te moedigen door:

  • diabetes aan de orde te stellen als Europees volksgezondheidsprobleem, en netwerkvorming en uitwisseling van informatie tussen lidstaten aan te moedigen teneinde beste praktijken te verspreiden, de coördinatie van gezondheidsbevorderend en preventiebeleid alsook van op de hele bevolking en op risicogroepen gerichte programma's te versterken, de ongelijkheden te verminderen en optimaal gebruik te maken van de beschikbare middelen voor volksgezondheid;

  • Europees onderzoek naar diabetes in basis- en klinische wetenschappen te faciliteren en te steunen, en ervoor te zorgen dat de resultaten van dit onderzoek in Europa ruim worden verspreid;

  • de vergelijkbaarheid van epidemiologische gegevens over diabetes te bestuderen en te verbeteren door standaardmodellen op te stellen voor de evaluatie van, het toezicht op en de verslaglegging over mortaliteit, morbiditeit en risicofactoren in verband met diabetes in alle lidstaten;

  • op basis van door de lidstaten verstrekte informatie verslag uit te brengen over de maatregelen die zij nemen om gezondheidsbepalende factoren onder de aandacht te brengen en een gezonde levensstijl aan te moedigen, over nationale diabetesplannen en over preventiemaatregelen, waarbij wordt nagegaan in hoeverre de voorgestelde maatregelen ook effect sorteren en of verdere maatregelen nodig zijn;

  • het verder ontwikkelen van een globale aanpak van gezondheidsbepalende factoren op Europees niveau, met inbegrip van een coherent en integraal beleid op het gebied van voeding en lichaamsbeweging, en het aanpakken van de gevolgen voor de volksgezondheid van de, in het bijzonder op kinderen gerichte, reclame, marketing en presentatie van energierijke voeding en met suiker gezoete dranken;

  • voort te bouwen op het werk van het EU-actieplatform op het gebied van eetgewoonten, lichaamsbeweging en gezondheid, en het ontwikkelen en uitvoeren van nationale programma's en maatregelen ter preventie van diabetes aan te moedigen;

  • in de verschillende beleidsgebieden op EU-niveau rekening te houden met gezondheidsbepalende factoren en risicofactoren.

22. VERZOEKT de Commissie om te blijven samenwerken met de relevante internationale en intergouvernementele organisaties, in het bijzonder de Wereldgezondheidsorganisatie en de OESO, teneinde voor een doeltreffende coördinatie van de activiteiten te zorgen."

  • Gemeenschappelijke waarden en beginselen van de gezondheidsstelsels van de EU - conclusies van de Raad

De Raad nam de volgende conclusies aan:

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

1. NEEMT ER NOTA VAN dat de Europese Commissie besloten heeft om gezondheidsdiensten in haar gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt uit de werkingssfeer van het voorstel te halen en aldus een aantal amendementen van het Europees Parlement in de tekst op te nemen.

2. NEEMT ER NOTA VAN dat de Europese Commissie verklaard heeft dat zij een communautair kader voor veilige, hoogwaardige en efficiënte gezondheidsdiensten tot stand wil brengen door de samenwerking tussen de lidstaten te intensiveren en duidelijkheid en zekerheid te verschaffen over de toepassing van het Gemeenschapsrecht op gezondheidsdiensten en de gezondheidszorg.

3. ERKENT dat uit recente arresten van het Europees Hof van Justitie is gebleken dat er behoefte is aan verduidelijking omtrent de interactie tussen de bepalingen van het EG-Verdrag, met name wat betreft het vrij verkeer van diensten en de door de nationale gezondheidsstelsels verleende gezondheidsdiensten.

4. IS VAN OORDEEL DAT de gezondheidsstelsels een centraal onderdeel vormen van het hoge niveau van sociale bescherming in Europa en een belangrijke bijdrage tot sociale samenhang en sociale rechtvaardigheid leveren.

5. HERINNERT AAN de overkoepelende waarden universaliteit, toegang tot hoogwaardige zorg, rechtvaardigheid en solidariteit.

6. HECHT ZIJN GOEDKEURING aan de aangehechte verklaring over de gemeenschappelijke waarden en beginselen die ten grondslag liggen aan de gezondheidsstelsels in de lidstaten van de Europese Unie.

7. VERZOEKT de Europese Commissie erop toe te zien dat de in de verklaring opgenomen gemeenschappelijke waarden en beginselen in acht worden genomen bij het opstellen van specifieke voorstellen betreffende de gezondheidsdiensten.

8. VERZOEKT de instellingen van de Europese Unie ervoor te zorgen dat de in de verklaring opgenomen gemeenschappelijke waarden en beginselen in hun werkzaamheden geëerbiedigd worden.




  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina