Rechterlijk Archief Veghel, inv nr. 101, attestaties 1737-1742



Dovnload 258.48 Kb.
Pagina1/7
Datum19.08.2016
Grootte258.48 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7
Rechterlijk Archief Veghel, inv. nr. 101, attestaties 1737-1742

Samengevat door: Martien van Asseldonk

R101, fol. 5v (16-3-1737)

Voor schepenen in Veghel verschenen Adriaan van den Tillaar, “geswoore”, Jacobus van Orten, “schutter”, en Jan Eijmberts “bedelvoogt”, allen inwoners van Veghel, die op verzoek van Marten Kilsdonck, “president ende waarnemende het officie binnen dese plaatse” een verklaring afleggen.


Zij verklaren “dat zij comparanten op den vyffden deser loopende maant des voormiddag ont(rent) negen uren zijn gecommandeert ten eijnde twee mans en vrouwspersoonen die door Aalbert van Riet, bedienende het vorsterampt tot Erp, over gedane overlast en bedreijgde brantstigting vervolgt wierde. Dat zij comparanten alle wel voorsien met snaphaanen en ander geweer, vergeselschapt met den selven Van Riet en eenen Bastiaan van de Werck, vorster alhier, dog den laasten te weeten Van de Werck sonder snaphaan off geweer, alleen in sijn hant hebbende een lang dun stockje. Dat zijn zijn gecomen aant huijs van Jan Janssen den Jongen, herbergier alhier, en aldaar de twee mans en vrouwspersoonen gevangen genomen. Dat zij van voors(creven) Van de Werck geen hulp hebben gehadt, maar wel gesien, dat jenever dronck, en dat van agteren met een ander persoon, die alsdoen daar was, te praaten stont, en hem was houdende even off hem die saak niet aanging.
Dat sij van daar met de gevangene zijn vertrocken naar de Straat om die secuur ondert raathuys te plaatsen. Den voors(creven) Van de Werk bleeff nog daar. Dat zij ook all een goet eijndt van daar gemarcheert waaren, en alsdoen van verre quam vervolgt en ook landtsaem agter haar bleeff tot aan de Straat, alwaer voorseyde Van de Werck haar heeft verlaaten, en een ander weg (apparent om niet door de Straat te gaan) is ingeslagen naar sijn huijs en in lange daar na niet gesien. De gevangene door haar deponenten onder t raathuys sittende, bewaart wierde, hij vorster Van de Werk soo nu en dan ter zyden ‘t raathuys, dog al sonder geweer wandelde.
Den tyt tot het verbrengen van de gevangene gecomen wesende, heeft den requirant in presentie van haar deponenten den voors(creven) Bastiaan van de Werk aangesprooken, seggende: “Van de Werck, uijt den naam vant officie commandeert ik u, dat gij de gevangene gaat boien en binden, want het is tyt dat zy vertrecken.” Dat zij den vorster Bastiaen van de Werk daar op hebben hooren antwoorde: “Ik salt niet doen”, off: “Ik wilt niet doen.” Dan selve requirant wederom repliceerde, en sijnen hoet affnemende, sijde: “Daar protesteer ik over.”
Wijders verclaart den tweeden deponent dat hij immediaet daer na, op speciael ordre van den requirant heeft begeeven bij den voors(creven) Van de Werck en hem nogmaels van wegens het officie aengesegt dat hy de gevangene soude binden ende boien, dog al wederom geweijgert met dese woorden: “Ik salt niet doen.” Den selven tweeden deponent voort weer sijde: “Dan sullen de gevangenen op uwen costen hier blijven.” Daar op antwoorde hy vorster: “Patiensie”, en gaande hij vorster van t raathuys naar sijn woonhuijs. Den requirant heeft alsdoen andere gewilligt die de gevangene hebben gebonden. Ende op de kar gebragt wesende is bij tweede deponent wederom uyt ordre van den requirant gegaan aent huys van den vorster Van de Werck, hem aangesegt dat hij de gevangene mede naar de stadt S’Bosch soude helpen overbrengen, hij vorster daar op antwoorde: “Dan sal ik mij gereet maken.”
Zij drij deponenten met ende beneffens Aalbert van Riet ende eenen Paulus Luijcas met de gevangene vertreckende, hebben den voors(creven) Van de Werk niet eerder vernoomen dan voor aen in Dinter te paart sittende, en immediaet weder vooruyt gereden, haer opwagtende aen den herberge by N. Steenbergen aen de kercke tot Dinter, ende is vervolgens de weg over weijnig bij haer geweest. Voegende hij eerste comparant daer nog bij dat hij Catarina, dogtere van Bastiaen van de Werck, oipentlijck onder te volle volck aent raathuys staande, heeft hooren seggen: “Mijn vader behoeft geen gevangene te binden.””

R101, fol. 7 (19-4-1737)

“Wij Marten Kilsdonck ende Jan Ariens Verhoeven, schepenen in Veghel, quartiere van Peelant, meijerije van S’ Bosch, verclaren ons op heden onderges(creven) des namiddag ont(rent) drije uuren te hebben begeven aan de woonhuijsinge van Jan Hendrix van den Oever, staande binnen deser dorpe genaemt opt Zytart, en aldaer ter seijde voorseyde huysinge in een gragt off sloot met de voeten int water vinden leggen het dood lighaamke van Adriaen soone van Jan Hendricx van den Oever voors(creven), out (soo men seyde) bij de vier jaren. Welcke lighaamke in onse presentie ter instantie van den Hoog Ed(el) Welgebooren Heere Graave van Regteren, Vrijheer van Gramsbergen, Hoog en Laagschouut der Stadt en Meijerije van S’ Bosch, is gedaan visiteeren door Theodoris de Vos, m(eeste)r chirurgijn alhier, edog geene de minste wonde, quetsure off blauwe placken aant selve bevonden, dan alleen dat het was opgeswollen vant water, waar door de levende geesten zijn vervloogen, en alsoo notoir door het water de doodt is gevolgt.”

R101, fol. 8 (2-5-1737)

“Wij Hendrick van de Wiel en Gerard van der Landen, schepenen in Veghel, mitsg(ader)s Gerardus de Jong, secretaris, verclaren ons heden morgen tussen vyff en ses uuren opt versoeck van Marten Kilsdonck, president deser plaatse, te hebben begeven aen de woonhuijsinge van den geseyde president, staande alhier aan de Leest, ende aldaar oculairlyck gesien ende bevonden dat de glasen boven sijn deur naast de gemeene straat met force waaren ingeslaagen. De stucken van dien de ceucken door tot aen sijn slaapbedt versprijt, de eijsere glasspeijlen heel crom, en het middelhout van de raam onder vant gebint aff, en soodanig gedemolieert datter maar seven ruijten instonden die nog geheel waaren.”

R101, fol. 8v (26-6-1737)



“Wij Marten van Kilsdonck, president, en gecommitteerde vant officie, Jan Ariens Verhoeven, ende Jan Aarts Doncquers, schepenen in Veghel, quartiere van Peelandt, meijerije van S’ Bosch, op heden dato onderges(creven) neffens onsen s(ecreta)ris ont(rent) elff uuren voormiddag begeven hebbende in de wooncamere van Jan Antonij Smits staande aan de huijsinge in de Straat daar Adriaen Claessen Rademakers in is woonende, genaemt het Fortuijn, ende aldaar het hooft bewond en op het bed vinden leggen Johanna van den Tillaar, huijsvrouwe Jan Smiys voorn(oem)t, die gequetst was. Dat wij regenten door m(eeste)r Theodorus Vos, chirurgijn alhier, dit verbant hebben sien doen, en bevonden dat aan de lincker zijde van haer hooft, beginnende vant midden van de oor, benedenwaarts langs het kinneback swaar gequetst was. Even gelijck een sneede met een mesch ter lengte van circa vier vinger breet. Den president no(min)e officij haar affvragende door wie, op wat wijse, en wanneer deselve quetsure heeft becoomen. Waar op de voorgemelte Johanna van den Tillaar heeft geantwoort ende alsoo ter instantie vant officie verclaart getuijgt en gedeponeert als volgt.
Dat op gisteren voormiddag Annamaria, huijsvrouw Adriaan Claassen Rademakers, die in haer vertreck was, hoorde uijtspreeken meenigvuldige lasterlijcke woorde, soo van hare deponente, desselffs man, als van hare respective ouders, niettemin stillekens in de camer bleef om rusie te schouwen. Dat niettemin deselve Annamaria is gecomen op gisteren namiddag ont(rent) vyff uren in de werckcamer van der deponente broeder Joachiem, die met de slaapcame van de deponente uijt een en deselve deur naar de straat uijtgaat, alwaar zij wederom (in presentie van Adriaen Claessen Rademakers, desselffs man, die op straat was) de deponente en man ende ouders alle affronteuse woorden uijtberste en verwijtinge deede. Hoe zeer zij deponente haer tragte met beleefde worden te stilleren, al even brutael en met uijt eijssinge voor de deur voort ging, tot soo verre dat de deponente sulx niet langer connende verdraagen, nam een dun houtje, sloeg daer mede na haer en tragte alsoo met assistentie van Joachim van den Tillaar, haaren broeder, de voordeur uijt te creijgen. Dog deselve Anna Maria met force de deur wederstaande, nam van de winckel het wieldraijers beijl van haren deponente broeder, en worp daar mede met cragt naar haar deponente, ende waar door met de scherpte van t selve beijl dese quetsure heeft becoomen, zijnde het voors(creven) beijl, ’t geene voor aant scherpste nog bebloit was, ons vertoont.
Wijders verclaart deselve dat Adriaen Claassen Raijmakers mede voor de deur is geweest en verscheijde malen Joachim, desselffs broeder, heeft uijtgedaagt om maar voor de deur te coomen. Ende compareert alhier mede Jochiem van de Tillaar, broeder van de eerste deponente, m(eeste)r wieldraijer, out ont(rent) 21 jaren, heeft ter instantie als voor getuijgt, verclaart en geattesteert, aller soo en in dien voegen als zijne voors(creven) suster hier voorens heeft gedaan, en diensvolgens cortshalve daer aen confirmeerende, met bijvoeging speciael dat Adriaen Claessen Rademakers hem deponent tot verschyde reysen heeft voor de deur geëyst en uytgedaagt.”

R101, fol. 10 (6-7-1737)

“Compareert voor schepenen in Veghel ondergen(oemt) Maria van Drunen, out ontr(ent) veertien jaaren, Hendriena van Wetten, out 30 jaren, en m(eeste)r Theodorus Vosch, en alle inwoonderen alhier, gerigtelyk geciteert omme getuygenis der waarheyt te geven. Hebben ter instantie vant Hoog officie der Stad en Mijerye van S’ Bosch verclaart, getuijgt en gedeponeert waar en waaragtig te weesen,
voor eerst de eerste in ordine comp(aran)te, dat op den vyfentwintigsten junij jongsleden des namiddag ont(rent) vyff uren, wesende in de wooncamere van Johanna van de Tillaar, staande alhier aan de Straat, dat int voorige vertrek ’t geene op de straat uijtcomt en bewoont werd bij Jochiem van de Tillaart, syn ingecomen Adriaan Clase Rademakers met Anna Maria syne huysvrouw. Den selven Andriaan met een heevig opset en vloekagtige woorden tegens Jochiem van den Tillaar uytspraak, veele verwijtinge dede, en verscheyde maalen den voors(creven) Jochiem voor de deur eijste en uytdaagde. Dat den selve Jochiem daar op seyde: “Hebt gij mij hier iets te seggen, dat cont gij doen, maer ik ga met uw niet voor de deur.”
Dat daar op Annamaria, huijsvr(ouw) Adriaan Clasen in tooren ontstak en meenigte lasterlyke woorde tegens Johanna van den Tillaar die daar present was, als mede van desselfs man, en ten laste van haare vader zalig(er) uyt berste, deselve Johanna antwoorde: “Ik heb met uw niet te doen, gaat ter maar uyt, of ik salder u uijt slaan,” vattende een dun houtje en sloeg daar mede naar haar, om alsoo met assistentie van den selven Joachiem haren broeder haar de deur uijt te doen gaan, dog deselve met force de deur tegenstaande, vattende de voors(creven) Annamarie een bijl en worp daar mede naar voors(creven) Johanna, t geene haar ook trefte en daar mede swaar aant hooft queste.
De tweede deponente verclaart ten selve tyde op de straat voor de deur van opgem(elde) Jochiem van den Tillaar staande, gehoort te hebben dat Adriaan Claasen Rademakers den selve Jochiem te verscheyde reyse voor de deur eijste en uytdaagde en tegelyk gehoort dat Anna Maria voorn(oemde) Johanna van den Tillaar voor al wat leelyk was uijtmaakte. Verders dat Adriaan Claasen Rademakers haar deponente van voor de deur eweg stiet (apparent om syn quaat voornemen te volbrengen). Dat sy deponente daar op vertrok, egter immediaat hoorde dat Johanna van den Tillaar gequest was.
Den derde deponent verclaart op den voors(creven) vyfentwintigsten juny ont(rent) 5 uuren namiddag als chirurgijn te syn ontbooden aan den wooncamer van opgem(elte) Johanna van den Tillaart, en aldaar bevonden dat de selve Johanna aan den slinkersyde van haar hooft, beginnende int midden vant oor langs het kinnebak ter lenkte van circa vier vingeren breet gequets was, en haar hoorde seggen dat sy dese quetsuur door Anna Maria huijsbrouw Adriaan Clasen Rademakers met het werpen van een bijl aanstonts had becomen.”

R101, fol. 11v (24-7-1737)

“Wij Marten Kilsdonk, Marten van Doren, Jan Aart Donckers, en Gerard van der Landen, schepenen in Veghel, quartiere van Peeland, Meijerije van S’ Bosch, verclare ende certificeere voor de opregte waarheijt dat Cornelis van der Haigen, in leven president schepen en inwoonder alhier, binnen dese plaatse verscheyde kinder heeft nagelaten, en waar van (naar onse wetenschap) geen andere (off nacomelinge van dien) meer in leven sijn, dan zijne dogtere Maria, die getrout is geweest met Thomas Ritting, requirante in desen.”

R101, fol. 12 (1-8-1737)

“Wy Jan Aart Doncquers en Geraerd van der Landen, schepenen in Veghel, quartiere van Peelant, Myerye van S’ Bosch, hebben ons heede dato ondergesch(reven) neffens Daniel van Kilsdonk en Goort Aart Goorts, slagsters en inwoonderen binnen dese plaatse, begeven ten huyse van Jacob Myers, mede coopslagter en inwoonder alhier, in welk woonhuys van voors(creven) Myers wy hebben vinden hangen seeker hoornbeest die hy syde op gisteren namiddag ont(rent) 5 uuren te hebben geslagt, zynde dese hoornbeest nog niet ten eenemaal van haar vel, tgeene swart was, als alleen eenig wit onder den buyk en by de memme of anders de uijer gen(aem)t, onbloot. Synde verders door de twee voorn(oemde) slagters ter requisitie van voors(creven) Jacob Myers dese hoornbeest naukeurig gevisiteert en bevonden dat de selve was op haar jaare, daar by van binnen met meenigte pocken soo ook de milt, de loos, als mede het net en ingewant en diesvolgens geheel onreijn, geen coopmans goet en onbequaam om voor voetsel van menschen te connen of mogen werden gebruykt.”

R101, fol. 12v (15-8-1737)

“Compareert voor schepenen in Veghel dese get(ekent) Marten Kilsdonk, president, Marten van Doorn, Jan Ariens Verhoeven, schepenen deser plaatse, dewelke ter requisitie van Gerardus de Jong, s(ecreta)ris deses dorps, op den eet int aanvaarden haarder bedieninge gedaan, hebben verclaart, getuygt en gedeponeert waar ende waaragtig te weesen,
dat sy op den twaelfden deser loopende maant augusto seventien hondert seven en dertig, zijnde den geprefigeerde daage tot het publieq aanbestede van eenige reparatien aan den schoolhuyse int Eerde alhier, des namiddag in de capelle aldaar sijn verschenen en gehoort dat de h(ee)r Gijsbertus Gualtheri erfs(ecreta)ris van St. Oedenroode, aan seekeren Antony van Ginkel, ende daar present synde, de penne gelaste te voeren, en onder dictame van voors(creven) Gualtheri eenige articule van de conditie en besteeding formeerde. Dit gedaan synde ordoneerde den selve Gualtheri aan voors(creven) Van Ginkel de conditie en besteedinge den volke voor te lesen, gelyk hy dede, en alsoo met de besteedinge voort vaarende ende dus in alles het ampt als s(ecreta)ris geëxerceert.”

R101, fol. 13v (3-9-1737)

“Wy Jan Adriaans Verhoeven en Jan Aart Doncquers, schepenen in Veghel, quartier van Peelandt, Meijerije van S’ Bosch, verclaren ende certificeere voor de opregte waarheyt, ende sulx op den eet int aanvangen haarder bedieninge gedaan, dat Arnoldus Jacob Jans Harckmans, jongman en timmermans knegt alhier binnen dese plaatse, is gebooren van vroome, wettige en eerlijcke ouders, en dat hij sig soo veel ons bekent is, altyt als een braaff en eerlijck jongman heeft gedragen ende gecomposteert, sonder oijt ter contrarie gehoort te hebben. Dat hij requirant voornemens is te begeven na andere landen, ’t zij om met sijn hantwerck off andersints zijn fortuijn en cost winnen te soecken, en ten dien eijnde was requirerende dese verclaringe.”

R101, fol. 17 (3-10-1737)

“Wij schepenen in Veghel, quartiere van Peelandt, Meijerije van S’ Hertigenbossche dese geteekent, verclare en certificeere mits desen op den eet int aanvangen onser bediening gedaan, ende sulx terr equisitie van Hendrik van de Kerkhoff, gewesene collecteur der verpondinge over de vrijheijt Sr. Oedenrode, dat binnen de voors(creven) vrijheijt St. Oedenrode ontrent de groote kerck aldaar, is gelegen seecker parceel lants, staande altans op den ligger der verponding alhier ten name van de twee kinder Jan Goorts in de Haag, welck parceel van immemoriale tijde aff altyt soo de verpondinge, beede en andere reële lasten binnen dese dorpe is betaalt geworden en alnog jaarlyx de reële lasten door onse collecteurs en gaarbeurders daer van wert ontfangen en ingevordert, sonder dat oit hares weetens eenig tegenspraak dien aengaande is geschiet.”

R101, fol. 18 (3-10-1737)

“Compareert voor schepenen in Veghel ondergenoemt Hendrik Rutten vant Hintelt ende Jan Aart Donckers, luijden van eere, van competenten ouderdom, ende inwoondere alhier, de welke ter requisitie van Hendrik van de Kerkhoff, gewesene collecteur der verponding over de vrijheyt St. oedenrode, hebben verclaert, getuijgt ende gedeponeert waar ende waerachtig te weesen.
Voor eerst die eerste in ordine comparant, dat hy binnen desen dorpe van Veghel ter plaatse genaamt de Langbunders heeft leggen een parceel hoijlants, schietende van dese gemeene gebroekte tot aen de riviere d’ Aa, welck parceel, alhoewel binnen desen dorpe is gelegen, egter alle zijne reële lasten, soo verponding als beede, onder de vrijheyt St. Oedenrode altyt heeft betaelt, ende alnog van jare tot jare is betalende, sijnde het selve op den ligger der verponding alhier niet bekent.
Den tweeden deponent, als rentm(eeste)r van de erffgenamen joncker Broeckhoven, verclaart dat dese erffgena(men) zyn competeerende seecker parceel hoijlants, gelegen alhier agtert Dorshout genaemt in de Gelijke Beemde, uytschietende op de riviere d’Aa, in welck parceel ook zyne reële lasten binnen de vrijheijt St. Oedenrode is betalende en alhier op den ligger ook niet is bekent. Gevende zij comapranten voor redenen van welwetenthijt dat zij lange jaren herwaarts aen den respective collecteurs en borgem(eeste)rs tot St. Oedenrode alle reële verponding ende borgem(eeste)rs lasten ider van sijn voors(creven) parceel aldaer hebben betaelt ende alnog van jare tot jare zijn betalen.”

R101, fol. 18v (17-11-1737)

“Compareert voor schepenen in Veghel ondergenoemt Peter van Os, inwoonder alhier, te kennen gevende dat hij is geïnformeert dat op de sestienden october jongstleden Peter soone Jan van de Velden, synde een jongeling out ontrent veertien jaeren, woonagtig alhier tot Veghell, quartier van Peelant, meyerye van S’ Bosch, in geselsschap spelende is geweest met Antonij soone Antonij Kivits, out ont(rent) negen jaaren, en des comp(aran)ts soone Gysbert, out ont(rent) twaalf jaaren.
Dat die kinderen all spelende waeren affgesproken om mussen te gaan schieten. Gemelten Peter soone Jan van de Velden daar toe een pistool hadde gehaalt, t welk die drij jongelingen schoon gemaakt hebbende, en daar mede sullende uytgaan, gemelten Peter soone Jan van de Velden dat pistool onder sijn arm hebbende, met de tromp agterwaerts. Dat daar agter volgende voorn(oemde) Gysbert van Osch, welke het selve pistool van agteren met den loop uijt den arm willende trekken, het ongeluk gewilt heeft, dat daar door den haan vant pistool losgesprongen en affgeschoten sijnde, de lading getroffen heeft int hooft van meergemelte Gijsbert van Osch syns comp(aran)ts soon, soodanig dat die daar van aanstonts is koomen te overlyden. Dat by naeerdere informatie den comp(aran)t volkomen gerust is dat dit ongelukkig voorvall mitsdien is geschied buijten eenig toedoen van den voorn(oemde) Peter soone Jan van de Velden.
Dat hij comp(aran)t daar benevens geïnformeert was, als off onaangesien dit een suijver ongeluk is, meergemelte Peter van de Velden daar over eenige moyelykheden off procedure te dugten sou hebben, en daar van bij, off wegens den selven pardon off absolutie sou moeten werden vesogt, waar toe mogelijk nodig sou geoordeelt worden, een acte van versoeninge. Waaromme, soo verclaarden hij comp(aran)t in qual(itey)t als vader van den overledene Gijsbert van Osch bij desen aan ende ten behoeve van meegem(el)te Peter soone Jan van de Velden, te geve en verleenen complete acte van versoeninge, versoekende tot dien alle heeren, hoogen heeren en justicieren, en wien sulx eenigsints soude mogen competeren, dese acte daar voor te erkennen en den voorn(oemde) Peter soone van de Velden een volkomen absolutie en pardon te verleenen.”

R101, fol. 20 (12-12-1737)

“Wij Marten van Kilsdonck, president ende gecommiteerde vant officie, Jan Adriaens Verhoeven, en Marten van Doorn, schepenen in Veghel, quartiere van Peelant, meijerije van S’ Bosch, mitsg(ader)s Gerardus de Jong, s(ecreta)ris, verclare ende certificeere op den eet int aanvangen onser bedieninge gedaan, ende sulx ter instantie van Peter soone Jan van de Velden, dat seeckeren persoon, alhier woonagtig, genoemt in de wandeling Peter van Osch, omdat hij tot Osch is gebooren, maar dat sijnen regten naam is Peter Klinck, zijnde de vader van Gijsbert, die met den requirant en Antonij soone Antonij Kivits (alle drye kinderen) speelende, waaren overeen gecoomen om mussen te gaan schieten op den 16 october jongstleden, op een ongeluckige wijse het leven heeft verlooren.”

R101, fol. 24v (18-1-1739)

“Compareert voor schepenen in Veghel ondegenoemt Peter Klink, in de wandeling gen(oem)t Peter van Osch, inwoonder alhier, kennen gevende dat hij is geïnformeert dat op den sestienden october jongsleden Peter soone Jan van de Velden, synde een jongeling out ontrent veertien jaeren, woonagtig alhier tot Veghell, quartier van Peelant, meyerye van S’ Bosch, in geselsschap speelende is geweest met Antonij soone Antonij Kivits, out ontrent negen jaaren, en des comp(arant)s soone Gysbert, out ont(rent) twaalf jaeren.
Dat die kinderen all spelende waeren affgesproken om mussen te gaen schieten. Gemelten Peter soone Jan van de Velden daer toe een pistool hadde gehaalt, t welk die drye jongelingen schoongemaekt hebbende, en daar mede sullende uytgaen, gemelten Peter soone Jan van de Velden datt pistool onder sijn arm hebbende, met de tromp agterwaerts. Dat daar agter volghde voorn(oemd)e Gysbert Klink, welke het selve pistool van agteren met den loop uijt den arm willende trekken, het ongeluk gewilt heeft, dat daar door den haan vant pistool losgesprongen en affgeschoten synde, de lading getroffen heeft int hooft van meergemelte Gijsbert Klink syns comp(aran)ts soon, soodanig dat die daar van aanstonts is koomen te overlyden. Dat by naeerdere informatie den comp(aran)t volkomen gerust is dat dit ongelukkig voorvall mitsdien is geschiet buijten eenig toedoen van den voorn(oemde) Peter soone Jan van de Velden.
Dat hij comp(aran)t daar benevens geïnformeert was, als off onaangesien dit een suijver ongeluk is, meergemelte Peter van de Velden daar over eenige moijelykheden off proceduure te dugten sou hebben, en daer van bij, off wegens den selven pardon off absolutie sou moeten werden vesogt, waar toe mogelijk nodig sou geoordeelt worden, een acte van versoeninge. Waaromme, soo verclaerden hij comp(aran)t in qual(itey)t als vader van den overledene Gijsbert Peter Klink bij desen aan ende ten behoeve van meegemelte Peter soone Jan van de Velden, te geven en verlene complete acte van versoeninge, versoekende tot dien alle heeren, hoogen heeren en justicieren, en wien sulx eenigsints soude mogen competeren, dese acte daar voor te erkennen en den voorn(oemde) Peter soone van de Velden een volkomen absolutie en pardon te verleenen.”

R101, fol. 25 (30-1-1738)

“Compareert voor schepenen in Veghel dese getekent Jan Daendels en Lambert van den Boogaert, geweesene schepenen deses dorps van Veghel, dewelke ter instantie van Johan van Coesvelt onder solemneele eede aen handen van een der schepenen mits absentie van den gecommitteerde des h(ee)re officier afgelegt, hebben getuygt, verclaert ende gedeponeert waer ende waeragtig te wesen, dat Bastiaen van de Werk, geregsboode alhier, is doende en houdende een publique herberge, en ook wel bewust te sijn dat binnen dese plaetse is staende een formeel raadhuijs, waer op schepenen van Veghel dikwils vergaderen, tot verrigtinge en afdoeninge van soo judicieele als extrajudicieele saken. Gevende de comparanten voor redenen van welwetentheijt, als dar diverse maelen ten huijse van meergenoemde Bastiaen van de Werk hebben gedronken en haer gelt verteert gehad, en dikwils op voors(creven) raadhuijs als in functie waeren neffens de verdere schepenen gecompareert.”



  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina