Raam-cao bos en natuur 01 januari 2014 tot en met 31 december 2014 Algemeen deel + 3 ondernemingsdelen



Dovnload 0.96 Mb.
Pagina7/13
Datum20.08.2016
Grootte0.96 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   13

arbeidsongeschiktheid eerste WIA-jaar tweede WIA-jaar

-35 tot 45% 28/70ste deel 90% van 28/70ste deel

-45 tot 55% 35/70ste deel 90% van 35/70ste deel

-55 tot 65% 42/70ste deel 90% van 42/70ste deel

-65 tot 80% 50,75/70ste deel 90% van 50,75/70ste deel

-80 tot 100%(*) 70/70ste 90% van 70/70ste deel

(*) = niet duurzaam
7.2.4 Voor de bepaling van het tijdvak van 26 weken zullen perioden van ziekten die elkaar met een onderbreking van minder dan 4 weken opvolgen worden samengeteld.

7.2.5 Werkgever is gerechtigd de loondoorbetaling op te schorten zolang de werknemer de richtlijnen en controlevoorschriften niet naleeft. In dat geval is werkgever gerechtigd over de periode waarin de richtlijnen niet zijn nageleefd slechts 70% van het salaris met een maximum van 70% van het maximum dagloon door te betalen.

7.2.6 Werkgever is niet gehouden tot doorbetaling van loon:

a. voor de tijd gedurende welke door toedoen van werknemer de genezing wordt belemmerd of vertraagd;

b. voor de tijd, gedurende welke werknemer, hoewel werknemer daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond, passende arbeid bij werkgever of bij een door werkgever met toestemming van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) aangewezen derde, waartoe werkgever werknemer in de gelegenheid stelt, niet verricht.

7.2.7 Werkgever zal aan een door werknemer aangevraagde second opinion medewerking verlenen.

7.2.8 Het door werkgever door te betalen loon wordt verminderd met het bedrag van enige geldelijke uitkering die werknemer toekomt krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering of krachtens enig verzekering/fonds, verplicht door werkgever, waarin de werknemer deelneemt. Het loon wordt voorts verminderd met het bedrag van de inkomsten, door werknemer in of buiten dienstbetrekking genoten voor werkzaamheden die werknemer heeft verricht gedurende de tijd dat werknemer, zo deze daartoe niet verhinderd was geweest, de bedongen werkzaamheden had kunnen verrichten.

7.2.9 Indien werkgever een beroep wenst te doen op enige grond het loon geheel of gedeeltelijk niet te betalen of de betaling daarvan op te schorten, zal werkgever werknemer daarvan onmiddellijk schriftelijk kennis geven, nadat bij werkgever het vermoeden van het bestaan van die grond is gerezen.

7.2.10 Wanneer bij externe herplaatsing van een werknemer sprake is van een lager loon dan hij oorspronkelijk verdiende, wordt dat loon gedurende het eerste herplaatsingjaar door de oorspronkelijke werkgever aangevuld tot 100%.

7.2.11 De werkgever verplicht zich over de loondoorbetalingverplichting gedurende het 1e jaar van ziekte of arbeidsongeschiktheid pensioenpremie voor de desbetreffende werknemer(s) door te betalen.

7.2.12 Loondoorbetaling en aanvullingen zijn gerelateerd aan het maximum SV-loon.

7.3 Algemene bepalingen

7.3.1 De vraag of werknemer in enig geval al dan niet arbeidsongeschikt is wordt uitsluitend beantwoord door de bedrijfsarts van de door werkgever ingeschakelde Arbodienst.

7.3.2 Indien werkgever of werknemer zich niet met het oordeel van de bedrijfsarts kan verenigen, is zowel werknemer als werkgever gerechtigd tot het aanvragen van een second opinion omtrent de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende werkzaamheden te verrichten, van een deskundige benoemd door het UWV.

7.3.3 Indien uit de second opinion blijkt dat werknemer ten onrechte geen werkzaamheden heeft verricht, zijn de toepasselijke leden van artikel 7.2 onverkort van toepassing.

7.3.4 De kosten van de second opinion zijn voor rekening van de partij die deze aanvraagt.

7.3.5 Werknemer heeft tijdens de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid aanspraak op verzuimbegeleiding welke voortvloeit uit de Wet Verbetering Poortwachter.
8. BEPALINGEN VAN SOCIALE AARD

8.1 Pensioenverzekering

8.1.1 Het in het Algemeen deel van de raam-cao bos en natuur opgenomen overeenkomstige artikel 10.1 betreffende “Pensioenregeling” is van toepassing.

8.2 WIA-hiaatverzekering met ingang van 1 januari 2006

8.2.1 Werkgever heeft ten behoeve van werknemers een WIA-hiaatverzekering gesloten.

8.2.2 Deelname aan de verzekering door werknemer is verplicht.

8.2.3 De premie van de verzekering komt ten laste van werknemer.

8.2.4 Werkgever is gerechtigd de premie maandelijks in te houden op het salaris van werknemer.

8.3 WIA-excedentverzekering met ingang van 1 januari 2006

8.3.1 Werkgever heeft ten behoeve van werknemers met een salaris boven het maximum dagloon een WIA-excedentverzekering afgesloten tot 70% van het salaris van werknemer (minus het maximale uitkeringsbedrag volgens de WIA).

8.3.2 Deelname aan de verzekering is afhankelijk van acceptatie door de verzekeringsmaatschappij op grond van een medisch onderzoek, dan wel een gezondheidsverklaring of arbeidsgeschiktheidverklaring, al naar gelang de hoogte van het salaris van werknemer.

8.3.3 De premie van de verzekering is voor rekening van werkgever.

8.4 VUT-/prepensioenregeling

8.4.1 Het in het Algemeen deel opgenomen overeenkomstige artikel 10.3 betreffende “Regeling VUT / prepensioen” is van toepassing.

8.5 Zorgverzekering

8.5.1 Werknemer is gehouden zich volgens de Wet op de Zorgverzekering te verzekeren voor ziektekosten. Hij zal de werkgever jaarlijks in januari een kopie van de aansluitingspolis overhandigen ten bewijze van aansluiting.

8.6 Ongevallenverzekering

Werkgever heeft ten behoeve van haar werknemers een ongevallenverzekering afgesloten. De premie voor deze verzekering komt ten laste van werkgever.

8.7 Seniorenregeling

8.7.1 Een werknemer die per 01-04-2011 57 jaar of ouder is, kan gebruik maken van de seniorenregeling zoals vastgelegd in Deel B Uitvoerings- en overige regelingen van het Ondernemingsdeel De Landschappen, artikel 4 Senioren.

8.7.2 Met ingang van 01-01-2014 geldt de seniorenregeling zoals opgenomen in artikel 3.6 van het Algemeen deel.

8.7.3 Werknemers die voor 01-01-2013 gebruik maakte van de Seniorenregeling en waarvan de vakantiedagen werden gebaseerd op 90% van het aantal dagen waarop zij in het oorspronkelijk dienstverband recht zouden hebben, behouden dat recht in 2014.

8.8 Vervallen

8.9 Permanente educatie

8.9.1 Werkgever is bereid werknemer in de gelegenheid te stellen tot het volgen van trainingen en opleidingen in het belang van de uitoefening van de functie en de brede en blijvende inzetbaarheid van werknemer.

8.9.2 Werkgever zal, indien daartoe naar de mening van werkgever behoefte bestaat, trainingen voor werknemers of groepen van werknemers organiseren ten behoeve van het onder deskundige leiding aanleren van specifieke, functiegerelateerde vaardigheden.

8.9.3 Werknemer zal op verzoek van werkgever actief trainingen en opleidingen volgen in het belang van de uitoefening van de functie en de inzetbaarheid van werknemer.

8.9.4 Werkgever zal jaarlijks een opleidingsplan en een daarbij horend opleidingsbudget vaststellen voor het gehele personeel.

8.9.5 Kosten verbonden aan training en opleiding op verzoek van werknemer, zullen door werkgever worden vergoed in overeenstemming met deel B Uitvoerings- en overige regelingen van het Ondernemingsdeel De Landschappen, artikel 8 Opleidingskosten en -verlof.

Raam-CAO bos en natuur

Ondernemingsdeel De Landschappen

B.UITVOERINGS- EN OVERIGE REGELINGEN

1. FUNCTIEWAARDERING


De functiewaardering is gebaseerd op de Functieniveaumatrix DE LANDSCHAPPEN die als bijlage I bij het Ondernemingsdeel De Landschappen is toegevoegd inzake functiewaardering.

Per werkgever wordt een Regeling voor Functiebeschrijving en -waardering ontwikkeld. In deze regeling dient een procedure te worden vastgelegd voor bezwaar en beroep.


2. SALARIËRING

2.1 Algemeen

Voor de provinciale Landschappen is met ingang van 1 januari 2005 een eigen salaristabel ontwikkeld. Om de overgang naar deze salaristabel mogelijk te maken is, voor de werknemers die vóór 1 januari 2005 in dienst waren en waarvoor dit een achteruitgang in salarisperspectief betekent, een overgangsregeling opgesteld tussen werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers. De consequenties van deze overgangsregeling blijven van toepassing voor deze cao-periode. De overgangsregeling is als bijlage II bij het Ondernemingsdeel De Landschappen toegevoegd.

De salaristabellen die op het Ondernemingsdeel De Landschappen van toepassing zijn gedurende de looptijd van deze CAO, zijn in bijlage III bij het Ondernemingsdeel De Landschappen opgenomen.

2.2 Salarisstructuur

Er zijn 11 salarisschalen, aangeduid met de cijfers 2 t/m 12. Deze cijfers komen overeen met het niveau van de functie zoals vastgelegd in een functieprofiel en met de daarmee corresponderende salarisschalen. Een salarisschaal bestaat uit maximaal 11 periodieken, aangeduid met de cijfers 0 t/m 10. De in de salarisstructuur genoemde bedragen zijn bruto maandsalarissen, gebaseerd op een gemiddelde arbeidsduur van 37 uur per week. Bij een werkweek van minder dan 37 uur per week geldt het “naar rato”-beginsel.

2.3 Schriftelijke mededeling salarismutaties

Bij de aanstelling en bij salarismutaties wordt aan de werknemer het maandsalaris, de salarisschaal en het periodieknummer schriftelijk meegedeeld.

2.4 Salarisvaststelling bij aanstelling (Aanvangssalaris)

2.4.1 Vervallen

2.4.2 De werknemer ontvangt bij aanstelling het salaris behorende bij periodiek 0 van de functieschaal.

2.4.3 In geval van - naar het oordeel van de directeur - relevante ervaring bij een andere werkgever kan het salaris op een hogere periodiek worden vastgesteld, echter niet hoger dan het maximum van de functieschaal.

2.4.4 In geval werknemer bij aanstelling nog niet beschikt over de kennis en vaardigheden die voor de volledige functievervulling zijn vereist, kan indeling in een aanloopschaal plaatsvinden. De aanloopschaal is één salarisschaal lager dan de functieschaal. Voor functieniveau 1 geldt dat indeling te allen tijde plaatsvindt in de functieschaal. De indeling in de aanloopschaal vindt in principe plaats voor ten hoogste één jaar voor de functiegroepen 1 tot en met 6, voor ten hoogste twee jaar voor de groepen 7 tot en met 12.

2.5 Beoordeling en schalen

De verschillende in de CAO participerende ondernemingen kennen ieder een eigen systematiek van het beoordelen van het functioneren van de werknemers en de, soms, daaraan gerelateerde toekenning van periodieken. Jaarlijks is er in de maanden november/december een ijkmoment. Hierbij kunnen de volgende zaken spelen:

2.5.1 Van aanloopschaal naar functieschaal

Indien het functioneren van de werknemer die gesalarieerd wordt volgens de aanloopschaal tijdens een beoordeling in november/december als ‘voldoende’ is aangemerkt, wordt de werknemer vóór 1 juli opnieuw beoordeeld. Indien de werknemer de functie goed en volledig vervult, vindt bevordering plaats per 1 juli.



2.5.2 Functie ingedeeld in hoger functieniveau

Indien de functie van de werknemer in een hoger functieniveau wordt ingedeeld, wordt de werknemer tussentijds beoordeeld. Indien de werknemer de functie goed en volledig vervult, vindt bevordering plaats met ingang van de datum waarop de herwaardering van de functie van kracht is geworden (1 januari of 1 juli).



2.5.3 Werknemers jonger dan 21

De werknemer jonger dan 21 ontvangt het salaris behorend bij zijn of haar leeftijd en aanloopschaal. Voor het bepalen van de leeftijd wordt uitgegaan van de leeftijd die in de loop van het kalenderjaar zal worden bereikt.



2.5.4 Werknemers 21 jaar en ouder en toekenning periodiek

Jaarlijks wordt een periodieke verhoging toegekend. Bij onvoldoende functioneren kan er reden zijn geen periodiek toe te kennen. Werkgever dient werknemer hiervan voor 1 januari in kennis te stellen. Indien er wezenlijke verbetering optreedt in het functioneren kan werkgever alsnog een periodiek toekennen.

2.5.5 De periodieke verhogingen gaan in per 1 januari van elk jaar. In voorkomende gevallen kan een werknemer een periodieke verhoging krijgen op grond van een tussentijdse beoordeling.

2.5.6 Periodieke verhogingen kunnen worden toegekend tot de maximum periodiek behorend bij de functieschaal is bereikt.

2.6 Bevordering

2.6.1 Van bevordering is sprake als:

- een werknemer een functie gaat vervullen die is ingedeeld in een hoger functieniveau;

- als de functie van de werknemer wordt ingedeeld in een hoger functieniveau;

- als de werknemer van de aanloopschaal in de functieschaal wordt geplaatst.

2.6.2 In geval de werknemer een andere functie gaat vervullen, vindt bevordering plaats met ingang van de datum waarop de functiewijziging ingaat. In de overige gevallen kan bevordering slechts plaatsvinden na een beoordeling, met als uitkomst dat de functie goed en volledig vervuld wordt.

2.6.3 Bevorderingsperiodiek

Uitgangspunt is het salaris van de werknemer op de datum van de bevordering. Het nieuwe salaris is het naast hogere bedrag in de nieuwe salarisschaal. Indien het verschil tussen het oude en het nieuwe salaris minder dan € 10 bedraagt, wordt een extra periodiek toegekend.

2.6.4 Bevordering valt samen met periodieke verhoging

Indien de bevordering samenvalt met de jaarlijkse periodieke verhoging wordt in de oude salarisschaal zo mogelijk een reguliere periodiek toegekend. Vervolgens wordt er overgegaan naar het naast hogere bedrag in de nieuwe salarisschaal. Indien het verschil tussen het oude salaris (exclusief de reguliere periodiek) en het nieuwe sala-ris minder dan €10 bedraagt, wordt een extra periodiek toegekend.


2.7 Gratificatie dienstjubileum

De werknemer ontvangt bij een ononderbroken dienstverband van:

25 jaar: één bruto-maandsalaris

40 jaar: één bruto-maandsalaris

Het bedrag wordt netto uitgekeerd voor zover dat fiscaal is toegestaan. Bij deelname aan de seniorenregeling wordt uitgegaan van het 100%-salaris in plaats van 90% (fulltime basis).
3. VAKANTIE EN VERLOF

3.1 Regeling vakantie

Uitgangspunten

- Onder vakantie wordt verstaan: vrijaf met behoud van loon.

- Een vakantiejaar is gelijk aan een kalenderjaar.

- Vakantierechten worden per jaar berekend op basis van een 37-urige werkweek, voor parttimers geldt het naar rato principe.

- Vakantierechten worden uitgedrukt in uren.

- Bij opname van vakantie-uren wordt het aantal uren dat die dag (minder) gewerkt wordt afgeschreven.

- Werknemers die slechts een gedeelte van het kalenderjaar in dienst zijn (geweest) hebben recht op een evenredig deel vakantie-uren. Het kalenderjaar wordt op 365 dagen gesteld.

- Bij de opbouw van vakantierechten wordt onderscheid gemaakt tussen

- Wettelijke vakantierechten;

- Bovenwettelijke rechten op basis van verlengde arbeidsduur.

- De verjaringstermijn van vakantierechten is 5 jaar. Dat geldt zowel voor de wettelijke als voor de bovenwettelijke rechten.

3.2 Opbouw vakantierechten

3.2.1 Wettelijke vakantierechten:

De werknemer verwerft over ieder jaar waarin hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft gehad, aanspraak op 4 maal de overeengekomen arbeidsduur per week. Bij een fulltime dienstverband bedraagt het wettelijk minimum: 4 x 37 uur = 148 uur

3.2.2 Bovenwettelijke rechten:

Boven dit wettelijk minimum kent de werkgever 51,8 uren extra vakantie toe aan alle werknemers

3.2.3 Bovenwettelijke rechten op basis van leeftijd:

- Met ingang van 01-01-2013 worden geen bovenwettelijke rechten op basis van leeftijd (meer) opgebouwd.

- Medewerkers in de schalen 7 t/m 12 behouden de vakantierechten op basis van leeftijd die zij op 31-12-2012 hebben.

- Medewerkers in de schalen 1 t/m 6 die op 31-12-2012 een leeftijd hebben van 57 t/m 59 jaar, behouden 7,4 verlofuren als gevolg van leeftijd.

- Medewerkers in de schalen 1 t/m 6 die op 31-12-2012 een leeftijd hebben van 60 jaar of ouder, behouden 14,8 verlofuren als gevolg van leeftijd.

- Bij medewerkers in de schalen 1 t/m 6 komen alle overige verlofuren als gevolg van leeftijd te vervallen.

3.2.4 Bovenwettelijke rechten op basis van verlengde arbeidsduur:

De werknemer die 40 uur per week werkt in plaats van 37 uur heeft recht op 156 extra vakantie-uren.

3.2.5 Parttimers krijgen vakantierechten naar rato, dat wil zeggen het parttime percentage maal de hierboven genoemde uren.

3.3 Opnemen vakantie

3.3.1 De vakantierechten van werknemer worden door de leidinggevende geregistreerd op vakantiekaarten.

3.3.2 Een verzoek tot opname van vakantie dient tijdig door werknemer bij zijn leidinggevende te worden ingediend en zal in principe gehonoreerd worden. Indien er gewichtige redenen zijn om het verzoek niet in te willigen, dient de leidinggevende dit binnen twee weken na het verzoek schriftelijk gemotiveerd aan werknemer te bevestigen. Gebeurt dit niet, dan wordt het verzoek als ingewilligd beschouwd. De werknemer moet per jaar minimaal in de gelegenheid worden gesteld de wettelijke vakantierechten op te nemen. Van de vakantiedagen moeten tenminste 2 weken aaneengesloten en mogen maximaal 4 weken aaneengesloten worden genoten in de periode van 1 mei tot 1 oktober.

3.3.3 Werknemer zal de wettelijke vakantierechten zoveel mogelijk opnemen in het vakantiejaar waarin de aanspraak is ontstaan. Heeft de werknemer hiervoor op 1 augustus van het betreffende jaar nog geen verzoek ingediend, dan staat het de leidinggevende vrij de vakantie alsnog in overleg met de werknemer vast te stellen.

Werknemer is gerechtigd een kwart van het tegoed aan wettelijke vakantierechten uiterlijk in het eerste kwartaal van het jaar daarop op te nemen. Indien op 31 januari van enig jaar blijkt dat nog niet alle wettelijke vakantierechten van het vorige jaar zijn opgenomen, dan kan de leidinggevende deze dagen alsnog in het eerste kwartaal inplannen in overleg met werknemer.

3.3.4 In een rooster vastgelegde vrije dagen welke niet zijn genoten als gevolg van bedrijfsomstandigheden komen niet te vervallen

3.3.5 Bij vakantieopname dienen eerst de wettelijke vakantierechten te worden opgenomen.

3.4 Vakantierechten tijdens ziekte

3.4.1 Tijdens ziekte worden ook vakantierechten opgebouwd, tenzij de ziekte door grove opzet of nalatigheid is ontstaan.

3.4.2 Indien werknemer een maand of korter volledig arbeidsongeschikt is, wordt de opbouw van vakantierechten niet beperkt.

3.4.3 Indien werknemer langer dan een maand volledig arbeidsongeschikt is, wordt de opbouw van vakantierechten beperkt tot de wettelijke rechten. Perioden die elkaar met minder dan een maand opvolgen, worden bij elkaar geteld.

3.4.4 Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bouwt werknemer alleen bovenwettelijke vakantierechten op over de gewerkte uren, dus als een parttimer.

3.4.5 Tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof loopt de opbouw van vakantierechten door.

3.5 Vakantierechten sparen of verkopen

3.5.1 Vervallen

3.5.2 Verkopen

Het recht op vakantie is een recht op vrije tijd. In overleg tussen werkgever en werknemer zal dan ook altijd worden gezocht naar een invulling van de vakantierechten in tijd. Indien blijkt, in overleg tussen werkgever en werknemer, dat werknemer in enig jaar niet in staat is geweest om zijn vakantierechten in vrije tijd om te zetten, worden van de bovenwettelijke vakantierechten op basis van verlengde arbeidsduur maximaal 12 dagen uitbetaald, met inachtneming van de fiscale voorwaarden.

3.6 Regeling bijzonder verlof → opgenomen in Algemeen deel onder 7.3, 7.4 en 7.5 Algemeen deel
3.7 Regeling verlof in het kader van de Wet Arbeid en Zorg → opgenomen in Algemeen deel onder 7.6

De bepalingen ter zake in de Wet arbeid en zorg zijn van toepassing.


4. SENIOREN

4.1 Algemeen

De seniorenregeling zoals opgenomen in artikel 3.6 van het Algemeen deel is van toepassing.

4.2 Scenario

Dit scenario is uitgewerkt op basis van een fulltime dienstverband (37 uur) met 199,8 uur verlofrecht. Bij een parttime dienstverband worden de uren en de verlofrechten naar evenredigheid vastgesteld.

De werknemer gaat 29,6 uur werken (80% van 37 uur) en krijgt 80% van het jaarlijkse verlofrecht, dus 179,8 uur.

Het nominale salaris en het vakantiegeld worden gebaseerd op 90% van het oorspronkelijke salaris.

4.3 Vervallen

4.4 Vergoedingen

Een eventuele dienstwoningvergoeding blijft gebaseerd op het oorspronkelijke fulltime salaris.

De vergoeding woon-werkverkeer wordt gebaseerd op het eventuele nieuwe reispatroon. Alle overige vergoedingen en/of uitkeringen worden gebaseerd op 90% van het oorspronkelijke salaris.

Door het afnemen van het bruto jaarsalaris kan het voorkomen dat men in een ander belastingtarief terechtkomt.


Dit kan ook effect hebben op inkomensafhankelijke regelingen of uitkeringen (huursubsidie, rechtsbijstand, zorgtoeslag etc.).

4.5 Nevenwerkzaamheden

Werknemers die gebruik maken van de seniorenregeling mogen naast hun werkzaamheden voor het provinciale Landschap geen andere betaalde arbeid verrichten. Nevenwerkzaamheden of verdiensten die een half jaar vóór aanvang van de seniorenregeling reeds bestonden zijn hiervan uitgezonderd. Voorwaarde is wel dat werkgever hiervoor een schriftelijke goedkeuring heeft afgegeven en werknemer deze goedkeuring kan overleggen.
5. BEDRIJFSWAGENS
De werkgever die beschikt over bedrijfswagens stelt in voorkomende gevallen een bedrijfswagen beschikbaar aan werknemers ten behoeve van werkzaamheden die zijn opgedragen door de werkgever. Deze wagens zijn bedoeld voor zakelijk verkeer en worden slechts gebruikt indien er geen andere mogelijkheden van vervoer zijn. Gebruik van deze wagens voor woon-werkverkeer is alleen toegestaan met voorafgaande toestemming van werkgever.

Werkgever zorgt op bedrijfsniveau voor een nadere uitwerking van deze regeling.

6. WOON-WERKVERKEER, VERHUISKOSTEN EN DIENSTREIZEN

Algemeen uitgangspunt

De navolgende Uitvoeringsregelingen worden telkens in overeenstemming gebracht met wijzigingen in fiscale wet- en regelgeving.

De werkgever stelt nadere regels betreffende de wijze van declareren door werknemer en de wijze van vergoeden door werkgever.

6.1 Regeling woon-werkverkeer

6.1.1 Algemeen

Met betrekking tot woon-werkverkeer worden twee regelingen onderscheiden, te weten de openbaar vervoerregeling en de eigen vervoerregeling. Per werknemer wordt slechts één regeling toegepast. Indien dit in voorkomende gevallen tot onredelijke consequenties leidt, kan op voorstel van de leidinggevende een passende oplossing worden bepaald. Uitgangspunt is hierbij dat de vergoeding onbelast moet kunnen worden uitgekeerd.

Een werknemer die vrijwillig verhuist naar een woonplaats die verder van de werkplek is gelegen, kan geen aanspraak maken op een hogere vergoeding.

6.1.2 Openbaar vervoerregeling

Het reizen per openbaar vervoer wordt vergoed op basis van 2e klasse. Aan werknemers vanaf schaal 7 wordt, na toestemming van de leidinggevende, vervoer op basis van 1e klasse vergoed.

De volgende voorwaarden gelden:

1. alleen feitelijke kosten op basis van feitelijk gebruik worden vergoed.

2. jaar- en maandkaarten worden als voorschot vergoed op basis van een bewijsstuk van de vervoerder. De kaart wordt na afloop van de geldigheidsperiode ingeleverd bij de personeelsadministratie.

3. de goedkoopste vorm van vervoer wordt vergoed, zie ook de bepaling m.b.t. kortingskaarten. Voor werknemers die een duurdere vorm van vervoer kiezen komen de meerkosten voor eigen rekening.

Afhankelijk van het aantal reisdagen per maand is dit ofwel een maand (of jaar-) trajectkaart, of een vijfretourenkaart.


Reizen met kortingskaart

Als door de werknemer voordeliger kan worden gereisd met behulp van een kortingskaart geldt het volgende.

De werknemer die gebruik maakt van de kortingskaart mag het volle tarief van de dagkaarten declareren totdat het voordeel dat hij hierdoor heeft ontvangen gelijk is aan de aanschafkosten van de kortingskaart. Vanaf dat moment declareert de werknemer – gedurende de resterende looptijd van de kortingskaart – uitsluitend tegen het kortingstarief. Een kopie van de kortingskaart wordt bij de eerste declaratie aangeleverd.

Deze wijze van declareren geldt zowel voor woon-werkverkeer als voor dienstreizen.


6.1.3 Eigen vervoerregeling

Een werknemer heeft bij gebruik van eigen vervoer recht op een onbelaste kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer per gewerkte dag. De maximale dagvergoeding bedraagt € 11,40.

6.2 Regeling verhuizen

Deze regeling is van toepassing op werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en op werknemers die een dienstwoning moeten verlaten, bijvoorbeeld bij beëindiging van hun dienstverband als gevolg van (pre-)pensioen of arbeidsongeschiktheid. De werknemer dient vooraf goedkeuring te vragen voor de wijze van toepassing van deze regeling.

6.2.1 Vergoeding transportkosten

Om voor vergoeding van transportkosten in aanmerking te komen dient te worden voldaan aan de volgende criteria:

1. de verhuizing vindt plaats binnen twee jaar nadat het dienstverband of een overplaatsing is ingegaan;

2. de inrichting geschiedt niet voor de eerste keer;

3. de verhuizing geschiedt van een plaats meer dan 30 kilometer van de standplaats, naar een woonplaats met een afstand van minder dan 10 kilometer van de standplaats.

De werknemer vraagt minimaal twee offertes aan.

De onderstaande kosten worden vergoed:

1. de transportkosten voor het overbrengen van de inboedel, inclusief het bezorgen en ophalen van verpakkingsmateriaal en het in- en uitladen van de verhuiswagen.

2. het in- en uitpakken van breekbare spullen en het demonteren en monteren van meubilair.

6.2.2 Vergoeding herinrichtingskosten

Indien de werkgever aan de werknemer een verhuisplicht heeft opgelegd, komt de werknemer, naast de vergoeding voor transportkosten, in aanmerking voor vergoeding van herinrichtingskosten. De tegemoetkoming herinrichtingskosten bedraagt 12% van het op dat moment van kracht zijnde bruto jaarloon, met een maximum van € 5.650,-.

6.3 Regeling dienstreizen

Een dienstreis is een reis, niet zijnde woon-werkverkeer, die in opdracht van de werkgever in het kader van de functie-uitoefening wordt gemaakt.

6.3.1 Openbaar vervoerregeling

Het reizen per openbaar vervoer wordt vergoed op basis van 2e klasse. Aan werknemers vanaf schaal 7 wordt, na toestemming van de leidinggevende, vervoer op basis van 1e klasse vergoed.

De volgende voorwaarden gelden:

1. alleen feitelijke kosten op basis van feitelijk gebruik worden vergoed.

2. de goedkoopste vorm van vervoer wordt vergoed, zie ook de bepaling m.b.t. kortingskaarten.

3. voor werknemers die een duurdere vorm van vervoer kiezen komen de meerkosten voor eigen rekening.

6.3.2 Eigen vervoerregeling

Bij gebruik door de werknemer van eigen gemotoriseerd vervoer wordt door de werkgever een onbelaste vergoeding van € 0,19 per kilometer en een belaste vergoeding van € 0,09 per kilometer verstrekt. In de betaalde vergoeding worden alle bijkomende kosten geacht te zijn opgenomen.

6.4 Gebruik eigen vervoer bij combinatie van woon-werkverkeer en dienstreizen

Als gedurende een werkdag sprake is van combinatie van woon-werkverkeer met een dienstreis dan wordt de woon-werkverkeerafstand eerst vergoed tegen het daarvoor geldende tarief. Indien de dienstreis de afstand van het woon-werkverkeer overschrijdt, worden de extra gereden kilometers als dienstreis vergoed.

Deze regeling wordt toegepast op gewerkte dagen, onafhankelijk of de standplaats wel of niet wordt aangedaan.
7. TELEFOONKOSTEN

7.1 Uitgangspunten

Met betrekking tot de vergoeding van telefoonkosten wordt onderscheid gemaakt tussen een privé-telefoon, een zakelijke telefoon en een mobiele telefoon.

Onder telefoonkosten worden mede verstaan kosten gemaakt in verband met internet, e-mail, fax en modem. Werkgever gaat er vanuit dat iedere werknemer beschikt over een privé-telefoonaansluiting.

Aanleg- en abonnementskosten van een eerste telefoon op het privé-adres van een werknemer worden niet vergoed.

Werkgever zal uitsluitend aan werknemers die een dienstwoning bewonen een tenaamstelling in de telefoongids op naam van betreffende werkgever als tweede vermelding op het abonnement van werknemer vergoeden.

7.2 Gebruik privé-telefoon voor zakelijke doeleinden

Werkgever zal de zakelijke telefoonkosten die door werknemer met de privé-telefoon zijn gemaakt, vergoeden tegen overlegging van een kopie van de gespecificeerde telefoonnota.

7.3 Zakelijke telefoon op privé-adres

Indien de leidinggevende van oordeel is dat de werknemer dient te beschikken over een aparte telefoonlijn voor zakelijke doeleinden (bijvoorbeeld in verband met een thuiswerkplek) zullen de kosten van aanleg en abonnement van een ISDN-lijn voor rekening van werkgever komen. De rekening wordt derhalve rechtstreeks naar werkgever gestuurd. Privé-gebruik van deze telefoonaansluiting is niet toegestaan.

7.4 Mobiele telefoon

Indien de leidinggevende van oordeel is dat de werknemer mobiel bereikbaar dient te zijn, zal aan werknemer een mobiele telefoon voor zakelijke doeleinden ter beschikking worden gesteld (de mobiele telefoon blijft eigendom van werkgever). Aanschaf-, abonnements- en gesprekskosten zullen voor rekening van werkgever komen.

Werknemer dient het gebruik van de mobiele telefoon voor zakelijke doeleinden te beperken tot de strikt noodzakelijk te voeren gesprekken in verband met de hoge kosten hiervan. Gebruik van de mobiele telefoon in het buitenland is uitsluitend toegestaan gedurende een dienstreis. Privé-gebruik van de zakelijke telefoon is niet toegestaan.
8. OPLEIDINGSKOSTEN EN -VERLOF

Inleiding

Wanneer een werknemer een opleiding, studie of cursus (in het vervolg van de tekst aangeduid als opleiding) volgt kan een tegemoetkoming in de opleidingskosten worden gegeven. Tevens is er een regeling met betrekking tot verlof.

8.1 Indiening en behandeling van een verzoek

Zowel een leidinggevende als een werknemer kan aangeven het volgen van een opleiding noodzakelijk of gewenst te vinden. Zij bespreken dit voor het opstellen van het opleidingsplan van de onderneming. Werknemer wordt door de leidinggevende schriftelijk dan wel mondeling in kennis gesteld van toewijzing dan wel afwijzing en van de argumenten op basis waarvan daartoe besloten is.

Wanneer het opleidingsplan is goedgekeurd en werknemer meldt zich aan voor de opleiding, stuurt hij/zij een studiebevestiging aan leidinggevende. De leidinggevende geeft hierop aan welk percentage studiekostenvergoeding hij van toepassing acht (conform onderstaande vergoedingsregels).

8.2 Vergoedingsregels

Optie 1: 100% vergoeding geldt voor de navolgende opleidingen:

- de opleiding, waaronder EHBO en BHV, is noodzakelijk of belangrijk voor de functievervulling en wordt gevolgd in opdracht van de werkgever,

- bij een herplaatsing op grond van arbeidsongeschiktheid of reorganisatie, waardoor her-, om- of bijscholing noodzakelijk is,

- de opleiding is gericht op het vervullen van een mogelijk toekomstige functie binnen de onderneming.

Optie 2: 50% vergoeding:

- de opleiding is vooral in het belang van de ontplooiing van de werknemer.
In de toekenning van de opleidingsgelden van een organisatieonderdeel, worden de opleidingen die onder optie 1. vallen als eerste toegekend.
Onder omstandigheden kan sprake zijn van terugvordering van de vergoeding van opleidingskosten. Het terugvorderen van vergoedingen is omschreven onder het hoofdstuk “terugbetaling” van deze Uitvoeringsregeling.

8.3 Verlof in verband met het volgen van lessen

Een opleiding vallend onder optie 1. wordt in principe binnen werktijd gevolgd. Wanneer de lessen buiten werktijd gegeven worden, wordt de opleiding in eigen tijd gevolgd.

Een opleiding vallend onder optie 2. wordt in eigen tijd gevolgd.

8.4 Examenverlof

Verlof met behoud van salaris zal worden verleend voor de tijd dat een examen tijdens werktijd moet worden afgelegd. Verlof met behoud van salaris ter voorbereiding van een examen kan, ter beoordeling door de werkgever, worden toegekend voor maximaal twee dagen.

8.5 Begrip opleidingskosten

Onder opleidingskosten worden verstaan:

8.5.1 opleidings-, cursus-, les- of schoolgelden, inschrijfkosten daaronder begrepen;

8.5.2 reis- en verblijfkosten, indien de lessen buiten de woonplaats moeten worden gevolgd;

8.5.3 kosten voor deelneming aan examens;

8.5.4 kosten voor aanschaf van voorgeschreven boeken en studiemateriaal.

8.6 Uitbetaling tegemoetkoming

De uitbetaling van de tegemoetkoming in de kosten, zoals omschreven onder begrip opleidingskosten geschiedt als regel na afloop van elke maand. Hiertoe dient een declaratieformulier te worden ingediend, waarop duidelijk wordt aangegeven dat het opleidingskosten betreft en om welke opleiding het daarbij gaat. Eventuele bewijsstukken worden toegevoegd.


In afwijking van het bovenstaande kan de instantie waar de opleiding wordt gevolgd de nota voor opleidings-, cursus-, les- of schoolgelden en eventueel inschrijfkosten onder vermelding van de naam van de cursist naar werkgever sturen, ter attentie van leidinggevende. Werkgever betaalt de nota en als de vergoeding geen 100% is, wordt het gedeelte dat de cursist zelf moet betalen van het eerstvolgende salaris, geboekt.

8.7 Terugbetaling → zie regeling in bijlage IX Algemeen deel




Bijlage I

Ondernemingsdeel De Landschappen


Bijlage behorend bij onderdeel A. Arbeidsvoorwaardenregeling, artikel 4.1.1, en

onderdeel B. Uitvoerings- en overige regelingen, artikel 1 uit Ondernemingsdeel De Landschappen.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   13


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina