Raad van tucht voor registeraccountants en accountants-administratieconsulenten te amsterdam



Dovnload 23.34 Kb.
Datum18.08.2016
Grootte23.34 Kb.
RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN TE AMSTERDAM
Beslissing van 29 juni 2009 in de zaak met nummer R651 van:
A,

wonende te B,

klager,
tegen
X RA,

kantoorhoudende te A,

betrokkene.


  1. Het verloop van de procedure




    1. De Raad van Tucht heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewisselde en aan partijen bekende stukken, waaronder:

(a) het klaagschrift van 14 juli 2008, met bijlagen, en

(b) het verweerschrift van 10 oktober 2008.




    1. De Raad van Tucht heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 9 maart 2009, waar aanwezig waren - aan de zijde van klager - A in persoon, bijgestaan door mr. V, advocaat te U, en - aan de zijde van betrokkene - X, bijgestaan door mr. R, advocaat te A. Voorts is ter zitting verschenen mr. H, verbonden aan XYZ.




    1. Partijen hebben bij gelegenheid van voormelde zitting hun standpunten toegelicht - klager mede aan de hand van een de wederpartij en aan de Raad van Tucht overgelegde pleitnota - en hebben geantwoord op vragen van de Raad van Tucht.




    1. De inhoud van de voormelde gedingstukken, waaronder de ter zitting overgelegde pleitnota, geldt als hier ingevoegd.




  1. Bespreking van een gevoerd verweer




    1. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat klager de onderhavige tuchtrechtprocedure misbruikt teneinde te proberen stukken in handen te krijgen, in het bijzonder het conceptrapport van betrokkene van 14 november 2003, dat klager hoopt te kunnen gebruiken in een gerechtelijke procedure tegen de opdrachtgeefster van betrokkene.




    1. Het is de Raad van Tucht niet gebleken dat op voorhand is uitgesloten dat de behandeling van de onderhavige klacht, zou kunnen bijdragen aan de doelstelling van de tuchtrechtspraak, te weten blijkens artikel 33, lid 1, van de Wet op de Registeraccountants, het weren en beteugelen van misslagen van registeraccountants in de uitoefening van hun beroep en van inbreuken op verordeningen van de Orde en op de eer van de stand der registeraccountants. De omstandigheid dat klager bij deze door hem geïnitieerde procedure tevens een eigen belang heeft, dat niet samenvalt met de doelstelling van de tuchtrechtspraak, betekent op zichzelf niet dat sprake is van misbruik van tuchtrecht. Nu de Raad van Tucht van misbruik van (proces)recht niet is gebleken, wordt het verweer verworpen.




  1. De vaststaande feiten




    1. Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Raad van Tucht het volgende vast.




    1. In november 2003 heeft betrokkene, die toen als partner werkzaam was bij XYZ Corporate Finance & Recovery NV, in opdracht van ABC NV een onderzoek uitgevoerd in overeenstemming met zijn opdrachtbevestiging van 10 november 2003, die onder meer inhoudt:

“U heeft de afdeling Dispute Analysis & Investigations van XYZ Corporate Finance & Recovery NV (...) verzocht op basis van de door mevrouw B ter beschikking gestelde documentatie de volgende zaken in kaart te brengen:

• Feiten en omstandigheden rond de verstrekte lening ter grootte van € 1.275.000;

• Gang van zaken omtrent de afkoopsom van UVW;

• De rechtsvorm waarin de onderneming wordt uitgeoefend.”

Dit onderzoek is geïnitieerd door mevr. B die direct of via de aan haar gelieerde vennootschap ABC NV aan DEF BV een financiering had verstrekt van ruim € 1.275.000,- via GHI BV, van welke vennootschap klager enig aandeelhouder en bestuurder was.


    1. In een conceptrapport van 14 november 2003 heeft betrokkene de voorlopige uitkomsten van zijn werkzaamheden neergelegd, welk conceptrapport hij op diezelfde datum heeft besproken met mevr. B, die na deze bespreking heeft besloten de opdracht te beëindigen.




    1. Bij brief van 18 november 2003, gericht aan de hoofdofficier van justitie, heeft ABC NV tegen klager aangifte gedaan wegens onder meer valsheid in geschrift. In deze door “mevr. B” “voor de vennootschap” ondertekende brief wordt onder meer haar visie op de gang van zaken met de verstrekte lening beschreven. De brief bevat geen directe of indirecte verwijzing naar voormeld conceptrapport van betrokkene.




    1. Stukken van mr. W, de advocaat van ABC NV en/of mevr. B die door hem zijn overgelegd in civiele procedures tegen klager en/of GHI BV houden onder meer in:

- pleitaantekeningen van 15 juni 2004:

“4.10 Zoals ik reeds heb aangegeven en uit de overgelegde producties blijkt, raakte ABC in september 2003 op de hoogte van de onregelmatigheden. In eerste instantie was de gedachte van ABC dat de curator van DEF deze onregelmatigheden maar nader moest (laten) onderzoeken; het faillissementsrekest was al ingediend.

4.11 ABC had XYZ inmiddels opdracht gegeven onderzoek te doen naar de gang van zaken. Dit XYZ-rapport bevestigde de gedachte dat het ging om onregelmatigheden en voorts rees (ook uit andere hoofde) het vermoeden dat het zou gaan om zeer omvangrijke onregelmatigheden. Om die reden is besloten de strafzaak aanhangig te maken bij het Openbaar Ministerie en de faillissementsaanvraag in te trekken. Een en ander mede tegen de achtergrond van de bereidheid van A een forensisch onderzoek te laten uitvoeren.”


- een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van 13 juni 2007:

“2.20 De gedachte achter de faillissementsaanvraag van DEF door ABC was dat een curator er wellicht in zou slagen de door ABC geconstateerde onregelmatigheden nader te onderzoeken. In de tussentijd had onderzoek door XYZ bij DEF uitgewezen dat er daadwerkelijk sprake was van onregelmatigheden. Voorts rees, onder andere omdat A weigerde mee te werken aan een forensisch onderzoek, het vermoeden dat het zou gaan om meerdere en nadere onregelmatigheden. Dat was de reden voor mevr. B de faillissementsaanvraag in te trekken en strafrechtelijk aangifte te doen.”




  1. De klacht

De klacht houdt in, kort samengevat, dat betrokkene onderzoek heeft verricht en op grond daarvan aan zijn opdrachtgever heeft gerapporteerd op een wijze die in strijd is met art. 5 en of artikel 11 GBR-1994, doordat betrokkene heeft verzuimd hoor en wederhoor toe te passen, als gevolg waarvan zijn rapport een deugdelijke grondslag ontbeert.




  1. De gronden van de beslissing




    1. Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Raad van Tucht als volgt.




    1. Bij de beoordeling van de klacht stelt de Raad van Tucht voorop dat het handelen van betrokkene moet worden getoetst aan de verordening Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (GBR-1994), aangezien het handelen waarop de klacht betrekking heeft plaatsvond vóór 1 januari 2007.




    1. Voorts stelt de Raad voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en in geval van - gemotiveerde - betwisting aannemelijk te maken die tot het oordeel kunnen leiden dat de registeraccountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De omstandigheid dat klager niet de beschikking heeft gekregen over het conceptrapport waarop de klacht betrekking heeft, omdat betrokkene om hem moverende redenen ervan heeft afgezien dit rapport als processtuk in de onderhavige procedure te brengen, doet aan dit uitgangspunt niet af.

Weliswaar brengt het hiervoor onder 2.2 genoemde met de tuchtrechtspraak gediende belang mee, dat een registeraccountant gehouden is medewerking te verlenen aan het onderzoek naar de gegrondheid van een hem betreffende klacht, maar deze gehoudenheid gaat in dit geval niet zo ver, dat betrokkene tot overlegging van het meerbedoelde conceptrapport zou dienen over te gaan. Daarbij dient - meer in het algemeen - erop acht te worden geslagen dat voor het indienen en in behandeling nemen van een tuchtklacht geen bijzonder belang van klager vereist is, zodat het aannemen van een onbeperkte gehoudenheid aan de zijde van de registeraccountant tot het overleggen van bepaalde stukken, zou kunnen leiden tot inbreuken op de procesorde of oneigenlijk gebruik van de tuchtrechtspraak. Toegespitst op de onderhavige zaak heeft de Raad van Tucht bij zijn oordeel dat betrokkene niet gehouden is het conceptrapport van 14 november 2003 in het geding te brengen in aanmerking genomen dat:

(a) niet in geschil is dat het gaat om een conceptrapport met voorlopige bevindingen, opgesteld op basis van stukken die betrokkene van zijn opdrachtgeefster heeft ontvangen, dat uitsluitend bestemd was voor een bespreking tussen betrokkene en zijn opdrachtgeefster, in verband waarmee op elke bladzijde van het conceptrapport mede is vermeld “Concept uitsluitend ter bespreking met mevrouw B en XYZ op 14 november 2003”, dat aan het conceptrapport door betrokkene geen kenbaarheid is gegeven, anders dan in die besloten bespreking met zijn opdrachtgeefster, welke bespreking enkel een oriënterend karakter had en heeft geleid tot het beëindigen van de opdracht, als gevolg waarvan het niet is gekomen tot een nadere rapportering door betrokkene;

(b) klager al in juni 2004 op de hoogte kon zijn van het bestaan van het conceptrapport en kennelijk geen aanleiding zag op dat moment kennis te nemen van de inhoud van het rapport;

(c) de raadsman van betrokkene ter zitting onweersproken heeft gesteld dat klager op de voet van art. 843a Rv een verzoek heeft gedaan, welke procedure de Raad van Tucht met zijn beslissing niet wenst te doorkruisen.
In de hierna volgende beoordeling moet dus, los van het rapport, volstaan worden met een beoordeling van de aannemelijkheid van de stellingen van klager tegenover het verweer van betrokkene.


    1. Klager heeft zijn klacht gegrond op de door hem veronderstelde inhoud van het rapport in samenhang met door hem veronderstelde wetenschap van betrokkene ten tijde van het opstellen van dit conceptrapport omtrent de procedures waarin klager verwikkeld was met de opdrachtgeefster van betrokkene. Hij heeft aan zijn klacht, die in verscheidene meer gedetailleerde verwijten uiteenvalt, ten grondslag gelegd dat betrokkene een persoonsgericht onderzoek heeft uitgevoerd naar beweerdelijke door klager begane onregelmatigheden, terwijl hij wist dat zijn rapport zou worden gebruikt in de verscheidene juridische procedures waarin klager en de opdrachtgeefster van betrokkene verwikkeld waren.

Klager heeft zijn veronderstellingen aangaande de strekking en inhoud van het conceptrapport gegrond op de door de raadsman van mevr. B/ABC NV in civiele procedures gedane mededelingen, zoals hiervoor weergegeven en op de door laatstgenoemde gedane strafrechtelijke aangifte. Wat betreft de door klager bij betrokkene veronderstelde wetenschap heeft klager gesteld dat een en ander destijds mede door publicaties in de krant, als feit van algemene bekendheid gold.




    1. In zijn verweer heeft betrokkene, kort samengevat, onder meer aangevoerd dat - anders dan klager tot uitgangspunt heeft genomen - door hem geen onderzoek is verricht naar beweerdelijke onregelmatigheden door klager, geen persoonsgericht onderzoek is verricht en dat het door hem verrichte onderzoek niet heeft uitgewezen dat sprake was van onregelmatigheden, zoals door de advocaat van zijn opdrachtgeefster is gesteld. Letterlijk heeft betrokkene aangevoerd: “In de conceptrapportage van 14 november 2003 is geen enkele opmerking over, laat staan enig verwijt aan het adres van, Klager te vinden. Dat (de raadsman van) mevr. B/ABC in processtukken beweert dat uit de rapportage zou blijken dat sprake is van “onregelmatigheden” is de verantwoordelijkheid van anderen dan betrokkene.”.

Tevens heeft betrokkene gesteld dat het conceptrapport geen zodanige bevindingen behelsde dat dienaangaande eerst hoor en wederhoor met klager moest plaatsvinden, alvorens de inhoud ervan te kunnen bespreken met zijn opdrachtgeefster. Voorts heeft betrokkene aangevoerd dat in de opdrachtbevestiging betreffende het onderhavige conceptrapport is vermeld dat het uitsluitend is bestemd voor de opdrachtgeefster en dat het zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming vooraf niet, in welke vorm dan ook, aan derden ter beschikking mag worden gesteld. Daarbij heeft betrokkene gesteld dat hij in de periode tussen 14 november 2003 en het indienen van de onderhavige tuchtklacht niets heeft vernomen omtrent procedures tussen klager en betrokkene opdrachtgeefster of omtrent het gebruikmaken door laatstgenoemde van het conceptrapport in die procedures.




    1. Op voormeld verweer van betrokkene stuiten de klacht - ook in de meer gedetailleerde uitwerking ervan - af, omdat de feiten die daaraan ten grondslag zijn gelegd, zoals hiervoor onder 5.4 vermeld, niet aannemelijk zijn geworden. Daarbij heeft de Raad van Tucht er tevens acht op geslagen dat de hiervoor onder 3.4 bedoelde aangifte geen melding maakt van het conceptrapport van betrokkene, terwijl de inhoud van de stukken van de advocaat, weergegeven onder 3.5, op zichzelf niet de daaraan door klager verbonden conclusies rechtvaardigt. De inhoud van de opdrachtbevestiging maakt zulks niet anders. De Raad van Tucht volgt klager evenmin in zijn stelling dat door de aard en de strekking van de werkzaamheden van betrokkene vast stond dat de uitkomst daarvan gebruikt zou worden in een civiele procedure tegen klager. Nog daargelaten dat de inhoud van de opdrachtbevestiging niet zonder meer tot deze slotsom voert, geldt dat, gelet op de oriënterende fase waarin betrokkene een rol vervulde, zowel mogelijk was dat betrokkene niet tot bevindingen zou komen die ten faveure van zijn opdrachtgeefster bruikbaar zouden zijn in een procedure tegen klager, als dat betrokkene niet tot een afgeronde rapportage zou komen die zich zou lenen voor inbreng in een civiele procedure.

Aan een beoordeling van de meer specifieke verwijten waarop door betrokkene is ingegaan in zijn verweerschrift onder punt 32 en verder komt de Raad van Tucht niet toe, nu klager ook aan die verwijten de door de Raad van Tucht niet aannemelijke geoordeelde veronderstelling ten grondslag heeft gelegd dat door betrokkene een persoonsgericht onderzoek is uitgevoerd. Aangenomen dat de stelling van klager dat betrokkene uit de soort/aard van de hem ter beschikking gestelde stukken redelijkerwijs had behoren te weten dat deze stukken niet rechtmatig konden zijn verkregen als een afzonderlijke klacht moet worden beschouwd en niet enkel als een schets door klager van de context, faalt deze klacht eveneens. Betrokkene heeft ter zitting verklaard geen enkele indicatie te hebben gehad dat de hem ter beschikking gestelde stukken op een onbehoorlijke wijze zouden zijn verkregen. In het licht daarvan faalt ook de desbetreffende niet nader gemotiveerde klacht.




    1. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.


De beslissing
De Raad van Tucht verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.P.A. Boersma, voorzitter, J.W. Schallenberg RA en J.J.M. de Bruijn RA, leden, in aanwezigheid van mr. R. Kuiper, adjunct-secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad van Tucht van 29 juni 2009.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina