Rechtbank maastricht sector Civiel



Dovnload 26.33 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte26.33 Kb.
Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT


Sector Civiel

Datum uitspraak: 4 juni 2007


Zaaknummer  : 118439 / KG ZA 07-125

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

1.  mr. Adrianus Johannes VAN BERGEN,


en
2.  mr. Frederik Willem UDO, beiden in hun hoedanigheid van curatoren in de faillissementen van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Benedik Holding B.V., Benedik Cold Meat B.V., Benedik Vlees B.V., A. Benedik en Zonen B.V., Gebr. Benedik B.V. en de commanditaire vennootschap Gebrs. Benedik Abattoir C.V., allen gevestigd te Landgraaf,

beiden wonende te Maastricht,


eisers in kort geding,
procureur mr. A.J. van Bergen;

tegen:


1.  [Naam gedaagde 1],
wonende te [Woonadres gedaagde 1],
gedaagde sub 1 in kort geding,
advocaten mrs. J.A. van der Meer en M.J.W. Schollen, kantoor houdende te Eindhoven,
procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen;

2.  [Naam gedaagde 2],


wonende te [Woonadres gedaagde 2],
gedaagde sub 2 in kort geding,
procureur mr. R.A.L.M. van Dooren, ter terechtzitting bijgestaan door diens kantoorgenoot mr. R.J.M.C. Rosbeek.

1.  Het verloop van de procedure

Eisers hebben gedaagden gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 7 mei 2007, hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij hun vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties aan de hand van twee pleitnota’s nader hebben doen toelichten.

Gedaagden hebben ieder aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.


Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd, waarbij eisers nog een korte “pleitnota inzake geschiktheid voor kort geding” hebben overgelegd en deze hebben voorgedragen.

Ten slotte hebben eisers om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.  Het geschil

2.1 De in de aanhef van dit vonnis genoemde vennootschappen, hierna tezamen aangeduid als “Benedik”, zijn in staat van faillissement verklaard. De bedrijfsactiviteiten van Benedik bestonden voornamelijk uit de verwerking van varkens- en rundvlees en de exploitatie van een slachthuis.

Zowel Benedik Holding B.V. als haar vier dochtervennootschappen Benedik Cold Meat B.V., Benedik Vlees B.V., A. Benedik en Zonen B.V. en Gebr. Benedik B.V., zijn, nadat eerst surseance van betaling was verleend, op 5 juli 2005 failliet verklaard. Gebrs. (kennelijk is per abuis – gelet op het feit dat dit in onder meer het vonnis tot faillietverklaring wel is vermeld - in de aanhef van de dagvaarding de “s” van “Gebrs.” niet vermeld, doch de voorzieningenrechter begrijpt nu partijen daar geen punt van maken, dat in de aanhef van de dagvaarding “Gebrs.” is bedoeld, om welke reden dit ook in de aanhef van dit vonnis aldus is vermeld, vrzgr.) Benedik Abattoir C.V. is op 4 november 2005 failliet verklaard.

Als curatoren zijn eisers aangesteld, hierna aangeduid als “de curatoren”.

De vorderingen van de crediteuren bedragen volgens de curatoren thans in totaal
€ 35.691.665,-. Het actief zou € 857,668,- bedragen, waarmee het tekort in de faillissementen zou uitkomen op in totaal € 34.833.997,-. Bij een en ander zijn enkele vorderingen van onder andere de bedrijfsvereniging nog niet betrokken.

2.2 Gedaagde sub 1, hierna te noemen “[Naam gedaagde 1]” was bestuurder van Benedik Holding B.V. en via deze holding bestuurder van de overige vennootschappen. Van de commanditaire vennootschap Gebrs. Benedik Abattoir C.V. was de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A. Benedik en Zonen B.V. de beherende vennoot.

Volgens de curatoren werd Benedik echter niet alleen bestuurd door [Naam gedaagde 1], maar feitelijk ook door –de in de loop van het jaar 2002 uitgetreden bestuurder van Benedik Holding B.V.- gedaagde sub 2, hierna te noemen “[Naam gedaagde 2]”, althans was deze volgens de curatoren (mede-)beleidsbepaler als ware hij bestuurder in de zin van artikel 2:248 lid 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens de curatoren is [Naam gedaagde 2] in ieder geval ook ten aanzien van de hierna gestelde onrechtmatige daden te beschouwen als feitelijk bestuurder/leidinggevende.

2.3 De curatoren zijn van mening dat gedaagden aansprakelijk zijn ex artikel 2:248 BW, en dat gedaagden onrechtmatige daden hebben gepleegd door het doen van onrechtmatige selectieve betalingen, welke betalingen volgens de curatoren ook zijn te duiden als onbehoorlijke taakvervulling zijdens gedaagden ex artikel 2:9 BW.


Uit dien hoofde achten de curatoren zich bevoegd te ageren namens de gezamenlijke schuldeisers dan wel namens de failliete vennootschappen c.q. de boedels der failliete vennootschappen.
Ter onderbouwing van een en ander stellen de curatoren –kort samengevat en voor zover thans van belang - het volgende.

1)  Gedaagden hebben de boekhoudverplichting ex artikel 2:10 BW geschonden;


2)  gedaagden hebben in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 2:394 BW
aangezien er niet (tijdig) conform het bepaalde in voormeld artikel openbaarmaking heeft plaatsgevonden van diverse jaarrekeningen in de periode dat gedaagden daarvoor verantwoordelijk waren;
3)  artikel 2:248 lid 2 BW bepaalt dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan de uit
artikel 2:10 BW of 2:394 BW voortvloeiende verplichtingen, het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat wordt vermoed dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Met andere woorden: het onbehoorlijk bestuur van gedaagden staat vast en de onbehoorlijke taakvervulling wordt vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Op grond van de wet en de rechtspraak kan door de bestuurder tegen bedoeld vermoeden alleen maar tegenbewijs worden geleverd door aan te tonen dat het faillissement in overwegende mate door externe omstandigheden is veroorzaakt. Het wegvallen van Albert Heijn als klant is niet “een van buitenaf komende oorzaak”. Aangezien de administratie niet zodanig is ingericht dat de volledigheid en juistheid van de bestuurlijke informatievoorziening is gewaarborgd, ontbreekt het administratieve vertrekpunt om überhaupt te kunnen beoordelen of er wellicht sprake is van externe omstandigheden, zodat gedaagden er niet in kunnen of zullen slagen aan te tonen dat het faillissement in overwegende mate door externe omstandigheden is veroorzaakt;
4)  gedaagden hebben onrechtmatige selectieve betalingen verricht voor een totaalbedrag
van € 3.295.462,90 aan zichzelf, aan hun gelieerde vennootschappen en hun kinderen. Deze betalingen kunnen ook gekwalificeerd worden als onbehoorlijke taakvervulling (artikel 2:9/2:248 BW).
Primair zijn curatoren van mening dat gedaagden vanaf 1 oktober 2004 wisten dan wel behoorden te weten dat een faillissement aanstaande was. Subsidiair zijn curatoren van mening dat gedaagden vanaf 1 oktober 2004 ernstig rekening hadden moeten houden met de mogelijkheid dat de vennootschap niet over voldoende middelen zou beschikken om al haar schuldeisers te voldoen op het moment dat zij zichzelf, aan hun gelieerde vennootschappen en hun kinderen gingen betalen.

2.4 Op grond van het vorenstaande hebben de curatoren gevorderd- daarbij aangevende dat er bij die vordering een spoedeisend belang bestaat – dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht bij vonnis in kort geding en uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

-  gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de curatoren van een voorschot op


het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van overige baten kunnen worden voldaan van € 8.000.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening inzake het faillissement van A. Benedik en Zonen B.V.;

-  gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de curatoren van een voorschot op


het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van overige baten kunnen worden voldaan van € 8.000.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening inzake het faillissement van Benedik Vlees B.V.;

-  gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de curatoren van een voorschot op


het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van overige baten kunnen worden voldaan van € 8.000.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening inzake het faillissement van Benedik Holding B.V.;

Subsidiair:

gedaagden hoofdelijk in bovengenoemde faillissementen veroordeelt tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag aan de curatoren ten titel van voorschot op het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van overige baten kunnen worden voldaan met als ondergrens het bedrag van € 3.295.462,90, zijnde het bedrag dat gedaagden als onrechtmatig selectieve betaling aan hun zelf, de pensioenvennootschappen van gedaagden en Benzon B.V./[XX] met benadeling van de overige crediteuren hebben doen toekomen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening, met dien verstande dat eenderde van het bedrag toegewezen wordt aan A. Benedik en Zonen B.V., eenderde aan Benedik Holding B.V. en eenderde aan Benedik Vlees B.V.; en met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure.

2.5 De vordering wordt door gedaagden weersproken, waartoe wordt verwezen naar de door ieder van hen ter terechtzitting voorgedragen, en vervolgens aan de stukken toegevoegde, pleitnota. Daarbij zij nog opgemerkt dat de raadslieden van [Naam gedaagde 2] in hun pleitnota op enkele punten –waaronder op hun visie dat [Naam gedaagde 2] niet als feitelijk bestuurder had te gelden- zijn ingegaan en zich voor het overige hebben aangesloten bij het verweer dat de raadslieden van [Naam gedaagde 1] hebben gevoerd. Op het verweer van gedaagden wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

3.  De beoordeling

3.1 Vooropgesteld moet worden dat voor toewijzing van een voorziening tot betaling van een geldsom in kort geding slechts dan aanleiding is, als het bestaan en de omvang van de vordering waarschijnlijk of voldoende aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling –bij afweging van de belangen van partijen- aan toewijzing niet in de weg staat.

3.2 Uit de inleidende dagvaarding volgt dat de curatoren van oordeel zijn dat het spoedeisend belang volgt uit de aard der vorderingen, nu er sprake is van vorderingen uit hoofde van artikel 6:162 BW, 2:248 BW en 2:9 BW. In dat verband wijzen zij er op dat de crediteuren belang hebben bij een voortvarende afwikkeling van het faillissement, en dat in de rechtspraak herhaaldelijk is aangenomen dat aanzuivering van het tekort door de aansprakelijke, in het licht van de belangen van de faillissementscrediteuren, een spoedeisend belang bij een daartoe strekkende vordering met zich brengt.

Dat crediteuren, naar algemeen bekend mag worden verondersteld, belang hebben bij een voortvarende afwikkeling van het faillissement, is, zo oordeelt de voorzieningenrechter, op zichzelf juist en ook meerdere malen in de rechtspraak aangenomen. Aanzuivering van een tekort door de bestuurders / beleidsbepalers / feitelijk leidinggevenden die daarvoor aansprakelijk zijn te houden brengt gewoonlijk veelal, mede in het licht van de gerechtvaardigde belangen van de crediteuren, een voldoende spoedeisend belang bij een daartoe strekkende voorziening met zich.

Doch gelet op het feit dat de aanwezigheid van een spoedeisend belang gemotiveerd door gedaagden is betwist, en vanwege bijkomende omstandigheden, is het door de curatoren gestelde onvoldoende om in de onderhavige zaak te oordelen dat aan het hiervoor genoemde tweede criterium van onverwijlde spoed is voldaan. Door de curatoren is namelijk niet gesteld dat zij met spoed over het gevorderde geldbedrag dienen te beschikken. Dit is ook niet aannemelijk. Immers, wanneer gedaagden het gevorderde bedrag zouden betalen zal dit in beginsel eerst bij afwikkeling van het faillissement aan de crediteuren ter beschikking worden gesteld. Totdat het faillissement is afgewikkeld, blijft het bedrag op een boedelrekening staan. In de onderhavige zaak betreft het omvangrijke faillissementen van een niet geringe complexiteit. Dat snel tot afwikkeling van de faillissementen kan worden overgegaan, is evenmin gesteld. Kennelijk zal een en ander (logischerwijs) nog behoorlijk wat tijd vergen. Dat specifiek de betaling van het gevorderde bedrag door gedaagden aan de curatoren de afwikkeling van het faillissement zal bespoedigen, is niet aangegeven. Bovendien dienen lopende procedures te worden afgewacht alvorens tot afwikkeling van een faillissement kan worden overgegaan.

Kennelijk hebben de curatoren ter terechtzitting ook ingezien dat het algemene belang van een voortvarende afwikkeling van het faillissement niet toereikend is om in casu een spoedeisend belang aan te nemen. Nadat gedaagden ter zitting immers gemotiveerd hadden aangegeven dat een dergelijk belang ontbreekt, waarna zij aan de curatoren hebben gevraagd aan te geven waarom dit belang in hun ogen toch bestaat, heeft curator Van Bergen aangegeven dat, zoals ook met zoveel woorden aan het eind van de eerste alinea van punt 60 in de inleidende dagvaarding is weergegeven, “men belang heeft bij het zekerstellen van gelden/executeren voordat alles weg is” of woorden van die strekking. Het starten van een kort geding procedure is echter niet bedoeld ter verkrijging van zekerheid. Daarvoor heeft de wetgever, zoals gedaagden ook hebben aangevoerd, een andere weg aangewezen, namelijk het leggen van conservatoir beslag. Hoewel begrijpelijk is dat de curatoren een titel prefereren alvorens tot beslaglegging over te gaan, is dit op zichzelf onvoldoende om tot een spoedeisend belang te concluderen.

Kortom, onduidelijk is waarom onder de gegeven omstandigheden niet van de curatoren kan worden gevergd dat zij een bodemprocedure afwachten. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter nog het navolgende.

Er is sprake van een restitutierisico. Zouden de vorderingen van de curatoren (deels) worden toegewezen, en zou na hoger beroep en/of een bodemprocedure blijken dat gedaagden niets of minder dan het toegewezen bedrag aan curatoren verschuldigd zijn, dan rest hun slechts het indienen van een concurrente vordering. Alsdan ligt het in de rede dat gedaagden, na betaling van de vorderingen van de preferente crediteuren en de boedelkosten, nog slechts een beperkt deel van hun vordering op de boedel terug zullen zien, zo zij überhaupt nog iets ontvangen.

Aan twee vereisten voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is derhalve niet voldaan.

Eerst ter terechtzitting hebben de curatoren nog aangegeven bereid te zijn het door gedaagden te betalen bedrag op een derdengeldrekening te storten en, naar de voorzieningenrechter verder verstaat, voor eventuele terugbetaling aan gedaagden gereed te houden, totdat het faillissement wordt afgewikkeld. Zo op die manier het restitutieriesico al zou worden ondervangen, hetgeen gedaagden gemotiveerd hebben betwist, komt hiermee des te pregnanter naar voren dat een spoedeisend belang om nu over de gelden te moeten beschikken ontbreekt. Dit wordt nog eens extra geïllustreerd aan de hand van het volgende. Het ligt in de rede dat één van partijen, afhankelijk van de vraag in wiens voordeel de beslissing in casu zal uitvallen, van dit vonnis in hoger beroep zal gaan en/of een bodemprocedure zal entameren. Ook deze procedures zullen moeten worden afgewacht alvorens tot afwikkeling van het faillissement kan worden overgegaan. En al die tijd zou het geld op de derdengeldrekening moeten blijven staan.

Op basis van al het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat aannemelijk is dat een bodemprocedure kan worden afgewacht, weshalve de vordering van de curatoren niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Over dit laatste zou wellicht nog anders kunnen worden gedacht als de vordering van de curatoren zó aannemelijk is, dat zij met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel niet het geval. Verwezen zij naar het hiernavolgende.

Tegen hetgeen door de curatoren aan hun vorderingen ten grondslag is gelegd, hebben gedaagden zich uitgebreid en gemotiveerd verweerd.

Zelfs indien, zoals door de curatoren is bepleit en door gedaagden is betwist, er van zou moeten worden uitgegaan dat [Naam gedaagde 2] als feitelijk bestuurder moet worden aangemerkt, en zelfs indien geoordeeld zou moeten worden dat vanwege het feit dat de administratie niet op orde was en/of de jaarrekeningen niet tijdig zijn gepubliceerd, het bewijsvermoeden ten faveure van curatoren omkeert in die zin dat in dat geval het onbehoorlijk bestuur van gedaagden moet worden aangenomen en vermoed wordt dat dit onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement was, oordeelt de voorzieningenrechter dat de door gedaagden aangevoerde argumenten ter ontkrachting van het causaal verband tussen onbehoorlijk bestuur en faillissement – ingevolge HR 20-10-2006, JOR 2006/288 brengt een redelijke uitleg van art. 2:248 lid 2 BW met zich dat voor het ontzenuwen van het daarin neergelegde vermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk (in kort geding zal naar het oordeel van de voorzieningenrechter een nog lichtere maatstaf hebben te gelden) maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest- zodanig zijn onderbouwd dat daarvan thans niet op voorhand gezegd kan worden dat zij niet aannemelijk zijn, en dus ook niet gezegd kan worden dat zij in een bodemprocedure niet succesvol zullen blijken. Gedaagden hebben in dit verband onder andere gemotiveerd gewezen op – kort gezegd – het uitbreken van de varkenspest in 1997, BSE in de periode 1997 tot 2000, het “dioxine-schandaal” in 2000, mond- en klauwzeer in 2001 en het besluit van de overheid om de intensieve veehouderij terug te dringen, waarbij zij hebben aangegeven dat het beëindigen door Albert Heijn van de samenwerking met Benedik op 21 juni 2005 de directe oorzaak was voor de faillissementen. Daarbij is door gedaagden nog onbetwist aangegeven dat de vleessector het hedentendage nog steeds moeilijk heeft.

Om daadwerkelijk te kunnen bepalen wat de belangrijke oorzaken van het faillissement van Benedik zijn geweest, is een nader onderzoek naar feiten en omstandigheden nodig.
Terzake de stelling van de curatoren dat vanwege het feit dat de administratie niet zodanig is ingericht dat de volledigheid en juistheid van de bestuurlijke informatievoorziening is gewaarborgd, het administratieve vertrekpunt ontbreekt om überhaupt te kunnen beoordelen of er wellicht sprake is van externe omstandigheden, zodat gedaagden er niet in kunnen of zullen slagen aan te tonen dat het faillissement in overwegende mate door externe omstandigheden is veroorzaakt, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Duidelijk is dat bij beantwoording van de vraag of andere feiten of omstandigheden dan de mogelijke onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest –de Hoge Raad spreekt in het hiervoor aangehaalde arrest overigens niet van externe oorzaken- het financiële reilen en zeilen van Benedik van belang is. Volgens de curatoren spreken de cijfers boekdelen en staat (op grond daarvan) vast dat de administratie niet op orde was, maar gedaagden hebben dit gemotiveerd betwist waarbij zij nog zijn ingaan op de betekenis van een bij een jaarrekening afgegeven accountantsverkla-ring van oordeelonthouding. In dat verband hebben zij gemotiveerd aangegeven dat een verklaring van oordeelonthouding van een accountant, anders dan de curatoren van oordeel zijn, niet betekent dat er automatisch een schending van de administratieplicht is, waartoe zij hebben verwezen naar een door hen overgelegd rapport van Joanknecht & Van Zelst Accountants. In dit rapport is ook aangegeven: “Zonder nader onderzoek is op basis van de ter beschikking staande gegevens niet vast te stellen dat niet aan de administratieplicht is voldaan”. De voorzieningenrechter heeft, mede gelet op het voorgaande, onvoldoende expertise om te bepalen of de administratie al dan niet op orde was, en is ook niet deskundig (genoeg) voor een diepgaande beoordeling van het overgelegde cijfermateriaal. Om die reden is hij van oordeel dat een nader onderzoek naar feiten en omstandigheden, waaronder de cijfers) noodzakelijk is, bijvoorbeeld door middel van een onafhankelijk deskundigen-rapport. Daarvoor is in een kort geding procedure als de onderhavige geen plaats.

En ten aanzien van de gestelde onrechtmatige selectieve betalingen, stelt de voorzieningenrechter voorop dat in de rechtspraak en literatuur allerminst eenstemmigheid bestaat over dit “leerstuk”. Als uitgangspunt in ons recht heeft te gelden dat het een debiteur in beginsel vrij staat om te bepalen welke crediteur zij voldoet en welke niet. Uitgangspunt is dat betaling van opeisbare schulden rechtmatig is. In zijn algemeenheid wordt aangenomen dat een betaling die niet valt binnen de reikwijdte van artikel 47 Faillissementswet slechts onder bijzondere omstandigheden onrechtmatig kan zijn. In casu is het niet zo dat de ondernemingsactiviteiten ten tijde van de betalingen reeds waren gestaakt. Voorts is onduidelijk of hier wel een rol is weggelegd voor de curatoren, zoals gedaagden betogen. Bovendien is nog het volgende van belang. Volgens de curatoren mag een debiteur niet –kort gezegd- bepaalde crediteuren betalen als hij ten tijde van die betaling weet, althans er ernstig rekening mee moet houden dat, de mogelijkheid bestaat dat de vennootschap niet over voldoende middelen beschikt om al haar schuldeisers te voldoen. Zo dit criterium juist is en (in zijn algemeenheid) gelding heeft, oordeelt de voorzieningenrechter dat thans niet zonder nader onderzoek naar feiten en omstandigheden (waaronder de boekhouding en “toekomstprognoses”) kan worden vastgesteld wat gedaagden ten tijde van de betalingen “wisten” of waar zij “ernstig rekening mee moesten houden”. Dit mede gelet op het feit dat in het rapport van Joanknecht en Van Zelst onder meer is geconcludeerd: “na de investeringen in 2004 en het opstarten van de activiteiten voor AH gaven de resultaten van Benedik in 2005 een positieve ontwikkeling te zien. De eerste tekenen van liquiditeitsproblemen ontstonden in april 2005 (…) Vanaf dat moment, begin mei 2005, moet serieus rekening gehouden worden met een faillissement van Benedik Holding B.V. en haar dochtervennootschappen”.
En dat de onrechtmatige selectieve betalingen dienen te worden gekwalificeerd als onbehoorlijk bestuur ex artikel 2:9 BW, is thans (nog) niet aannemelijk nu thans onder meer (nog) níet vast staat dat aan de betalingen géén opeisbare verplichtingen ten grondslag lagen. Alsdan valt zonder nader onderzoek naar feiten en omstandigheden niet in te zien waarom gedaagden van deze betalingen een ernstig verwijt kan worden gemaakt en zij mitsdien als onbehoorlijk bestuur jegens de vennootschap(pen) zouden zijn te kwalificeren.

Kortom, een zaak als de onderhavige acht de voorzieningenrechter ongeschikt om in kort geding te worden behandeld, waarbij de voorzieningenrechter in aanmerking neemt: het ontbreken van een spoedeisend belang, de veelheid aan – gemotiveerd betwiste- stellingen die nader onderzoek naar feiten en omstandigheden vereisen waarvoor de kort geding procedure zich niet leent, de complexiteit van de zaak en de bij de zaak betrokken zwaarwegende belangen.

3.3 Op grond van al het vorenstaande dient het gevorderde te worden afgewezen, en dienen de curatoren te worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4.  De beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht:

RECHT DOENDE in kort geding:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt de curatoren in de kosten van de procedure aan de zijde van [Naam gedaagde 2] gerezen,


tot aan deze uitspraak begroot op € 251,- aan vast recht en € 816,- voor salaris procureur;

veroordeelt de curatoren in de kosten van de procedure aan de zijde van [Naam gedaagde 1] gerezen,


tot aan deze uitspraak begroot op € 251,- aan vast recht en € 816,- voor salaris procureur;

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.




Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina