Rechterlijk Archief Veghel, inv nr. 100, attestaties 1732-1737



Dovnload 82.11 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte82.11 Kb.
Rechterlijk Archief Veghel, inv. nr. 100, attestaties 1732-1737

Samengevat door: Martien van Asseldonk

R100, fol. 55 (9-12-1732)

Voor schepenen in Veghel verschenen Jan van Santvoort, “m(eeste)r smit”, oud 60 jaren, Hendrik Harx, oud ongeveer 59 jaren, Johannis Jan Gerits van der Heyden, oud ongeveer 31 jaren, en Willem Arien Timmers, oud ongeveer 26 jaren, allen “luyden van eere” en inwoners van Veghel, om op verzoek van Nicolaes Jansse, “m(eeste)r rademaker” te Veghel een verklaring af te leggen.

De twee eerste deponenten verklaren dat zij Adriaan, zoon van Nicolaes Jansse, ook m(eeste)r rademaker en inwoner van Veghel, persoonlijk hebben horen vertellen, “dat hy Adriaan nu de deurlaten met eenen effer, en soo hij tweede comparant vermeent ook gehoort te hebben, dat hy daar bij voegde, voor de somme van vijff gulden, van zijn vader requirant in desen hadde gekogt, maar dat egter den voorn(oem)d(e) requirant soo lange hij leefde die mogt en houde gebruijken.

De twee laatste deponenten verklaren dat als zij by den voors(creven) Adriaan Jansse eenige raderen of andere reparatien aan hare karren te maken hadde, alsdoen van de selven casuelijk mede hebben horen seggen en bekennen dat hy eyndelijk de drie deurlaten met eenen effer van zijn vader heeft gekogt gehat, mits dat tselve gereetschap door den voors(creven) requirant gedurende zijn leven mogt werden gebruijkt.”

R100, fol. 20 (28-1-1733)

Schepenen van Veghel verklaren dat Willem Geritt, Matijs Janssen en Maria, weduwe van Jacob Willems “zij woonende onder dese jurisdictie en van een goed eerlijck en nbesproken gedrag, handel en wandel, voor soo veel ons kennelijk is. Ende dat het alle sijn arme ende onvermogene persoonen, die van jare tot jare alhier op de onvermogene lijst gestelt worden, en dienvolgens buijten staat eenige verschotte van zegel oft jura in procedure te connen onderstaan.”

R100, fol. 20 (28-1-1733)

Twee schepenen van Veghel verklaren “dat voor ons persoonlijk verscheenen ende gecompareert sijn Roovert van den Groenendael en ende Jan Ariens Verhoeven, “onse mede schepenen”, en Hendrik van de Wiel, “out schepen en out borgem(eeste)r” te Veghel, om op verzoek van Geritt, Matijs Jans en Maria, weduwe van Jacob Willems, “onvermogene ende mede inwoonders deser plaatse”, een verklaring af te leggen.


Zij verklaren “dat sij door sommige der requiranten in desen waaren aangesogt om over den aenslag gedaan by N. van Hanswijk, pagter off borge van den Grooten Brabantse Lant Tol, wegens drije verckens en eenigen lapkens groff linne laake die de requiranten neffens anderen hadde opgeladen op de kar van den eerste requirant, ten eijnde t selve naar de publique jaarmerckt tot Son te transporteeren, zijnde gweest den vierden november jongstleden, en aldaar ist doenlijk te vercopen tot betalinge haarder slants en dorps lasten te helpen accordeeren.


Dar sij comparanten ten dine voors(creven) haar opden thienden van bovengem(elde) maant novemb(er) hebben begeven binnen de vrijheyt S(int)t Oedenrode, ook in desen quartiere gelegen, ten huijse van N. van Bilsen, daer de aengeslage paart, kar en waare van den dage der aenslaging waren verbleven. Dat de deponenten naar veel kermen, smeeken ende bidden voor dese arme requiranten ende die andere (die offschoon alle presenteerde met dierbaren eede te bevestigen) haar eijgen gewonnen goederen, jaa onverlooft ende onvercogt te weesen, egter niet conde helpen, eijndelijk met voors(creven) M. van Hanswijk sijn geaccordeert, voor eene somme van vijffentagtentig g(u)lden, twaelff st(uy)vers, acht penn(ingen), die ook effective aen hem Hanswijck in specie is voldaen ende betaelt. Ende in welcke somme door den eersten requirant, met name Willem Geerits, wiens paart en kar het was, ende daer op zijn eijgen twee verckens en twee lapkens groff linne laecke, is gegeven twintig g(u)lden.
Item den tweeden requirant wegens twee lappen laken te same lank veertig ellen, betaelt heeft negen gulden seven st(uy)vers acht penn(ingen). De derde requirante voor een vercxken dat daar op geladen was heeft ook ter rantsoen daer innen bet(aelt) negen gulden, seven st(uy)vers, acht penn(ingen).
Dat verders door Aelbert Hendrix Dirck van Baakel, Otto de Lie, Lijsken Hendrix, mitsg(ader)s Hendrik Peters voor Jan Evers zijn swager, alle naburen der requiranten, die ook ider een lapken groff linne laken op die kar hadde gelijt, om vant dragen ontslagen te zijn, ider tot lossinge van die is gefurneert negen g(u)lden, seven st(uy)vers, acht penn(ingen), maaken voor dese vijff persoonen sesenveertig g(ul)den seventien st(uy)vers, acht penn(ingen), dus in tot de voor(creven) geaccordeerde somme van vyffentagentig gulden, twaelff st(uy)vers, scht penn(ingen).” (..)
“Dat zij voors(creven) Hanswijck, naar dat het gelt bij hem was ontfangen, vraagde ende zeijde: “Mijn heer, wat moeten wij doen om onse goederen ten coop te presenteeren, en is men van sijn eigen goet gehouden tol te halen, sulx is nu gehoort.” Dat hij Hanswijck daar op antwoorde: “Al seijde gy met u eijgen beest naar een merckt sonder tol, soo sal ik u evenwel aenslaen.”

R100, fol. 21v (28-1-1733)

Voor schepenen van Veghel verschenen Willem Geerits, Matijssen Janssen en Maria, weduwe van Jacobus Willems, inwoners van Veghel, om een verklaring af te leggen. De eerste comparant verklaart dat hij “op den vierden novemb(er) des voorledene jaars 1732 voornemens was met sijne twee varckens en twee lapkens groff linne laaken, bij hem selffs opgevoedt ende gewonnen, te rijden met zijn karre naer de publiecque jaarmerckt, die int dorp genaamt Son, ook in dese quartieren van Peelant gelegen, dien dag gehouden wiert, om ist doenlic deselve tot betalinge van sijn slants ende dorps lasten te vercoopen. Den tweede ende derde comparante, sulx hoorende, hebben den eersten comparant versogt om voor haar meede wat op zijn kar te leggen, tgene hij deed, als zijne naburen wesende, namentlijck van de tweede comparant twee lapkens groff linne laaken, te samen lank veertig ellen, en tgene hij namaels d’ el vercogt heeft voor seven st(uy)vers, acht penn(ingen). Item van de derde comparante opgeladen een vercxken, als mede ist doenlijck tot betalinge van de lasten te vecoopen, ’t selve alsoo geschiet zijnde is.
Den voors(creven) vierden novemb(er) vroeg van huijs gereden en gecomen zijnde met die voors(creven) goederen ende nog andere lappe groff laaken, ook van zijne naburen, ten eijnde als voor opgeladen (om haar van de last vant dragen te ontheffen), ont(rent) de berge van het dorp Son voors(creven), alwaer bij hem quam seeckeren N. van Hanswijk, pagter oft medestander van den Brabantsche Lant Tol, bij sig hebbende verscheijde andere persoonen, hem vragende: “Waer na toe?” ende geantwoort wierd: “Naa de Sonse merckt.” Dat hij verders vroeg: “Wat hebt gij op u kar?” “Mijn eijge verckens en wat laake, oock een vercken van mijn nabuure ende ook laaken.”
Dat hij Hanswijk hem daer op aensloeg, het paert ende kar en alles wat daer op was, ende door haar selffs opgevoegt, gewonnen ende gefabriceert ende onverlooft ende onvercogt, ende oft alschoon sulx presenteerde met eede te verstercke, ende daer tegens protesteerde, dog alles tevergeefs, ende ’t selve mede naamen naar St. Oedenrode ten huijse van Van Bilse, commis van den Tol, alwaer tselve van den vierden novemb(er) voors(creven) tot den thienden dito is verbleven, sonder eenige ontslaging te wagten, oft medelijden te hebben met haarder comparanten armoede, genootsaackt zijn geweest te accordeeren, ende waer van den eersten comparant heeft bet(aelt) twintig g(u)lden, de twee andere ider nog negen g(u)lden, seven st(uy)vers, acht penn(ingen), behalven tgeene hare andere naburen ook nog betaelt hebben.
Ende want sij comparanten vermeenen soodanige manieren van behandelinge tegens regt ende reeden strydig te wesen ende sig daer over geinfornmeert hebben te rade zijn geworden haare geledene schade ende verlet door wegen van regt te repeteeren.” De comparanten machtigen de heer N. Loeff, procureur voor de Raan van Brabant in Den Haag om namens hen in deze zaak op te treden.

R100, fol. 34 (17-2-1733)

Voor schepenen van Veghel verschenen Jan Martens van Kilsdonck, inwoner te Veghel, oud ongeveer 33 jaren, Jan Arnoldus Maas, wonende te Rosmalen, oud ongeveer 40 jaren, en Adriaan Claessen Raijmakers, wonende te Veghel, oud ongeveer 37 jaren, om op verzoek van de weduwe van Dirck van den Tillaer een verklaring aflegden.
De twee eerste comparanten verklaren “dat zij op den thienden der gepasseerde maant december tegen den avont zijnde ten woonhuijsse van Johan Steenbergen alhier, alwaer mede present was Adriaen soone van de Requirant (de weduwe van Dirck van den Tillaer). Dat tusschen desen Adriaen ende opgemelte Steenbergen woorden van verhuijsinge waaren. Dat sij verders den voors(creven) Steenbergen hebben hooren seggen: “Men behoeft dit niet te verswijgen, ende ik segge u dat gij geen costen van opsegginge behoeft te doen, want ik neem het hier mondeling aen.” Voegende zij daer nog bij dat hij Adriaen daer op antwoorde: “Sie daer is den brieff en sal ik het huijs aenstaande zondag laten veijlen.” Den tweeden comparant vermeent dat hij Steenbergen nog seijde: “Indien geen bedroeff off conkel voe(ser) sij in is.”
Den derden comparant verclaert naer zijn best onthout daegs daer aen wesende ten huyse van Johan van Coesvelt, proc(ureur) alhier, ende inquam de voors(creven) Steenbergen en welcke Steenbergen aldaer dese woorden verhaelde: “Adriaen van den Tillaer, die coomt mij het huijs daer op seggen, ende dat wou hij gerigtelijck doen, maer hij hoeft dat niet, want hij wou er meer voor hebben, ende ik sou het gaerne minder hebben, ende daerom heb ik de opsegging aengenomen.”

R100, fol. 44v (25-2-1733)

Voor schepenen van Veghel verscheen Adriaan van den Tillaart, oud ongeveer 33 jaren en inwoner van Veghel, om op verzoek van Antonij Geelkercken en Joannis Hellincx, ook inwoners van Veghel, een verklaring af te leggen.
Hij verklaart “dat eenigen tijt naar dat het huijs en hoff alhier in de Straat, genaemt den Roscam en gekomen uyt den boedel van Daniel van Kilsdonck door de requiranten was ontslagen, sijnde hij comp(aran)t, zonder nogtans den precisen dag onthouden te hebben, ten huijse van den vorster alhier, alwaar mede present was Antonij Geelkercken, eerste requirant, alsmede Jacobus Doncquers, getrout met de eenigste dogter van voorgen(oemde) Daniel van Kilsdonk, dat den voors(creven) Antonij van Geelkercken zeijde tegens hem Jacobus Docquers: “Ik sal het u voor niet overgeven, en all mijne slagen aen u schencken.” Dar de voorn(oemde) Jacobus Doncquers daer op antwoorde, dese woorden in substantie: “Neen, Antonij, ik pretendeer het huijs gansch niet, want het is mij niet dienstig, gelijck gij selver wel weet.” Allegeerende hij comparant voor redenen van welwetentheyt daer aen, bij en present te zijn geweest, jaa selffs gehoort dat Antoij Geelkerken de presentatie van overlating differente reijse repeteerde, dog telckens bij hem Doncquers geresisteert en beleeffdelic bedanckte voor de presentatie.”

R100, fol. 50 (2-4-1733)

“Interrogatorium omme ter instantie ende requisitie van Elisabet, meerderjarige jonge dogter Willem Hendrik Tijsse, onder solemnele eede te verhooren op de navolgende articulen de personen gen(aem)t Berent Huijsmans ende Anna zijne huijsvrouw, inwoonende alhier ende daar toe gerigtelyk geciteert.
Alvoorens affvragende haar comparanten ouderdom.
Berent Huijsman verclaert in zijn vierentzestigste jaar getreden te sijn; Anna sijne huijsvrouwe swevenentzeventig jaren.
1.

Eerstelijk wert haar afgevraagt of in den jare 1727 voor de maant maart zij requirante met ende benffens Jacobus Donckers meenigmaal aen haer huijsinge tesamen uuren lank en somtijts savonts laat hebben geseten?


De deponenten verclaren den inhout deser art(icu)l waerheijt te wesen.
2.

Dat in presentie van de deponenten veele raatleging tusschen de requirante en opgen(oem)de Donkers, van wien zij swanger ging, wiert gehouden, hoe sulx in te leggen om t selve stil te houden, zijnde hij seer verlegen en tellekens de requirant was aenvallende en versoekende hem dog niet voor vader te noemen, of sig daar voor by een ider bekent te maken of ook het kint naar hem of imant zijnder familie te wille laten noemen?


De deponenten verclare dat als wanneer de requirante ende Jacobus Doncquers aen haar huijs waaren veeltijts hij met haar alleen in een kamer ging en aldaer seecker drucke saake off raatpleginge te samen waaren houdende, dog in specie niet te connen seggen hoe oft waar in bestaande. Verders dat van dese oft geene wel hebben hooren seggen dat de requirante van hem Doncquers swanger ging.
3.

Dat eyndelijk naar verscheyde comparitien de requirante en voors(creven) Donckers door tussen spreken van de deponenten zijn overeen gekoomen dat hij Donckers het kint ’t gene de requirante baren soude in kleagie soude onderhouden, ook haar nog het kint noyt soude verlaten en bovendien haar bij een handschrift geloven te betalen eene somme van hondert g(ul)den te geven als zij begeerde, dog sonder interest?


De comparanten verclaren hier van niets te weten, maar wel van seeker hantbriefke waer van breeder op den volgende art(icu)l.
4.

Dat diergelyke hand obligatie van hondert gulden of schult bekentenis aan den requirante aan de deponente hare huijsinge in de maant februarij 1727 selfs door hem Donckers is geschreven ende ook aan de tweede deponente selfs naar voorlesinge ter hande heeft gestelt met versoek om aan de requirante te behandigen en alles van de saak niets te wille melden?


De twee deponente antwoordende verclaart gesien te hebben dat naar haar best onthout in de maant febr(uarij) 1700 seventwintig, dog den precisen dag niet te connen seggen, hij Jacobus Doncquers aen haer deponente huijs in de kamer sittende heeft sien schrijven seecker handtbrieffje waar bij den selven bekende aen de requirante in dese hondert g(u)lden schuldig te wesen, te betalen als de requirante des was begeerende, dog sonder intrest. Dat ook t selve handtbrieffje oft schultbekentenisse hij Doncquers de deponente voor heeft gelesen, ende daer op ook de deponente ter handt stellende met versoek om t selve brieffke de requirante over te geven.
5.

Of s’anderdaags dit handbriefke of schultbekentenisse door de tweede deponente aen de requirante niet is ter hande gestelt, seggende: “Daer is nu t briefke van Jacobus Donckers”?


De eerst deponent vercklaert dien dag van huijs wesende, maer s’avonts bij ijn aencoomst wiert hem door de eerste deponente zijne huysvr(ou) gesegt: “Nu heeft Jacobus Doncquers het brieffke voor Elisabeth ges(creven) ende leijt in mijn kas.”
6.

Dat de requirante ’t selve briefke haar weder ter hand stelde van voor haar te bewaren?


Op 6 art(icu)l. Den eerste deponent verclaert hier ven niet te weten. De tweede deponente verclaert de inhout van de vijffde ende sesde art(icu)l geheel de waerheyt te zijn.
7.

En of dit briefke niet ontrent twee jaren lank by haar in bewaringe is gebleven, tot dat het selve door den eersten comparant binnen de stat s’ Bosch haar re(uiran)te is ter hand gestelt?


De deponenten bekennen alles alsoo te wesen ende geschiet te zijn, soo als in desen 7 art(icu)l gevraagt is.
8.

Laatselyk wat haar deponente van dese sake en alle behandelinge van dien verders kennelyk sij.


De deponenten verclaren verders van de saak niet te weten.

R100, 52v (23-4-1733)

Schepenen in Veghel verklaren “dat Lambert Dirx Vervoort, toonder deses, zijnde een arme dienstbode ende inwoonder alhier, den welken meer dan ses jaren aan den anderen van den hemel is besogt geweest met menigte sweeren, hebbende nader self krank vermogen alle hulpmiddelen tot sijnder geneesinge te werk gestelt, egter geen de minste effect of verligting bekomen ende wijle geoordeelt wert te weten het sogenaamt hominaseer diensvolgens en op den raat der doctoren omme is t mogelijk herstellinge te krijgen te rade geworden is elders buijtenslantse begeven ten eijnde sig aldaar en door de meedewerking van den Almagtigen Godt tot vorige gezonthydt te geraken synde dan hy requirant voornemens de reijs daar toe aan te nemen maar alvorens van ons requirereerde verclaaringe in forma.
Soo ist en door deese betuijgen dat hij Lambert Dirx Vervoort requirant of thoonder deses is een jongman wel arm niet te min eerlijk en vroom van handel en wandel sonder oijt ter contrarie van imant gehoort te hebben, versoekende derhalven allen een igelijk om officie van justicieeren, regten en geregteren den selven vrije en ongehindert te laten gaan, staan, passeren en repasseren en aan den selven tot bevordering van sijn rijs door een ider des aangeboden werdende de behulpsame hant om pe(..) der aalmoesen toe te rijken.”

R100, fol. 55v (20-5-1733)

Schepenen in Veghel verklaren op verzoek van Peter Hendrix Verputten, nu wonende te Schiedam, en bruidegom met Annetje Dircx, dat de requirant in Veghel uit wettige ouders geboren is, en “sig altijt eerlijck ende vroomelijk heeft gecomporteert,” en de requirant indien nodig uit de Veghelse Armenkas te zullen onderhouden.

R100, fol. 70 (6-8-1733)

Schepenen in Veghel verklaren op veroek van Maria Catarina Moons, nu wonende te Schiedam, dat zij in Veghel is geboren als wettige dochter van Jenneke Jacobs van de Graave, “ende dat deselve neffens hare ouders voor soo veel ons bekent is sig altyt eerlyck ende vroomelijck hebben gedragen en de gecomporteert, sonder oijt ter contrarie gehoort te hebben.” Voor schepenen verscheen Jacobus Moons, chirurgijn, en inwoner van Veghel, vader van de requirante, die verklaart dat zijn dochter van plan is om in Schiedam te trouwen met Nicolaas Stoffels van der Belle, en dat hij daarmee accoord gaat.

R100, fol. 74 (5-9-1733)

Voor schepenen van Veghel verscheen Jan Jacobs, “meestersmit en voornaam paerde m(eeste)r, woonagtig tot Boeckel, Lande van Ravensteijn”, oud ongeveer 62 jaren, om op verzoek van Hendrik van der Pol, wonende te Roosmalen, een verklaring af te leggen. Hij verklaart “dat onttrentses maanden geleden, dog den preciesen dag onbegreepen, hij deponent tot Erp ont(rent) de roomsche kercke aldaer wesende, is aengesproken door Paulus Luijcas Smits, schutter in den voors(creven) dorpe van Erp, hem verhalende dat hij eenige tijt te vooren een paart had gecogt, dog dat hy vreesde dat het paart hat eene overcot off overhoeff, en daeromme hem deponent versogt eens daar na te willen commen sien, dat hij deponent daer op is gegaan aant huijs van geseijde Paulus Luijcas Smits ende aldaer bevonden ook naukeurig gevisiteert seecker roijbruijn meripeert met een witte col voort hooft ende wat wit op de neus, egter niet int minste aent selve peert bespeurt dat eenige gelijckenisse had van overcootig off overhoeffigheijt, nog in tegendeel van spatten oft gallen.”

R100, fol. 75 (17-9-1733)

Schepenen van Veghel verklaren “dat Matijs Dirx, toonder deses, onsen inwoondere, onlangs het ongeluk gehadt heeft zijne woonhuijsinge ende meubilen geheel door den brant te verliesen. Dat uijt de diaconije, nog uijt de arme incoomste alhier aen hem soo veele niet can werden toegereijkt om weder een ander woonhuijske als tot aencoop van meubeltjens in onderhout van hem en vrou ende kinderen dienen, nog eenigsints helpen kan. Soo versogte den selven acte in forma om sig daer mede elders bij goethertige ende medoogende persoonen te begeven, ten eijnde van aelmoesse te erlangen, t welke wij om der waarheijt wille niet hebben connen weygeren, mae mede gedeelt om hem te dienen daer ende soo des behoort. Versoekende derhalven allen eenen igelijken den voors(creven) Matijs Dircx vrij ende onverhindert te laten gaan, staan, passeren ende repasseeren.”

R100, fol. 80v (10-12-1733)

Schepenen in Veghel verklaren “dat Hendrik Geerits”, toonder deser, onsen inwoonder, eenige tijde geleden het ongeluk gehadt heeft zijn woomhuijsje geheel met sijn meubeltjens door den brant te verliesen. Dat uyt de arme casse alhier soo veel mogelijck neffens andere goede ingesetenen is geholpen soo verre dat weder een huijsje heeft becoomen, akwaer hij sig met sijn vrouwe en kinderen geheel arm is generende. Zijnde verders dat zijn vrou eenen geruijmen tyt sieckelijck is geweest ende daar door tot subsistentie van zijne familie vande mede hulp ontset, ende geen uijtweg tot onderhouding van dien siende, dan sig elders te begeven, ten eijnde om eenige aelmoessen van medogende persoonen te versoeken ende te erlangen. Soo versogte den selven Hendrik Geerits hier van acte in forma, ‘t welck wij aan hem niet hebben connen weijgeren, maar mede gedeelt om te dienen daar ende soo t behoort, versoeckende derhalven allen eenen igeijcken de behulpsame hant te bieden ende alomme vrij ende onverhindert te laten gaan. staan, passeeren ende repasseeren.”

R100, fol. 93 (16-2-1734)

Schepenen van Veghel verklaren op verzoek van heer Peterus Godefridus Josselin, “predicant deser plaatse,” dat zijn eerw(aarde) op den derde januarij des jaer 1731 alhier overgecomen is met vier kinder, zijn eerw(aarde) naargelaten bij wijlen juffr(ou) Elisabeth Regoot, zijn wettige huysvrouw overleden, soo ons gebleken is, tot Asten voors(creven) ende aldaar op den 21 September 1729 begraven en dat de selve vier kinderen met name Charlotta, Hester Elisabeth, Pietronella Francoise ende Eduard alle nog in leven sijnde.”

R100, fol. 94 (13-2-1734)

Voor schepenen van Veghel verscheen Jacobus Doncquers, inwoner van Veghel, “den welcke verclaert te appelleeren ende te provoceeren, soo als hij is doende mits desen, van alsulcke decretatie, permissie ende authorisatie, omme hem, door den geregtsbode van Veghel in gijselinge te mogen citeeren op de voorpoorte binnen de hooftstadt S’ Bossche, ende in cas van egeene persooneele comparitie te apprehendeeren bij heeren officier en schepenen in Veghel op de achtsten februarij seventien hondert vierendertig verleent.”

R100, fol. 108v (20-5-1734)

Schepenen in Veghel verklaren “dat soodanige speck ende geruijckt vlees als toonder deses, Antonij Kivits, inwoonder alhier des weecks is transporteerende nart S’ Bosch ende vervolgens naer Hollant doet vervoeren, dat het selven sijn waaren die alhier bij onse ingesetenen ende in andere naburige plaatse der Meijerije gevallen en gewonnen worden, ende alhier op de weeckmarckt als andersints werde ingecogt, ende hem overgegeven worde.”

R100, fol. 123 (16-10-1734)



Voor schepenen in Veghel verscheen Jan Ariens Verhoeven, “gewesene borgem(eeste)r ende collecteur der gemeene middelen, oock ont(rent) vijfftien jaren schepen, en altans actueel regeerend schepen, ende inwoonder alhier, den welcke ter instantie vant officie op den eet aen de lande gedaan, heeft getuygt, verclaert ende gedeponeert, waar ende waeragtig te weesen, dat hij deponent op gisteren morgen even na neegen uren sijnre roomse godtsdienst gehadt hebbende is gecoomen ten huyse van Bastiaen vande Werck, voster en herbergier alhier, alwaer immediaet ook inquam seekeren Peter Peters opt d’Erp, mede inwoonder alhier, hem deponent aenspreekende seijde: “Marten meende dat hij na sijn eijgen neus taste, maar hij taste na de mijne.” Dat hij deponent antwoorde: “het was beter dat gij daer van sweegt.” Hij deponent siende eenig quaataardigheijt in desen Peter Peters, vertrock daar op aenstonts uyt de huyse van den voster, om naar sijn woonhuijs te keeren, en wesende op de herbaane voor de huijsinge van Ariaentje, weduwe Jan Jorisse hij deponent omsiende, sag aencomen den selven Peter Peters.
Dat hij deponent zijnen weg vervolgde tot aen de huijsinge van Jan Geerits van de Ven die juijst aen sijn deur stont, hem deponent aenspraeck. Dat in die samenspraak den selven Peter Peters haar passeerde ende voor hem sag ingaan in de huijsinge off herberge van Antonij Leijtens. Hij deponent ook aldaar voorbij gaande ende sijnen weg vervolgde ende coomende in seeker straat oft heerbaane genaemt de Valstraat, voor de acker van de we(duw)e Laurens Baltusse, hij deponent iets hoorende, omsag ende wel digt agter hem was den selven Peter Peters, waer over sig ontstelde en niet sonder reeden, want desen Peter Peters hem deponent brutaal aansprak ende seijde: “Saa, springt daar int waarer, want gij moet versoopen sijn, en soo gij daar niet in en springt, sal ik u daar in smeijten.” Hij deponent daar op als verbaast antwoorde: “Laat mij met vreeden, want gij sult daar niet wel mede sijn.”
Hij Peter Peters niet eens maar verscheyde maalen zeijde: “Gij moet verdronken sijn ende naar u selvender all meer volgen,” denoteerende daer mede de andere schepenen. Dat hij Peter Peters daar op hem deponent aenvatte, om met gewelt in een diepen graegt oft sloot aldaer wesende in te stooten, ende oft schoon hij comp(aran)t sijnde een out man van 66 jaaren ende daar bij swaar gebreecken, sulcx affweerde soo veel mogelijk was, hij Peter Peters all met sijn voeten ende handen van alle canten hem depon(en)t stootende, naar alle scheijn om sijn boos voornemen te volbrengen. Wijders hij deponent seijde: “Hout op, oft ik sal hulp roepen,” de voors(creven) Peter Peters al voortvaarende zeijde: “Eer gij hulp kont roepen, sult gij all verdroncken sijn.” Dat hij deponent op schreeude en kermde, hulp riep, ende op die wijse van desen boodwigt is ontcoomen, niet te min nog pijnelijck van all het stooten ende slaan.
Ende comp(areer)t alhier mede Bastiaen van de Werk, vorster alhier, ende Helena, sijne huysvr(ou), verclaren dat op gisteren morgen tijde als voor den deponent aen haar huys is gecomen, ende even daar naar Peter Peters. Dar naer eenige weijnige woorden den voors(creven) Jan Ariens is vertrocken, die immediaet daer op door den voors(creven) Peter Peters is gevolgt.”

R100, fol. 130 (22-11-1734)

Voor schepenen van veghel verscheen Dirck Jans, ongeveer 40 jaren oud, “zijnde een persoon van eere en inwoonder alhier aende Santsteegt”, die op verzoek ven juffrouw Maria Anna Coolen, weduwe van Geerit van der Renne (Stratum) een verklaring aflegt.
Hij verklaart “dat op dijnsdag wesende vastenavont in den jare seventien hondert tweeëndertig door de juffrouw requirante aan hem comp(aran)t is besteet een jong kint in cost en drank, ende voorts te reijnigen ende te onderhouden na behooren, ende dat de comparant voor het eerste jaar daar voor soude genieten tagtentig gulden, voor het tweede jaar en soo vervolgens jaarlix tsestig gulden, soo lang het selve kint bij hem doude verblyven. Dat hy deponent het aanbesteet kint heeft weesen affhalen ten huyse van de overledene heere Willem van Rijsinge tot Eijndhoven ter presentie van de juffr(ouw) requirante op den thienden april des selven jare seventhien hondert tweendertig. Ende is het meergemelte kint door hem comp(aran)t op den vyfftienden april voors(creven) gebragt tot Uden, landen van Ravensteijn, ende aldaer door de prior int clooster der Cruijsbroeren gedoopt met den naam van Hendricus.
Zijnde verders gebeurt dat seekere Juffr(ouw) Elisabeth van Rijsinge, huysvr(ouw) van de h(ee)r Geerd van der Renne, aen syns deponents huys is gecomen op den eenentwintigsten dag april deses loopende jaar seventien hondert vierendertig, en versogt dat hij deponent het selve kint naar Eijndhoven soude brengen, gelijk hij ook op dato voors(creven) aldaar heeft besorgt ende aff gegeven ten huyse van meergemelte h(ee)r Willem van Rijsinge.
Dat hij deponent van voors(creven) eenentwintigsten april tot den tweeden maij daar aen volgende is verbleeven met het selve kint ten huyse van opgem(elte) h(ee)r Willem van Rijsinge, den selven Willen inmiddels overleden wesende. Even na sijn begraaving het selve kint door de bovengenoemde juffr(ouw) Elisabeth van Rijsinge, huysvr(ouw) van de h(ee)r Gerard van der Renne, wederom aen hem deponent voor den ouden geloofte costgelt jaarlijx à tsestig gulden besteet, en daer op hetselve kint weder naer sijn woonhuys genoomen, en tot nog toe verbleven.”

R100, fol. 153v (5-2-1735)

Schepenen van Veghel verklaren “dat Gerart, sone Dielis Geerit Dielis, altans molenaar op de watermolen tot Wolffswinckel, ook in desen quartiere gelegen, alhier binnen desen dorpe van Veghel in wettigen houwelijck is verwekt uyt den lijve van Margrieta Roeloffs. Dat den selven Geerart soone Dielis Gerart Dielissen is getrout met Hendrina Peter Marcx ende daar bij onder andere kindere verweckt eene dogtere met name Anna Maria, ons alle bekent.”

R100, fol. 154 (17-2-1735)

Schepenen van Veghel verklaren “dat toonder deses Jan Willem Panhuysen onsen inwoonder onlangs het ongeluk heeft gehadt zijn peert en hoornbeest aff te sterven, waar door ontset is van voetsel, en het broot voor sijne swaare familie te connen wonnen, bestaande in een vader van 80 jaren, een stieffmoeder van ontr(ent) hondert jaren, zijn vrou met de vallende siekte onderworpen, ende daar bij drije kinder en het vierde alle dag te wagten.
Dat de arme casse alhier soo veel als sij leijden kan haar wel is bij springende, maar egter in verrre na niet kan strecken tot haar onderhout, oft aancoop van een melckbeest oft peert, ende alsoo in de uijtterste elende gebragt wesende, geen uytweg weetende om sijne voorn(oemde) familie te connen onderhouden, als door de mede hulpe van bermhertige ende mededoogende persoonen om aelmoessen aen te spreeken, ende om Goidt wille van deselve eenige toereijckinge te erlangen, soo ist dat den requirant sig aen ons addresserende om verclaringe.
Diensvolgens hebben wij schepenen regenten van Veghel dese aan hem niet connen weijgeren, maer om der waerhyt wille mede gedeelt om te dienen daer ende soo des behoort. Verclarende derhalve aan eene igelijcken den selven jan Willem Panhuijsen vry en onverhindert te laten gaan, staan, passeeren ende repasseren ende tegelijk te recommanderen in de gunst van goedhertige persoonen.”

R100, fol. 181 (3-5-1735)

Voor schepenen van Veghel verscheen Antonij van Geelkercken, “coopman in speck ende vlees ende inwoonder alhier,” die op verzoek van Antonij Kivits, “ook coopman ende inwoonder binnen desen dorpe” een verklaring aflegt. Hij verklaart dat Kivits op 1 mei 1735 “heeft vercogt de quantiteyt van vierendertig hammen, die hij comparant selffs soo op de merckt die weekelijx alhier wert gehouden, als mede van sommige inwoonders en nageburen had ingecogt. Dat hij ook dese hammen op den tweeden dito in den morgenstont aen den requirant heeft gelevert.
Ook verscheen voor schepenen Jan Daniels van de Creeckelshoff, “regeerend schepen deser plaatse”, die verklaart dat “hij de voors(creven) hamme en vlees heeft sien inpacken in twee manden en allent selve helpen oplaaden op de kar van de requirant, ende ook dien selven dag sien vervoeren ende brengen binnen de stadt S’ Bosch ende aldaar int schip van N. van der Watting, vaarende naar Den Haage, sien afflaaden en inscheepen.
Wijders verclaren wij schepenen op den eet aan den Landen gedaan, dat zij nooijt hebben hooren seggen oft oijt geweeten dat den requirant eenig speck, hammen oft vlees is coopende dan op de weeckmerckt, oft van de ingesetenen ende in de onmliggende plaatse van de Meijerije.”

R100, fol. 185v (22-7-1735)

Schepenen van Veghel verklaren dat “Ger(ardus) de Jong, erffsecretaris deeses dorp, ons ende onse ingesetenen volcoomen genoegen geeft int bedienen van des selffs s(ecreta)rij, en ook in alle voorvallende saaken en swarigheijt met raat en daat soo veel mogelijk te helpe comen. Dat den selve G. de Jong ook bij den Ed(ele) Mo(gende) en Souveraijnen Raade en Leenhove van Brabant al voor lang is geadmitteert notaris en om die qualiteyt allen eenen igelyke vroeg en laat met ’t passeeren van testamenten en andere actens comt te bedienen, insgelijx tot volle genoege der ingesetenen, sonder oijt off immermeer daar over als mede van zyn leeven en gedrag enige clagten gehoort te hebben.
Wijders verclaaren wij scheepenen dat alnog in onse naaste aangelege plaatsen als Schijndel, Dinter en Breugel, sijn woonende geadmitteerde notarissen, en alsoo wij onderrigt zijn dat Johannis van Coesvelt niet alleen voor deese geregte, maar meede in omliggende dorpen als procureur is practiserende, sig sou prepareren en voornemens sij hem tot notaris te laten creëren, ‘t geene de ondergen(oemde) vermeene niet alleen dat sulx strekken soude tot nadeele van den requirant ende der selver s(ecreta)rije, maar ook tot veele verwarringe en oneenigheijt onder de ingesetenen, boven en behalve dit alles niet gairne soude sien dat den selven Coesvelt (die doorgaans preuve geeft van een moijlijk en quaataardigh humeur) daar mede begunstigt wiert.”

R100, fol. 190v (11-10-1735)

Voor schepenen in Veghel verschenen Lambertus van den Boogaart, “out borgem(eeste)r, schepen en inwoonder alhier”, en Aart Distelblom, “ook woonagtig binnen dese plaatse, out 29 jaren, wesende beijde persoonen van eere en van goeden naam ende faam”, om op verzoek van Antonij van der Heijden, wonende te Uden, “ord(inai)r voerman van daar op de stadt S’ Bosch”, een verklaring af te leggen.
Zij verklaren dat zij “op donderdag den 18 der gepasseerde maant aug(ustus) ontr(ent) vier uure naarmiddagh staande voor de deure van Jan Weijergancx, herbergier te Berlicum, zijnde daar mede present den requirant in desen, als mede seeckeere Antonij Wouters, ook inwoonder tot Uden ende anderen. Dat den requirant uijt een pure genegentheijt den selven Antonij Wouters aensprack, seggende: “Comt met u vrou op mijn kar, want het schijnt oft gij wat beschonken bent.” Den requirant sijn handt daar op aen voors(creven) Antonij Wouters aenbiedende, en ook met sijn lincker arm vattende en hem tot aen de kar geleijdende, ende nogmaals vriendelijk versoekende van op te climmen, maar in plaatse van sulx te doen, oft int minste eenige woorde van questie gehoort te hebben, gebeurt is dat den geseijde Antonij Wouters den requirant met sijn hoofft greep ende met de haare vattende, in de gront neder ruckte en swaere vuijste slaagen, soo op ’t aengesigt als aen ’t hoofd van den requirant toebragt.
Zijnde door den eerste comparant ende andere persoonen opgemelte Antonij Wouters, welcke boven op den requirant lag, affgestrocken. Dat off schoon dese persoonen nu van den anderen waare immediaet gesien dat den selven Antonij Wouters met sijn bloot mesch in de hant daer weder den requirant, die ook een mesch had, attaqueerde, dog den requirant al defendeerende terug retireerde tot aen den boomen staande voort kerckhoff aldaer. Dat daer op quam toegeschooten den genoemde Jan Weijerhancx met een houweel in de handt, waer mede hij den genoemde Antonij Wouters terug keerde. Ende is alsoo op dese wijse den requirant vant gevaer alwaer hij in was gereddet en verlost.”

R100, fol. 207 (7-12-1735)

De schepenen van Veghel verklaren op verzoek van heer en meester Hendrik de Kempenaar, rentmeester der geestelijke goederen van het kwartier Peelland, dat op authorisatie van rentmeester De Kempenaar deurwaarder Geerit de Raaff op 20 augustus ende 11 december 1735 de schepenen om advies gevraagd heeft.
“Dog hebben niet konnen ontdecken wie dese rente soude raaken, dog de meeste regenten hebben wel gekent eenen Tijs Jan Tijssen in zijn leven gewoond hebbende alhier opt Zontvelt. Item eenen Tijs Jan Tijssen Deenen, gewoond hebbende op Ham. Item eenen Tijs Jan Tijssen van den Hurck, gewoond hebbende opt Ven alhier. Item eenen Tijs Jan Tijssen alhier aan de Heij en woont altans tot Uden. Dog int generaal en wat moijte aengewent hebbende, nooyt den naam van de kinderen Jan Mighiel Zeberts hebben connen ontdecken, oft bij imand bekent te zijn geweest, veel min der selver goederen, vrienden, erffgenamen oft represanten. En verders dat de voer bovengemelde persoonen die mede Tijs Jan Tijssen genaemd zijn, haeres weetens noijt eenige goederen beseeten hebben, oft tegenwoordig besitten, welcke gecomen souden weesen van de kinderen Jan Michiel Zeberts.”

R100, fol. 210 (19-12-1735)

Schepenen van veghel verklaren dat “Jan soone Hendrik van der Putten, altans woonagtig tot Schiedam, alhier van eerlijcke en wettige ouders is gebooren, en voor soo veel ons bekent is, dat den requirant gedurende zijne inwooninge alhier sig altyt als een eerlyk jongeman heeft gedragen ende gecomporteert sonder oijt ter contrarie gehoort te hebben. Wijders dat off opgemelte Jan Hendrikx van der Putten aldaar oft elders quam te trouwen ende sijne kinderen in wettugen houwelijck verweckt ende tot armoede quame te vervallen, de helft van de selve kinderen alhier na vermogen van de incoomste der arme kasse deser plaatse sullen onderhouden, ende alsoo de arme casse van Schiedam oft andere daar van voor de helfte, in gevolge haar Hoog Mo(gende) res(oluti)e van den derde december 1725, te ontlasten.”

R100, fol. 232 (28-3-1736)

Schepenen van Veghel verklaren “ons heden dato onderges(creven) te hebben begeven aen de huijsinge van Jan Tonij Hoppenaers, staende alhier ontr(ent) de Santsteegt, ende aldaar in seecker gragt oft sloot met de voeten int water vinden leggen het doot lighaam van Joannis, soone van voors(creven) Jan Tonij Hoppenaers, out, soo men seijde, even seven jaren. Ende in onse presentie ’t selve lighaam ter instantie en requisitie van den Hoog Ed(el) Wel Gebooren Heer Grave van Regteren, Vrijheer van Gramsbergen, Hoog ende Laagschout der Stadt ende Meijerije van S’ Bosch, gedaan visiteeren door m(eeste)r Theodorus Vos, chirurgijn alhier, dog geene de minste wonde, quetsure oft blauwe placken aent selve lighaam bevonden, dan wel dat het selve was opgeswollen vant water, waar door de levende geesten sijn vervloogen, ende alsoo notoir door het water de dood is gevolgt, ende daer inne verdroncken.”

R100, fol. 233 (31-3-1736)

Schepenen van Veghel verklaren “ons heden dato onderges(creven) te hebben begeven aen de woonhuijsinge van Peter Claassen van Valderen, staende alhier aent Heselaar, ende aldaar in seecker gragt oft sloot met de voeten int water vinden leggen het doot lighaamke van Hendrick, soontje van voors(creven) Peter Claessen, out, soo men seijde, ‘zedert den achtsten feb(ruarij) in sijn vierde jaar. Ende in onse presentie ’t selve lighaamle ter instantie en requisitie van den Hoog Ed(el) Wel Gebooren Heer Grave van Regteren, Vrijheer van Gramsbergen, Hoog ende Laagschout der Stadt ende Meijerije van S’ Bosch, gedaan visiteeren door m(eeste)r Theodorus Vos, chirurgijn alhier, edog [geene] de minste wonde, quetsure oft blauwe placken aent selve lighaam bevonden, dan wel dat het selve was opgeswollen vant water, waar door de levende geesten sijn vervlogen, ende alsoo notoir door het water de dood is gevolgt, ende daer inne verdroncken.”

R100, fol. 236v (31-5-1736)

Schepenen van Veghel verklaren dat Lambert Willem Jan Dircx Page “alhier van wettige ouders is gebooren en ook woont meeste binnen desen dorpe, bij desselffs ouders, waar van de vader nog leeft, is opgevolgt. Verclarende verders dat gemelte requirant nog is een vrij jongman, onverbonden, immers onses wetens niet, oft ook noijt ter contrarie gehoort. Ende alsoo den selven hier van requireerde dese onse certificatie, soo hebben wij deselve niet connen weijgeren.”

R100, fol. 237 (2-6-1736)

“Alsoo Jo(ncke)r Martinus van Gerwen de Meeling ontr(ent) de maant december 1724 uyt Tessel naar Oostindien is affgevaren voor de camere van Amsterdam met het schip, soo men meent, genaamt Amsterdam, ende dat den selven aldaer overleden soude weesen, soo verclaren wij onderges(creven) schepenen, regenten van Veghel, quartiere van Peelandt, meijerije van S’ Bosch, op den eet int aenvangen onser bedieninge gedaen, dat opgemelte Martinus is gebooren uyt een wettig voltrocken houwelyck van den Wel Ed(el) geb(oren) Jo(nc)k(e)r Lambert van Gerwen de Meling ende Pietronella Hendrix van Leeuwen, egte luyden, op den 10 july 1707 voor den geregte alhier getrout, soo als heden bij het trouw register ons is gebleeken, zijnde voors(creven) Pitronella Hendrix van Leeuwen, toondersse deses, desselffs moeder, nog binnen dese plaatse woonagtig, egter tot een geheel nedrige ende behoeftige staat vervallen.
Sijnde wyders gecompareert Johanne ende Cornelis, mondige kinderen uyt den voors(creven) bedde verweckt, ende alsoo broeder ende suster van den overledene, haer mede vervangende, fort en sterck makende ook de rator caveerende voor haere nog absente broeders ende zuster, de welke verclaren onwederroepelijck te constitueren ende magtig te maken, sulx doende bij desen, haare voorn(oemde) moeder Pitronella Hendrix van Leeuwen, omme mede van harent weegen te begeven ter camere van Amsterdam, oft andere camere waar voor affgevaren mogt wesen, ende aldaar soodanige leening die haren voors(creven) overledene broeder Martinus alnog te goede mogt hebben, voor haar ende desselffs absente broeders ende suster aandeel te ontfangen.”

R100, fol. 250 (27-8-1736)

Schepenen van Veghel verklaren “dat juffrou Geertruijda wettige dochtere van de heer Matijs Nieckens en Maria van Boxmeer, alhier binnen dese plaatse is gebooren. Dat den voornoemde Matijs Nieckens, haar vader, is geweest secretaris binnen desen dorpe den tijt van twaalff jaar. Wijders dat voors(creven) juffr(ouwe) Geertruyda, requirante in desen, sig altyt eerlyck ende vromelijck heeft gedragen, ende gecomporteert sonder onses weetens oijt ter contrarie gehoort te hebben. Ende dewijle deselve voornemens is haer elders metter woon te begeven, soo hebben wij schepenen regenten dese onse waare ende opregte verclaringe niet connen weijgeren, maar mede gedeelt.”

R100, fol. 253 (29-9-1736)

Voor schepenen in Veghel verschenen Geerit Tonis Verhaigen, wonende te Schijndel, oud ongeveer 28 jaren, en Geerit Roeloff van de Leemputten, inwoner en herbergier te Veghel, oud ongeveer 30 jaren, “luyden van eere”, om op verzoek van de kwartierschout een verklaring af te leggen.
Ze verklaren “dat op gisteren den 28 deser des naarmiddag ontr(ent) vijff uren aant huijs van den tweeden deponent te samen waaren, alwaer mede present was Tonis Gijsberts van den Boogaert, inwoonder tot Schijndel, ende seeckeere Jan Tonis, woonende alhier aent Eert. Dat desen Jan Tonis aan gemelte Van den Boogart verweet dat hij sijn hop tot Gemert soo goede coop had gegeven, ende dat hij de merckt bedorff, en meer andere verwijtinge en inpertinentie. Dat voors(creven) Van den Boogart den selven tragte met beleeffde woorden tegen te gaan, egter niet connende helpen, want de voorn(oemde) Jan Tonis sijn bloot mesch uijttreckende ende attaqueerde daar mede den geseijde Van den Boogaert. Dat zij deponenten d’ eene met eene stoel en den andere hem vattende het onheijl ’t geende daar uyt te wagten was hebben voorgecomen.”

R100, fol. 259 (18-12-1736)

Voor schepenen in Veghel verschenen Mtijs Gijsbert Smits, “meester rademaker, out ontrent 44 jaren”, en Corstiaan Meeussen, “out ontrent 36 jaren, beyde luyden van eeren en inwoonderen alhier”, om op verzoek van de kinderen van WIllem Hendrik Jan Martens, verwekt bij Willemke Adriaen Boermans, een verklaring af te leggen.
Ze verklaren “als eerstelijk den eersten comparant. Dat hij nu ontr(ent) ses à seven jaren geleden van opgemelte Willemke Adriaen Boermans, die alsdoen wedue was en nu hertrouwt met Melis Seger Donquers, heeft affgecogt drije eijcke boomen, staande op ende voor de huijsinge en goederen opt Ven alhier gelegen, de requiranten in eijgendom competerende, en bij Willemke haer voorn(oemde) moeder in togte besittende. Dat hij voor die drije boomen aen de selve Willemke heeft betaelt ontr(ent) de somme van neegen gulden.
Den tweeden comp(aran)t verclaert dat bovengemelte Melis Seger Doncquers staande desen houwelijck voor den selven togt huyse opt Ven, ontr(ent) de twee jaren geleden heeft omgedaen eenen schoonen eijcken boom. Dat hij daer van wel yets aen gemelte togt huyse heeft verrepareert, dog de rest, zijnde geweest een eijndt van den selven omgedane boom met nog twee à driije plaeten tot raamhout mede daer aff gevallen heeft eweg gehaalt en verbrogt.”

R100, fol. 267 (23-1-1737)

Voor schepenen in veghel verscheen Cornelis Hendrix van der Heijden, wonende te Veghel, oud ongeveer 24 jaren, die op verzoek van de kinderen van Willem Hendrik Jan Martens, verwekt bij Willemke Adriaan Boermans, die nu hertrouwd is met Melis Seger Donckers, een verklaring aflegt.
Hij verklaart dat hij “in off ontrent de maant aug(ustus) des voorledene jare 1736, sonder den preciesen dag onthouden te hebben, heeft vercogt aan Melis Seger Donckers voornoemt, de togte van seeckere camere metten den hoff daar aan gestaan ende gelegen alhier aent Heselaer, teijnde de huijsinge van Cornelis Willem, hem comparant uijt hoofde van Sijken Seger Doncquers, zijne overledene huysvrouw competerende, ende dat omme ende voor de somme van veertig gulden.
Dat hij comparant dese togtregt voor sijn leven gedurende van geseyde camer en hoff niet aen den voorn(oemde) Melis Seger Doncquers als cooper, maar op zijn versoek aan Agnees sijne dogtere op den tienden aug(ustus) 1700 sesendertig ter s(ecreta)rije alhier heeft opgedragen. Egter de volle cooppenn(ingen) soo in gelt als waare van de voors(creven) Melis Seger Doncquers ontfangen, en door hem alleen voldaen, betaelt ende verreekent te sijn.”

R100, fol. 267v (6-2-1737)

Schepenen in Veghel verklaren op verzoek van de kinderen van Willem Hendrik Jan Martens, verwekt bij Willemke Adriaan Boermans, “day wij de voornoemde Willemke Adriaan Boermans, nu hertrouwt met Melis Seger Doncquers, heeden dato onderges(creven) hebben hooren seggen ende opentlyk betuijgen, dat Melis Segers, haaren voorn(oemde) man, buijten haar consent ende selffs tegens haaren wil en dank heeft gedaan omhouwen seekeren schoonen eijkeboom staande binnen int velt opt Ven op de goederen die bij haar in togt worden beseten, als mede seekeren boom staande ter syde jaer huijs aant Beukelaar.
Wyders beyuygde sy dat haaren voorn(oemde) man haare voorkinder, verwekt bij voors(creven) Willem Hendrik Jan Martens, ten eenemaal verstoot, ende uijt den huyse jaagt, en syne voorkinder in allen voorstaat tot haar overgroete droefheyt, en daaromme wel mag leijden dat myne togtgoederen door het misbruyken van ’t omhouwe der boomen wort ontset en aan den requiranten coomen.”

R100, fol. 268 (9-2-1737)

Schepenen van Veghel verklaren “dat Johanna Geerit Stooven, jonge dogtere, altans woonagtig op Delfshave, binnen dese plaatse is gebooren van eerlyke en wettige ouders. Dat zij haar ook, voor soo veel ons bekent is, altijd eerlyk en vroomelyk heeft gedragen en gecomporteert, en by ons niet anders te weeten dan is nog een vry en ongehuwt persoon, sonder oijt ter contrarie gehoort te hebbe. Ende dewyle de voors(creven) Johanna Geerit Stooven, requirante, in desen voornemens soude syn haar in den houwelijken staat te begeven met seekere Myndert van der Hoogt, woonende op Delffshave, soo is alhier mede gecomp(areer)t Geerit Stooven, vader van de requirante, en verclaart int voors(creven) houwelyk te consenteeren.”

R100, fol. 268v (11-2-1737)

Voor schepenen van Veghel verschenen Jan Geerits van Weetering, Jan en Hendrik Hendrikx van der Heijden, “luijden van eere”, wonende “aant Eerde, ende nabuuren van Hendrik Rutten van Hintelt, getrout met Elisabeth Jan Aarts Verhagen,” om op verzek van genoemde Hendrik Rutten een verklaring af te leggen.
Zij verklaren “dat sekere Aalbert Aarts Verhaagen, oom van den requirants huijsvrouwe, nu den tyd van ontrent agt jaaren gewoont hebbende ten huyse van voors(creven) requirant, dat sy daar dagelykx als nabuuren hebben verkeert en by die occasie gesien en in alles ondervonden dat den voornoemde Aalbert Aarts Verhaigen syne sinne gans onmagtig, en niet anders als een kind, soo in praaten als in ommegang kan worden aangemerkt, ende diens volgens, soo als een yder bekent is, niet in staat is syne goederen te regeeren off administreeren, ja, sodanig dat wanneer sy comparanten soude willen bedrieglyk handelen, alle zyne goederen, boomen of andersints bijna om niet soude connen afkoopen.
Gevende hij eerste deponent voor redenen van welwetentheyt, dat hy gesien heeft dat den voorn(oemde) Aalbert nemende een hant vol stroy, stokende dat aant vuur aan en gaande brandende naar ’t bet. Vragende hij deponent wat hij daar meede wilde doen. Antwoorde: “Aansteken.” Ook nog dat hy agter de koije was in den stal, plukkende en raekende het mest daer agter met syn handen om sonder riek te gebruijcken, en meer andere kinderlyke historie.
Den tweede deponent verclaart gesient te hebben dat voornoemden Aalbert in de kerk onder ’t midden van de godsdienst syn selfven wilde ontkleeden en syn kousen woude uyttrecken. ’t geene belet wiert.
Den derden deponent betuijgt ook gesien te hebben dat hy een pijp toeback in de kerk woude aansteeken, en nu onlangs nog gesprooken, waar of schoon dagelyks met hem verkeerde, den selven Aalbert hem deponent vraagde: “Wie bent gij,” en meer onnmoemelyke voorvallen en onnoselheyt die de deponenten niet alle connen noemen en genoegsaam bij alde waarelt bekent dat sinneloos is, alsoo nootsakelyk onder curateel dient gestelt.”

R100, fol. 269v (21-2-1737)

Schepenen van Veghel verklaren “dat joncker Hendricus, requirant, een wettig soone van joncker Lambert van Gerwen de Meeling en juffr(ou) Pietronella van Leeuwen, en alhier binnen dese plaatse gebooren, wiens grootvader en grootmoeder waaren joncker Lambert van Gerwen de Meeling en freule Catarina Walraaven d’ Erp, affcomstig van de heere van Erp en Veghel. Zijnde de voornoemde freule Catarina, des requirants grootmoeder, geweest de eijge tante van mevrouwe de gravinne van Berlo, welcken heere graave van Berlo, in leven is geweest brigadier ten dienste van haar Hoog Mog(ende), de Heeren Staaten Generaal deser Verenigde Nederlanden. Dat opgem(elte) joncker, requirant, en voorsaaten voor soo veel ons bekent os, sig altyt vroomelyk, eerlyck ende in alle deugt hebben gedraagen ende gecomporteert, sonder oijt ter contrarie gehoort te hebben. Ende dewijle den selven voornemens is elders sijn fortuijn te gaan soecken, soo hebben wij schepenen dese onse waare ende opregte verclaringe zijn Ed(ele) niet connen weijegren, maar mede gedeelt.”

R100, fol. 270 (22-2-1737)



Schepenen van Veghel verklaren “ons op heden dato onderges(creven) des voormiddag den agt uure te hebben begeven aan de woonhuijsinge van Hendrik van de Laarschot, staande binnen desen dorpe genaemt aen de Leest, en aldaer tegenover voors(creven) huijsinge in seecker gragt oft sloot met de voeten int waater vinden leggen het dood lighaemke van Annemij, dogtere Hendrick van de Laarschot voors(creven), out, soo men seijde, ruijm vier jaaren.” Op bevel van de Hoogschout werd het lighaam gevisteerd “door Theodorus Vos, m(eeste)r chirurgijn alhier, edog geene de minste wonde, quetsure oft blauwe placken aent selve bevonden, dan alleen dat het selve was opgeswollen vant water, waar door de levende geesten syn vervloogen, en alsoo notoir door het water de dood is gevolgt ende daer inne verdroncken.”



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina