Ranb toegangsnummer 315 teksteditie en indexen op persoons – en plaatsnamen



Dovnload 1.11 Mb.
Pagina10/19
Datum22.07.2016
Grootte1.11 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   19
folio134

Voor schepenen van de heerlijkheid Kessel is een geschil gerezen tussen de Heer Adriaen van der Straaten drossaard van de heerlijkheid en Jan Martens van Maren. [3.12.1744]


folio 135

Schepenen van de Baronie van Boxtel hebben de procedure gezien tussen de drossaard Heer Jan Bowier contra Willem Hartman vorster te Vught met de bijbehorende stukken. De vorster wordt gedaagd. De kwestie is dat hij op 19 mei 1742 met een pistool is gesignaleerd binnen de Baronie van Boxtel ‘savonds rond tien uur en wel op de openbare weg ter hoogte van herberg ‘den Kievit’. Hij is daar een zekere Francis van Rund tegengekomen afkomstig van Liempde en wilde weten waar die naar toe ging. Hij viel hem aan, trok hem aan zijn das en zette hem het pistool op de borst en zou tegen van Rund gezegd hebben: “wat moveert mij dat ik uw niet dood schiete”. Door tussenkomst van Willem Verhoeven zijn toen ongelukken voorkomen.Er wordt een boete opgelegd van 50 gulden en hij mag zich drie jaren lang niet binnen de Baronie vertonen. [6.1.1745]


folio 137

Advies inzake het 55ste artikel van de ordonnantie op de criminele justitie in de Nederlanden de dato 5 juli 1570 om te komen tot een ‘generale stijl of forme van procederen’. Genoemd wordt een procedure tegen Dirck van Nieuwcuyk. [7.12.1734]


folio 139

Nadere artikelen in de procedures rond Adriaan Coenen meester-smid wonende te Klein Dongen in de Baronie van Breda gevangen op de Voorpoort in Den Haag, tegen de heiden genaamd ‘Swarte Johannes’ en een heidinne genaamd Blommerantje Theresia gevangene te Loon op Zand en Worcum [vgl. Woudrichem] en overgebracht naar Den Haag.


art.1

Adriaen Coenen heeft enige tijd geleden voor de genoemde heidin Blommerantje in haar aanwezigheid en die van een heiden genaamd Laurie, een vuurslagje gemaakt dat Laurie voor Bommerantje betaald heeft.

art.2

In aanwezigheid van de beide anderen heeft hij ook een breekijzer gemaakt dat hij aan Laurie heeft gegeven en waarvoor betaald is.



art.3

Ook heeft hij voor Laurie drie steeksleutels gemaakt of ‘keijsers’die hij hem heeft gegeven en waarvoor betaald is.

art.4

In de tijd dat het gestolen goed is gehaald uit het huis van Loontjes weduwe te Dongen in het Haagje, heeft hij voor Laurie nog twee steeksleutels en een breekijzer gemaakt, die hij hem heeft gegeven en waarvoor betaald is.



art.5

In aanwezigheid van Blommerantje, Adrianus en Laurie heeft hij voor Adrianus een breekijzer gemaakt, aan Laurie gegeven en er is voor betaald.

art.6

Voor Zwarte Johannes heeft hij enige tijd geleden twee steeksleutels gemaakt, voor de heiden genaamd Coijman twee steeksleutels; Johannes en Coijman zijn die vier steeksleutels aan het gevangenhuis komen afhalen en hij is daar voor betaald.



[14.3.1735]
folio 142

Nadere artikelen rond de procedure van Otto Tuijn drosaard van Loon op Zand tegen Arien Dominicus alias Schram. Als getuigen verschijnen voor de schepenen van Venloon Thomas Colster herbergier op de Ketsheuvel in aanwezigheid van de gevangene Schram, Nicolaes van Emmelen inwoner van ‘sGrevelduijn-Capel, Peternel Hommel, Maria Coijmans de vrouw van Thomas Colster.

Van de arrestant wordt gezegd dat hij op 21 juli 1726 in het huis van Colster is geweest samen met zijn gevangen oom Peter Neth en diens zoon Dirck Neth, dat hij daar een glas jenever eiste en dat hij ter plaatse een pintje aan stukken heeft geslagen.

De documenten over deze zaak worden door de schepenen onderzocht. De gevangene legt uiteindelijk een verklaring af over zijn leven als vagabond, zijn gewelddadigheden, als het begaan van een doodslag nl. die van Arnoldus van Rooij. Hij ‘sal worden gebragt op het schavot, ter plaetse alwaer men hier gewoon is criminele executie te doen en sijn hoofd op een block geleijdt om vervolgens door den mester van den scherpen-geregte met een bijl sijns gevangs hooft van sijn lichaem te werden afgekapt’.

De schepenen van Venloon zijn: Johan Kievit president, Antony Mouthaan, Nicolaas Mouthaan, Jacobus Oerlemans, Antony Glavimans, Thomas van Vught en Lambert Nouwen – getekend door A. de Sille. [25.4.1735]
folio 147

Casus-positie

Jacobus van Berten, commies van de Grote Brabantse Zwijgende Landtol, geleide- en paardengeld, te Boxtel en de tappers aldaar leggen en verklaring af, dat tijdens het doormarcheren van milities te Boxtel twee soldaten via de drossaard een billet hebben verkregen om in zijn huis te logeren, maar ze hebben uiteindelijk elders gelogeerd. Over deze inkwartiering volgt een rechtsgeleerd advies. 20 juni 1744]
folio 152

Schepenen van Sint Michielsgestel en Gemonde melden een procedure tussen de Heer Abraham Verster drossaard en de gedaagde Huijbert Eijmbert Boeren en hebben de bijbehorende stukken gezien. [11.12.1748]


folio 153

Schrijven gericht aan de Achtbare Heren Schepenen van ’s-Hertogenbosch.

Elisabeth Wilhelma van Midlum is gehuwd met Mr. Christiaen Paulus van Beresteijn, geassisteerd door haar vader Gerard van Midlum professor en bedienaar van het Goddelijk Woord als curator ad lites tegen voornoemde van Beresteijn. Zij verklaart ‘sedert die tijd seer veel bitterheden en soo vergaende quade behandelingen heeft moeten ondergaen dat de selve voor een vrouw van eer en fatsoen geensints te dulden sijn geweest; dat de suppliante des onaengesien voornamentlijk mede uyt een tedere affectie voor hare kinderen, de selve met alle mogelijke lijdsaemheijt heeft verdraegen en binnen de mueren van haer huijs tragten te houden, in hoope dat de voornoemde Mr.C.P.van Beresteijn mettertijd tot betere sinnen soude koomen, dan dat het soo verre daer van daen is geweest, dat de selve hoe langer hoe meer sijn pligt vergetende en in sijne buijtensporigheden toenemende, sig niet geconenteert heeft met de suppliante seer qualijk en gansch onbetamelijk te bejegenen en te mishandelen, maer dat ook daer en boven verscheijde andere lieden sodanig heeft beledigt, dat hij, redenen van offensie aan het Hoogh Officie deser stad gegeven hebbende, op voorgaende decreet van Ued: Achtb: in detentie geraekt en op de gevangepoorte deser stad is gelogeert geworden dan waer uyt den selve als nu (soo de suppliante verstaat) weder is gerelaxeert en ontslagen’. Over deze kwestie ontspint zich een heel proces. [28.4.1738]
folio 159

Rescriptie in 34 artikelen van Mr.Christiaen Paulus van Beresteijn contra Vrouwe Elisabeth Wilhelma van Midlum zijn vrouw en haar assistent. [27.6.1738]


folio 164

Casus-positie

Johannes Maser gevangene op de stadspoort in Den Bosch heeft verklaard ‘buijten pijn van banden ende ijseren’ dat hij in februari 1744 ‘snachts rond één uur te Dongen uit een stal een bruine ruin heeft gestolen en daarmee naar het land van Luik is gereden en hem daar heeft verkocht voor ca. 35 gulden Hollands geld. Dat hij in de nacht van 24 op 25 april ca. twee uur op de Heijnis onder Rosmalen uit de stal van Hendrik Stuck een hengst heeft gestolen en daarmee nog dezelfde nacht naar het land van Luik is gereden, waar hij hem in een herberg genaamd ‘den Engel’ heeft verkocht voor iets minder dan elf dukaten. Dat hij van 14 op 15 mei daaraanvolgend ten huize van Adriaan Gibbens uit de stal een zwarte merrie heeft gestolen, waarmee hij naar Antwerpen is gereden en die daar in een herberg voor 9 of 10 dukaten heeft verkocht, maar dat op het moment dat de koper hem het geld overgaf, iemand is binnengekomen, die bekend maakte dat het betreffende paard was gestolen en dat Johannes daarop stil was weggegaan. Bovendien verklaart Maser, dat hij ter plaatse nog bij het staldeurtje is geweest maar dat dicht had aangetroffen. Hij was echter in staat zijn vingers tussen de deur te zetten, zijn hand er tussen te krijgen en toen voelde dat het met een touwtje was dicht gebonden. Hij trok zo hard aan de duer dat het touwtje brak. Nu wordt er om advies gevraagd. welke straf aan deze dader opgelegd kan worden in verband met paardendieverij. [3.10.1744]
folio 169

Voor Jan Louis Verster openbaar notaris te ‘sBosch zijn verschenen Mr.Christiaen Paulus van Beresteijn, meerderjarig, geassisteerd door de Weledele Vrouwe Johanna Catharina de Groot weduwe van wijlen de Heer Thomas van Beresteijn, in leven schepen van de stad en rentmeester van de geestelijke goederen in het kwartier Kempenland. Met hen verschijnt ook Mr. Marten Cornelis van Beresteijn schepen van ‘sBosch, resp. moeder en broer van Mr.Christiaen. Ook verschijnt de Weledele Juffer Elisabeth Wilhelma van Midlum, minderjarig, geassisteerd door haar vader de Eerwaarde Heer Gerard van Midlum, bedienaar van het Goddelijk Woord en Vrouwe Wilhelma Bakker, resp. vader en moeder van Elisabeth. In de akte wordt verklaard dat ‘ter eere gods en tot voortplantinge des menschelijke geslagtes was beraamt en geslooten een christelijk huuwlijk, om het selve volgens de wetten en placaten dezer lande te voltrecken’. Zij stellen samen een huwelijkscontract op. [2.2.1729]


folio 173

Testament van Mr. Marten Cornelis van Beresteijn. In dit stuk worden achtereenvolgens genoemd: Cornelia zijn inmiddels 16-jarige natuurlijke dochter verwekt bij Catharina van Deurne. Die dochter woont nu bij een zekere Schapendonk in Udenhout die daar hoevenaar is van de Prins van Sulsbach. Zij ontvangt jaarlijks 200 gulden. Aan Johanna, de natuurlijke dochter van zijn oom Gijsbert van Beresteijn, die intussen is getrouwd met Arien van den Bergh te Middelrode, legateert hij een hoeve te Rosmalen in gebruik bij Jan Pijnappels en 200 gulden ineens. Aan Juffrouw Sieburgh in ‘sBosch legateert hij haar leven lang 200 gulden jaarlijks. Aan het gasthuis van Sint Cornelis genaamd Heijms Gasthuis 200 gulden ineens. Aan Maria Catharina Cleophas gehuwd met Andries Habraken haar leven lang 200 gulden jaarlijks. Aan Jan Pens, zijn huidige koetsier, zijn leven lang 100 gulden jaarlijks. Aan de vijf dienstboden die bij zijn afsterven in dienst zijn, ieder ‘een dubbelden rouw’ en 200 gulden contant. Als universele aerfgenamen noemt hij de kinderen van mr.Christiaen zijn broer en als executeurs van zijn testament worden benoemd: de Heer en Mr. Antonie van Heurn, de Heer en Mr. Hendrik Bernard Martini regent van de stad. Mocht een van hen overlijden dan treedt op de Heer en Mr. Willem Cornelis Ackerdijck. [1734]


folio 175

De schepenen van Vlierden hebben de stukken gezien behorende bij het proces tussen Maria van de Laar de weduwe van Peter van den Boomen, Hendrick Roijmans gehuwd met Elisabeth van de Laar, Michiel van de Waterlaat man van Helena van de Laar, Willemijn van de Laar en Jan van de Vondervoirt gehuwd met Jenneke van de Laar, wonende resp. te Helmond, Gemert en Deurne, kinderen en kindskinderen van Jan Lamberts van de Laar tegen resp. Dirck Meulendijk en Jan van den Loverbosch inwoners van Vlierden. [24.7.1744]


folio 177

Zeer uitgebreid en boeiend document met allerlei informatie rond huwelijkse voorwaarden, testament en scheiding tussen Mr. Christiaen Paulus van Beresteijn en Elisabeth Wilhelmina Midlum en de bijbehorende rechtsgeleerde adviezen van Santvoort [2.2.1729]


folio 207

Request van de schepeneen van Drunen overgegeven door Thomas van Hulten tegen drossaard de Heer Ellardus Wentholt [19.9.1748]


folio 209

‘Redenen en motiven dienende tot adstructie, dat alle publicque verkopingen, immers die geene, die op autorisatie van Heeren Scheepenen geschieden, als curatelen etc. mitsgaders scheijdingen ende deijlingen door niemant anders dan door de secretarissen ten overstaan van heeren Scheepenen en dus met exclusie der notarissen behooren te geschieden.’- 26 artikelen [30.1.1744]


folio 229

Gedrukte resolutie van de Staten Generaal dd. 11 augustus 1741 n.a.v. een geschil aangaande de competentie van notarissen en secretarissen. [11.8.1741]


folio 231

Marike Hoofd, de weduwe van wijlen Hendrick Servaas, is erg arm en is gedurende 25 jaren, tot haar overlijden toe, door de diaconen van de Nederduitse Gereformeerde Kerk tot ‘sBosch , waarvan zij lidmaat is geweest, wekelijks bedeeld met een bedrag van 11 stuivers. Gedurende 10 jaren is ze bedeeld door de diakonie van de Waalse kerk in Den Bosch voor wekelijks vier stuivers. Op 17 febrauri 1741 is ze overleden en door de diaconie van de Nederduitse gemeente begraven, zijn de goederen uit haar nalatenschap aangeslagen en te gelde gemaakt. Hiervan zijn de begrafenisonkosten betaald en het restant is naar de diakonie teruggevloeid. De Waalse gemeente vraagt nu om een staat en inventaris van de nalatenschap en beroepen zich hierbij op een uitttreksel van hun acteboek van 29 mei 1692. Ze stellen dat een zekere Marguerite La Porte, die sedert lange jaren leefde ten laste van hun diakonie, was overleden en dat toen de Nederduitse gemeente het koffer met goederen naar zich toe had getrokken en pretendeerde dat het hen zou toebehoren, omdat ook zij Marguerite lange tijd hadden bedeeld. Namens de Waalse gemeente treedt op de Heer Hibelet predikant en namens de Nederduitse gemeente de Heer Massing, ook predikant. Santvoort geeft rechtsgeleerd advies inzake de competentie van beide diakonieën. [30.3.1741]


folio 237

Casus-positie

Rechtsgeleerd advies inzake de resolutie van 20 september 1724 betreffende de salarissen van de secretarissen, speciaal het loon voor het op- en aanschrijven van elk perceel land in de quohieren ter waarde van 6:0:0 nl. voor opschrijven 3:0:0 en afschrijven 3:0:0. [7.1.1745]
folio 241

Gezien is door de schepenen van de heerlijkheid Deurne en Liessel de rekening van Antonij La Forme substituut secretaris aldaar in zijn kwaliteit als aangesteld curator over de nagelaten inboedel van Peternel, de weduwe van Antony van Bommel. In deze akte worden voorts genoemd: Pero de Cassemajor drossaard, de collecteurs der gemene middelen Hendrick Jansse van den Meulendijck, Francis Aarts en Laurens Willems, de borgemeesters Wilbert Gommerts en Jan Bollen, verhuurders van landerijen etc. Antony van de Mortel, Nicolaas de Jong en Jan Philipse, vanwege bodeloon Peter van Bommel. Verder: Wilbert Welten, Huijbert van de Mortel, Andries Soetens. [22.7.1745]


folio 243

De schepenen van de dingbank van Bergeijk, waar onder ressorteren Riethoven, Westerhoven, Borkel en Schaft, hebben een request ontvangen dat is ingediend door Maria Wittens de weduwe van wijlen Hendrick Bijnen woonachtig te Riethoven, in verband met de derde huwelijksproclamatie van haar dochter Maria Bijnen weduwe van wijlen Matthijs Kerkckhoff. Zij is in ondertrouw gegaan met Jan Adam Lingers geboren te Heeze bij Leende en woont thans te Strijp bij Eindhoven. Nu is Lingers vanwege een doodslag te Heeze op Leendert Cleophas dd.11 augustus 1737, door een schepenvonnis van de heerlijkheid Heeze dd. 3 september 1738 veroordeeld en uit de jurisdictie verbannen. [17.3.1745]


folio 245

Casus-positie

‘A in leven gewoondt hebbende binnen de stad van ‘sBosch, alwaer de representatie in de sijdlinie geen plaats heeft ende aldaer overleden sijnde, heeft bij hare testamente binnen de selve stad in behoorlijke forme gepaseert voor hare eenige ende universele ervgenaem geinstitueert B, C, D en E haar broeders kinderen onder dese volgende conditien dat D hare nichte de goederen van haar alsoo aenkoomende maer soude blijven besitten in tochte haar leeven geduurende en dat nae hare doot ende aflijvigheijdt de selve wederom soude koomen ende devolveren op de voornoemde hare geinstitueerde ervgenamen ten ervregte; B ende C sterven voor D sijnde E alleen ten tijde van de aflijvigheijdt van D in levende lijve’. Hierop volgt nader advies. [ongedateerd]
folio 264

Casus-positie

Gijsbertus Boutens en zijn vrouw Margareta van de Ven wonende te ‘sBosch zijn op 11 juli 1740 verschenen voor notaris Gillis Kerckhoven. Ze hebben verklaard schuldig te zijn aan Bartholomeus Wijbo, wijnkoopman te Middelburg, een geldsom van f 1267:5:0 voor geleverde wijnen. Gijsbertus Boutens komt te overlijden en zijn weduwe krijgt enige goederen onder Vught en Cromvoirt. Hierover wordt en rechterlijk advies gegeven. [20.2.1749]
folio 271

Document betreffende de landtol verwijzend naar vroeger verschenen ordonnanties zoals die van 1.6.1523 en die uit 1586. Voorts verwijst men naar een sententie van de Raad van Brabant dd. 5.11.1652 en interpretatie daarvan van 2.1.1653 in verband met het niet behoeven te betalen van vervoer van landgewassen. In 1681 heeft men dit stuk weer vernieuwd. Ook is een resolutie van belang dd. 20.6.1738 op basis van klachten van inwoners van de Baronie van Breda [ongedatterd]


folio 273

Document betreffende het oprichten van nieuwe tolkantoren. [ongedateerd]


folio 275

Crimineel proces tussen de hoogschout en de gedaagde Hendrik Kemps genaamd Jan Hurcks. Hij heeft diverse malen een zekere Cornelis Vriends geslagen en verwond. Aanleiding tot dit conflict is het plegen van overspel van Hendriks vrouw met Vriends. Cornelis is 52 dagen na het toebrengen van de verwondingen nog steeds in leven. Men beschouwt dan de wond niet als letaal. De termijn daarvoor is 6 weken of 40 dagen m.a.w. ga je die termijn te boven, dan is volgens de regels de wond niet als letaal te beschouwen. Men constateerde destijds ‘eene opene dubbelde fractuur in de groote pijp van des selfs regterbeen waaruyt sig daaglijks een groote quantiteijt etter was ontlastende en dat na hun gevoelen door quade gesteltenis des lighaams den voorn. Cornelis Vriends sijn veroorsaakt geweest accessen van koorts, eerst met internisse, hem na 10 of 12 dagen voor sijn doot continueel aangekoomen’.


folio 278

Remonstrantie van de schepenen der heerlijkheid Deurne en Liessel met drie annexe stukken van de hand van drossaard La Forme in verband met de dagvaardig van Jan Willems van Bommel, wonende in een hut in de Peel bij de Grootenberg. [29.4.1749]


folio 279

Casus positie

Een gedrukt stuk inzake de verkoop van Titius aan Sempronius van goederen gelegen in de polder van der Eygen. Het gaat om goed dat een deel van de polderdijk uitmaakt. Men gebruikt de termen ‘clopcedulle’ en ‘clopschouw’. Adviezen zijn destijds gegeven door de rechtsgeleerden Beughem en Crollius. [21.3.1704]
folio 291

Request gepresenteerd aan de schepenen der heerlijkheid Berlicum door Thomas Coets de drossaard. Hij heeft een ‘decreet van apprehensie’uitgevaardigd ten laste van Hendrien Jansen van de Couvering weduwe van Adriaan Jansen van der Biesen en naast hen Antony van der Biesen. Hendrien heeft op 3 januari 1739 onder ede verklaard, dat zij is verloofd met Toon Jansen van der Biesen, de broer van haar overleden man. Ze heeft met hem ‘vleeschelijk geconverseert’ en ze zou met hem getrouwd zijn, als hij niet gezegd had, dat de pastoor hem had onderricht zulks niet te doen. Ze verklaarde ook dat zij ‘vier dagen voor St.Jacob des voorledene jaars in de kraam gekoomen is van een levendige soon, die ontrent drie weeken daer nae is gestorven; dat sij naer het overlijden van haar man met niemant anders vleesschelijke conversatie gehad heeft, dan alleen met den voorschreven Antony Jansen van der Biesen, die sij ook alleen voor vader van haar overledene soon is kennende’. Hierop volgt advies. [26.2.1739]


folio 293

Schepenen van de vrijheid Waalwijk melden een geschil tussen Lambertus van Landschot aan de ene kant en Antony Grevenbroeck aan de andere kant. Het handelt om het transport van de huur door de voogden van de kinderen van Jacobus van der Vleut. [22.10.1738]


folio 295

Beschouwing over boeten, gemene middelen, 20ste penning etc. [ongedateerd]


folio 297

Johan Francois Marrom heeft voor notaris Hendrik de Bije zijn testament laten opmaken en beschouwt een zeker Jonker Hendrick Becx zijn neef als universeel erfgenaam. Deze Becx [die hier Gasper Hendrick wordt genoemd!] is tweemaal getrouwd geweest en laat in totaal vier kinderen achter op het moment van overlijden. In deze akte worden ook genoemd de kinderen van een zekere Baron Schenck die zijn verwekt bij Catharina Becx. Hierover volgt advies. [5.1.1706]


folio 303

Casus positie

Neesken Anthonis van Withoven weduwe van Hendrick Peters van Bergen heeft middels een besloten testament dat dd. 17.10.1769 is geopend door notaris Simon van Stockum . Hierin stond ‘dat uytgenomen haar gout, silver, lijwaat ende alle hare meubilen hare resterende erfgoederen, winckelgoederen ende renten, gereet ende ongereet, egalijck gedeijlt souden worden tusschen hare kinderen ende dat het soontje van hare dogter Margareta van Bergen, genaamt Pieter van Amersfoort, soude comen deijlen in de plaats van sijne moeder saliger, daarbij voegende, dat voorschreveve Pieter van Amersfoort sijne portie niet sal mogen genieten voor en aleer hij tot sijne mondige jaren of eenen staat soude sijn gekoomen; en soo hij quame te sterven binnen sijn mundige jaaren, dat het selve goed wederom sal keeren ende blijven aan de seijde daar het van gekomen is, stellende verder bij den voorshreven testamente tot momboirs van het voorgenoemde kind Johannes en Pieter van Bergen hare soonen’. Na het overlijden van Pieter van Bergen heeft Johannes van Bergen het voogdijschap alleen op zich genomen. Die heeft in zijn testamament gepasseerd voor notaris Jacob de Vlieger te Amsterdam op 15.4.1682 gelegateerd aan het kind van zijn zus nl. Pieter van Amersfoort 2700 gl. als deel uit zijn grootmoeders goed als uit zijn eigen goederen. Pieter van Amersfoort is overleden te Alem. [8.10.1682]
folio 305

Regenten van Deurne en Liessel vragen zich af of ze zich moeten houden aan de resolutie van 20 maart 1741 en de definitie van de Heer de Kempenaer in een brief van 27 april1741 in verband met het gewicht van de tiendklok, dat is begroot op 3300 pond en of men een tiendklok zou kunnen krijgen van 5000 pond. Men onderzoekt deze kwestie. Gememoreerd wordt aan een soortgelijke kwestie tussen de schepenen der parochie Heusden tegen de Vrouwe Abdisse van den Nieuwenbosse te Vlaanderen. Daar stond in een advies dat de tiendklok vergoten moest worden in grootte, gewicht en vorm overeenkomend met de vorige. Op basis van een resolutie dd. 23.11.1733 is aan de regenten van Someren een attestatie afgegeven, dat de grote klok, die opnieuw gegoten was, zo zwaar woog als de oude klok. In een ander document van 14.3.1689 is te lezen dat de Abt van het Sint Pietersklooster bij Gent aan de schepenen van de parochie Lemberge liet weten, dat het vergieten van de tiendklok moet geschieden naar de maat van de tienden. Op een andere plaats nl. een document betreffende de statuten van het concilie van Luik, leest men dat ‘de selve klokke moet wesen soo swaar dat sij gehoort kan worden als men se luidt of als sij slaat door de geheele parochie der tienden’. Het advies in deze kwestie luidt om eerst eens te informeren bij de Commandeur van Gemert en de Abt van Echternach als heffers van de grote tienden. Als zij geen uitsluitsel geven over het gewicht van de klok, gaat men onderzoeken hoe het in andere dorpen, ter grootte van Deurne, is gerealiseerd. De uiteindelijke conclusie is dat Deurne kan volstaan met 3300 pond. [18.9.1741]


folio 307

Memorie van de Heer Leonard van Ceulen, brouwer in Den Bosch in brouwerij de Wereld, over het testament van zijn tante Christina van Ceulen, gepasseerd 8.2.1741 te Breda voor notaris G.Wierks. [18.9.1741]


folio 314

Casus-positie

A en B hebben, staande huwelijk, te samen verwekt verscheijdene kinderen, waar van en althans nog in leven sijn vijf; B. is overleden; de vijf kinderen verkrijgen uyt hoofde van den testament van D. eenige obligatien in eijgendom, welcke door E. , als executeur van den boedel van D., volgens den teneur van voorschrevene testamente, gebragt sijn ter weeskamer van F. omme aldaar ten voordele van de voorschreven vijf kinderen beleijt te worden. A. nog uyt de goederen, met B. te samen beseten hebbende, nog uyt sijne tractamenten of gagien, kan de voorschreve vijf kinderen niet als bekommelijck alimenteren en niet als beneden haar geboorte tot staat brengen. Hierop volgt ‘quaeritur’. [13.1.1745]
folio 318

Advies wordt gevraagd inzake het salaris van secretarissen in de Meierij voor wat betreft het overbrengen van stukken van geappelleerde processen. [9.3.1689]


folio 321

Testament van Sebrecht Peter Weterings woonachtig op de Made voor notaris Adriaan de Grand te Oosterhout gepasseerd op 18 juni 1741. Tot executeurs zijn benoemd Rombout en Cornelis Sebrechts Rombouts gebroeders. Destijds is van de nagelaten goederen van Pieternella Adriaen Cornelis Nicolaassen een staat en inventaris opgemaakt, wat nu weer zal gebeuren. In de akte wordt genoemd de Vrouwe Abdisse van Thorn en haar ‘Ouden Hove’ te Gilze. [15.3.1742]


folio 325

Voor Johannes van Lent en Jacobus ‘sGrauwen schepenen zijn mede voor mij Wouter van Opstal gezworen klerk te Ginneken en Bavel verschenen Mons. Mathijs van Erckum schoolmeester en president-schepen alhier en Juffrouw Elisabeth Evermans, echtelieden, om hun testament te laten opmaken, waarbij de langstlevende tot erfgenaam wordt benoemd. [22.6.1737]


folio 327

Agneta Kies als weduwe van Carel de Vlieger en inwoonster van Den Bosch maakt haar testament en herroept alle voorgaande testamenten. Destijds was een testament gepasseerd voor notaris Hendrick van Heeswijk op 20 september 1694. Ze vermaakt haar goederen aan haar ongehuwd kind of kinderen o.a. haar eigen huis en een in de Putstraat. Gesproken wordt over haar zoon Johannes, twee kinderen van wijlen Nicolaus de Vlieger, voogd Johannes de Vlieger. [16.10.1629]


folio 330

Schepenen van Beek & Donk in het kwartier Peelland verklaren dat voor hen verschenen zijn Johan de Zeelant erfsecretaris van het dorp Someren aan de ene kant en Christoffel de Roij, van de ware gereformeerde religie, aan de andere kant, inzake de bediening der erfsecretarie te Someren en de financiële consequenties daaruit voortvloeiende. [25.7.1735]


folio 333

Testament van Antony Willem Bruynincx en Tanna Antonis Vorsters echtelieden te Reusel gepasseerd te Reusel op 24.10.1747. Daarnaast heeft men een ‘geregtelijke interpellatie’ gelezen van Dielis Janse gehuwd met Elisabeth Bruynincx, zijnde een dochter van Antony uit een vorig huwelijk met Jenneke Schuurmans. Er moet een staat en inventaris worden opgemaakt op basis van de costuimen van Den Bosch en het stuk gaat verder over de rechten van voor- en nakinderen. [27.7.1748]


folio 337

Casus-positie

A als aanlegger heeft voor Heren Schepenen van Oirschot een proces litis-pendent hangen tegen B. als gedaagde, welke procedure is voldongen en in zaken gesloten, waarna B. komt te overlijden. A. als aanlegger presenteer een request aan de schepenen dat in de zaak gevonnist zou moeten worden, zonder te melden dat B. overleden is. Hierop volgt ‘quaeritur’, waarin allerlei rechtshistorische literatuur wordt aangehaald. [ongedateerd]
folio 339

Remonstrantie van de schepenen van de stad en jurisdictie van Helmond vanwege de drossaard Johan de Cassemajor, met een extract uit het register van konvooien en licenten over 1741. Eveneens verklaringen van de oud borgemeesters Willem Matheussen van Stiphout en Jacob Berckers. Ook nog een missive van secretaris Donckers. Michiel van Nieustad is gedagvaard. In het stuk wordt verwezen naar het 11e en 36ste artikel uit het Privilegium Trinitatis uit 1329. Op basis daarvan zou men van Nieustad in gijzeling mogen nemen en houden. [4.12.1741]


folio 343

De vraagstelling in dit stuk is of het in de Meierij van ’s-Hertogenbosch een notaris is toegestaan te beschrijven en voor zichzelf en getuigen te laten passeren de scheidingen en delingen van erfgoederen waarvan alle erfgenamen, uitgezonderd twee minderjarigen, meerderjarig zijn. Hierover wil men graag een rechtsgeleerd advies geformuleerd zien. [9.5.1741]


folio 343

Nicolaas en Peter van Laarhoven wonen te Hilvarenbeek. Rond de feestdag van Sint Jan 1740 komen ze beiden terug uit Holland, waar ze gewend zijn om in de zomer te gaan werken. Onderweg tussen Doveren [vgl. Doeveren] en Drunen wordt Nicolaas te moe om verder te gaan en rust omtrent de kerk van Doeveren, terwijl Peter vooruit gaat. Nicolaas, die hem eindelijk volgt, ziet 20 of 30 paarden langs de weg tussen Doeveren en Drunen weiden, vangt er een, maakt van een touw dat hij in zijn zak heeft een soort halster en doet dat in de bek van het paard en rijdt daarmee tot aan een hoeve bij de Sint Johanneskerk tussen Goirle en Poppel. Daar haalt Peter hem in en zegt tegen Nicolaas, dat hij dat paard aan de Zeedijk te Drunen gestolen heeft. Ze overleggen samen hoe ze dit verborgen kunnen houden voor de omgeving en besluiten op de hoeve waar ze zijn het paard aan elkaar te verkopen. Peter koopt het van Nicolaas. Vervolgens zijn ze van daaruit naar Baarle Nassau getrokken en Nicolaas heeft, terwijl Peter zich als makelaar gedroeg, het paard verkocht voor 10 gulden aan Jan Andries Heijkants wonende te Baarle. Die had echter geen geld. Afgesproken wordt dat het geld binnen 10 dagen wordt afgeleverd ten huize van een zekere Riebergs, in de wandeling genoemd Koornbloem te Poppel. Daarna zijn de beide broers naar Hilvarenbeek gegaan om na 8 of 10 dagen weer in Poppel terug te keren en hebben er in de heide Heijkants ontmoet, die meedeelde dat het geld bij Koornbloem was bezorgd. De vraagstelling naar aanleiding van dit verhaal is welke straf aan beide heren moet worden opgelegd, vanwege deze misstap. Hierover dient Santvoort een rechtsgeleerd advies uit te brengen. Slotconclusie: ze moeten ‘metten koorde gestraft’ worden. [23.2.1741]


folio 346

Casus-positie

‘Twee persoonen verkooren, aangestelt en beëdigt sijnde tot borgemeesters van een dorp ofte heerlijkheijt, blijven bij slot van rekeningh een somme gelds schuldig en tot voldoeninge van dien door officier en regenten aangemaant sijnde, koomt een van die twee borgemeesters en presenteert de helfte van dat slot te voldoen, sustinerende daar mede te kunnen volstaan en niet responsabel, nog aansprekelijk te sijn, schoon een boek en buydel gehad hebbende, voor de andere helfte’.

Hierover verlangt men een rechtsgeleerd advies. [7.9.1736]


folio 349

Schepenen van de heerlijkhied Berlicum en Middelrode hebben een remonstrantie gezien van de Heer Thomas Coets drossaard tegen Dirck Ackerman vorster der heerlijkheid en Dina Roodhuijsen zijn huisvrouw, alsmede tegen Adriaen de Cuijper en diens huisvrouw Anna Maria van Son, inzake wat zij hebben gedaan aan het huis van een zekere Gerrit van den Broek. [5.12.1741]


folio 350

De Heer Antony van Grevenbroeck drossaard van de vrijheid en heerlijkheid Oirschot en Best heeft op 13.7.1741 gearresteerd of laten arresteren Antony Andries Schepens en op 4.11.1741 een zekere Peter Bessems en zijn vrouw. De drie arrestanten zijn op last van de drossaard ruim een nacht en een dag bewaakt door o.a. Felix Soetens en Andries Strijkhoven vorsters, die eten en drinken voor de arrestanten hebben gehaald bij Joseph van Beers en die de gevangenis hebben gereinigd. De eerste is in october 1741 onwettig uit de gevangenis gehaald, de tweede 31 januari 1742 geradbraakt, terwijl op dezelfde dag zijn vrouw met de strop om de hals is gegeseld en verbannen uit Oirschot. Vervolgens heeft de drossaard Felix Soetens en Aart den Brouwer naar Overpelt gestuurd naar de scholtis ter plaatse en de twee dienders hebben een declaratie ingestuurd over de berechting van de arrestanten. Over de uitbetaling hiervan wil men advies hebben. [25.3.1743]


folio 353

De regenten van Deurne en Liessel hebben geconstateerd dat in 1741 bij het samenstellen van de lijsten van het hoorngeld niet alle inwoners een juiste opgave hebben gedaan van hun hoornvee. Met de inning van die hoorngelden was een bedrag gemoeid van f 1259:9:8 waarvoor de regenten aansprakelijk zijn volgens art.4 van een reglement uit 1727. De regenten laten dit werk over aan een pachter. Afgesproken is dat men de stallen zal gaan bezoeken om de fraudes op te sporen. Uit deze visiatie blijkt dat wel 48 ‘hele beesten’ verzwegen zijn, buiten eventuele ‘halve beesten’. Men zou hiervan een lijst formeren, die doorspreken met de drossaard, maar die weigerde en hield wel vol dat alle boeten in deze zaak aan hem toebehoorden. De regenten beweren dat zij op basis van art.6 van de ordonnantie op het hoorngeld gerechtigd waren de boeten te ontvangen. De kwestie zou op papier gezet worden en vervolgens zouden pensionaris van Heurn en griffier Santvoort benaderd worden hierover advies uit te brengen. [22.12.1741]


folio 357

Casus-positie

‘A. en B. in leven egteluyden woonagtig binnen de stad ’s-Hertogenbosch, hebben op den veertienden january 1700 drie en dertig voor den notaris van waalwijk en getuygen gemaakt een mutueel testament en daer bij aan de langstlevende van hen beyden gelaten de togte van alle henne goederen en, na doode van de langstlevende, den eijgendom der selve aen henne kinderen en voorts, als bij den voorseijde testamente breder is te sien. A. komt eerst aflijvig te worden, nalatende kind of kinderen aan B. verwekt. B. passeert naderhand een acte van revocatie en herroept daar bij de voorschreven testamente, met haren man gemaakt, verklarende sig te houden aen het costumier regt’. Volgt ‘quaeritur’ over deze vraagstelling. [2.10.1744]
folio 363

Schepenen van de stad Helmond melden een procedure dd. 23.2.1741 tussen drossaard Johan de Cassemajor en Michael van de Nieuwstad. [7.4.1742]


folio 364

De regenten van Deurne en Liessel overleggen een verklaring van Agnees Janse oud omtrent 34 jaren en geboren in Twistje bij Kevelaar. Zo’n 8 of 9 jaren geleden zat ze gevangen te Waalbeek, is getrouwd geweest met Nicolaas van den Broeck alias den Brabander. Dat haar man te Kevelaar op 25 maart 1739 volgens de regels van het Hof van Gelder, bevestigd door dit hof op 8.4.1739, vanwege een honingdiefstal is veroordeeld tot de strop – ‘met de koorde gestraft is’- totdat de dood erop volgde. Ruim een half jaar nadat haar man opgehangen was, heeft ze banden aangeknoopt met een zekere Jan Rutten, ook een gevangene, waarmee ze in ontucht heeft geleefd. Jan Rutten is volgens het Hof van Gelder op 23 april 1743 te Well gegeseld en ten eeuwigen dagen uit het ressort van het hertogdom Gelder verbannen. In de wintermaanden zijn ze gaan bedelen in het land van Kleef en Cuijk, te Gemert, Handel, langs de Maas en ‘szomers hebben ze wat gewerkt. Ze hebben rondgezworven met een zekere Marie Jansen en Jacobus Kokkens, die ook te Well gegeseld was. Ook trok met hen mee


Hendrik Mergelberg die altijd een pistool bij zich had, een zekere Hendrik die was geboren aan de Rijn, een zekere jongen genaamd Willem Hendrik Henskens alias Naats, Die was alhier uit de gevangenis uitgebroken, is dood gevonden, onder de galg begraven, mede met zijn bijzit Mechel

Straatmans. Ze verklaarde ook dat de genoemde manspersonen ook wel af en toe naar elders gingen en dat de’vrouwlieden’ bij elkaar kwamen op van te voren afgesproken plaatsen. Ze verklaart ook dat ze met Hendrik Henskens alias Naats en zijn bijzit Mechel Straatmans en Maria Herentals erbij waren, toen Jan Rutten en Hendrik Mergelberg geweld, roverij en dieverij bedreven te Erp bij o.a. Anna de weduwe van Jan Willem Ariens en haar dochter wonende op Rijkersbeek of Velue, anders genaamd in de Koekoek. Toen de anderen plunderden hebben zij met z’n drieën als schildwacht gefungeerd bij de deur van het huis. Nog dezelfde avond hebben ze de gestolen goederen in de omgeving van de molen van Gemert bij Teun in het Kaske gebracht en hebben zich een dag of vier te Gemert opgehouden. Ze zijn toen met de geroofde spullen naar St.Teunis [vgl. Sint Anthonis] vertrokken en hebben het grootste deel van die goederen verkocht aan een schoenmaker genaamd Elbert Joris. Dit alles, zo vindt men, is niet te tolereren en hoogst strafbaar. De gevangene zal volgens Pero de Cassemajor naar het buitengerecht gebracht moeten worden, alwaar men binnen deze heerlijkhied Deurne gewoon is de executie van de criminele justitie te laten plaats vinden. De meester van het scherpgerecht heeft haar aan een paal gezet en met een koord gewurgd, todat de dood erop volgde. Het lichaam heeft men toen ten toon gesteld. Mechel Straatmans bleek geboortig van Baers in het Keulse land oud 29 jaren. [23.12.1743]


folio 367

Voor Jan Louis Verster openbaar notaris zijn op 25.1.1740 verschenen de Weledelgestrenge Heer Mr. Johan Hibelet regent-schepen en raad van de stad Den Bosch, Jacoba Tromp weduwe van den Heer Mr. Johan Willem de Groelard in leven Heer van Zurester president-schepen en raad van de stad, die een huwelijk willen sluiten. De akte bevat 14 artikelen. Verder worden genoemd: de Heer Otto de Suars kapitein luitenant in het regiment Grisons van de Heer Kolonel de Salis, Vrouwe Madlaine de Groelard, zuster van de comparant, de Weledelgestrenge Juffrouw Aletta de Groelard, Jaspar Verster en Cornelis Martinus Pels. Sr. Bernardus van de Ven en Pieter Vissers beiden deurwaarders. 3.3.1740.


folio 373

Jan Rutten geboren te Boxmeer oud rond de 25 jaren en gevangen zittend in de stad, die eerst onder de tortuur en daags daarna ‘buijten eenige pijn en banden van eijser’ verklaard heeft tegenover de schepenen de rheerlijkheid Deurne en Liessel, dat hij vier jaren geleden van Boxmeer is gegaan naar het land van Kleef. Voorts trok hij langs de Maas, het land van Cuijk, Gemert, Handel, Gennep, Mook, Zanten [mogelijk Xanten], Vierlingsbeek, Macken, Oploo, Overloon. Drie jaren geleden heeft hij zich gebonden aan Agnees Janse geboren te Twistje bij Kevelaar medegevangene. Met haar heeft hij in ontucht geleefd en bij wie hij een kind heeft verwekt dat nu ‘vijf vierendeel jaars’ is [1 jaar + 3 maanden]. Tevens verklaart hij dat de man van Agnes Janse, Nicolaas de Brosje alias den Brabander genaamd, volgens sententie van het gerecht van Wetten en van Kevelaar dd. 25 maart 1739, bevestigd voor het Hof van Gelder 8.1.1739, inzake begane dieverijen te Kevelaar en ‘metten koorde gestraft’ en volgens vonnis dd. 23 april 1743 van het Hof van Gelder op 2 mei daaraanvolgende is gegeseld en ten eeuwigen dagen uit het district van Zijne Koninklijke Majesteit in Gelder is verbannen. Ook verklaart hij dat de ‘arme-jager’ te Wel(l), enige tijd nadat de straf aan Jan Rutten was ‘geïnfligeert’, hem door zijn rechterbeen had geschoten. Ook had hij aangesloten bij Hendrik Mergelberg, Maria Herentals, Mechel Straatmans de bijzit van Hendrik Henskens alias Naats. Henskens was uit de gevangenis uitgebroken en is vervolgens dood gevonden. Op 12 december 1742 heeft dit gezelschap zich begeven naar het huis van Anna de weduwe van Jan Willems Ariens te Erp, ter plaatse Rijkersbeek of Velue anders genaamd in de Koekoek. Rond 5 uur zijn bij dat huis aangekomen Jan Rutten en Hendrik Mergelberg die het huis zijn binnengegaan, terwijl de andere ‘complicen’ de wacht hielden en voor de deur patrouilleerden. Hendrik is bij het vuur gaan zitten in het huis en heeft er vier kannen bier gedronken en tabak gerookt tot ongeveer 8 uur. Toen zijn beide heren opgestaan en naar buiten gegaan. Hendrik is weer teruggegaan in het huis en is weer bij het vuur gaan zitten. Jan Rutten had een pistool in de hand dat hij van Hendrik had gekregen die dit altijd bij zich droeg. Jan wist niet of het pistool geladen was of dat er ‘kruyt op de pan was’. Hij heeft het toen op de borst gezet van Hendrina,


de dochter van Anna Ariens en haalde de haan over, doch ‘het pistool ketste’. Hij greep Hendrina toen bij haar haar, rukte ze tegen de grond, terwijl Hendrik, die bij het vuur zat, opsprong en de 74-jarige Anna vastgreep. Vervolgens is Hendrina met een witte handdoek geblinddoekt, daarna zijn haar kousenbanden losgemaakt en daarmee heeft men de handen op haar rug gebonden. Terwijl dat gebeurde zei men: “Hoer, legt maar stil”. In haar haren had ze een zilveren pin, die men had afgesneden en dezelfde pin met een zilveren ijzertje van haar hoofd genomen. Ook namen ze een gouden kruisje af dat om haar hals hing. Door het afsnijden van het haar heeft Hendrina een grote snee opgelopen achter in haar hoofd en een sneetje in haar linkeroor gekregen. Ze hebben ze vervolgens naar het achterhuis gesleept, hebben haar de ‘rooden baijen rock vuytgetrocken’, zes zilveren knopen van haar hemdrok afgesneden, haar voeten met touwen bij elkaar gebonden en die van achteren vastgeknoopt aan haar gebonden armen en hebben ze vervolgens op haar aangezicht neergelegd. Anna is door Mergelberg geblinddoekt met een blauwe voorschoot, bij haar linkerarm gegrepen en ook naar het achterhuis gesleept, waar ze haar handen van voren hebben gebonden aan haar benen en haar voeten kruislings over elkaar. Ze gaven haar tenslo9tte nog drie stampen op haar linkerarm. Uit de tassen van voornoemde weduwe en die van Hendrina hebben ze toen zeven gulden gehaald. Ze zijn vervolgens het voorhuis ingegaan waar ze geen geld vonden en zijn toen weer naar het achterhuis gelopen, zeggende tegen Hendrina : “Wijst uw gelt of ik sal uw hant afstooken”, houdende de brandende lamp aan haar vingers, die ook enigszins verbrand waren geweest. Dan zei hij: “ Ik sal uw hand afsnijden, soo gij uw gelt niet wijst” en dreigde haar de keel af te snijden, het mes op haar keel zettende. Ze hebben vervolgens het huis leeggeroofd en buiten het genoemde zilverwerk en gouden kruisje gestolen en geroofd twee rokken, een stoffen en een ‘tierentaije’ schorten, twee stoffen jakken, drie blauwe voorschoten, een falie, vijf slaaplakens, twee tafellakens, omtrent 30 trekmutsen, vijf zowel bonte als witte neusdoeken, een partij hemden, een kerkboek met een zilveren slot, een paar blauwe kousen met een paar nieuwe sokken, iten 3 ½ pond vlas, zwart garen, twee paar handschoenen, vier tinnen kommen, een tinnen trekpot, een tinnen zoutvat, elf tinnen lepels, een tinnen maatje, een halve tinnen pint, vijf pond boter en de pot werd aan stukken geslagen. Na het roven en plunderen zijn ze meerdere malen in het achterhuis geweest om te zien of de dames nog wel vastgebonden waren. Rond 10 uur zijn ze zich met z’n allen uit het huis gegaan, de sleutel meegenomen en zich uit de voeten gemaakt, moeder en dochter gebonden achterlatende. Nog dezelfde avond hebben ze de gestolen goederen bij Teun in het Kaske gebracht te Gemert, niet ver van de molen. Na een dag of vier rondgezworven te hebben ze het grootste gedeelte van alle goederen verkocht aan een zekere Elbert Joris, schoenmaker te Sint Teunis [vgl. Sint Anthonis]. ‘ Alle welke omswervingen, ontugtigheden, bedelarijen, samenrottingen, roverijen, dieverijen, en plegen van gewelt want saken sijn, die in een land van justitie en goede politie geensints kunnen worden getolereert, maer andere ten exempel en om afschrik te geven, ten allerhoogste strafbaar sijn, soo is het dat Mijn Heeren Schepenen voorschreve, op alles wel en rijpelijk gelet hebbende, waer op eenigsints te letten stonde, mede gehad het praeadvies van drie onpartijdige regtsgeleerden en particulier requard genomen hebbende op haar Ho: Mo: Placaten van den 1 april 1738 art.15 tot dien gesien het schriftelijk versoek van regt, door den Heere Pero de Cassemajor drossaard deser heerlijkheden, jegens den gevangene gedaan, regt doende, condemneren den gevangene, dat ter sake voorschreven gebragt sal worden ter plaatse alwaar men binnen dese heerlijkheden gewoon is de executie van de criminele justitie te doen, omme aldaar door den meester van den scherp geregte eerst de regterhand te worden afgekapt en vervolgens met den koorde te worden gestraft, dat er de doot navolgt en condemneren den selve tot dien in de kosten en misen van justitie – actum in judicio’.
Hendrik Mergelberg is rond de 21 jaren oud tot Mulheijm aan de Roer, heeft ook een verklaring afgelegd voor de schepenen van Deurne. Hij is van Mulheijm naar het land van Kleef gegaan om te zien of hij daar bij een boer werk zou kunnen krijgen. Voorts is hij gaan bedelen en rond de boekweitoogst ontmoet hij Jan Rutten en diens bijzit Agnees Janse, een jongen genaamd Willem, zijn bedelcompagnon. Ze zijn gaan bedelen in het land van Kleef en Cuijk, maar ook langs de Maas, te Handel en Gemert, in het land van Ravenstein, te Merselen [vgl. Merselo] en Venraij. Vervolgens heeft hij contact gehad met Willem de Gelder en een vrouwspersoon genaamd Mike, een oude vrouw. Bovendien ontmoet hij er Hendrik Henskens alias Naats zijn diens bijzit Mechel Straatmans, welke Hendrik uit de gevangenis is losgebroken en dood is gevonden en veroordeeld was om onder de galg
begraven te worden. Voorts verklaart hij met Jan Rutten, Hendrik en Mechel op woensdag 12 december geweest te zijn in het huis van de weduwe van Jan Willem Ariens te Erp. Hierna volgt het verhaal zoals opgetekend uit de verklaring van Jan Rutten. Hierop volgt een rechtsgeleerde beschouwing. [23.12.1743]
folio 377

Stelling: door het begraven van een dood lichaam wordt niemand erfgenaam. Hierover wil men een rechtsgeleerd advies inwinnen. [12.8.1692]


folio 379

N.Holthuysen wordt ervan beschuldigd overspel gepleegd te hebben met sijn dienstmeid Lijsbeth Aarts. Hierna volgt een advies waarin o.a. wordt verwezen naar de ‘Nieuwe Ravesteynse Landkaert van den jare 1651’. In het land van Ravestein wordt overspel of ‘de bijslapen van getrouwde mans met vrije vrouws-persoonen, alleen met geltboeten gestraft’. [17.4.1697]


folio 382

Akte over de jacht en wildbanen met verwijzing naar het jachtreglement van 16 juni 1656 en het bijbehorende plakkaat van 23 juni 1656, met de data van alle vernieuwde plakkaten rond dit thema. In dit document worden genoemd Pieter Nahuijs officier van de halfheer van Oirschot, Pieter van Heeswijck molenaar aldaar, Jonker Philip Adolph Baijhard rentmeester van de Heer van Boxtel, secretaris Huijgens, Gasper de Voogd, de Heer van Geffen, Jan van der Steen, Jonker Philips van Tienen Heer van Berlicum Middelrode en Kaathoven, Claas Hendrickx Jansen, Thomas Coets drossaard van Berlicum en Middelrode en Kaathoven, Peter Willem Teunissen. [8.12.1742]


folio 387

Gezien door Mr.David le Leu de Wilhelm, Heer van Berlicum en Middelrode, en de drossaard van de heerlijkheid een missive van de rentmeester generaal der domeinen in het kwartier van ’s-Hertogenbosch en de leenmannen van de Leen- en Tolkamer dd. 8.12.1742 met het verzoek aan de drossaard te procederen tegen de gepleegde stroperijen waarbij het jachtreglement wordt overtreden. De actie is gericht tegen een zekere Peter Willem Teunissen. Verwezen wordt naar het in pandschap uitgeven van de heerlijkheid Berlicum e.o. in 1559 op 10 october waarin het recht op de warande, vroente, vogelarij, visserij en keuren en breuken is vastgelegd en latere stukken. Een zeer uitgebreid document over deze heerlijkheidsrechten van Berlicum!. [1.1.1743]


folio 406

De rescriptie van de Heer van Berlicum op het vorige document, waarin hij spreekt over een erfkoopbrief dd. 19.1.1660 aan Arent van Tienen. Hierin is de verkoop van de hoge, middele en lage jurisdictie van Berlicum geregeld met alle daaraan verbonden rechten. In de akte worden vanuit diverse procedures rond deze rechten, uit diverse Brabantse plaatsen, de volgende personen genoemd: Philips van Thienen, Gerard Willem van Grimbergen drossaard, Johan Rogman pachter van de houtschat, de Heer Johan Ingenraij, Peter Leijten pachter van de houtschat, Philips van der Borssele, Teunis Hendrik Ariens, Teunis van Gerwen en zijn zoon Joost, Adriaan Bernage drossaard te Tilburg, Hubert Gerit Mutsaers alias Langenhuysen te Tilburg, Mr. Pieter van Hooven drossaard te Tilburg, Cornelis Jan Donders, Peter Leijten pachter van de houtschat in Heeswijk Dinther, Heer Jacob van der Hoeve Heer van Heeswijk, Willem Grahame Heer van Avesteijn, Jan Elias van de Laarschot te Dinther, Jan Gerardus Dobbelsteen te Heeswijk, Johan de Jong drossaard te Waalre Weert en Aalst, Hendrick Goyaarts uit Weert, Mr. Cornelis Speelman Heer van Nulant, Willem Aanhuijs drossaard, Willem van Engelen, Hendrik de Booij drossaard te Geffen, Maximiliaan Antony de Gistelles, Pieter de Cort drossaard te Beek & Donk, Lucas Kilsdonk en Goort Vogels te Beek & Donk.[4.3.1743]


folio 418

Schriftelijk advies van de fiscaal van de generaliteit Wijbo op de missive van de leen- en tolkamer ten aanzien van de procedure van de drossaard van Berlicum tegen Willem Pieter Teunisse m.b.t. gepleegde stroperijen. [21.3.1743]


folio 420

Casus-positie

Verhandeling naar aanleiding van de uitgifte der gemene gronden aan de ingezetenen van Deurne van 1 maart 1325 en de bevestiging daarvan op 20 januari 1465 met alle daaraan verbonden privileges m.b.t. ‘Gerarts* gerichte van Deurne’. [24.10.1689] * Gerart maar meestal Gevart.
folio 429

Verhandeling over de volgende casus: A. en B. in leven echtelieden en woonachtig binnen ‘s-Hertogenbosch hebben bij elkaar een of meerdere kinderen verwekt; A. komt eerst te sterven nalatende zijn weduwe en kind of kinderen bij dezelfde verwekt. [210.1744]


folio 433

Memorie van de regenten van Oudenbosch in het Markiezaat van Bergen op Zoom in verband met het reguleren van criminele kosten nl. het onderhoud van gevangenen, volgens een vaste voet en dit n.a.v. een ingediend request dd. 9.3.1737. Hierop volgt een uitgebreide rechtskundige verhandeling over deze zaak, waarbij ook voorbeelden worden aangehaald uit andere regio’s in Brabant met allerlei verwijzingen naar verschenen plakkaten enz. [ongedateerd]


folio 457

Een geschil onder de heerlijkheid Asten dd. 11.9.1747 tussen Hendrien Clemens ‘gesepareerde’ huisvrouw van Antony van Riet tegen Hendrik Halbersmit Mr. Chirurgijn als gedaagde. De schepenen hebben alle belangrijke stukken kunnen inzien. [11.7.1747]


folio 458

Proces tussen Anneken de dochter van Hendrick Cornelissen te Woensel contra de schepenen van Woensel. [7.3.1662]


folio 459

Verhandeling over de vraagstelling rond invorderen van dorps- en landslasten, art.12.van het reglement op de deurwaarders, het beschrijven van gemeente-, h.geest-, kerk-, en weeskinderrekeningen. [ongedateerd]


folio 462

Proces te Schijndel dd. 21.5.1757 tussen Mechlina van de Sande, thans woonachtig te ‘sBosch en Petrus Grootvelt predikant te Schijndel [6.4.1758]


folio 463

Verschenen is voor de notaris in de Baronie van Boxtel Geertruij van de Weegh weduwe van wijlen Nicolaas Goossens om haar testament te laten maken. Het testament van haar man is van 2.1.1718 verleden voor notaris Huijbert Tecke. Ze herroept alle voorgaande testamenten, zoals dat verleden voor notaris Tempelaar dd. 4.7.1732. In het testament worden genoemd: Barbara Joost Jan Goossens geestelijke dochter, Josyna Goossens verwekt door Sr. van Rijn. Tot oppervoogden over de minderjarige kinderen worden aangesteld Gijsbert de Weegh en Hendrick van de Ven inwoners van Boxtel. [18.10.1736]


folio 465

Casus-positie naar aanleiding van het opgemaakte testamant van Geertruij de Weegh weduwe van wijlen Nicolaas Goossens voor notaris Johan van Brugge. [20.6.1743]


folio 471

Verhandeling over de vraagstelling over de gezworen klerk van de hoogschout, die nergens anders dan in een resolutie van 5.7.1737 secretaris van het hoog officie wordt genoemd en of die volgens art. 21 van de Bossche Costuimen een inventaris moet opmaken als iemand gevangen is genomen. [ongedateerd]


folio 475

Proces tussen de drossaard en schepenen van de Baronie van Boxtel contra Francis Goossens en Goyaart van de Weegh. Zij zijn de oppervoogden geworden over de minderjarige kinderen zoals beschreven in het testament van wijlen Geertruij de Weegh. Zij zijn naaste bloedverwanten van die kinderen. [12.12.1743]


folio 476

Casus-positie

De Heer Pero de Cassemajor drossaard der heerlijkheid Deurne & Liessel heeft rond december 1743 diverse delinquenten gearresteerd en gevangen gezet, waarvan er vier de doodstraf hebben gehad en er een onder de galg is begraven, omdat die de zwaarste misdaden had begaan, wat pas na zijn dood bekend werd. Omdat deze gevangenschap in de winter plaats vond, hebben de bewakers extra brandstof nodig gehad. De vraagstelling is wie de extra onkosten betaalt. [22.1.1744]
folio 479

Proces tussen de regenten van de stad Helmond tegen die van Bakel waarover een acte van compromis is afgesloten op 22.3.1738 inzake de kwestie over hun limietscheiding en het poten van heesters op de dijk lopende van Helmond naar Deurne. Het stuk gaat gedetailleerd in op de geografische omstandigheden in het veld op de grens van beide gemeenten en wat men daar zoal heeft aangetroffen. Gerefereerd wordt aan de verkrijgbrief van de stad op Sint Barbaradag 1300 uitgegeven door Hertog Jan van Brabant en de bekende grenspalen. Ook de grenzen van Bakel worden weer eens aangehaald. In dit document worden verder genoemd: Michiel Willems van Deurse schutter van de stad Helmond, Adriaan Cluytmans, Antony Peters van Stiphout en Hendrick van de Vorst uit Helmond, notaris Johan Walraven, het Strackven, Michiel Suykens gezworen landmeter te Gestel bij Eindhoven, de wal van Bruhese, Adriaan Hendricks, Jan van Bakel, Joost Hoebergen alle drie uit Asten, Lambert Vervoordeldonck, Jacob van Neerven, Reijnder van Hugten en Peter Collen [vermoedelijk Colen] schepenen van Vlierden, Francois de Roullou, president Jan Welten en Hendrik Smits oud-schepen van Bakel, Jan Jansse Eijsebouts en Jacob Verhoeve schepenen van Bakel, Willem van Dijck schepen en Hendrik Donckers substituut-secretaris te Helmond, Schipstal, Johannes Schoonhoven stadhouder van Bakel, Schipstalse hoeve, Schepstalse molen [in de rivier oude palen en op de oever een gebroken molensteen], de hoeve Cruysschot, nieuw land genaamd Jonker Bart- en nu Aart Verheijden heijtvelt. Vervolgens verklaarde men gezien te hebben in de omgeving van de hoeve van het Brouwhuis* ‘eene ronde verheeven heuvel hebbende rontsom sig (vuytgenoomen den opgang) een breede graft en buyten om die graft weder een rondom-lopende plack lands, gelijk een cingel, mede omsloot uytwelkers constitutie men soude kunnen oordeelen, dat aldaer een huijsje, naer apparentie iets meerder als een boere-woning, soude kunnen gestaen hebben’. [26.9.1738]

* uit de omschrijving is af te leiden dat het hier gaat om de tweede hoeve, wat vermoedelijk ‘Klein Bruheze’ zal zijn, waar via mijn onderzoeken in de jaren ’90 met opgravingen reeds muurresten zijn gevonden [opm. Henk Beijers].
folio 487

Juffrouwe Anna Maria Stijl weduwe van wijlen de Heer Nicolaas Heijneman, overleden binnen de heerlijkheid Oosterhout, laat haar testament maken voor notaris Adriaan le Grand en legateert 500 gl. aan Johannes van Meurs, neef van haar overleden man en wonende in de Pannenkoeksteeg te Rotterdam. Deze Johannes is tien dagen voor Anna Maria overleden en heeft zijn vrouw Marietje van Ter Veer als universeeel erfgenaam aangewezen in een akte die is gepasseerd voor notaris Jacobus de Rooij te Rotterdam dd.1.3.1742. Over deze nalatenschap en testament ontstaat enige discussie. In de akte worden verder genoemd: Michael van Tilburg openbaar notaris te Oosterhout, Simon Adriaan de Vries schout en kastelein te Oosterhout, notaris Adriaan Schadee, de heer Eco Ecoma bedienaar des H.Evangeliums, de Heer Adriaan de Grand ouderling en Mons.Willem van der Loo administrator, Sinke Jans en Sjouwke Jans beiden uit Amsterdam, Jiessel Andriesse uit Hindelopen in Friesland, notaris Wiebrand van Loon te Hindelopen, Bastiaan Nederbrugh en Pieter Hooijer beiden procuruers van de Raad van Brabant, Gerit van der Cuijp en Matheus van der Cuijp. [30.5.1743]


folio 489

Supplicatie van Balthasar Coijmans Heer van Deurne als eigenaar en bezitter van de molens aldaar. Hij heeft ze geruimte tijd geleden verhuurd aan Adriaan van Hout op voorwaarde dat hij de lieden en ingezetenen van Deurne goed, getrouw en oprecht ten dienste zal zijn ‘voor den gewoonlijke molster’ en dat hij over hem geen klachten zou mogen horen. De molens worden door van Hout gemalen vanaf 1 januari 1724, zonder dat er ooit klachten zijn binnengekomen. Hij heeft zich wat het maalloon betreft altijd gehouden aan de geijkte koperen pan, die in de stad en meierij wordt gebruikt. In 1736 is er enige kwestie gerezen tussen de roomse pastoor, een bloedverwant van de molenaar enerzijds en de kapelaan, die aan de drossaard van Deurne, Pero de Cassemajor heeft laten weten dat er klachten zijn m.b.t. art.13 van de ordonnantie op het gemaal en het hoofdgeld van 31 januari 1736. Men hoopte dat de drossaard hiervan werk zou maken. Dat gebeurde aanvankelijk niet. Men was op die manier bezig, vond de Heer van Deurne ‘sijn moolens te ruïneren’. Er is later sprake van een decreet van apprehensie tegen van Hout voor op z’n minst een ‘stricte gijselinge op het gevangenhuijs aldaar of in sekere herberg’, totdat hij als gedaagde op alle vragen en klachten heeft geantwoord. De drossaard wacht het decreet niet af en arresteert van Hout. Ten gevolge van dit alles heeft ook de molenaarsknecht de molen verlaten en staat de windmolen bloot aan het gevaar om door de wind geruïneerd te worden. De Heer van Deurne is het niet eens met de gang van zaken en pleit ervoor de drossaard opdracht te geven van Hout te ontslaan uit zijn gijzeling. Dat gebeurt maar er ontstaat discussie over de betaling van de kosten en de geleden schade. [19.12.1738]


folio 495

Proces hangende voor de Raad en Leenhof van Brabant tussen Mr. David Le Leu de Wilhelm als Heer van Berlicum e.o. en Mr. Willem van Erpecum advocaat-fiscaal in verband met de jacht, warande, vogelarij en visserij ter plaatse en het optreden tegen contraventeurs. [30.1.1748]


folio 497

Casus-positie

‘Alsoo in 1721 is komen te sterven A. vader, nalatende verscheijde meubilaire goederen en andere effecten en mede agterlatende een voorsoon genaamt B. en twee dogters C. en D., welcke D. nog minderjarig was. E. als broeder van A. en dus naaste bloedverwant, sonder tot voogt, hetsij bij testament of bij de weth aangestelt te sijn, heeft egter de meubilaire goederen, gelt en effecten met B. gedeelt en die goederen, gelt, boeken, charters en papieren hebben C. en E. na sig genomen; naderhand is D. getrouwt met F. aan welcke C. en E. eenige meubilaire goederen en gelt hebben gegeven, seggende dat die overgegevene meubilaire goederen het aandeel van D. was. F. vooronderstellende, dat het alles opregtelijk was geschied, heeft eene delinge en afrekening getekent; dan is F. ter ooren gekomen en hem nu ook wel bekent, dat C. en E. nog verscheijde meubilaire goederen, merckelijke somme van penningen, boeken, charters en papieren onder sig hebben gehouden, waar over F. verscheijde minnelijke aanmaningen heeft gedaan, dog vrugteloos; E. broeder van A. is overleden en alle sijne meubilaire goederen heeft hij bij testamente gemaakt aen C. en D.

Hierop volgt ‘quaeritur’. [14.4.1742]


folio 499

Mr. Johan Cornelis Santvoort geeft te kennen dat zijn zuster Elisabeth Santvoort, weduwe van wijlen Antony de Vlieger, in leven predikant te Leerdam, op 2 april jongstleden is overleden, nalatende een dochter en een zoon genaamd Agneta Maria en Antony Johannes de Vlieger. Agneta is reeds 23 en Johannes 21 ½. In haar testament heeft Elisabeth Mr. Johan benoemd tot administrateur en executeur provisioneel over haar sterfhuis. Het testament is verleden voor notaris Johan van Bruggen in ‘sBosch op 22.9.1738. Agneta Kies, de weduwe van wijlen Carel de Vlieger, Allegonda de Vlieger en Johannes de Vlieger, grootmoeder, tante en oom paternel,en Ida en Abraham Santvoort, tante en oom maternel, van Agneta Maria en Antony Johannes, dochter en zoon van voornoemde predikant. Zij verklaren dat Antony de predikant is overleden te Leerdam op 9 october 1718 en en Elisabeth Santvoort op 2.4.1739 te ‘sBosch. Dat na het overlijden van Elisabeth haar broer de zorg zou hebben voor de nalatenschap. [april 1739]


folio 503

Antony van Riet is getrouwd met Hendrina Clemens wonende te Asten. Ze zijn beiden nog in leven en hebben tijdens hun huwelijk een perceel groesland aangekocht van Laurens Bruijstens. De transportakte is gepasseerd op 13 juli 1742. Antony heeft hetzelfde stuk op dezelfde dag uit de hand verkocht aan Jan van Riet de zoon van zijn broer en dus zijn volle neef. Mr. Hendrik Halbersmit, gehuwd met Anna Maria Clemens, een zus van Hendrina, en beiden ook nog in leven, hebben dat stuk land vernaderd. Onder het schrijven van de acte van vernadering komt Peter van Riet, een wettige broer van Antony, die ook het stuk vernaderde en liet na de vernaderingsacte van Halbersmit ook de zijne opmaken. Over dit ‘nader van den bloede’ zijn ontstaat discussie en wie van de beide vernaderaars heeft de meeste rechten. Hierover wordt een rechtsgeleerd advies gegeven. [26.8.1743]


folio 507

Johannes van Ingels, gehuwd met Anna Theodora Krops te ‘sBosch, verklaart dat hij uit een eerder huwelijk met Adriana Courtijn twee kinderen heeft, waarvan er nog één in leven is nl. Johannes. Bij Anna heeft hij drie kinderen verwekt. Over de positie van dit voorkind handelt de acte. De beide partners willen het graag op gelijk niveau behandelen als hun drie andere kinderen. [15.9.1747]


folio 508

Een acte over dezelfde kwestie als op folio 507, alleen treden hier andere personen aan te weten: Johan Ingels oud-oom paternel, Hendrik Brul weduwnaar van wijlen Martijntje Ingels muije [= tante] paternel, Jurriaan Engelbert Krops oom paternel. De staat en inventaris van Adriana Courtijn is opgemaakt op 23 april 1733 voor notaris H. van Rotterdam. Over de ontruiming van het sterfhuis en de verkoop van nagelaten goederen ontstaat enige discussie. [13.9.1747]


folio 511

Missive geschreven door de Heer Jan Bowier drossaard der Baronie van Boxtel en de heerlijkheid Liempde, waarin hij schrift dat volgens zijn visie de heren schepenen bevoegd zijn om bruid en bruidegom, in de brief vermeld, van hun huwelijksbelofte te ontslaan, ondanks twee huwelijksproclamaties. De ondertrouw zou niet het begin betekenen van een huwelijk, zoals dat door enige Duitse doctoren verkeerd wordt begrepen. Het gaat om de openbare trouwbelofte, schrijft hij, bij ons genoemd sponsalia publica. Hierover wordt een rechtsgeleerd betoog gegeven. [31.5.1749]


folio 515

Mr. David Le Leu de Wilhelm Heer van Berlicum gaat wederom in op de heerlijke rechten van de Heren van Berlicum, zoals in enige voorgaande acten al is beschreven, eveneens de kwestie rond Peter Willem Teunisse. [11.9.1743 en 23.9.1743]


folio 525

Men heeft bij de Raad en Leenhof van Brabant een supplicatie ontvangen van Wilhelmina Maria, Allegonda Maria, Johanna Maria Albertina en Louisa Eufemia Coehoorn van Houwerda wonend ete ‘sBosch, meerderjarige kinderen van wijlen Mano Coehoorn van Houwerda in zijn leven luitenant-kolonel in Staatse dienst en Johanna Minten, echtelieden. Over hun nalatenschap, de verdeling onder de kinderen en wensen van crediteuren ontstaat discussie. In de acte worden voorts genoemd: Jacobus Minten koopman te ‘sBosch oud-oom maternel. [30.12.1743]


folio 528

Vervolg op de vorige acte over de kwestie van de nalatenschap van de familie Houwerda. Genoemd worden wijnkoper van Megen, wijnkoper Berings, de weduwe Scudie wonende binnen de stad in de Minderboederstraat, Johan Versvelt, Mons.N.N.koppelaer, Sr. Schouten bij de Gevangenpoort, Juffrouw de weduwe van Rijswijk, Sr. Cornelis Boons, Juffrouw Bartels, Sr. van der Bemden op de Markt, Sr. Hendrik Jan Vervenne rentmr. van het Schilders Vrouwengasthuis, de Heer Jaspar Verster procureur van Jan Paulus gewezen koopman in de Hinthamerstraat, de Heer Johan van der Meulen in den Rooden Haan, de Heer Willem Roels namens Isaacq Sagt turfschipper op ‘sBosch, Juffrouw van der Lee op de Pensmarkt, N.N. van Vechel koopman in de Vughterstraat, allen crediteuren van de familie. Over deze kwestie volgen diverse acten elkaar op, verschillend gedateerd. de serie loopt door tot folio 540. [15.2.1744]


folio 540

Voor Joan Schoonhoven president-schepen, Hendrick Kerckhoff schepen en Jacobus Vermeulen als secretaris van de vrijheid Sint Oedenrode is verschenen de Heer Peter Molemakers, ziek te bed liggende en Juffrouw Johanna de Lauwere zijn vrouw om een testament op te maken. In de acte wordt gesproken over de voor- en nakinderen van broer Heer en Mr. Antony Molemakers. [8.3.1748]


folio 543

Acte geheel gewijd aan de punten en artikelen betreffende het cijnsrecht in de Meierij van Den Bosch volgens de oude costuimen. De verklaring hierover is afkomstig van degene die de administratie voert over de grondgewincijnzen in Brabant. Met verwijzing naar de grondcijnzen van de Heren van Helmond, de Heren van Rixtel, grondheerlijkheid Asten, de Prelaat van Echternach, het Godshuis van Postel. De originele acte is destijds gepasseerd voor notaris D.Wytvelt en is gecollationeerd naar een acte van 1 augustus 1705.


folio 547

Remonstrantie van de Heer Abraham Verster drossaard van Sint Michielsgestel met vijf stukken eraan vastgehecht aan de heren schepenen van het dorp overgegeven en ingediend tegen Andries van der Raidt en Johannes van der Heijden, molenaars van beroep en beiden wonende aldaar. Van de schepenen wordt een pre-advies gevraagd. [27.9.1748]


folio 549

Caus-positie

Deze acte handelt over de vernadering van huis en landerijen waarbij verschillende partijen aangeven in aanmerking te komen voor het naderschap. Over deze casus wordt een rechtsgeleerd advies geformuleerd. [15.4.1749]
folio 551

Schepenen van ’s-Hertogenbosch maken bekend en certificeren dat ze via een appointement van 30.1.1749 Antony Frederick van Omphal kapitein in het regiment Oranje Gelderland, hebben geauthoriseerd om zijn broer Evert Jan van Omphal, burger-majoor binnen ‘sBosch naar Dordrecht of een andere plaats in de Generaliteit over te brengen. Voorts verklaren ze dat genoemde kapitein voor de auditeur militair te Doesburg een procuratie heeft laten passeren op Juriaan Schellekes, procureur te Nijmegen. Middels die procuratie is Juriaan gemachtigd om op 8.2.1749 voor notaris Leendert van Beusekom aan te stellen Johan Marherbe uit Berlicum om genoemde van Omphal te transporteren naar Nijmegen. [3.3.1749]


folio 552

Eerste vraagstelling gaat over poortersgoederen in de stad en meierij die zijn vrijgesteld van houtschat en die nadien via verkoop of anderszins aan andere personen komen, zijnde niet-poorters. Worden deze goederen daardoor misschien onvrij en dientengevolge wel verplicht daaruit houtschat te betalen en kunnen deze later weer vrije goederen worden.


Tweede vraagstelling is of onvrije goederen in de meierij van ‘sBosch gelegen, gekocht door een Bossche poorter, ook vrij van houtschat worden.
Derde vraagstelling is of een onvrij persoon die een partij hout koopt van een Bossche poorter vrij is van de betaling van houtschat en dat het hout nadien door dezelfde onvrije persoon, wederom verkocht zijnde aan andere personen, niet belast is met de betaling van de houtschat.
Vierde vraagstelling is of van alle onvrije goederen waarvan enig hout wordt gekapt de houtschat voldaan moet worden voordat het hout vanaf de grond wordt vervoerd, niettegenstaande het verkocht wordt of niet.
Hierover verlangt men rechtsgeleerde adviezen. [13.2.1669]
folio 554

Criminele procedure door de schepenen van Nuland gerezen tussen de Heer Willem Aanhuijs en Johan van Nouhuijs. [30.7.1749]


folio 555

Rechtsgeleerd advies ten aanzien van het invorderen van cijnzen en met name de achterstallige cijnzen en de oorsprong van het cijnsrecht en de cijnsinning van diverse typen cijnzen. Zie ook: folio 543; [16.11.1730]


folio 571

Casus-positie

Peter van Orsouw en Heijltje Gronevelt echtelieden, wonende te ‘sBosch, hebben een testament gemaakt en legateren daarin aan de kinderen van hun dochter Anna Barbara van Orsouw f 3000,- na de dood van de langstlevende van hen beiden en ook de andere na te laten goederen. Het testament van Peter is opgemaakt 12.3.1699 en van de Heijltje op 8.3.1703. Huijbert Sam is de man van Anna Barbara. Voorts worden enkele details gegeven over de goederen. [7.4.1718]
folio 574

De schepenen van de vrijheid en dingbank van Oisterwijk hebben de procedure gezien op de rol van 30.10.1747 gerezen tussen de stadhouder van het kwartier de Heer Isaacq Verster en Laurens de zoon van Gerrit van den Breekel wonende binnen genoemde vrijheid. [18.10.1748]


folio 575

Op 15.2.1737 is voor notaris Matthijs Lagerweij te Utrecht verschenen de Heer en Mr. Diderik Richard Blotenburg raad ordinaris in het hof van Utrecht, als testamentaire voogd over Juffrouw Alida Wilhelmina Blotenburg. Hij machtigt Mr. Johan Cornelis Santvoort schepen en griffier van de stad om uit naam van de comparant om een huwelijkscontract te sluiten tussen de Heer Mr. George Marcus Marry uit Den Briel. [15.2.1737]


folio 579

Men heeft het mutueel testamant gezien van Petrus Molemakers en Johanna de Lauwere echtelieden te Sint Oedenrode, gepasseerd 28.3.1729. Peterus sterft eerder dan Johanna en laat zijn weduwe na en vier geïnstitueerde erfgenamen nl. twee voorkinderen van Heer en Mr. Antony Molemakers te weten nl. Matheeus en Johanna en twee nakinderen van hem genaamd Johannes en Gerardus Molemakers. Matheeus is inmiddels kinderloos overleden en ook de testatrice. Over de nalantenschap groeit discussie en daar wordt breedvoerig op ingegaan. [19.8.1748]


folio 587

Request van het corpus van de heerlijkheid Deurne kwartier Peelland betreffende de steen- en pottenbakkers binnen de heerlijkheid, een certificatie van de schepenen der heerlijkheid dd.van 2.6.1661 n.a.v. een erfkoopbrief van 19.1.1660, een mandament van hertog Philips dd. 24.4.1464 n.a.v. een bepaalde verkrijgbrief voor Deurne dd. 1465, een certificatie dd. 2 juni jl., extracten uit de dingrol van maart 1631 en 17.3.1638, een extract uit de dingrol van 18.3.1660 en 1661, een resolutie van de Staten Generaal van 10.12.1660 met als onderwerp de Aart van de Baronie van Breda en tenslotte handelt het stuk over de verkoop van de heerlijkheid. [29.6.1661]


folio 593

Procedure op de criminele rol van 18.6.1749 tussen Antony La Forme de drossaard en Jan Willems van Bommel. In de akte wordt genoemd Michiel van Schaijck vorster en mede-peelmeester in de heerlijkheid die een paard en kar in arrest heeft genomen. [23.9.1749]

folio 595

Voor Pieter Gerard van Esveld openbaar notaris te Eindhoven bij de Raad van Brabant verschenen Jenneke Joost Teijssen weduwe van Jan van Hulst wonende te Eindhoven. Zij laat haar testament opmaken. In de akte worden genoemd: Jan van Hulst minderjarige zoon van broer Jacobus van Hulst zoon van Jenneke, Maria Lomers de vrouw van Jacobus, Nicolaas van Hulst ook minderjarig en broer van de minderjarige Jan, Arnoldus van de Ven te Woensel, Antony Borghouts, Willem van Berten beiden uit Woensel. Naar aanleiding van dit testament worden enkele juridische vragen gesteld, becommentarieerd en geadviseerd . [10.7.1742 en 24.2.1744]


folio 601

Casus-positie

“Volgens Haar Ed: Mog: resolutien van den 22 maij 1706 10 augustij 1714 en 30 junij 1719, moet het regt der collaterale successie betaalt worden aan den ontfanger van het district waar onder het sterfhuijs gevallen is en niet aan den ontfanger van het district, waar onder de goederen, het collateraal subject, gelegen sijn. Philip Jacob Santvoort oud tusschen de 16 en 17 jaren, geboortig en woonagtig tot ’s-Hertogenbosch ten huijsen van sijn vader Mr. Johan Cornelis Santvoort griffier van voors. stad etc. vertreck van Ginneken in de Baronije van Breda gelegen, om sijn oom aldaar een visite te geven als om sig te diverteren en word aldaar door de regnerende heete koortsen aangetast en, niet transportabel sijnde, sterft tot Ginneken op 17 augustij 1748”. Hierop volgt een beschouwing over het recht op de collaterale successie. [5.9.1748]
folio 604

Een ingediende remonstrantie van de hand van drossard Johan Bastiaans de Voo, gezien door de schepenen van de vrijheid en heerlijkheid Oirschot tegen een zekere Peter Spape eveneens woonachtig te Oirschot. [8.7.1748]


folio 605

In het dorp Sleeuwijk verschijnen voor de heren Arien de Looij, Antonij Verschoor en Cornelis Ottevanger, dit vanwege de afwezigheid van de schout en de secretaris, Dominee Everhard Havercamp, bedienaar van het goddelijk woord in deze gemeente en Juffrouw Cornelia Cuijpers echtelieden. Ze maken hun testament op. Genoemd worden in de akte: Jenneke Cuijper zus van Cornelia, Jan Cuijper broer van Jenneke. [14.8.1738]


folio 608

Deductie voor Wouter Verhagen wonende te Cappel [vgl. Sprang-Capelle] gearresteerde in zijn goederen tegen Justinus van Gennip drossaard der heerlijkheid Venloon [vgl. Loon op Zand]. Hierop volgt een breedvoerige juridische beschouwing en later een korte deductie aan de heren schepenen van de stad ‘sBosch van de hand van Justinus tegen Wouter, wat al even breedvoerig is als het voorgaande. [ongedateerd]


folio 631

Proces tussen Jan Peeter Scheepens inwoner van Helmond tegen Hendrik Troosters bierbrouwer wonende te Diest. [13.9.1749]


folio 633

Stuk waarin de Prins van Oranje te Eindhoven als vorster laat aanstellen en zekere Gerard de Vries waaromheen de nodige juridische vragen worden gesteld. [13.7.1744]


folio 639

Voor schepenen van Schijndel is gecompareerd de eerbare Johanna Pinxteren nagelaten weduwe van Mr. Willem Coquel in leven meester-chirurgijn, die alle voorgaande testamenten herroept en haar zoon Albertus Coquel benoemt tot erfgenaam. Die is ongehuwd bij haar gebleven en heeft haar altijd gediend. Hij is nu in het buitenland en hier dus niet aanwezig. Ze heeft ook nog andere kinderen nl. Segerina, reeds overleden, en Wilhelma, Susanna Coquel gehuwd met Jan van Bergen. Voorts worden


genoemd Wesselina Theodora en Amadea Segerina als kinderen van Johan Effrinck commies van ‘slands magazijnen te Knokke, Jan de zoon van Jacob Both die was gehuwd met Margareta Coquel een dochter van de testatrice. [24.6.1735]
folio 647

Casus-positie

Gijsbertus Boutens en Margareta Catharina van de Ven echtelieden wonende te s’Bosch, hebben voor notaris Gillis Kerckhoven en getuigen op 11 juli 1740 verklaard schuldig te zijn aan Bartholomeus Wijbo een som van f 1267:5:0 van geleverde wijnen. Rond deze verklaring rijzen enkele rechtskundige vragen, die verder worden uitgediept. [19.2.1745]
folio 656

Op 9 juli 1659 is een reglement opgesteld ten behoeve van de salarissen van de secretarissen in de Meierij van Den Bosch, uitgegeven op 19.1.1662 en diverse malen gerenoveerd. Over die salariskwestie en de rechten en plichten of taken van de secretarissen wordt nader ingegaan. [29.4.1746]


folio 664

Extra-ordinaire vergadering van de provisoren van de gereformeerde kerk van Strijp en gehouden door de stadhouder de Heer Hoornman, predikant Tielen en president Vrients ten stadhuize te Eindhoven op 4.1.1746. Onderwerp van gesprek is de bouwvallige situatie van het kerktorentje met een klokje in het klokkenhuis te Strijp. Molenmeester Hendrik Deenen heeft een onderzoek ingesteld. Reparatie was allernoodzakelijkst. Beslissingen hierover waren van belang voor de kanunniken van Cortershoven als bezitters van de tienden. [18.5.1746]


folio 667

Schepenen van Vlierden hebben een remonstrantie gezien van de Heer Petrus de Jongh drossaard die een proces voorstelt tegen de molenaars te Lierop te weten Huybert Anthonis van den Boomen en Hendrik van den Boomen in verband met iets wat ze op 4 juni 1752 ten huize van Luytje de weduwe van Jan van de Loverbosch hebben uitgehaald. [30.6.1752]


folio 668

Extract uit de rol gehouden voor de heren leenmannen van de leen- en tolkamer van stad en Meierij van ‘sBosch. Philip Jacob van Borssele raad en rentmr. generaal der domeinen tegen Jan Hoeffnagels wonende te Sint Michielsgestel. het proces loopt over verschillende jaren door en in de rechtsgeleerde betogen en adviezen worden allerhande oude stukken aangehaald als bronnenmateriaal.


folio 681

Procedure in de heerlijkheid Nuland tussen de Heer Willem Aanhuijs drossaard aldaar en Johan van Nouhuijs inwoner van Nuland. [3.3.1748]


folio 682

Casus-positie

“A. en B. ten huwelijk sullende treeden, hebben, voor banden van dien, opgeregt contract antenuptiaal, waarbij onder anderen is gestipuleert, dat bij aldien den Heer Bruijdegom voor de Juffrouw Bruijt quam aflyvig te worden, kind of kinderen uyt het aanstaande huwelijk nalatende, in sulke gevalle de Juffrouwe Bruijt boven de daar bij gestipuleerde dote of huwelijksgift van tien duysend guldens eens, mitsgaders den eijgendom van den inboel en erffhafelijke goederen, soude blijven genieten en profiteren alle de jaarlijkse revenuen, opkomsten en vrugten van alle des Heeren Bruijdegoms nae te latene goederen en effecten, waar gelegen of hoe de selve genaamt mogten sijn, onder beding nogtans ten opsigte van de voorschreven revenuen en opkomsten, dat de Juffrouwe Bruijd gehouden soude sijn, het nagelate kind, of kinderen uyt de voorschreve in- en opkomsten een behoorlijke en fatsoendelijke opvoeding en onderhoud te geeven, en als den selve den ouderdom van vijf en twintig jaaren souden hebben bereijkt, dat de Juffrouw Bruijt als dan aan sodanig kind of kinderen sijn of hun aandeel uyt de helft van des heere Bruijdegoms na te laten goederen, onder aftreck van de voorschreve tien duysend guldens, soude moeten uytreijken; dat in cas de Juffrouwe Bruijt na aflyvigheijt van den Heere Bruijdegom mogt komen te hertrouwen, als dan een of meer voogden van de seijde van den Heer Bruijdegom soude moeten worden aangestelt, aen de welcke Juffrouw bruijt den boedel en nalatenschap van den Heer Bruijdegom, nae aftreck van de voorschreven tien duysend guldens en allen den inboel soude extraderen, onder versekering, dat aan haar twaalf hondert vijftig gulden jaarlijks promptelijck sullen worden voldaan. Hebbende laatstelijck den Heer Bruijdegom en Juffrouw Bruijt gerenuncieert van alle voordeelen, welcke uyt hoofde van eenige wetten of costumier-regt aan de langstlevende soude kunnen of mogen competeren en speciaal van de togten en het gereed bij de costuymen der stad ‘sHertogenbosch geintroduceert. Het voorschreve huwelijk voltrocken sijnde, is A. eerst aflyvig geworden, agterlatende des selfs weduwe B. en twee kinderen, aen de selve in egt verwekt; naderhand sterft een van de twee voorschreve kinderen en B. treedt ten tweede huwelijk”. Hierop volgt ‘quaeritur’. [20.6.1748]
folio 690

Jacobus Coenraats en Willelmina Adriana Beekman gehuwd en wonende te Oirschot hebben op 29 mei 1705 een testament laten opmaken, waarbij de langstlevende tot universeel erfgenaam is aangesteld. In 1712 heeft Willemina die bevestigd en bij haar dood twee minderjarige kinderen nagelaten nl. Maria Josina en Elisabeth Gerardina. Jacobus is vervolgens op 30 april 1714 verschenen voor de schepenbank van Oirschot en heeft de twee kinderen hun moederlijk erfdeel nl. 3000 gulden uitgekeerd. Op 18 juni 1714 is hij hertrouwd met Catharina Burgersdijk en naderhand nogmaals op 26 april 1718 met Maria de Bruijn, zonder in die twee laatste huwelijken kinderen te hebben verwekt. Rond de uitvoering van dit testament ontstaat discussie en wordt een rechtskundige beschouwing gegeven. In de vervolgakten worden onder meer genoemd: Gerard Beekman, Jacobus Johannes van de Laer, Mr. Albertus Gerard van Waelwyck. Aan het einde wordt een kostenoverzicht gegeven. [12.11.1748]


folio 705

Procedure voor schepenen van Groot Lith tussen de Heer Gosewinus van Nouhuijs predikant te Sint Oedenrode en Johan Paal in huwelijk hebbende Maria van Nouhuijs wonende te Groot Lith. [16.12.1748]


folio 706

Proces tussen Peter Spape bakker en winkelier te Oirschot tegen Johan Bastiaans de Voo de drossaard van de vrijheid. [4.2.1749]


folio 707

Proces tussen dezelfde personen waarin genoemd wordt het huis van Jan Gerits Blankers wonende in de Akkers ten westen van de Oude Straat naar het gehucht Spoordonk lopende, Hendrien Alemans huisvrouw van Alexander Assouw. [21.2.1749]


folio 709

Voor de kerkenraad te Ginneken zijn verschenen Hendrich Ludwig Schutze [dubieus] geboren te Saxe Gotha luitenant onder het regiment van de Generaal Majoor Graaf van Rechteren met Clasina Adriana Santvoort geboren te ‘sBosch en woonachtig te Ginneken. Zij willen een huwelijk aangaan. Er rijst discussie of alles volgens de artikelen van het Echtreglement is. [18.4.1749]


folio 712

Casus-positie

Deze casus is geheel gewijd aan het recht van houtschat van de Vrouwe van Asten en Ommel. In de akten worden o.a. genoemd: de borgemeesters van Eindhoven i.v.m. gekloofd brandhout n.a.v.de leverantie van brandhout aan de Hertog van Cumberlant of veldmaarschalk Bathianij, waarover geen houtschat is betaald. [28.11.1748]

folio 716

Casus-positie

“A. ter eenre ende B. en DD. qq ter andere seijde hebben (alsoo geschapen was proces te ontstaan over en ter sake van reparatie aan sekere huijsinge gedaan ende al nog wegens sekere provisionele erfmangelinge van goederen) die differenten gecompromitteert ter arbitragie en uytsprake van E. en F. onder gelofte van het geene bij die arbiters soude werden gedaan ende uytgesproken te sullen houden voor goed, vast, steedig ende van waarde, renuntierende tot dien eynde van alle beneficien ende exceptien, sonder dat de clausule van subjectie der willige condemnatie in de acte van compromis is geïnsereert. De voornoemde arbiters hebben, ingevolge de acte van compromis gedaan uytsprake ende daar bij etc. Daar nae is die huijsinge verkogt ende gevest en sijn de penningen, daar van geprovenieert, door A. genomen in arrest, daar van behoorlijke insinuatie gedaan ende op den voorschreve arreste gelegt dag van regt. DD. qq: ligt de penningen en stelt sig als borge voor het gewijsde in het voorschreven arrest. A., dewijl nog voort procedeert in het voorschreven cas van arrest, weet agterbaks, ende parte inauditae verklaringe van executabel op de voorschreve uytsprake te bekomen tegens DD.”. Hierop volgt ‘quaeritur’ en het verdere advies. [22.5.1749]


folio 719

Casus-positie

“Sekere hoeve, genaamt ter Eijken, gestaan ende gelegen binnen de Vrije Rijks Neutrale Grond-Heerlijkheijt Gemert is in den jare 1391 ten erfpagt uytgegeven door de Ridderlijke Duytse Orden voor en omme vier mudden rogge ende seven mudden haver ende daar toe voor ende omme twee vaten raapsaats, twaalf ellen linne-laken, hondert eijeren, agt jonge hoenderen ende eenen boter-weg van ses maten alle jaren door den verkrijger, sijne erven ende nakomelingen te leveren, met expres beding ende conditie, dat den selven nog sijne erfgenamen nog nakomelingen geen schattingen nog beede gelden, nog geven nog betalen souden van de voornoemde hoeve met sijn toebehoorte; soo als sulks nader te sien is uyt de oopene brieven van uytgifte wesende vanden jare 1391 op St.Joris-dag des H.Ridders ende Martelaars, vallende in de maand april. Hooggemelte Duijtse Ordre of de respective pagters van tienden hebben van de successive verkrijgers of gebruijkers der voorschreve hoeve nimmermeer eenige groote, smalle of andere tienden gevordert ofte geheven, uytgenomenn, dat de tegenwoordige pagters weijnige jaren herwaarts de lammer-tienden van sekeren Leonard Alerts, althans proprietaris ende possesseur van de voornoemde hoeve, hebben afgehaalt ende dat sij in den jaare 1716 des selfs schapen en lammeren hebben gesaiseert ende aangehouden; mitsgaders bij hare schriftuure van aansprake ofte redenen van saijseringe concluderende contenderen, ten eynde den voornoemde Alerts gedaagde, soude werden gecondemneert, aan haar aanleggeren te vergoeden de schade ende interessen, bij hen, ter oorsake van het niet hebben kunnen tienden de lammeren van den gedaagde in den als doen voorlede jaare geleden ende dat hij soude hebben te gehengen en te gedoogen, dat op den ordinaire tijd sijne lammeren van het jaar 1716 voornoemt werden getiend ende soo hij eenige reets mogte verkogt ofte verbragt hebben te vergoede de schade door de aanleggeren daer bij geleden; mitsgaders in alle verdere kosten, schaden ende interessen geleeden en nog te lijden soude werden gecondemneert ende de gesaijseerde schapen daar voor verklaart executabel cum expensis”.

Hierop volgt ‘quaeritur’ en het rechtsgeleerd advies. [februari 1717]


folio 724

Algemene beschouwing over de nalatenschap van een neef en de consequenties daaruit voortvloeiende volgens hnet Romeins recht en de bestaande costuimen. [ongedateerd]


folio 733

Missive van de Raad van Brabant aan de magistraat van de stad m.b.t. de Caroline en Albertine en de wijze van rechtspraak, zoals die altijd door de Hertogen van Brabant is voorgestaan. Aangehaald wordt een instructie of reglement voor de griffiers, procureurs en klerken van rechtbanken de dato 7 april 1674. [23.11.1677]


folio 734

Zeer uitgebreid rechtskundig vervolgdocument op folio 733 waarin t.a.v. de aangehaalde instructie of reglement genoemd worden: de Heren van Oirschot, Lobell, van Zutphen, Mr. Jacob Focanus, Mr. Johan van Blotenburgh. Ook wordt verwezen naar open brieven van 21 mei 1458. De discussie spitst zich toe op het 11de en 59ste artikel uit de instructie. [21.1.1678]


folio 742

Extract uit het protocol of boek van verklaringen, attestaties en recollectes, voor de Bossche schepenen van 4.12.1735 tot en met 7 januari 1747 berustende op de griffie van de stad, speciaal folio 30 recto en verso:

“Wij Isaacq Am Ende en doctor Daniel Mobachius Quaat schepenen de rhoofdstad ‘sBosch, doen kond, certificerende bij ende mits desen, dat voor ons gecompareert sijn Matthijs Adriaan van Megen, Thomas Kempes, groenroedens deser stad en Gerardus Hamers, geauthoriseerde groenroede alhier, welcke verklaarden haar lieden kennelijck te sijn de vrije jaarmerckt binnen dese stad, soo en in dier voegen, als de selve alhier volgen te weeten -

de eerste op St.Jans Geleij en gaat in drie dagen voor St.jan Baptistenavond en duurt drie dagen na St.jan –

de tweede is op Onse Lieve Vrouwe Geleij en gaat in agt dagen voor den Omgang en duurt agt dagen na den Omgang –

de derde is het Geleij van Ste. Bartholomeus en gaat in op St.Bartholomeusavond en duurt tot op St.Gillisavond –

de vierde is het Geleij van de Veemart op ‘sanderendaags nae St.Severeijnsdag en duurt tot Allerheijligenavond –

de vijfde is het Geleij van St.Nicolaas, gaat in drie dagen voor St.Nicolaasavond en duurt drie dagen na St.Nicolaas –

de sesde is het Geleij van de Zuijmerckt en gaat in saturdags voor den sondag Reminiscere en duurt tot saturdags voor den sondag van laetare –

en de sevende is het Geleij van de Beestmart en gaat in op Palmenavond en duurt tot op Paasch-avond – boven en behalven de vrije mart van de kermis deser stad ‘sHertogenbosch.

Dat wijders haar comparantes functie, medebrengende op last ende bevel van alle en een ijegelijck, die binnen dese stad ‘sBosch en des selfs vrijdom iemants persoon en goederen wil arresteren, de selve arresten in haar qualiteijt als groenroedens te doen, haar lieden comparanten verder kennelijck is, dat tijde van voorschreve vrije-marckten geen arresten op iemants persoon of goederen binnen dese stad of des selfs vrijdom mogen gedaan worden en dat sulks bij haar lieden ook constantelijck gepractiseert word; ja selfs al was het dat iemand aan haar last en bevel gaf om op een van de voorschreve tijden een arrest te doen, alsoo sij comparanten , onaangesien voorschreve last en bevel, als sij weten, dat het een van de voorschreve vrije martdagen is, het versogte arrest niet souden doen; en voor soo ver ’t eeniger tijd bij de comparantewn op een van voorschreve tijden een arrest mogt gedaan sijn, soo verklaren de selve, dat bij haar dat arrest bij inadvertentie en buijten gedagten van de Vrije Jaarmarkdag gedaan is geweest; sijnde sommige van de comparanten, ter contrarie in voege voorschreve gedaan hebbende, door Heeren Schepenen ook daar over gecorrigeert geweest. Wijders verklaren de comparanten haar lieden kennelijck te sijn, dat arresten op voorschreve Vrije Jaarmart-dagen gedaan, ook aanstonds gerelaxeert en ontslagen worden en van die relaxatien exempelen gehoort en gesien hebben”. De verklaring wordt met een eed bevestigd. [27.6.1736]
folio 748

“A. in sijn leven gewoont hebbende in ‘sHertogenbosch, maakt sijn beslooten testament en, nae wegmakinge van eenige legaten, soo maakt aan B. de togte van alle sijne goederen, hoe die ook mogten genaamt worden, willende, dat sij die haar leven lang sal gebruijken, soo als die best tot haare voordeele sullen dienen; al nog geeft A. aan B. de magt om bij testament of codicille ten erfregte te maken aan sijnen naaste vriend ses te half hond bogaard aan den Roijen onder Driel gelegen, met de huijsinge daer op staande. Stellende A. verder tot erfgenaam universeel (na de dood van sijne togtersse B. en tot executrice de voorn. B. met magt, om ook eenen executeur, alsoo als die sal willen noemen, wanneer sij dat sal willen goedvinden, te assumeren, gelijck ook sijnen neve C. daar toe genomineert

heeft. Willende A. dat sijne goederen, in Brabant gelegen, tot betalinge van sijne schulden eerst sullen worden verkogt, soo allodiaal als leen sijnde en dat volgens de magt, hem bij den Raad van Brabant gegeven”. Hierop volgt ‘quaeritur’ en het rechtsgeleerd advies. [8.10.1742 en 19.9.1750]
folio 754

Rechtsgeleerde beschouwing n.a.v. het testament van Heer Hendrik van Casteren waarin staan vermeld Juffrouw Sara Domus, Heer en Mr. Otto van Cattenburg en Heer Jacob van Casteren. [ongedateerd]


folio 760

Procedure voor schepenen van Eindhoven op de rol van 14 mei 1757 tussen Jan Goort Lomans de man van Maria van de Loverbosch, Luitje Smits weduwe van Jan van den Loverbosch, mede voor Francis van den Loverbosch zijn broer, allen wonende te Asten en Mierlo, erfgenamen van wijlen Martinus Jansse van den Loverbosch contra Johannes Hubertus van Doore en Jan van Col de man van Willemijn van Doore wonende te Hoogstraten en Geldrop, kinderen en erfgenamen van wijlen Jan van Doore en Johanna van der Cruijsen echtelieden. [7.2.1758]


folio 762

Procedure voor schepenen van Tilburg en Goirle op de rol van 26 juni 1758 tussen de weduwe van Gerard Verhiel en Willemijn de weduwe van Denis Schapendonck. [21.8.1759]


folio 763

Rechtskundige verhandeling rond het testament van Johan van Bousel en Maria van der Linden echtelieden te ‘sBosch gepasseerd voor de notaris op 14 mei 1743 waarbij de langstlevende tot erfgenaam wordt benoemd. Voorts worden in de akte aangehaald: Sara van Bousel, Catharina van Bousel zussen van de testateur, de kinderen van Johanna van Bousel en haar man Willem Wijnants, Adriana Papegaij vrouw van Petrus van Bruggen, Anna Catharina Groenhuijse vrouw van Peter van Wurmont, Cornelia Graas vrouw van Abraham van den Boom, Maria Graas vrouw van de Heer Saver, Peter van der Linden zoon van Andries van der Linden, Reijnier van der Linden, Peter van der Linden, Sara van der Linden en Maria van der Linden allen te Heusden. Mr. Adriaan Schoneus en Mr. Abraham Justus Verster advocaten. [15.6.1760]





1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   19


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina