Raam-cao bos en natuur 01 januari 2014 tot en met 31 december 2014 Algemeen deel + 3 ondernemingsdelen



Dovnload 0.96 Mb.
Pagina4/13
Datum20.08.2016
Grootte0.96 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13
2.3 Beëindiging dienstverband voor bepaalde tijd

2.3.1 ‘Ten aanzien van de aanvang en beëindiging van de arbeidsverhouding zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, met dien verstande dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op de eerste dag waarop werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.’
3 ARBEIDSDUUR EN ARBEIDSTIJDEN

3.1 Werkdagen en zaterdagen, zondagen, feest- en gedenkdagen → opgenomen onder artikel 3.4 Algemeen deel

3.2 Normale arbeidstijden → opgenomen onder artikel 3.1 Algemeen deel

3.3 Seniorenregeling

3.3.1 Er is een seniorenregeling zoals opgenomen in het Algemeen deel onder artikel 3.6.

3.3.2 Voor werknemers onder het Ondernemingsdeel Bosbouw die deelnemen aan de regeling, geldt dat zij ter bekostiging van de regeling op jaarbasis 12 atv-dagen / 96 roostervrije uren inleveren.

3.4 Overschrijding van de arbeidstijd

3.4.1 In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1.1 Algemeen deel en in artikel 3.5 Ondernemingsdeel Bosbouw, is de werknemer van 18 jaar en ouder verplicht, voor zover de bedrijfsomstandigheden zulks naar het oordeel van de werkgever dringend vorderen, bosbouwwerkzaamheden in overwerk te verrichten.

3.4.2 De in artikel 3.4.1 genoemde verplichting tot het verrichten van werkzaamheden in overwerk geldt niet voor werknemers die de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt.

3.4.3 Het bepaalde in artikel 3.4.1 geldt niet op zondag, op de in artikel 3.1.3 genoemde dagen, op de zaterdag voor Pasen en voor Pinksteren en bovendien niet op zaterdag, indien in het kalenderjaar reeds op 4 zaterdagen overwerk is verricht.

3.4.4 De in artikel 3.4.1 bedoelde verplichting tot het verrichten van overwerk strekt zich uit tot ten hoogste 10 uur per week en 50 uur per jaar.

3.4.5 De in artikel 3.4.1 bedoelde verplichting geldt naar evenredigheid van het aantal normale arbeidsuren bij een voltijds dienstverband ook voor deeltijdwerkers.

3.4.6 De arbeidstijd vermeerderd met de schaft- en stoptijden en de tijd voor het reizen van en naar het werk mag ten hoogste 11 uur per dag zijn.

3.5 Overuren en onregelmatig werk

3.5.1 Als overuren worden beschouwd de arbeidsuren boven de normale arbeidsduur per week als genoemd in artikel 3.1.1 Algemeen deel.

3.5.2 De in artikel 3.5.1 bedoelde uren worden betaald op basis van het bepaalde in artikel 9.2.

3.5.3 Onder onregelmatig werk worden verstaan werkzaamheden, welke buiten de normale arbeidstijden worden verricht en waarbij de 40-urige respectievelijk 37-urige werkweek niet wordt overschreden.

3.5.4 Overuren, als bedoeld in de artikelen 3.4 en 3.5, worden beschouwd als onregelmatige werkuren indien zulks tijdig vóór de aanvang van de werkzaamheden met de betrokken werknemer is overeengekomen.

3.5.5 De in artikel 3.5.3 en 3.5.4 bedoelde uren zullen worden gecompenseerd in vrije tijd op basis van artikel 9.2.4 en binnen één maand nadat het onregelmatige werk is verricht.

3.6 Roostervrije dagen

3.6.1 In de bedrijven waarin een roostervrije dagenregeling wordt toegepast geldt, in afwijking van het bepaalde in artikel 3.1 Algemeen deel van de Raam-CAO, dat de wekelijkse arbeidsduur bij een volledig dienstverband gemiddeld 40 uur bedraagt, gelijkelijk verdeeld over 5 werkdagen.

3.6.2 Een werknemer met een volledig dienstverband bouwt aldus 3 roostervrije uren per week op; op jaarbasis is dat 144 roostervrije uren, hetgeen overeenkomt met 18 roostervrije dagen. Voor deeltijdwerkers geldt dat zij naar rato roostervrije uren / dagen opbouwen.

3.6.3 Roostervrije uren / dagen dienen in het jaar waarin zij zijn opgebouwd te worden opgenomen; niet opgenomen roostervrije uren / dagen vervallen per 31 december van dat jaar.

3.6.4 In bedrijven waarin een roostervrije dagenregeling wordt toegepast geldt verder het volgende:



  • de roostervrije dagen worden schriftelijk in een rooster vastgelegd

  • op roostervrije dagen wordt geen arbeid verricht

  • werknemers hebben tijdens roostervrije dagen aanspraak op doorbetaling van het voor hen geldende loon

3.6.5 Op de nationale feestdag 5 mei is in de jaren dat deze dag op een werkdag valt, sprake van een extra roostervrije dag, tenzij het bedrijfsbelang zich daartegen verzet. Moet op deze dag inderdaad worden gewerkt, dan wordt dat op een ander moment gecompenseerd met een roostervrije dag.

3.6.6 Van de op grond van de artikelen 3.6.2 en 3.6.4 vastgestelde data voor roostervrije dagen kan worden afgeweken in overleg met de ondernemingsraad dan wel in onderling overleg tussen werkgever en werknemer mits de uitkomst van dit overleg tijdig schriftelijk is vastgelegd.

3.6.7 Wanneer de arbeidsovereenkomst, met inachtneming van het in de artikelen 2.2. en 2.3 bepaalde, wordt beëindigd en de werknemer het aantal roostervrije dagen, waarop hij naar rato recht had, niet heeft opgenomen, is de werkgever verplicht de nog niet opgenomen dagen uit te betalen.

3.7 Mogelijkheid vaststellen afwijkende werkweek

3.7.1 Werkgevers krijgen de mogelijkheid om tijdelijk afwijkende werkweken vast te stellen. Tot een totaal maximum van veertig uur en maximaal vijf uur per week voor maximaal twaalf weken hoeft de werkgever geen overwerkvergoeding te betalen aan de werknemer over de op deze wijze opgebouwde plusuren. De werkweek zal dus in deze situatie maximaal 45 uren bedragen bij een 40-urige werkweek en maximaal 42 uren bij een 37-urige werkweek.

3.7.2 De werkgever kondigt het voornemen om volgens deze regeling te werken tijdig aan, vermeldt daarbij tevens de startdatum en stelt roosters op. De aldus opgebouwde plus- of minuren worden gecompenseerd door tevens werkweken met méér- of minderuren vast te stellen.

3.7.3 De regeling voor het vaststellen van een afwijkende werkweek kan alleen gelden van maandag tot en met vrijdag en staat los van de gebruikelijke overwerktoeslag voor werken op zaterdagen, zon- en feestdagen.
4. FUNCTIEWAARDERING EN FUNCTIEBELONING

4.1 Functie-omschrijvingen

De omschrijvingen van de functies waarop het Ondernemingsdeel Bosbouw van toepassing is, zijn opgenomen in Bijlage I van het Ondernemingsdeel Bosbouw.

4.2 Functie-indeling

De in artikel 4.1 genoemde functies zijn gewaardeerd en vervolgens vastgelegd in een functieniveaumatrix, die is weergegeven in Bijlage II van het Ondernemingsdeel Bosbouw.

4.3 Functiebeloning

Aan de functiewaardering is een systeem van functiebeloning gekoppeld, dat is weergegeven in Bijlage III van het Ondernemingsdeel Bosbouw.

4.4 Salariëring

De bij de diverse functies en functiejaren behorende salarissen zijn af te lezen aan het in Bijlage III van het Ondernemingsdeel Bosbouw opgenomen functiebeloningsoverzicht.

4.5 Algemene bepalingen omtrent het loon

4.5.1 Voor valide werknemers met een volledige werkweek gelden de tijdlonen voor gewone werkzaamheden, vermeld in Bijlage III van het Ondernemingsdeel Bosbouw.

4.5.2 Voor leerlingen en mindervalide werknemers gelden ten aanzien van het loon de bepalingen onder artikel 4.7.

4.5.3 Vervallen

4.5.4 Voor met name te noemen werkzaamheden die bijzondere vakkennis en inspanning vereisen, kunnen bij de bijzondere bepalingen van de cao afzonderlijke tijdlonen worden vastgesteld.

4.6 Inschaling in nieuwe functie

4.6.1 De werknemer die in een nieuwe functie wordt geplaatst, zal in de salarisstructuur één niveau lager worden ingeschaald dan normaliter voor deze functie geschiedt. Bij voldoende functioneren van de werknemer zal deze na ten hoogste één jaar worden ingedeeld op het bij de functie behorende salarisniveau. Tekortkomingen in het functioneren van de werknemer die aan dat laatste in de weg staan, zullen vóór het verstrijken van dat jaar schriftelijk en gemotiveerd aan de werknemer worden meegedeeld.

4.7 Tijdloon bijzondere groepen werknemers

4.7.1 Mindervalide werknemers

Een mindervalide werknemer heeft recht op het loon dat gewoonlijk wordt betaald voor werkzaamheden als de verrichte, tenzij ten aanzien van de betreffende werknemer door de UWV, op verzoek van de werkgever, een lager loon wordt vastgesteld.



4.7.2 Leerlingen

Voor werknemers die een opleiding via de beroepsbegeleidende leerweg volgen of een daarmee gelijk te stellen opleiding, wordt het loon vastgesteld op basis van Bijlage III van het Ondernemingsdeel Bosbouw.



4.7.3 Vakantiewerkers en werknemers op basis van (gesubsidieerde) banenregelingen.

De vakantiewerker of werknemer in het kader van een (gesubsidieerde) arbeidsplaatsenregeling ontvangt gedurende de eerste 3 maanden het minimumloon, gedurende de vierde tot en met de zesde maand 120% van het minimumloon en komt direct daarna in functiegroep 1.


Voor de werkzaamheden van deze werknemer wordt verwezen naar hetgeen in de functieomschrijving van de ongeoefende bosarbeider staat vermeld in Bijlage I van Ondernemingsdeel Bosbouw.

4.8 Akkoordloon

4.8.1 Indien in tarief wordt gewerkt zullen de tarieven zodanig moeten worden bepaald, dat door iedere valide werknemer of groep van samenwerkende werknemers per object een loon wordt verdiend dat bij behoorlijke prestatie ten minste 10% en ten hoogste 35% hoger is dan het loon dat zou zijn verdiend, indien de uitvoering in dezelfde tijd had plaats gevonden, tegen het krachtens Bijlage III van het Ondernemingsdeel Bosbouw voor de betrokken volwassen werknemers geldende uurloon.

4.8.2 Wanneer arbeid in tariefloon voor een vaste werknemer tot gevolg zou hebben, dat hij in enige loonweek minder zou verdienen dan het voor hem geldende weekloon, ontvangt hij het over die week bedoelde weekloon.

4.8.3 Indien in tarief wordt gewerkt zal de beloning zodanig geschieden dat bij een werkprestatie van 100% een oververdienste van 20% wordt toegekend, met dien verstande dat de toename van het loon recht evenredig is met de toename van de prestatie met een maximum van 150% van het voor de betrokken werknemer geldende tijdloon.

4.8.4 Indien de werkgever voor de eerste maal wil overgaan tot de toepassing van het in artikel 4.8.3 genoemde tarief zal dat uitsluitend mogen geschieden na goedkeuring door partijen bij de cao.

4.8.5 Onder uurloon als bedoeld in de artikelen 4.8.1.tot en met 4.8.3 wordt verstaan het uurloon behorende bij functiejaarklasse 0 in Bijlage III van het Ondernemingsdeel Bosbouw.

4.9 Loonbetaling en loonspecificatie → opgenomen in Algemeen deel onder 5.2


5. FUNCTIEJARENBELONING

5.1 Algemene bepalingen

5.1.1 De functies van werknemers zijn ingedeeld in functiegroepen. De indeling is vermeld in Bijlage II van het Ondernemingsdeel Bosbouw.

5.1.2 De werkgever is verplicht de werknemer schriftelijk mee te delen in welke functiegroep hij is ingedeeld.

Het voorgaande is eveneens van toepassing in geval van functiewijziging.

5.1.3 Het tijdloon, dat de werknemer toekomt naar gelang de functiegroep waarin hij is ingedeeld en naar gelang zijn leeftijd, is vermeld in Bijlage III van het Ondernemingsdeel Bosbouw.

5.1.4 Aan de werknemer die op uitdrukkelijke aanwijzing van de werkgever of diens vertegenwoordiger gedurende een periode van minimaal twee maanden aaneengesloten een functie geheel of gedeeltelijk waarneemt, welke functie is ingedeeld in een hogere salarisschaal dan waarin de medewerker zelf is ingedeeld, wordt over de gehele periode van waarneming een tijdelijke waarnemingstoeslag toegekend.

De hoogte van de toeslag wordt bepaald door het verschil tussen het huidige salaris en het aanvangssalaris (van de functieschaal) van de functie die wordt waargenomen, met een minimum van twee periodieken.

5.1.5 Wanneer de in het vorige lid bedoelde functievervanging langer dan twee maanden heeft geduurd, dient door de werkgever of diens vertegenwoordiger een definitieve beslissing te worden genomen omtrent een hogere functie-indeling van de plaatsvervanger.

5.1.6 Werknemers die definitief worden geplaatst in een hogere functie, worden in de overeenkomende hogere salarisschaal ingedeeld met ingang van de betalingsperiode volgend op die waarin de plaatsing in de hogere functie is geschied.

Bij de indeling in een hogere salarisschaal van een werknemer die de voor die functiegroep geldende vakvolwassen leeftijd van 21 jaar heeft bereikt of overschreden, wordt het nieuwe voor hem geldende beloningsniveau verkregen door het voor bevordering bereikte beloningsniveau in overeenstemming te brengen met het eerstkomende hogere bedrag in de hogere salarisschaal gevolgd door 1 periodieke verhoging.

5.1.7 Indien een werknemer al dan niet op eigen verzoek in een lager ingedeelde functie wordt overgeplaatst, gaat een eventuele wijziging van het schaalsalaris in met ingang van de betalingsperiode volgend op die, waarin de plaatsing in de lagere functie heeft plaatsgehad.

5.1.8 Indien een werknemer op eigen verzoek in een lager ingedeelde functie wordt overgeplaatst en de in die functiegroep geldende vakvolwassen leeftijd heeft bereikt of overschreden, bedraagt de verlaging van het schaalsalaris de helft van het verschil tussen de schaalsalarissen bij 0-functiejaren van de twee betrokken salarisschalen of zoveel meer als nodig is om het nieuwe schaalsalaris in overeenstemming te brengen met het eerstkomende lagere bedrag in de lagere salarisschaal.

5.1.9 Indien een werknemer als gevolg van omstandigheden waarop hij geen invloed kan uitoefenen, in een lager ingedeelde functiegroep wordt geplaatst en hij de voor die functiegroep geldende vakvolwassen leeftijd van 21 jaar heeft bereikt of overschreden, wordt hem een tijdloon toegekend dat ten minste gelijk is aan het tijdloon dat hij genoot voordat plaatsing in de lagere functiegroep plaatshad.

5.2 Functiejarenverhoging

5.2.1 Verhoging van het schaaltijdloon op grond van functiejaren geschiedt in voorkomende gevallen per 1 januari van enig kalenderjaar, tenzij de betrokken werknemer nog niet de voor de betreffende functiegroep geldende vakvolwassen leeftijd van 21 jaar of ouder heeft bereikt dan wel op 1 januari van het daaraan voorafgaande kalenderjaar nog niet in dienst was.

5.2.2 Verhoging van het loon op grond van functiejaren is geen automatisme, maar geschiedt bij voldoende functioneren. Aan eventuele niet-toekenning van verhoging van het loon dient een op schrift gesteld verslag van een functionerings- / beoordelingsgesprek ten grondslag te liggen.

5.2.3 In geval van niet-toekenning van de functiejarenverhoging dient deze na uiterlijk één jaar alsnog te worden toegekend.

5.2.4 De werkgever is verplicht de werknemer bij zijn ontslag een schriftelijke verklaring te verstrekken inzake de duur van het dienstverband bij die werkgever.

5.2.5 Iedere werknemer van 20 jaar en jonger ontvangt het tijdloon dat in de groep waarin zijn functie is ingedeeld behorend bij zijn leeftijd, geldt.

5.2.6 Wanneer de leeftijd van de werknemer wijzigt, wordt zijn tijdloon verhoogd met ingang van de betalingsdatum volgend op die waarin de leeftijdswijziging heeft plaatsgevonden.

5.2.7 De werknemer, die 21 jaar wordt ontvangt met ingang van de betalingsperiode, volgend op die waarin de 21-jarige leeftijd wordt bereikt, het schaaltijdloon in de jaarklasse 0 in de functiegroep waarin hij is ingedeeld.


6. TOESLAGEN EN VERGOEDINGEN

6.1 Toeslag werkzaamheden op hoogte

6.1.1 De werkgever zal aan de werknemer, die wordt belast met werkzaamheden in bomen, waarbij de werknemer zich 7 meter of meer boven de begane grond bevindt - anders dan vanuit een hoogwerker of een bakje - een toeslag toekennen van € 12,66 netto per week, gedurende de duur van genoemde werkzaamheden.

6.2 Diplomatoeslag

6.2.1 Aan werknemers die de cursussen inzake EHBO en/of BHV hebben behaald en die hun kennis dienaangaande op peil houden, wordt een toeslag van € 15,19 per maand toegekend.

6.3 Surveillancetoeslag

6.3.1 Aan werknemers, ingedeeld in de functiegroepen II, III en IV, die in wisseldiensten ook tijdens weekeinden en feestdagen belast zijn met toezicht op het publiek wordt een surveillancetoeslag op hun basis-tijdloon toegekend.

6.3.2 De hoogte van deze toeslag varieert van 5% tot 10% van het tijdloon, afhankelijk van de vraag of het toezicht frequent wordt gehouden, waarbij onder frequent wordt verstaan dat over het gehele jaar gerekend de werknemer gemiddeld eenmaal in de drie weken in het weekeinde toezicht houdt.

6.3.3 Bij toepassing van de artikelen 6.3.1 en 6.3.2 is artikel 9.2 betreffende betaling van overuren en / of compensatie van overwerk niet van toepassing.

6.4 Afstand-, reiskosten- en reistijdenvergoeding

6.4.1 Bij het gebruik van een eigen vervoermiddel zal worden betaald bij een afstand van de woning van de werknemer tot een in onderling overleg te bepalen plaats, die geacht kan worden het centrum van het bedrijf c.q. de bedrijfseenheid te zijn:

5 à 10 km € 2,39 per dag

10 à 15 km € 3,55 per dag

15 à 20 km € 4,38 per dag

20 à 30 km € 5,86 per dag

30 à 40 km € 7,86 per dag

Deze vergoedingen worden telkens bij afsluiting van een nieuwe cao geïndexeerd aan de hand van CBS-indexcijfers (cijfers januari) voor het gebruik van privé-voertuigen.

In afwijking van het voorafgaande geldt voor werknemers, die in opdracht van de werkgever met een bedrijfsbusje ten minste 3 personen vervoeren, met inbegrip van de chauffeur, dat de reistijd tot de werktijd wordt gerekend.

6.4.2 Indien een werknemer vrijwillig verhuist naar een adres dat verder van de werkplek is gelegen, kan geen aanspraak worden gemaakt op een afstands-vergoeding gebaseerd op de nieuwe afstand, doch blijft de oorspronkelijke woonwerk afstand bepalend voor de toe te kennen vergoeding.

6.4.3 In afwijking van het bepaalde in artikel 6.4.1 kan de werkgever aan de werknemer die van een eigen auto gebruik maakt voor het zich begeven naar en van het werk respectievelijk ten behoeve van het werk een vergoeding toekennen ter grootte van het maximale bedrag per kilometer dat onbelast mag worden vergoed (2014: € 0,19/km). Deze vergoeding zal slechts worden toegekend indien de werknemer - eigenaar van het vervoermiddel - ten genoegen van de werkgever aantoont, dat eventuele schade inclusief die van eventuele mede-inzittende(n) met de auto veroorzaakt, voldoende tegen wettelijke aansprakelijkheid (W.A.) is verzekerd.

6.4.4 Wanneer een werknemer in opdracht van de werkgever gebruik moet maken van een openbaar vervoermiddel, dan wel wanneer de werkgever het vervoer van de werknemer verzorgt, komen hieruit voortvloeiende reiskosten volledig voor rekening van de werkgever. Bovendien zal aan de werknemer over de reistijd een vergoeding worden toegekend ten bedrage van 100% van het voor hem geldende uurloon met dien verstande, dat de eerste 60 minuten per dag, voor de heen- en terugreis tezamen, voor rekening van de werknemer komt.

6.4.5 Onder uurloon bedoeld in het vorige lid wordt verstaan het feitelijke uurloon van de desbetreffende werknemer.

6.5 Gereedschapsvergoeding

6.5.1 Aan de werknemer wordt voor gebruik van eigen gereedschap een vergoeding van € 1,88 bruto per week toegekend voor zover de werknemer dit gereedschap gebruikt.

6.5.2 Aan de werknemer die gebruik maakt van een eigen motorzaag zal een vergoeding worden toegekend op basis van de werkelijke kosten.

6.6 Kledingvergoeding

6.6.1 Aan de werknemer wordt voor gebruik van eigen werkkleding en schoeisel een vergoeding van € 2,95 bruto per week c.q. € 0,59 bruto per dag toegekend voor iedere dag c.q. gedeelte van de dag dat de werknemer op het werk aanwezig is.

6.6.2 Aan werknemers aan wie bedrijfskleding beschikbaar is gesteld, wordt een nader te bepalen vergoeding beschikbaar gesteld voor wassen en onderhouden van deze bedrijfskleding.


7. SPAARREGELINGEN

7.1 Levensloopregeling → vervallen


8. REGELING DIENSTWONING → vervallen
9. VERGOEDING OVERWERK

9.1 Algemeen

Over de bij of krachtens de artikelen 3.1.2 en 3.1.3 aangewezen dagen is de werkgever verplicht aan vaste werknemers het voor betrokkene geldende tijdloon door te betalen, één en ander voor zover deze dagen niet op zaterdag of op zondag vallen.

9.2 Betaling overuren

9.2.1 Voor overuren worden de volgende lonen betaald:

a. op werkdagen een loon, dat 30% hoger is dan het voor de betrokken werknemer rechtens geldende uurloon;

b. op zaterdag een loon, dat 50% hoger is dan het voor de betrokken werknemer rechtens geldende uurloon;

c. op zondag en op de in artikel 3.1.3 genoemde feestdagen - met uitzondering van 5 mei - een loon, dat 100% hoger is dan het voor de betrokken werknemers rechtens geldende uurloon.

9.2.2 De werkgever zal aan werknemers die overdag werkzaam zijn in akkoord een loon toekennen gelijk aan het daags resp. het voor de onderbreking verdiende akkoordloon vermeerderd met de verhoging als bedoeld in artikel 9.2.1.

9.2.3 De in Bijlage III van het Ondernemingsdeel Bosbouw vermelde uurlonen worden voor de betaling als basis genomen.

9.2.4 De werknemer heeft in afwijking van het bepaalde in de artikelen 9.2.1 en 9.2.2 op zijn verzoek aanspraak op compensatie van gemaakte overuren in vrije tijd in de voor de normale arbeid bestemde tijd op basis van de volgende verhoudingen tussen overuren en vrije tijd:

a. 1:1,3 voor de op werkdagen gemaakte overuren;

b. 1:1,5 voor de op zaterdag gemaakte overuren;

c. 1:2 voor de op zondag en de in artikel 3.1.3 genoemde feestdagen gemaakte overuren.

De in vrije tijd te compenseren overuren dienen binnen twee maanden na de maand waarin overwerk is verricht, door de werknemer zoveel mogelijk in volle dagen te worden opgenomen.
10. VAKANTIE EN (BUITENGEWOON) VERLOF

10.1 Vakantietoeslag

10.1.1 Werknemers ontvangen een vakantietoeslag van 8% van het bruto jaarsalaris.

10.1.2 Het jaar waarover de vakantietoeslag wordt berekend loopt van 1 juni in enig jaar tot en met 31 mei in het jaar daaropvolgend.

Bij ondernemingen die het salaris per vier weken uitbetalen loopt het jaar waarover de vakantietoeslag wordt berekend van periode 6 in enig jaar tot en met periode 5 in het jaar daaropvolgend.

10.1.3 De vakantietoeslag wordt achteraf uitbetaald met de salarisbetaling over de maand mei.

Bij ondernemingen die het salaris per vier weken uitbetalen wordt de vakantietoeslag achteraf uitbetaald met de salarisbetaling over periode 5.

10.1.4 Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst vindt uitbetaling van de nog verschuldigde vakantietoeslag plaats.

10.1.5 Indien de arbeidsovereenkomst geen volledig jaar heeft geduurd, wordt de vakantietoeslag naar evenredigheid uitbetaald.

10.2 Loon tijdens vakantie werknemers

10.2.1 De werkgever is verplicht aan de werknemers over de vakantiedagen waarop zij recht hebben, het voor hen geldende loon door te betalen.

10.3 Vakantiedagen

10.3.1 Werknemers met een volledige werkweek hebben per jaar recht op het aantal vakantie-uren zoals in onderstaand schema is aangegeven.


leeftijd →


werkweek ↓

17 jaar

18-54 jr

55-56 jr

57-59 jr

60 jaar


en ouder

40 uur

240 u.

200 u.

216 u.

224 u.

232 u.

39 uur

234 u.

195 u.

210,6 u.

218,4 u.

226,2 u.

38 uur

228 u.

190 u.

205,2 u.

212,8 u.

220,4 u.

37 uur

222 u.

185 u.

199,8 u.

207,2 u.

214,6 u.

Voor opname van vakantie-uren geldt het volgende.



werkweek →


opname ↓

40 uur

39 uur

38 uur

37 uur


Uur

1,0 u.

1,0 u.

1,0 u.

1,0 u.

halve dag

4,0 u.

3,9 u.

3,8 u.

3,7 u.

hele dag

8,0 u.

7,8 u.

7,6 u.

7,4 u.

10.3.1a De in 10.3.1 genoemde schema’s gelden ook bij toepassing van artikel 3.7 (Mogelijkheid vaststellen afwijkende werkweek).

[Toelichting: Ook in weken waarin plusuren worden gewerkt of in weken waarin die plusuren worden gecompenseerd, blijft de oorspronkelijke werkweek uitgangspunt voor bepaling van de omvang van een dag verlof in zo’n week. Bij 40 uur is dat 8,0 uur, bij 39 uur is dat 7,8 uur, etc.]

10.3.2 Van de vakantie-uren vermeld in artikel 10.3.1 moeten ten minste 2 weken aaneengesloten en mogen maximaal 4 weken aaneengesloten worden genoten.

10.3.3 Vervallen

10.3.4 De vakantiedagen worden in onderling overleg tussen werkgever en werknemer vastgesteld. De niet als snipperdagen aan te merken vakantiedagen zullen aaneengesloten worden genoten in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. In bijzondere gevallen kan zowel van de verplichting van een aaneengesloten vakantie, als van het tijdvak waarin de vakantie zal worden genoten, in onderling overleg tussen werkgever en werknemer worden afgeweken. Van de in artikel 10.3.1 bedoelde vakantie-uren kunnen 4 dagen worden aangewezen op een door de werkgever te bepalen tijdstip. De werkgever dient 3 maanden voor de dag waarop de door hem aangewezen dag dient te worden opgenomen omtrent die aanwijzing aan de werknemer mededeling te doen.

10.3.5 In afwijking van het bepaalde in de artikelen 10.3.2 en 10.3.4 heeft de werknemer het recht om eenmaal per 2 jaar 35 werkdagen aaneengesloten vakantie op te nemen, mits:

a. ten minste 12 maanden voor het tijdstip van ingang van het gewenste verlof het verzoek hiertoe bij de werkgever is ingediend en de periode in overleg tussen werkgever en werknemer wordt overeengekomen en vastgesteld;

b. hiervoor voldoende vakantiedagen worden opgebouwd vóór het ingaan van deze verlofperiode.

Als dit verlof is vastgesteld kan de werkgever zich niet meer op het bedrijfsbelang beroepen om de verlofperiode te wijzigen.

10.3.6 Werknemers met een dienstverband gedurende een deel van het vakantiejaar en/of met een gedeeltelijke werkweek, waaronder degenen die hun partiële leerplicht vervullen, hebben aanspraak op een evenredig deel van de normale vakantierechten.

10.3.7 Het is de werknemer verboden op vakantiedagen in loondienst werkzaam te zijn.

10.3.8 Vakantie / verlof kan ook in uren worden opgenomen.

10.4 Vakantierechten werknemers bij einde dienstverband

10.4.1 Indien bij beëindiging van de dienstbetrekking door een werknemer meer dan wel minder vakantierechten zijn genoten dan deze werknemer overeenkomstig de bepalingen van deze cao toekomen, wordt het eventueel teveel of te weinig genoten deel tussen werkgever en werknemer verrekend.

10.5 Vakantierechten werknemers onder bijzondere omstandigheden → Vervallen.

10.6 Vakantierechten bij ziekte, arbeidsongeschiktheid→ Vervallen

10.7 Opbouw en verval atv-dagen bij ziekte/arbeidsongeschiktheid

10.7.1 In geval van ziekte of arbeidsongeschiktheid worden wettelijke vakantiedagen gedurende de gehele periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid opgebouwd. Voor deeltijdfuncties geldt deze regeling naar rato van het dienstverband.

10.7.2 In geval van ziekte of arbeidsongeschiktheid worden uitsluitend gedurende de laatste vier weken van de periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid roostervrije dagen opgebouwd. Voor deeltijdfuncties geldt deze regeling naar rato van het dienstverband.

10.7.3 Roostervrije dagen welke in een schema zijn vastgelegd en welke niet zijn genoten als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid op die dagen verliezen daarmee hun rechtsgeldigheid.

10.8 Vakantiedagen losse werknemers → vervallen

10.9 Voor vakantietoeslag is dit opgenomen onder 10.1.2, voor vakantiedagen is dit 1 januari tot en met 31 december.
11. ZIEKTE EN ARBEIDSONGESCHIKTHEID;
SOCIALE VERZEKERINGEN

11.1 Algemene bepalingen

11.1.1 Het bepaalde in het volgende artikel is uitsluitend van toepassing op werknemers die arbeidsongeschikt zijn, inclusief de arbeidsongeschikte werknemers die verplicht verzekerd zijn krachtens de Ziektewet/Wulbz, en op werknemers die verplicht verzekerd zijn krachtens de WAO/WIA.

11.1.2 Kortingen op of inhoudingen van wettelijke uitkeringen inzake arbeidsongeschiktheid, veroorzaakt door schuld of toedoen van de werknemer dan wel het gevolg van enig wettelijke bepaling, blijven ten laste van de werknemer.

11.1.3 Onder loon wordt in artikel 11.4 verstaan het voor de betrokken werknemer geldende tijdloon, met inbegrip van eventuele regelmatig genoten, naar tijdsduur bepaalde toeslagen.

11.1.4 De werknemer die op grond van gemoedsbezwaren is vrijgesteld van de hem bij de Ziektewet/Wulbz en de WAO/WIA opgelegde verplichtingen, kan tegenover de werkgever aanspraak maken op hetgeen hem volgens het bepaalde in artikel 11.4 van de zijde van de werkgever zou toekomen, indien hij van de bedoelde verplichtingen niet was vrijgesteld.

11.1.5 De vraag of werknemer in enig geval al dan niet arbeidsongeschikt is, wordt uitsluitend beantwoord door de bedrijfsarts van de door werkgever ingeschakelde arbodienst.

11.1.6 Indien werkgever of werknemer het niet eens is met het oordeel van de bedrijfsarts, is zowel werkgever als werknemer gerechtigd tot het aanvragen van een second opinion omtrent de verhindering van werknemer om de bedongen of andere passende werkzaamheden te verrichten, door een deskundige benoemd door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV).

11.1.7 De kosten van de second opinion zijn voor rekening van de partij die deze second opinion aanvraagt.

11.2 Indienstneming en beëindiging van het dienstverband

11.2.1 Voor de bepalingen in de hiernavolgende leden a en b geldt dat werknemer zich dient te houden aan de regels die bij ziekteverzuim in de onderneming gelden en dat hij voldoende medewerking dient te verlenen aan de reïntegratieverplichtingen volgens de Wet Verbetering Poortwachter (WVP). Indien werknemer zonder gegronde redenen geen of onvoldoende medewerking verleent aan deze reïntegratieverplichtingen heeft werkgever de mogelijkheid om de loondoorbetaling te staken en kan werkgever, onverminderd hetgeen is bepaald in de leden a en b, het dienstverband beëindigen via de daartoe aangewezen weg.

Indien na 2 jaren van arbeidsongeschiktheid (ongeacht het arbeidsongeschiktheidspercentage) door de arbeidsdeskundige wordt vastgesteld dat er geen passende reïntegratiemogelijkheden zijn binnen het bedrijf van de werkgever, zijn er twee mogelijkheden:

a. Het dienstverband kan worden beëindigd op

voorwaarde dat volgens het UWV voldoende

reïntegratie-activiteiten zijn verricht.

b. Indien volgens het UWV onvoldoende reïntegratie-activiteiten door de werkgever zijn verricht, is ontslag wegens ziekte na 2,5 jaar van arbeidsongeschiktheid mogelijk.

11.3 Betalingsverplichtingen werkgever bij ziekte, arbeidsongeschiktheid en regresrecht

Vervallen.

11.4 Betalingsverplichtingen werkgever bij ziekte en arbeidsongeschiktheid

Voor de uitkeringspercentages genoemd in artikel 11.5 geldt dat de werknemer zich dient te houden aan de regels die bij ziekteverzuim in de onderneming gelden en voldoende medewerking dient te verlenen aan de reïntegratieverplichtingen volgens de Wet Verbetering Poortwachter (WVP). Beoordeling hiervan vindt plaats door een onafhankelijke deskundige zoals een bedrijfsarts of een arbeidsdeskundige.

11.4.1 Voor de vaststelling van het naar tijdruimte vastgestelde loon genoemd in artikel 11.5 wordt uitgegaan van de systematiek toegepast door het UWV en waarbij rekening wordt gehouden met de Wet financiering sociale verzekeringen.

11.4.2 Werknemers van wie het dienstverband tijdens ziekte eindigt hebben geen recht op de aanvullingen op de loondoorbetalingverplichting zoals deze in artikel 11.5 zijn opgenomen.

11.4.3 Volledig en duurzaam arbeidsongeschikte werknemers die binnen de eerste twee jaar van ziekte de IVA (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten) instromen, hebben recht op de aanvullingen op de loondoorbetalingverplichting zoals deze in artikel 11.5 zijn opgenomen.

11.5 Loondoorbetalingverplichtingen

11.5.1 Loondoorbetalingverplichtingen eerste periode van 26 weken (binnen het 1e jaar van arbeidsongeschiktheid)

a. Bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer gedurende de eerste 26 weken van de wettelijke periode, als genoemd in artikel 7:629 BW, 70% van het naar tijd ruimte vastgestelde loon worden doorbetaald.

b. Tijdens de eerste 26 weken van de wettelijke periode als genoemd in artikel 7:629 BW ontvangt de werknemer, boven de wettelijke loondoorbetaling, een aanvulling ter hoogte van 30% van het naar tijdruimte vastgestelde loon.

c. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt uitbetaling naar rato plaats.

11.5.2 Loondoorbetalingverplichtingen tweede periode van 26 weken (binnen het 1e jaar van arbeidsongeschiktheid)

a. Bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer gedurende de tweede periode van 26 weken van de wettelijke periode, als genoemd in artikel 7:629 BW, 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon worden doorbetaald.

b. Tijdens de tweede periode van 26 weken van de wettelijke periode als genoemd in artikel 7:629 BW ontvangt de werknemer, boven de wettelijke loon doorbetaling, een aanvulling ter hoogte van 20% van het naar tijdruimte vastgestelde loon.

c. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt uitbetaling naar rato plaats.

11.5.3 Loondoorbetalingverplichtingen tweede jaar van arbeidsongeschiktheid

a. Bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer gedurende 52 weken van de wettelijke periode, als genoemd in artikel 7:629 BW, 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon worden doorbetaald.

b. Tijdens 52 weken van de wettelijke periode als genoemd in artikel 7:629 BW ontvangt de werknemer, boven de wettelijke loondoorbetaling, een aanvulling ter hoogte van 5% van het naar tijdruimte vastgestelde loon. Indien de werknemer voldoende medewerking verleent aan de reïntegratieverplichtingen volgens de Wet verbetering poortwachter wordt de 5% aanvulling verhoogd tot 15%.

c. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt uitbetaling naar rato plaats..

11.5.4 Loondoorbetalingverplichtingen werknemers minder dan 35% arbeidsongeschikt. Indien de werknemer in aansluiting op de periode van arbeidsongeschiktheid genoemd in lid 3 van dit artikel volgens het UWV arbeidsongeschikt is, maar minder dan 35%, en zolang het dienstverband gecontinueerd wordt bij dezelfde werkgever, ontvangt de werknemer 90% van het naar tijdruimte vastgestelde loon gedurende maximaal 5 jaar. Zie voor de ontslagmogelijkheid artikel 11.2.

12. VERLOF T.B.V. SCHOLING EN ONDERWIJS

12.1 Bevordering scholing → opgenomen in Bijlage IX Algemeen deel

12.2 Scholingsfonds (onderdeel Fonds Colland Arbeidsmarktbeleid) → opgenomen in Bijlage X Algemeen deel

12.3 Verlof in het kader van scholing met of zonder inzet Colland AMB

12.3.1 Werknemer heeft gedurende het cao-tijdvak recht op betaald verlof voor het volgen van een op bos en natuur gerichte cursus die past binnen een cursusgroep zoals aangegeven in de cursusgroepenindeling voor de sector bos en natuur van het scholingsfonds van CAMB.

12.3.2 De werknemer die de in artikel 12.3.1 bedoelde cursus(sen) wenst bij te wonen stelt werkgever ten minste één maand voor de aanvang van de cursus daarvan in kennis.

12.3.3 De werknemer heeft daarnaast gedurende het cao-tijdvak recht op ten hoogste vijf dagen onbetaald verlof voor het volgen van cursussen die worden gegeven door de vakbeweging dan wel door een hiermee verbonden jongerenorganisatie, of voor het volgen van een andere in algemene zin op bos of natuur gerichte cursus, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van het scholingsfonds CAMB.

12.3.4 De werknemer die de in artikel 12.3.3 bedoelde cursus(sen) wenst bij te wonen, stelt de werkgever ten minste één maand voor de aanvang van de cursus daarvan in kennis.

12.4 Verlof in het kader van onderwijs

12.4.1 Werkgever is verplicht de werknemer die niet onder de partiële leerplicht valt, in de volgende gevallen betaald verlof te verlenen:

a. voor het via de beroepsbegeleidende leerweg niveau II volgen van onderwijs, ongeacht de omvang van het dienstverband, gedurende 1 dag per week in de weken waarin dit onderwijs wordt gevolgd

b. voor het via de beroepsbegeleidende leerweg niveau III en IV volgen van onderwijs, alsmede voor het volgen van bijscholingscursussen mits het een opleiding betreft die naar het oordeel van de werkgever noodzakelijk is voor het uitoefenen van de functie en / of in het kader van de loopbaanontwikkeling

c. in geval werknemer in het kader van het onder a. of b. genoemde onderwijs een excursie of examen bijwoont, tot maximaal twee dagen totaal per cursusjaar.

12.5 Voorlichting en vorming (onderdeel Fonds CAMB)

12.5.1 Bedrijven onder het Ondernemingsdeel Bosbouw van de cao nemen deel aan het voorlichtings- en vormingsfonds van CAMB, met het oog op het financieren van een aantal werkzaamheden welke mede ten behoeve van bos en natuur plaatsvinden, zoals:



  • werkzaamheden in het kader van voorlichting,

  • vorming en scholing van werknemers

  • uitvoering van cao-regelingen op het gebied van educatief verlof

  • verlenen van diensten aan ondernemingen in het belang van goede arbeidsverhoudingen in het algemeen, waaronder het bevorderen van het goed functioneren van ondernemingsraden en andere vormen van overleg binnen ondernemingen.

12.5.2 De financiële middelen voor het fonds worden opgebracht d.m.v. een jaarlijkse heffing.

12.6 Verlof in het kader van scholing→ Vervallen.

12.7 Verlof ter voorbereiding op pensionering

12.7.1 Werknemers hebben vanaf drie jaar voor datum ingang pensioen gedurende het cao-tijdvak recht op ten hoogste 5 dagen onbetaald verlof voor het volgen van een cursus ter voorbereiding op de pensionering, voor zover deze wordt georganiseerd door de vakbeweging dan wel door een andere organisatie die bij Colland bekend is.

12.7.2 Vervallen

12.7.3 De werknemer die reeds tijdens een voorgaand cao-tijdvak het in artikel 12.7.1 genoemde maximum aantal verlofdagen heeft genoten, kan hierop niet opnieuw een beroep doen.

12.7.4 De werknemer die een in artikel 12.7.1 bedoelde cursus wenst bij te wonen stelt de werkgever ten minste één maand vóór aanvang van de cursus daarvan in kennis.

13. OVERIGE BEPALINGEN VAN SOCIALE AARD

13.1 Bespreking sociaal beleid onderneming

13.1.1 De werkgever zal tweemaal per jaar het binnen de onderneming gevoerde en te voeren sociaal beleid met de bij hem in dienst zijn werknemer(s) bespreken.

13.1.2 De bij de cao partij zijnde werknemersorganisaties zijn bevoegd in ondernemingen met vijf of meer werknemers, dan wel op werkobjecten met vijf of meer werknemers, voor zover niet reeds een ondernemingsraad in de onderneming is gevormd, in overleg met de betrokken werknemers, uit hun midden een vakbondscontactpersoon aan te wijzen.

13.1.3 De aanwijzing van een vakbondscontactpersoon geschiedt voor de duur van twee jaar, de aanwijzing kan terstond daarna wederom voor een periode van twee jaar geschieden.

13.1.4 Van de aanwijzing van een vakbondscontactpersoon wordt door werknemersorganisaties schriftelijk aan de ondernemer mededeling gedaan.

13.1.5 De ondernemer kan tegen een in het vorig lid bedoelde aanwijzing bezwaar maken en verzoeken deze aanwijzing ongedaan te maken. De beslissing over een zodanig verzoek wordt genomen door partijen bij de cao.

Het verzoek wordt schriftelijk en met redenen omkleed ingediend bij de secretaris van het sociaal overleg van de VBNE. De betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

13.1.6 De ondernemer draagt er zorg voor dat de vakbondscontactpersoon niet wordt benadeeld in zijn positie in de onderneming.

13.1.7 Onverminderd een krachtens andere wettelijke en / of cao-bepalingen vereiste toestemming, kan de ondernemer de dienstbetrekking van in een onderneming werkzame vakbondscontactpersoon, dan wel van degene die korter dan twee jaar geleden vakbondscontactpersoon in de onderneming is geweest, niet doen eindigen dan na voorafgaande toestemming van partijen bij de cao. Het verzoek om toestemming wordt ingediend bij de secretaris van het sociaal overleg van de VBNE. Partijen bij de cao verlenen de toestemming slechts, indien het aannemelijk voorkomt dat de opzegging geen verband houdt met het functioneren als vakbondscontactpersoon. De betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

13.1.8 De in het vorige artikel bedoelde toestemming is niet vereist wanneer de beëindiging geschiedt wegens een dringende reden, of door ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen.

13.2 Wederindienstnemingsregeling

13.2.1 Met inachtneming van het hierna volgende is de werkgever gehouden een wederindienstnemingsregeling werknemers toe te passen.

13.2.2 Indien aan de in artikel 13.2.3 vermelde voorwaarden is voldaan, zal de werkgever binnen 6 maanden na de beëindiging van het tijdelijke dienstverband geen werknemer in dienst nemen dan wel uitzendkracht inlenen voor het verrichten van werkzaamheden van dezelfde aard, dan nadat hij de werknemer van wie het dienstverband aldus is beëindigd, in de gelegenheid heeft gesteld zijn vroegere werkzaamheden te hervatten.

13.2.3 De in artikel 13.2.2 bedoelde voorwaarden zijn de volgende:

in de 24 maanden voorafgaande aan de datum van beëindiging van het laatste dienstverband moeten er tussen de desbetreffende werkgever en werknemer gedurende in totaal minstens 12 maanden één of meer dienstverbanden hebben bestaan; het laatste dienstverband is beëindigd door opzegging van werkgeverszijde, of is, ingeval van een dienstverband voor bepaalde tijd of een bepaald werk, van rechtswege geëindigd.

13.2.4 Voor de bepaling van de duur van het in de artikelen 13.2.2 en 13.2.3 genoemde dienstverband(en) wordt mee in acht genomen de tijd dat de werknemer in de betreffende periode bij de werkgever werkzaam is geweest als uitzendkracht.

13.2.5 De hervatting van de werkzaamheden geschiedt op dezelfde of gunstiger voorwaarden als laatstelijk voor de werknemer golden.

13.2.6 Indien voor het verrichten van werkzaamheden van dezelfde aard het aantal werknemers welke de werkgever in de gelegenheid dient te stellen het werk te hervatten, groter is dan het aantal werknemers waarvoor de werkgever op basis van de arbeidsbehoefte werk beschikbaar heeft, stelt de werkgever allereerst degenen met het langste arbeidsverleden bij hem, de werkgever, in de gelegenheid het werk te hervatten.

13.2.7 Hetgeen in voorgaande leden is bepaald is niet van toepassing ingeval het UWV aan een door hem verleende toestemming tot beëindiging van de arbeidsverhouding een andersluidende voorwaarde in verband met hervatting van werkzaamheden heeft verbonden.

13.2.8 De werkgever verstrekt de werknemer, die daarvoor op grond van dit artikel in aanmerking komt, bij de beëindiging van het tijdelijke dienstverband een garantieverklaring inzake wederindienstneming.

13.3 Personeelsbeleid

13.3.1 Werkgevers zullen zich blijvend / verder inspannen voor een goed personeelsbeleid binnen de aangesloten bedrijven, waarbij onder meer aandacht zal worden besteed aan:

- functie-evaluatie en perspectieven binnen de arbeidsorganisatie

- vakbondscontactpersonen en faciliteiten in de bedrijven

- scholingsbeleid binnen de sector en op bedrijfsniveau

- begeleiding oudere werknemers naar vervanging van fysiek zwaar werk.

13.4 Uitkering bij overlijden → Opgenomen in Algemeen deel onder 12.2

13.4.1 De werkgever is gehouden aan de nagelaten betrekkingen van de werknemer over de periode vanaf de dag na overlijden tot en met de laatste dag van de tweede maand, na die, waarin het overlijden plaats vond, een uitkering te verlenen ten bedrage van het loon dat aan de werknemer laatstelijk toekwam, tenzij een zodanige uitkering op grond van de Ziektewet/Wulbz of de WAO/WIA geschiedt.

13.4.2 Onder de in artikel 13.4.1 bedoelde nagelaten betrekkingen worden verstaan de echtgenoot c.q. echtgenote van wie de werknemer niet duurzaam gescheiden leefde of bij ontstentenis van deze de minderjarige wettige of erkende natuurlijke kinderen en de levenspartner zoals erkend bij de uitvoering van de Ziektewet/Wulbz.

13.5 Inschakeling uitzendbureaus

13.5.1 Slechts indien de bedrijfsomstandigheden zulks onvermijdelijk maken, zal gebruik worden gemaakt van de diensten van uitzendbureaus.

13.5.2 Inschakeling van een uitzendkracht is pas toegestaan, nadat de werkzaamheden in voorkomende gevallen eerst aan de vroegere werknemer(s) zijn aangeboden.

13.5.3 De werkgever zal tweemaal per jaar aan de ondernemingsraad een overzicht verschaffen over de aantallen ingezette uitzendkrachten per periode en per afdeling.

13.5.4 De bepalingen in de cao met betrekking tot de arbeidstijden, lonen, toeslagen en overige vergoedingen zijn van overeenkomstige toepassing op uitzendkrachten. Daarbij geldt voor de beginnende bosarbeider een wachttijd van drie maanden.

13.5.5 De uitzendkracht kan aan hetgeen in artikel 13.5.4 wordt vermeld direct rechten ontlenen jegens het uitzendbureau.

13.5.6 Door de werkgever worden uitsluitend NEN-gecertificeerde uitzendbureaus ingeschakeld.

13.5.7 De werkgever is verplicht zich ervan te verzekeren dat ten aanzien van medewerkers die aan zijn onderneming ter beschikking zijn gesteld gedurende de periode van beschikbaarstelling de bepalingen van de toepasselijke cao worden nageleefd.

BIJLAGEN

Het ondernemingsdeel Bosbouw kent de volgende bijlagen:

I Functiebeschrijvingen

II Functieniveaumatrix

III Functiebeloning / functieschalen

IV Voorwaarden inschakeling personeel uitzendondernemingen

V Regeling Sazas

VI Voorlichtings-, vormings- en scholingsfonds Stivos

VII Betalingsverplichtingen werkgever bij ziekte, arbeidsongeschiktheid en regresrecht

VIII Voorbeeldregelingen



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina