Rechterlijk Archief Veghel, inv nr. 102, attestaties 1742-1749



Dovnload 130.53 Kb.
Pagina2/4
Datum20.08.2016
Grootte130.53 Kb.
1   2   3   4

R102, fol. 115 (27-9-1745)



Voor schepenen van Veghel verschenen Petrus de Jong, oud ongeveer 24 jaren, “mede pagter van de wiltbane over desen dorpe van Veghel en inwoonder alhier”, Peter van de Velde, oud 22 jaren, Jan van de Werk, oud 27 jaren, Lambert van der Landen, oud 30 jaren, Adriaen Donkers, out 68 jaren, Antonij van Geelkerken, oud 61 jaren, Adriaen Adriaen Boudewwijns, oud 74 jaren, Dirk Mateeusen, oud 57 jaren, Lambert Leenders, oud 57 jaren, Rombout Leenders Smits, oud 65 jaren, en Jan Leenders Peters, oud 71 jaren, “allen lieden van eere”, en inwoners van Veghel, om op verzoek van “den Wel Ed(el)e Gest(reng)e Heer P. W. de Schmeling, Raedt en Rentm(eeste)r Generael der Domeynen van Brabandt int quartier van S’ Bosch” een verklaring af te leggen.
De eerste deponent (Petrus de Jong) verklaart “dat hij van ter seyde had gehoort dat verscheyde personen, en voornamentlijk de soonen van seekeren Jasper Jan Claessen, woonende opt Jexschot, de wiltbane in seeker gehugt oft hertgang gehoorende onder desen dorpe van Veghel, genaemt Sontvelt grensende aent Jexschot voors(creven) wiert gevioleert en geheel weggestroopt. En om soo veel mogelijk te beletten heeft den 2e, 3e en 4e deponenten (Peter van de Velden, Jan van de Werk en Lambert van der Landen) versogt om op den eenentwintigsten deeser lopende maandt september 1700 vyffenveertig, wesende op eenen roomschen heyligen dag, en wanneer ordinair soodanige stroperijen werden gepleegt, eens met hem te gaen, soo en gelijk ook is geschiet.
En verclaeren de vier eerste in ordine deponenten dat sij op den voors(creven) eenentwintigsten september ontrent den middag sijn gecomen in den gehugte Zontvelt voorn(oemt), opt lant genaemt Beele Streep, toebehorende de h(ee)r Adriaan Geijsels, alwaer sij jaegende hebben aengetroffen de naegenoemde persoonen, voorsien ieder met een snaphaen, en bij sig hebbende twee à drye corte honden, te weten eenen Johannis Jasper Jan Claessen, woonende int Jexschot, Joseph van den Dungen, en nog soo sij hebben verstaen eenen N., soone van Nelis der Kinderen, byde woonende tot St. Oedenrode.
Dat hij eerste deponent haer vraegde wie haer soo stout kende om hier te jagen, en bij Johannis Jasper Jan Claessen geantwoort: “Den rentm(eeste)r vant Jexschot, van wien ik autorisatie thuys heb leggen.” Waer op hij eerste deponent weder repliceerde en seijde: “Ik becalangiere u alle dat hij hier jaegt,” en welke gedaene calangie de 2e, 3e en 4e deponenten en de woordewisselinge hier voor geroert, confirmeren en oipentlijk gehoort te hebben, en mede dat sij de drije gecalangierde persoonen aldaer jaegende hebben gevonden.
Den vijffde deponent (Adriaen Donkers) verclaert van sijn jonge jaeren, en dus over de 50 jaeren successivelijk de jagt alhier tot Veghel te hebben gefrequenteert en selfs meenigte jaeren de jagt mede in pagt ter hebben gehadt, dog altijt en onverhinderlijk opt Zontvelt aen dese seijde seekeren loop alwaer Veghel en Jexshot scheydt, en ter plaetse alwaer de drye voorgenoemde persoonen syn gecalangiert de jagt te hebben geëxerceert, sonder door de voorige rentm(eeste)r vant Jexschot, off van iemant anders daar inne te syn gestoort geworden, off ook noijt ggehoort te hebben, dat de jagt aldaer aen iemant soude competeren dan aen de domeijnen van Brabant. Met byvoeginge dat voor ont(rent) 30 jaeren seekeren Hendrik Philipse, woonende op een der hoeven van Jexscshot, en oppasser van de jagt aldaer, hem deponent verscheyde maelen heeft gewaerschout, sig wel te wagten van niet te comen jaegen over den loop op Jeschot, want dat hij hem dan soude calangiere, gelyk hy deponent dig ook daer voor wagte.
Den sesde deponent (Antonij van Geelkerken) verclaert dat over de veertig jaeren herwaerts een liefhebber van de jagt is geweest, en ook meenigte jaeren de jagt over desen dorpe mede in pagting heeft gehadt, maer altijt en successivelijk en sonder interruptie in den gehugte Zontvelt tot aen de loop de jagt, en dus ook ter plaetse van de hier voor gewaagde calangie, onverhinderlijk heeft geëxerceert. Ook noijt gehoort te hebben dat iemant buijten de Domeijnen van Brabant daer aan eenig regt off dominium hadt, off oijt ter contrarie gesustineert heeft, en vooral niet dat de jagt aldaer aen Jexschot soude competeren, te meer om redenen dat nu voor ontrent vier jaeren geleden hem deponent de jagt over desen dorpe van Veghel was ontzeijt, hij deponent, die het jaegen gewoon was, sig vervoegende bij Johan Enus, in leven rentm(eeste)r over de heerlijkheijt Jexschot (nu successeur Mathias de Mel) en van hem de jagt over de heerlykheijt Jexschot versogt, en ook vercreeg, egter met speciael beding van den gemelten rentm(eeste)r Enus, dat hy deponent niet verder soude vermogen te jaegen, dan tot den scheytsloop van Jexschot en Veghel, en dus sig wel te wagten niet opt Zontvelt over de loop onder Veghel te comen, want die jagt aldaer hoorde aen de Doneijnen, soo als hy deponent gedurende dat hij de jagt in Jexschot heeft gehadt, exact heeft geobserveert, om van die van Veghel niet becalangiert te worden.
Den sevende deponent (Adriaen Adriaen Boudewwijns) verclaert dat hij op den gehugte alhier genaemt Sontvelt heeft gewoont en alnog woonagtig is de tydt van seventig jaeren. Den agste deponent (Dirk Mateeusen) ook opt Zontvelt woonagtig, aldaer geboren en bijna altijt gewoont. Den negende deponent (Lambert Leenders) heeft van syn jonge jaeren aff tot nog toe opt Zontvelt voors(creven) gewoont. Den tiende deponent (Rombout Leenders Smits) met ont(rent) Zontvelt woonagtig en aldaer over de veertig jaeren gewoont. Den elffde en laatste deponent (Jan Leenders Peters) verclaert opt Zontvelt zuccessivelijk den tydt van vyfftig jaeren aldaer te hebben gewoont.
Welke vyff laeste deponenten wyders eenpariglijk verclaeren noij anders gehoort te hebben als dat de jagt opt Zontvelt tot aen de loop alwaer Veghel en Jexschot scheydt, en dus daer onder het hier voor gewaegt landt alwaer de calangie is geschiet, onder de jagt van Veghel en diensvolgens aen de Domeijnen van Brabant is gehorende en door de lieffhebbers van de jagt van Veghel altijt tot dus verre, te weten tot aen den gemelten scheijtsloop, is bejaegt geworden, off selfs niet anders van haer ouders hebben horen seggen en ook tot die loop alle lasten, houtschat, en tiende onder Veghel betaelen en geven.”

R102, fol. 120 (8-11-1745)



“Compareerden voor schepenen in Veghel ondergen(oem)t Petrus Godefridus Josselin, predicant in zijne gereformeerde gemeente en inwooner alhier, Perijna, w(edu)e Jan Janssen den jongen, out 65 jaeren, Lambert, haren soon, out 23 jaeren, en Jan Roelofs, dienstknegt, out 28 jaren, alle bij den anderen alhier woonende en herberg houdende ter plaatse aant Havelt, tusschen desen dorpe en Erp gelegen, wesende lieden van eere en goeden naam en faam, welcke alle na gerigtelijke citatie vorsters onder solemnelen eede aan handen der gecom(miteerde) heer en officier affgelegt hebben verclaart ter sustantie vant Hoog officie der Stadt en Meijerije van S’ Bosch waar ende waaragt(ig) te wesen.
Voor eerst den h(ee)r Petrus Godefridus Josselin, eerste in ordine deponent, dat op maandag den elffden der gepasseerde maant october deses jaars 1700 vijffenveertig (na zijn best onthout) tegen den avont aan zijn huijs is gecomen seecker jongheer, aanhebbende een witt rock met blauwe opslagen, roode camisool, een hoed met goude galon en witte cocarde, en een pluijm daar op van diverse couleur, met eenen deegen onder sijnen arm, welck hem h(ee)r deponent inde France taal aansprak, en zeyde dat hij hem verpligt vondt een compliment te koomen maaken, en ook teffens sijnen noot te kennen te geven, daar bij voegende dat hij gereformeert was en na Geneve wilde.
Den heere deponent hem in de Franse taale vraagde wien hij was en wat beroep of professie hij had, en daar op antwoorde dat hij een Frans officier was. De deponent weder repliceerde: “Hoe een Frans officier.” Soo wiert bij hem weder in de selve taale geantwoort: “Ja, mijn heer, ik ben luijtnant geweest, en had nu capitain zijn geworden, had ik niet een encoutre, of affaire gehad, waarom ik mogt vlugten.” En daar op aan hem deponent een brieff overgaff, welcke aan hem, soo hij seijde, ges(creven) was door den h(ee)re grave van Lanoij, gouverneur tot Brussel. En na dien brieff ten deele gelesen hebbende, quam hem deponent uyt den teneur van dien voor dat hij in duel met imand had gevogten, en mogelijk geveld. Hij h(ee)re deponent sulx aan desen jongen heer voorhoudende, die sig egter duijster off dubbelsinnig daar op verclaarde.
Wyders verclaart den h(ee)re deponent dat waarlijk den selven brieff ook alsoo get(ekent) was, als hij seyde, en daar op uytquam, soo hem deponent voorstaat. “Mijnheer, u saak heeft hier sulk een eclat gemaakt, dat het ministeri er mee bemoijt zij, dus best voor u sal sijn u na elders te begeven om u fortuijn te soeken, want u vrienden konnen u niet helpen.” Dat hij h(ee)r deponent den brieff aan hem weder overgaff, en hem twee schellingen presenteerde, die hij ook danckbaar aannam, en daar op affscheijdt nemende, is vertrocken.
De drije laatste comparanten verclaren eenpariglyk dat op den elffden der gepasseerde maant october ontrent drije à vier uren namiddag aan haare woonhuijsing en herberge is gecomen seecker jong heer, gecleedt guronteert en met hoed, cocarde en deegen, soo als hier boven bij den h(ee)re eerste comparant is gedeponeert, bij sig hebbende eenige vleijn visjens en sijnen neusdoek, cromtongende vraagde om te logeren, soo als hem wiert geaccordeert. Dat desen jongen heer zijnen mede gebragte vis selffs schoon maakte. Dat hij daar na is uyt gegaan, en ont(rent) een uur daar na den avont wedergecomen. Dat hij dien avont aldaar heeft gespyst en zijne mede gebragte vis gecookt en in de pn gebacken ten deele heeft geconsumeert. Dat hij dien nagt in de voorcamer met nog eenen doekendraager die in een ander bedsteede lag, heeft geslaapen. Dat hij sanderen daags smorgens circa agt uren in stilte is vertrocken, sonder affscheyt te nemen, off zijn gelag te betaelen. Dat zy drye laatste deponenten na zijn vertreck hebben vermist en alnog onvindbaar:
een blauw gestript tafellaken

eenen bonten handtdoek

item eenen witten handdoek

eenen witten das geteekent i

een tinne bort get(ekent) 1 : 0

en eenen beschilderde coopere blaaken,


sonder egter te connen seggen off opgemelte jongen heer deselve goederen heeft mede genomen. Wijders dat zij van desen doekendrager hebben gehoordt en ge(w)aat dat den jongen heer met sijn geheel monteur is opt bed gaan leggen.”

R102, fol. 127v (7-3-1746)

“Wij Johannis Corstiaen van de Ven en Gerard van der Landen, schepenen van Veghel, quartiere van Peelandt, Meijerije van S’ Bosch, verclaeren ons op heden onderges(creven) des nae middags ont(rent) de klokke drie uuren te hebben begeeven in de woonhuysinge van Adriaen Boudewijns, staende binnen desen dorpe genaemt Zontvelt, en aldaer in voos(creven) huijsinge vinden leggen het dood lichaemke van Adriaen soone Lambert Adriaen Boudewijns, out twee jaeren, ’t gene geseyde Adriaen Boudewijns op gepasseerde zaturdag verclaert uyt seeker gragt off sloot aen syn woonhuys leggende uyt het waeter te hebben gehaelt, dog soo hij sijde nog leevendig in huysch te hebben gebragt. Welk lichaemke in onse preesentie ter instantie van den Hoog Ed(ele) Wel Geb(oren) Heere Graeve van Regteren, Vreijheer van Gransbergen, Hoog en Laagschout der Stadt en Meijerije van S’ Bosch, is gedaen visiteren door Petrus Schippers, m(eeste)r chirurgijn alhier, edog geene de minste wonde, quetsure off blauwe placken aent selve bevonden, dan alleen dat het was opgeswollen vant waeter, waer door de leevende geesten sijn vervloogen, en alsoo notoir door ’t waeter de doot is gevolgt.”

R102, fol. 129 (31-3-1746)

“Wij Johannis Corste van de Ven en Antonij van Geelkerke, schepenen van Veghel, quartiere van Peelandt, Meijerije van S’ Bosch, verclaeren ons op heden onderges(creven) des nae middags ont(rent) de clokke ses uuren te hebben begeeven aen de woonhuysinge van Hendrik Hendrikx van Kilsdonk, staende binnen desen dorpe genaemt aen de Hooge Eynde, en aldaer niet verre van voos(creven) huijsinge in een sloot vinde leggen het doodt lichaemtje van Dirk soone van voorn(oemde) Hendrik Hendrikx Kilsdonk, out soo seyde drye en een halff jaer, en welk lighaemtje daer uyt gehaelt sijnde in onse preesentie ter instantie van den Hoog Ed(ele) Wel Geb(oren) Heere Graeve van Regteren, Vreijheer van Gransbergen, Hoog en Laagschout der Stadt en Meijerije van S’ Bosch, is gedaen visiteren door Petrus Schippers, m(eeste)r chirurgijn alhier, edog geene de minste wonde, quetsure off blauwe placken aent selve bevonden, dan alleem dat het was opgeswollen vant waeter, waer door de leevende geesten sijn vervloogen, en alsoo notoir door ’t waeter de doodt is gevolgt.”

R102, fol. 129v (1-4-1746)

Voor schepenen in Veghel verschenen Helena, weduwe van Bastiaen van de Werk, oud ongeveer 66 jaren, Doris Brouwers, oud ongeveer 44 jaren, Jan van de Werk, oud ongeveer 28 jaren, “alle lieden van eere, staende ter goeder naem en faem”, en inwoners van Veghel, om op verzoek van stadhouder Willem Jan Gualtheri een verklaring af te leggen.
Helena, weduwe van Bastiaen van de Werk, verklaart “dat op sondag sijnde geweest den sevenentwintigste maert deses jaers, savonts ont(rent) de clokke nege à tien uuren, ten haeren huijse is geweest Anthonij Rombouts, schoolm(eeste)r tot Nunen, en Aelbert van de Ven, vorster alhier, met meer andere persoonen. Dat tussen den voors(creven) Antonij Rombouts en Aelbert van de Ven eenige woorden syn gevallen over een exploit door Van de Ven gedaen, die tegens de dep(onen)te seyde: “Weet hij wel wat gij gedaen hebt, dat hij daer gelt hebt ontfange, en ik soude den man morge hebben gaan uijtpande.” Dat den voorn(oemd)e Antonij Rombouts onder andere tegens den vorster Aelbert van de Ven seyde: “Gij kunt dat tegen de vrouw segge, wat gij verdient hebt.” Waer op Van de Ven antwoorde: “Het sijn u affaires niet.” Verders seggende: “Gij bent maer een schurk.” Dat den schoolm(eeste)r Rombouts een kan in de handt hebbende, seggende: “Dat is mij mijn leven van geen mensch geseijdt,” en met een met deselve kan hem Aelbert van de Ven voor sijn hooft sloeg. Dat denselve ter aerde neder viel, wanneer sij dep(onen)te sag dat denselve sterk bloede.
En verclaerde den twede in ordine dep(onen)t, dat ontr(rent) tyde voors(creven) is geweest ten huijse van de eerste dep(onen)te, en aldaer gesien den schoolm(eeste)r van Nunen, Rombouts genaemt, den vorster alhier Aelbert van de Ven, en meer andere personen. Dat hij deponent heeft gehoort dat Aelbert van de Ven voors(creven) tegens hem schoolm(eeste)r Rombouts seyde en tegelijk toeknikkende: “Gij bent maer een schurk.” Dat daer op hij schoolm(eeste)r met een kan den voorschreve Aelbert van de Ven voor syn hooft sloeg, welke personen malcanderen toevallende, den vorster daer op ter aerde neder viel, roepende: “Siet na mij, want ik sal sterven,” blijvende eenigen tyt (soo hem dep(onen)t toescheen) van sig selven leggen. Dat den sep(onen)t benevens Jan van de Werk en andere persoonen hem Van de Ven hebben opgeholpen, en alsdoen gesien, dat denselve in syn gesigt sterk bloijde.
En verclaert den derde in ordine dep(onen)t dat ont(rent) tyde voors(creven) in den eerste dep(onen)te huijs komende, alwaer onder andere personen heeft gevonden den schoolm(eeste)r van Nunen Anthony Rombouts, en Aelbert van de Ven, vorster alhier, en dat Aelbert van de Ven tegens den schoolm(eeste)r Rombouts seyde: “Gij bent maer een schurk.” Dat daer op met een kan den voorn(oemde) Van de Ven voor syn hooft sloeg, en daer op verder gesien dat voorn(oemd)e Aelbert van de Ven op de grondt sat en sterk bloijde.”

R102, fol. 132 (4-4-1746)

Schepenen in Veghel verklaren “ons op heden dato onderges(creven) opt versoek van Johannes Jan de Weert te hebbe begeve in seekere huijsinge staende alhier aen Heij bij hem requirant op den twede february deses jaers by publicque vercopinge ingecogt van de kinder Hendrik Peters van den Else, en wel huijsjnge na nauwkeurige visitatie hebben bevonden daer aen de navolgende reparatie te mancqueren eer na behooren kan werden bewoont, namentlijk:


  • de wanden int ronde en binnen in de huijsinge geheel ontrampeert en dus dient te werden vernieuwt,

  • het dak mede bijna geheel versleten,

  • geene soldering, soo op de camer als keuken bevonde, nog ook geene ribbe in de camer,

  • item de opleggers sijn bijna alle van stucke en meest dooffhout,

  • byde schoorsteenen, soo in de camer als keuken, sijn mede ontrampeert, ook is boven op de huijsinge geen schoorsteen.

R102, fol. 132v (9-4-1746)

President en schepen van Veghel verklaren “ons op heden dato onderges(creven) des namiddags ontrent de clokke vyff uuren te hebben begeven aen de woonhuysinge van Lambert Jansse Versteegden, staende binnen desen dorpe op den Biesen, en aldaer agter voors(creven) huysinge in een sloot met de voeten int water vonde leggen het doodt lighaemtje van Jennemaria dogtere van voors(creven) Lambert Jansse Versteegde, out soo seyde ont(rent) drye jaer, en welk lighaemtje daer uyt gehaelt synde, in onse presentie ter instantie van de Hoog Ed(ele) Wel Geb(oren)e Heer Grave van Regteren, vreyheer van Gramsbergen, Hoog en Laegschout der Stadt en Meyerye van S’ Bosch is gedaen visiteren door Petrus Schippers, m(eeste)r chirurgeyn alhier, edog aen voors(creven) lighaemtje geene de minste wonde, quetsuere, off blauwe placken aent selve bevonden, dan alleen dat het was opgeswollen vant water, waer door de leevende geesten syn vervlogen en alsoo notoir door water de doodt is gevolgt.”

R102, fol. 135v (5-5-1746)

Interrogatorien en vraegpoincten omme daer op ter instantie vant hoog officie der stadt en meyerye van S’ Bosch ten overstaen van Heeren Scheepenen van Veghel te hooren vragen en examineeren de persoonen in margine deser genoemt.
Hendrik Rijsterburg en sijn vrou,

Christina, huysvrouw Aelbert van de Ven

Gijsbert Bloemers
alle inwoonderen binnen desen dorpe van Veghel
1. Der deponenten naem, ouderdom en woonplaets af te vraegen
Hendrik Reijsterborg, regerend schepen en inwoonder alhier, segt out te weesen 43 jaeren

Cornelia Schopman, desselfs huysvrouw, out 34 jaeren

Christina, huysvrouw Aalbert van de Ven, segt out te syn 37 jaeren

Gijsbert Bloemers, out 38 jaren,

alle inwoonderen alhier
2. Off sij deponenten op ondag den 24 april laetstleeden eeven na den midag niet syn geweest op den weg na Veghel en Erp
De vier deponenten verclaeren eenpaeriglyk dat sy op sondag den 24 april laetstleeden nae den middag syn geweest op den weg tussen Vegghel en Erp, gen(aem)t voor Tyssen camp.
3. Off sij deponenten aldaer ook niet gesien hebben Gillis de Bruijn, schoolmeester alhier, mitsgader Aart soone Hendrik Goorts van den Boogaert, mede inwoonder alhier.
De deponenen verclaeren eenpaeriglijk dat sy den schoolm(eeste)r Gillis de Bruijn op haer saegen koomen aenloopen, en agter hem Aart Hen(rik) van den Boogaert ook loopende.
4. Off sij deponenten niet gesien hebben dat den voorn(oemd)e Aart soone Hendrik Goorts van den Boogaert op s’ heeren weg heeft geattaqueert, hem gedreijgt mitsg(ade)rs hoedt en paruyk van de kop getrokken, en teffens nae syn sak getast.

De deponenten verclaeren van desen articul niets te weeten.


5. Off den voornoemde schoolm(eeste)r syn hoed en paruyk weer opgenomen hebbende, niet gaen loopen, en de vlugt genoomen heeft.
De deponenten verclaeren eenpaeriglyk van desen articul niet te weten.
6. Off vervolgens by haer dep(onen)ten niet is koomen lopen de voorn(oem)de Gillis de Bruijn, en off die teegens haer dep(onen)ten niet gesegt heeft: “Ik leg het in kennis, dat ik vervolgt word.”
De deponenten verclaeren eenpaeriglyk den inhout van desen articul de waerheyt te sijn, en de woorden door den schoolm(eeste)r in textu gemelt gesprooken te hebben.
7. Off op dat moment aldaer ook niet by haer quam Aart soone Hendrik Goorts van den Boogaert voorn(oem)t, die gemelde Gillis de Bruyn vervolgde.
De deponenten verclaeren eenpaeriglijk dat Aart soone Hendrik Goorts van den Boogaert op dat moment ook daer by haer quam, sonder te kunnen seggen off hij den schoolm(eeste)r vervolgde dan niet, maer wel gehoort te hebben, dat den schoolm(eeste)r met het opsteeken van syn handt tegens gemelde Aart syde: “Keerl, gij bent een schelm, de galg is voor uw.”
8. Off gemelde Aart van den Bogaert door den deponent Gijsbert Bloemers nog niet is vast gehouden tot soo lange de moeder van voorn(oemde) Aart met nog andere vrouwspersoonen quam, die hem toen vast hielden, en den meergemelden schoolm(eeste)r alsoo voor verdere mishandelingen bevryden.
De deponenten verclaeren eenpaeriglijk dat door den laetsten deponent Gijsbert Bloemers geseijde Aart van den Boogaert is vast gehouden, tot soo lange de moeder van voorn(oem)de Aert bij haer quam en die hem toen vast hielt, sonder haerens weetens eenige andere vrouwspersoonen bij haer te sijn geweest, en aengaende het bevreijen van de mishandeling van den schoolm(eeste)r niet te konnen seggen. Dat het haer seponenten wel toescheen ofter eene ontseltenisse by voors(creven) Aart was, egter den selven Aart geen een woort van drijgementen te hebben hooren spreeken.
9. Off sy deponenten met voorn(oemd)e schoolmeester De Bruijn vervolgens niet nae Erp syn gegaen.
De deponenten verclaeren eenpaeriglijk dat sy met genoemde schoolm(eeste)r vervolgens nae Erp syn gegaen, laetende Aert van den Boogaert en syn moeder, die hem vast hadt, op den weg.
10. Wat haer deponenten van de saeke meerder kennelyk is, direct off indirect.
De deponenten verclaeren verders niet te weeten.”

R102, fol. 15 (24-6-1745)



Voor schepenen in Veghel verschenen Jan Tijssen van Berkel, out ongeveer 32 jaren, en Jacobus Laurens Geerits, oud ongeveer 33 jaren, inwoners van Veghel, die op verzoek van Aert Tijssen van Berkel, ook inwoner van Veghel, een verklaring afleggen.
Jan Tijssen van Berkel verklaart “dat hij op St. Pieter ende Paulus dag, sijnde geweest den 29 juny des vooleden jaers 1700 vyffenveertig, is geweest ten huyse van den requirant, en aldaer gesien heeft dat ten huyse van de requirant quamen de personen van Melis Seger Donkers, Jacobus van Orten en Cornelis van Orten, om de lammeren van den requirant te comen tienden. Dat deselve alsdoen in de kooy gaende tien lammeren hebben uytgeset, waer van den requirant vier van deselve vooraff koos en dat sij tiendenaeren van de overige ses één lam hebben uijtgekoosen. Soo mede van de andere tien, tot twintig in getalle. Dat die agtien lammeren uijtgeset sijnde, nog eenige lammeren, en soo hij Hendrik Wilms Verhoeven, schaepherder van den requirant, hoorde seggen, ses in de kooij bleve. Dat den requirant alsdoen bij sijnen vader is gegaen, die doodelyk crank was, de voors(creven) agtien lammeren alsdoen getient waeren wederom by de overige op de misse waeren geloopen, den voors(creven) Jacobus van Orten van gemelte lammeren nog één weg nam. Dat gemelte schaepherder daer op seyde: “Die schapen sijn eens getient.” Dat Melis Seger Donkers daer op seyde: “Hout wat gij hebt.” En dat deselve tiendenaren alsdoen met de voors(creven) drie lammeren syn heengegaen. Dog dat alvorens door iemant van de tiendenaren tegens den requirant wiert geseyt: “Laet het ons accorderen,” en daer op by den requirant wiert geantwoort: “Neemt wat u toecomt.”
Den twede deponent verklaert dat hij op St. Pieter en Paulus dag voors(creven) mede is geweest ten huijse van den requirant, en aldaer mede gesien heeft dat aldaer quamen de persoonen van Melis Seger Donkers, Jacobus van Orten, en Cornelis van Orten, omme de lammeren van den requirant te komen tienden. Dat deselve alsdoen in de kooij gaende tien lammeren hebben uijtgeset, waer van den requirant vier van deselve voor aff koos, en dat sij tiendenaeren van de overige ses één lam hebben uijtgekosen. Soo mede van de andere tien, tot twintig tesamen in getalle. Dat die agtien lammeren uijtgeset sijnde, nog eenige lammeren in de kooij bleven, dog niet te weeten hoeveel.


1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina