Rechtbank ‘s-hertogenbosch sector Kanton, locatie Eindhoven



Dovnload 10.54 Kb.
Datum06.10.2016
Grootte10.54 Kb.
Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH
Sector Kanton, locatie Eindhoven

in de zaak van:

[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster,
gemachtigde: mr. N. de Bie (Juridisch Adviesburo Mr. N. de Bie),

t e g e n :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kemi Kempische Metaalwerken Industrie B.V.,
gevestigd te Riethoven,
verweerster,
gemachtigde: mr. D.A.M. Lagarrigue, advocaat te Eindhoven.

1. De procedure

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank, sector kanton, locatie Eindhoven, op 17 maart 2009, heeft verzoekster verzocht om de arbeidsovereenkomst met verweerster te ontbinden.
Zijdens verweerster is een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 april 2009, bij welke gelegenheid partijen de zaak hebben doen bepleiten door hun gemachtigden voornoemd.
Na gevoerd debat is de beschikking (nader) bepaald op heden.

2. Inleiding

Verzoekster is met ingang van 1 juli 1998 bij verweerster in dienst getreden als productiemedewerkster in de zetafdeling, tegen een brutosalaris van laatstelijk € 1.609,29 per maand, exclusief 8% vakantietoeslag, op basis van 30 uur per week.
Verweerster heeft wegens reorganisatie op 4 maart 2009 voor negen van de 29 medewerkers, onder wie verzoekster, een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV WERKbedrijf.
Bij beschikking van 25 maart 2009 heeft het UWV WERKbedrijf verweerster toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met verzoekster op te zeggen.
Verweerster heeft de arbeidsovereenkomst met verzoekster bij brief van 26 maart 2009 opgezegd per 1 april 2009.

3. De beoordeling van het verzoek

3.1. Primair stelt verweerster zich op het standpunt dat verzoekster, door haar verzoek te richten tegen de besloten vennootschap “Kemi B.V.”, zij een niet bestaande onderneming c.q. een verkeerde rechtspersoon in rechte heeft betrokken en dat verzoekster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek dan wel dat dit dient te worden afgewezen. De rechtspersoon “Kemi B.V.”, bestaat niet. De juiste statutaire naam van de formele werkgeefster van verzoekster is “Kemi Kempische Metaalwerken Industrie B.V.”, aldus verweerster.
Verzoekster heeft daar naar het oordeel van de kantonrechter terecht tegen ingebracht dat uit de stukken en uit het verschijnen ter zitting voldoende duidelijk is om welke werkgever/rechtspersoon het gaat. Het is evident dat Kemi staat voor Kempische Metaalwerken Industrie en verweerster kort haar naam zelf ook af, zie de brief van 5 maart 2009 gericht aan verzoekster. Nu verzoekster voorts voor zoveel nodig haar verzoek heeft aangevuld in die zin dat het is gericht tegen Kemi Kempische Metaalwerken Industrie B.V., is er geen aanleiding om verzoekster om die reden niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel het verzoek af te wijzen.

3.2. Subsidiair is verweerster van mening dat verzoekster niet-ontvankelijk is in haar verzoek, dan wel dat dit dient te worden afgewezen, aangezien er geen arbeidsovereenkomst meer bestaat tussen partijen. Verweerster heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 april 2009. Weliswaar is sprake van een onregelmatige opzegging, waardoor verweerster schadeplichtig is jegens verzoekster, echter er is geen sprake van een vernietigbare opzegging, aangezien het UWV WERKbedrijf op 25 maart 2009 toestemming voor ontslag heeft verleend, terwijl evenmin sprake is van een van de opzegverboden die zijn opgesomd in titel 10 van boek 7 BW, aldus verweerster.


Verzoekster heeft hiertegen als verweer het volgende ingebracht. Primair stelt zij dat de opzegging niet rechtsgeldig is omdat de geldende opzegtermijn niet in acht is genomen; daarnaast geldt dat verzoekster de opzegging bij faxbericht van 31 maart 2009 heeft vernietigd. Subsidiair stelt verzoekster zich op het standpunt dat verweerster door op
26 maart 2009 op te zeggen zonder inachtneming van de geldende opzegtermijn met aanbieding van de gefixeerde schadevergoeding, misbruik maakt van haar opzeggingsbevoegdheid. Volgens verzoekster is de vroegtijdige opzegging er immers uitsluitend op gericht het inmiddels door verzoekster ingediende ontbindingsverzoek te frustreren en aldus verzoekster de mogelijkheid te ontnemen om bij de kantonrechter ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vragen met toekenning van een vergoeding.

3.3. De kantonrechter is ten aanzien van het primaire verweer van verzoekster van oordeel dat, nu verweerster de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd na verkregen toestemming van het UWV Werkbedrijf als bedoeld in artikel 6 BBA, geen sprake is van een vernietigbaar ontslag. Verzoekster heeft in dit verband opgemerkt dat de verleende toestemming is gekoppeld aan een opzegging met inachtneming van de geldende opzegtermijn, echter het feit dat verweerster de opzegtermijn niet in acht heeft genomen, maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat sprake is van een vernietigbaar ontslag. De enige voorwaarde die het UWV WERKbedrijf aan de toestemming kan verbinden is dat de werkgever binnen 26 weken na de bekendmaking van de toestemming geen werknemer in dienst zal nemen voor het verrichten van werkzaamheden van dezelfde aard, dan nadat hij degene voor wie de toestemming tot opzegging van de arbeidsverhouding wordt verleend, in de gelegenheid heeft gesteld zijn vroegere werkzaamheden op de bij de werkgever gebruikelijke voorwaarden te hervatten (artikel 4:5 juncto 2:7 lid 2 van het Ontslagbesluit).

3.4. De kantonrechter overweegt ten aanzien van het subsidiaire verweer van verzoekster als volgt.
Enerzijds geldt, dat de handelwijze van verweerster, zonder redengeving voor het feit dat de opzegtermijn niet in acht is genomen, er alle schijn van heeft dat het verweerster erom te doen is geweest het ontbindingsverzoek van verzoekster te frustreren. Indien zou moeten worden geoordeeld dat dit misbruik van bevoegdheid oplevert, heeft dit mogelijk evenzeer te gelden voor verzoekster; verzoekster dient een ontbindingsverzoek in, nadat verweerster een ontslagprocedure is begonnen bij het UWV WERKbedrijf. Kennelijk is het verzoekster enkel en alleen te doen om het verkrijgen van een vergoeding. Strikt genomen sluit de wet niet uit dat de werknemer een ontbindingsverzoek indient bij de kantonrechter nadat de werkgever een ontslagaanvraag heeft ingediend bij UWV WERKbedrijf. Het is echter zeer de vraag of de ontbindingsprocedure voor dit soort gevallen bedoeld is.
Belangrijker echter is dat de wet zelf reeds voorziet in een sanctie voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn. De partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, is schadeplichtig, waarbij de wederpartij de keus heeft tussen de gefixeerde schadevergoeding of een volledige schadevergoeding (artikel 7:677 lid 2 juncto lid 4 BW). Naast deze mogelijkheid van schadevergoeding bestaat nog de mogelijkheid het ontslag te laten toetsen via een kennelijk onredelijk ontslagprocedure, waarbij de rechter een schadevergoeding kan toekennen (artikel 7: 681 BW). De wet geeft hiermee aan de werknemer twee mogelijkheden om het gegeven ontslag door een rechter te laten toetsen. Naar het oordeel van de kantonrechter moeten de betreffende wettelijke bepalingen worden gezien als lex specialis (bijzondere wet) ten opzichte van het algemene leerstuk van misbruik van bevoegdheid, zoals dat is neergelegd in artikel 3:13 BW wat daarmee als lex generalis is te beschouwen. Nu het Burgerlijk Wetboek een gelaagde structuur kent, betekent dit dat de artikelen 7:677 lid 2 juncto lid 4 BW en 7:681 BW vóórgaan op artikel 3:13 BW. Voor toepassing van laatstgenoemd artikel is in het onderhavige geval derhalve geen plaats.

3.5. Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot de slotsom dat het gegeven ontslag weliswaar onregelmatig maar niettemin geldig is. Dit betekent dat er ten tijde van de mondelinge behandeling van het verzoek geen arbeidsovereenkomst meer bestond. Meer concreet betekent dit dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek.

3.6. Gezien hetgeen hiervoor onder punt 3.4., eerste alinea, is overwogen, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

4. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst;

compenseert de proceskosten in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2009 door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter te Eindhoven, in tegenwoordigheid van de griffier.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina