Redactiestatuut: schrijfwijzer internet Internet / Intranet Gemeente Rotterdam



Dovnload 77.52 Kb.
Datum24.07.2016
Grootte77.52 Kb.




Redactiestatuut: schrijfwijzer internet

Internet / Intranet
Gemeente Rotterdam



Inhoudsopgave


Leeswijzer redactiestatuut 3

    1. Introductie en context 4


    2. Schrijfwijzer – schrijven voor het internet 5

2.1 Webstijl is anders 5
2.2 Doelgroep 5
2.3 Schrijf actief 5


2.4 Schrijf positief 6


2.5 Tekst 6



2.6 Structureren tekst 6

2.6.1 Titel

2.6.2 Korte omschrijving

2.6.3 Witruimte

2.6.4 Alinea’s

2.6.5 Tussenkopjes

2.6.6 Tabellen, foto’s, banners en filmpjes

2.6.7 Links

2.6.8 Opsommingen


2.7 Zinsbouw 9

2.7.1 Maak korte zinnen

2.7.2 Bijzinnen

2.7.3 Tangconstructies

2.7.4 Voorkom naamwoordstijl

2.7.5 Gebruik geen toekomende tijd

2.7.6 Puntkomma

2.8 Woordgebruik 10

2.8.1. Houd het simpel

2.8.2 Stoppers

2.8.3 Ambtelijk woordgebruik / jargon

2.8.4 Kort en krachtig

2.8.5 Ouderwets taalgebruik

2.8.6 Eufemismen

2.8.7 Geslacht



2.9 Spelling en schrijfwijze 13

2.9.1 Hoofdletters

2.9.2 Afkortingen

2.9.3 Vreemde tekens

2.9.4 Cijfers

2.9.5 Beklemtonen

2.9.6 Klinkerbotsingen

2.9.7 T of d?

2.9.8 Woorden met Engels deel
2.9.9 Gebruik cursief bij Engelse termen

2.9.9 Beletselteken



2.10 Conclusie – Wie slim schrijft, schrijft simpel! 15
Leeswijzer Redactiestatuut

Om de kwaliteit en uniformiteit van de content én een goede samenwerking tussen de webredacteuren te waarborgen, is een aantal redactionele regels noodzakelijk. Dit redactiestatuut is dan ook bedoeld om alle gebruikers inzicht en duidelijkheid te verschaffen over de geldende redactionele richtlijnen binnen de portals.


Dit redactiestatuut is gebaseerd op:


  • Groene Boekje;

  • Helder Haags (helder schrijven voor ambtenaren);

  • www.schrijfmaargewoon.nl (G4 taalcampagne);

  • Redactiestatuut (versie 2.2, mei 2007)

Hoofdstukken 1 en 2 vormen een algemene schrijfwijzer met generieke regels voor het internet, die zowel voor de CityPortal Rotterdam (CPR) als het Intranet Concern Rotterdam (ICR / Sjaan) gebruikt wordt.


Na het voltooien van beide media worden de specifieke redactieregels voor CPR en ICR toegevoegd. Niet redactionele afspraken staan opgenomen in het webstatuut. Hierin komen onder andere het beheer, de sitestructuur en beeldregie ter sprake.


Dit redactiestatuut is meegelezen door:




  • Fabienne Buijing Concerncommunicatie

  • Kees Wolters Stadstoezicht

  • Erik Scherjon Concerncommunicatie

  • Marit Camphuijsen Servicedienst

  • Marco Verhoeven DS+V

  • Liza Agerbeek ABC Iris

  • Suzanne Snelders Gemeentewerken


1 Introductie en context
Vanaf 2007 is binnen de gemeente Rotterdam hard gewerkt aan vernieuwing en verbetering van de digitale communicatiemiddelen. Rotterdam.nl en het intranet zijn volledig vernieuwd omdat beide media technisch en redactioneel verouderd waren. Ook de manier waarop de inhoud werd aangeboden aan de bezoekers voldeed niet meer aan de hedendaagse eisen. Met de nieuwe digitale infrastructuren sluit Rotterdam weer aan op de laatste ontwikkelingen op het gebied van internet en de eisen en geest van deze tijd.
CPR en ICR

De CityPortal Rotterdam (CPR) is meer dan ooit een vertegenwoordiging van de stad Rotterdam, waar het voorheen vooral een weergave van de gemeente was. De website is geen online substituut meer voor de hal van het stadhuis, maar men kan Rotterdam op meerdere plekken binnenkomen, benaderen en ervaren. De portal ís Rotterdam.

Intranet Concern Rotterdam (ICR) wordt voor medewerkers de primaire toegangspoort tot informatie en toepassingen ter ondersteuning van de werkzaamheden. ICR is overal, altijd en via diverse middelen bereikbaar en afgestemd op de persoonlijke werksituatie van de medewerker. Op het intranet is zowel concernbrede informatie, als informatie uit de verschillende diensten te vinden.
Perspectiefpagina’s

De nieuwe opzet is gebaseerd op het concept van een portal. Via een portal kan een organisatie een grote hoeveelheid informatie bieden aan verschillende doelgroepen met verschillende perspectieven. Daarom worden de portalpagina’s perspectiefpagina’s genoemd. Alle informatie wordt aan elkaar gekoppeld op basis van metadata. Pagina’s over hetzelfde onderwerp komen zo samen op een perspectiefpagina. Het is een oplossing voor het online omgaan met vele identiteiten, perspectieven en behoeftes binnen een stad. Afhankelijk van het perspectief, krijgt de bezoeker bepaalde informatie te zien. De websites zijn dus niet meer zendergericht, maar veel meer afgestemd op de vragen en wensen van de gebruiker. En elke pagina bevat verwijzingen naar gerelateerde pagina’s. Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan websites als Wikipedia en Startpagina.nl.


Vanuit dit concept is een ontwerp gemaakt voor de website die het imago van Rotterdam reflecteert, en voldoet aan de eisen van de gebruikers en de gemeente. Zowel qua uiterlijk als inhoud is de website afgestemd op het karakter van Rotterdam. Gebruikers kunnen onderling informatie, meningen en ervaringen delen, wat de website een dynamisch stedelijk platform maakt.
Zoekfunctie

Daarnaast is een goede zoekfunctionaliteit van groot belang om bezoekers de juiste informatie te laten vinden. Het gaat tenslotte om de inhoud van de websites. Zowel de City Portal als het nieuwe intranet hebben Google als standaard zoekmachine.








2 Schrijfwijzer: schrijven voor internet


2.1 Webstijl is anders

Lezen van een scherm is lastiger dan van papier. Op internet lezen mensen niet of nauwelijks lange teksten. Geef dus aan het begin van een tekst in enkele zinnen aan waar het over gaat en begin met iets leuks. De uitsmijter tot het eind bewaren heeft op het internet weinig zin.
De overvloed aan informatie waarmee men tegenwoordig wordt overstelpt heeft de vaardigheid in het leven geroepen deze info snel te scannen en te evalueren. Véél informatie filtert men weg. 'Wat is relevant' moet bij het schrijven/redigeren in het achterhoofd gehouden worden. Alle teksten zijn in te dikken zonder dat de essentie verloren gaat.
Zie het als een eerste ontmoeting. Mensen wisselen dan snel wat basisgegevens uit, zoals naam, beroep en woonplaats. Is die uitwisseling prettig, dan gaat het gesprek bijna vanzelf verder.


  • Schrijf kort en bondig;

  • Gebruik eenvoudige zinnen en taal;

  • Wees direct en concreet. Geef bezoekers waar ze voor komen;

  • Streep weg wat overbodig is: schrijven is schrappen;

  • Begin met de belangrijkste informatie. De geïnteresseerde bezoeker kan doorlezen.


2.2 Doelgroep

Het doel van een tekst is natuurlijk om de informatie aan de lezer over te brengen. Helaas bestaat de bezoeker niet. Houd bij het schrijven van een tekst altijd goed in de gaten welke boodschap je over wilt brengen en welk effect je met je tekst wilt bereiken (informeren / activeren / enthousiasmeren etc.).

De lezer kan een toerist zijn, een gemeenteraadslid, een ondernemer of een organisatie van allochtone ondernemers. Jongeren worden anders aangeschreven dan ouderen. Toch gelden altijd dezelfde regels. De tekst moet ook na de openingszinnen kort, vlot en aansprekend blijven.

2.3 Schrijf actief

Passieve zinnen zijn vrij eenvoudig te herkennen aan het onnodige gebruik van ‘worden’ of ‘zijn’. Die hulpwerkwoorden kunnen vaak weg. Een tekst met veel passieve zinnen heeft een onaangename uitwerking op de lezer. Een actieve zinsbouw leest vlot en prettig.


Passieve zinnen zijn te herkennen aan:

  • een extra werkwoord, het zogenaamde hulpwerkwoord;

  • aan het woord ‘door’.

Er zijn verschillende soorten hulpwerkwoorden zoals: hebben, zullen, zijn, worden, kunnen, moeten, (be)hoeven, mogen, willen, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen, toeschijnen, doen en laten.

Een goede manier om zinnen actief te maken is om organisaties, zaken of mensen als onderwerp te gebruiken.


  • Passief: Het kantoorgebouw wordt door de aannemer onder handen genomen.

  • Actief: De aannemer neemt het kantoorgebouw onder handen.

De lijdende vorm is niet altijd fout. Je gebruik deze vorm bij het ontbreken van een handelend persoon (‘er wordt geklopt’).


2.4 Schrijf positief

Vaak zeggen we vooral hoe het niet is. Beter kunnen we negatieve woorden en associaties vermijden. Lezers zijn namelijk geneigd over dat ‘niet’ heen te lezen. Ze lezen liever hoe het wel is. Dat is concreter en biedt meer houvast.




  • Kijk bij elke ontkennende zin of je hetzelfde kan zeggen zonder ontkenning.

  • Als de ontkenning het belangrijkste is in de zin, gebruik dan een werkwoord dat ontkennend is: betreuren, vermijden, verzuimen, afzien van, tegengaan.

Gebruik wel objectieve taal. Positief schrijven betekent niet dat je juichende bijvoeglijke naamwoorden moet gebruiken, dan verlies je namelijk snel je geloofwaardigheid.


2.5 Tekst

Een goede tekst heeft een goede opbouw. Een tekst die op papier goed leesbaar is, is dat niet automatisch ook op het beeldscherm. Tussenkopjes en witregels zorgen voor een betere leesbaarheid. De informatie staat dan in kleine, hapklare hoeveelheden. Meestal betekent dat vereenvoudigen en opknippen van de tekst. Overzicht en toegankelijkheid zijn hierbij van groot belang.


Een eindtekst voor het internet is maximaal 500 woorden lang, maar liever korter. Zorg ervoor dat de bezoeker zo min mogelijk hoeft te scrollen. Is de tekst toch vrij lang? Of is er al een bestaand document? Plaats dan een samenvatting met een link naar de eindtekst. Zorg er wel voor dat de link helder weergeeft wát de bezoeker opent.
Sommige teksten kunnen sowieso het beste van papier gelezen worden. Denk aan juridische documenten en beleidsstukken, maar ook folders en rapporten. Dat zijn vaak lange en ingewikkelde teksten die lastig te vertalen zijn naar internetteksten. Plaats dit soort documenten via een link.

2.6 Structureren tekst

De bezoeker scant de tekst op zoek naar informatie. Uit onderzoek blijkt dat lezers dit doen volgens een F-patroon. Twee horizontale bewegingen en dan aan de linkerzijde naar beneden. Geef in deze lijn houvast door de tekst duidelijk te structureren met witruimte en tussenkopjes. Zo geef je aan waar de informatie staat. Bied de lezer ook af en toe wat ‘lucht’ door middel van beeldmateriaal of ‘streamers’ (een kort, prikkelend citaat dat uit het artikel wordt gelicht).




2.6.1 Titel

Deze werkt als een kop in de krant: de kop moet de aandacht trekken en kort weergeven waar de tekst overgaat.


Een goeie titel:

  • is beknopt (maximaal vijf woorden; past op een regel);

  • dekt de lading;

  • is duidelijk en zonder vaagheden;

  • is geschreven in de tegenwoordige tijd;

  • nodigt uit tot lezen;

  • bevat geen punt of puntkomma; vraag- en uitroepteken mogen wel.


2.6.2 Korte omschrijving

De korte omschrijving geeft in twee à drie regels weer waar het document over gaat. In de korte omschrijving staat net iets meer informatie dan in de kop. Geef daarom alleen de belangrijkste informatie weer. Beantwoord zoveel mogelijk de vragen wie, wat, waar, wanneer en als je nog ruimte hebt ook waarom en hoe. Begin echter niet met een datum in de eerste regel. Houd het goed leesbaar (maximaal twintig tot dertig woorden).


2.6.3 Witruimte

Een tekst zonder witruimte is bijzonder moeilijk leesbaar, zeker vanaf het beeldscherm. De bezoeker die zo’n tekstblok ziet, begint er waarschijnlijk niet eens aan. Gebruik daarom meer witruimte dan op papier en begin regelmatig een nieuwe alinea.




  • plaats tussen een (tussen)kopje en een alinea geen witregel;

  • plaats tussen een alinea en een volgend kopje een witregel.


2.6.4 Alinea’s

Alinea’s zijn de bouwstenen van de tekst. Ze bestaan uit zinnen die samen een logisch geheel vormen; alle alinea’s vormen samen de eindtekst. Werk in elke alinea één idee uit. Om de alinea’s van elkaar te scheiden, wordt na elke alinea een witregel gebruikt.




  • bespreek één onderwerp per alinea;

  • plaats de belangrijkste informatie vooraan.


2.6.5 Tussenkopjes

Eén van de beste tekstuele vormgevingstrucs is het gebruik van tussenkopjes. Tussenkopjes werken hetzelfde als een gewone kop: ze geven kort de inhoud weer en nodigen uit om de alinea te lezen. De ideale tussenkop bestaat uit één woord dat de bezoeker informeert en prikkelt. Gebruik maximaal vier woorden. Plaats regelmatig tussenkopjes, zo wordt het voor de bezoeker duidelijk waar de informatie staat.


Tussenkopjes geven niet alleen vorm, maar ook lucht aan de tekst. Tegelijk kan de lezer in vogelvlucht de tekst ‘scannen’ en zo zien welke onderdelen haar of hem het meest aanspreken. De tussenkopjes moeten dan wel iets zeggen. Tussenkopjes als ‘Analyse’ of ‘Project’ zijn weinig verleidelijk. Een tussenkopje als ‘Minder discriminatie op arbeidsmarkt’ of ‘Nieuw Feyenoord-stadion’ trekt meer aandacht.
Ook de schrijver is gediend met tussenkopjes, want ze zijn een verkorte weergave van de tekst. Aan de hand van tussenkopjes kan de auteur de indeling van een stuk controleren. Zijn er geen zaken vergeten en klopt de volgorde van de tekstdelen wel? De tussenkopjes vertellen de lijn van het verhaal.

2.6.6 Tabellen, foto’s, banners en filmpjes

Mensen zijn sterk visueel ingesteld, lezers richten zich dan ook op grafische elementen. Door beelden te gebruiken bij een tekst wordt de tekst een stuk toegankelijker. Meer over het gebruik van beeldmateriaal is te vinden in het webstatuut.


Er wordt vaak te weinig of verkeerd gebruik gemaakt van beeldmateriaal. Na het verlaten van de homepage ontbreekt bij veel teksten beeldmateriaal of zijn de afbeeldingen irrelevant. Wat ook vervelend is voor de lezer, want het beeldgebruik roept dan alleen maar vragen op.

Vul altijd de alt-tekst in. Het is een belangrijk hulpmiddel voor mensen met een visuele handicap en vergroot de toegankelijkheid van je site. Een aangepaste browser of andere software vertaalt deze alt-tekst in spraak of andere impulsen. Zo kan ook deze gebruikersgroep de illustraties “bekijken”. Geef daarom goed weer wat/wie er op de foto te zien is. Ook kun je de alt-tekst gebruiken om de naam van de fotograaf weer te geven.
2.6.7 Links

Wanneer je een hyperlink gebruikt dan moet dat duidelijk zijn voor de bezoeker. De link moet herkenbaar zijn in de tekst. Onderstreep daarom geen andere woorden in je tekst, omdat lezers deze kunnen verwarren met hyperlinks. Links gebruik je om achtergrondinformatie, bronvermeldingen of tekst te illustreren.


Links zijn altijd:

  • prikkelend;

  • lading dekkend (niet alleen ‘klik hier’ of ‘lees meer’);

  • herkenbaar;

  • duidelijk;

  • kort (maximaal drie woorden).

Voor het toepassen van links gelden de volgende voorwaarden:



  • zorg dat links naar externe sites en bestanden altijd in een nieuw venster openen;

  • gebruik ze met mate, overdaad schaadt;

  • zorg ervoor dat de lezer de weg terug kan vinden naar de hoofdtekst.

Controleer links regelmatig en wees zuinig met linken naar bestanden of pagina’s die maar zeer kortdurend actief zullen zijn. Dode links jagen bezoekers weg.


2.6.8 Opsommingen

Opsommingen lezen het prettigst als consequent dezelfde zinsbouw gebruikt wordt.


Zo moet het dus niet:

  • het binnenhalen van de geldschieters (= naamwoordstijl);

  • een tijd- en werkschema opstellen (= infinitief);

  • het materiaal moet verzameld, geselecteerd, geïnventariseerd en gerubriceerd worden (= persoonsvorm).

In onderstaand voorbeeld is alleen de infinitiefvorm gebruikt.



  • geldschieters binnenhalen;

  • tijd- en werkschema opstellen;

  • materiaal verzamelen, selecteren, inventariseren en rubriceren.

Een opsomming is helder en herkenbaar door het gebruik van bullets (of cijfers/letters). Bullets worden gebruikt als de opsomming ook in een andere volgorde had kunnen staan. Is er sprake van een rangorde, gebruik dan cijfers of letters. Eindig je zin/woord bij een opsomming met een puntkomma om aan te geven dat het lijstje nog verder gaat, de laatste krijgt een punt.



2.7 Zinsbouw

Twee zaken bepalen in hoofdlijnen de leesbaarheid van een tekst: de zinlengte en het aantal bijzinnen. Door een zin gemiddeld niet langer dan twaalf woorden te maken, blijft de tekst goed leesbaar. Een tekst leest het ‘lekkerst’ wanneer korte en lange zinnen elkaar afwisselen.




2.7.1 Maak korte zinnen

De meeste schrijvers zijn geneigd te veel informatie in één zin te stoppen. Lange zinnen zijn vervelend. De lezer kan de draad kwijtraken of de aandacht verliezen.


Een ander nadeel van lange zinnen is dat ze snel ontsporen. Ze kloppen vaak niet door de vele opsommingen, de overdaad aan informatie en zinsdelen die elkaar soms regelrecht tegenspreken. Je kunt een zin vereenvoudigen door te schrappen of op te splitsen.


  • Niet: Wat bij vergelijking van beide teksten opvalt, is dat ze op dezelfde manier beginnen.

  • Wel: Opvallend is dat beide teksten op dezelfde manier beginnen.




  • Niet: Uit het onderzoek in Rotterdam blijkt dat bij een gering aantal scholen (zowel ‘zwarte’, ‘witte’ als ‘gemengde’ scholen) het probleem van luxeverzuim de laatste jaren groter is geworden.

  • Wel: Bij een klein aantal scholen is het probleem van luxeverzuim de laatste jaren groter geworden. Dit blijkt uit onderzoek in Rotterdam. Dit geldt voor zowel ‘zwarte’, ‘witte’ als ‘gemengde’ scholen.


2.7.2 Bijzinnen

Het aantal bijzinnen per zin heeft een grote invloed op de leesbaarheid van een tekst. Gebruik zo weinig mogelijk bijzinnen.




  • Niet: Aan de hand van de negatieve bepaling in de planvoorschriften inzake de bestemming Kantoren en vanwege het feit dat op dit perceel een rijwielbedrijf gevestigd zal worden, moeten wij onze goedkeuring aan dit plan onthouden.

  • Wel: In de planvoorschriften staat dat er geen kantoren op het perceel gebouwd mogen worden. Ook komt hier een rijwielbedrijf. Hierdoor kunnen wij dit plan niet goedkeuren.


2.7.3 Tangconstructies

Tangconstructies zijn zinnen waarin de schrijver een zinsdeel ‘in de tang’ neemt door woorden die bij elkaar horen, onnodig ver uit elkaar te zetten. Ofwel; een tangconstructie is een hoofdzin die onderbroken wordt door een bijzin en daarna weer verder gaat. Hoewel tangconstructies taalkundig gezien niet fout zijn, zijn ze wel onnodig ingewikkeld.


Er zijn meer manieren om tangconstructies te vermijden: door de volgorde in de zin te veranderen, de zin op te splitsen in twee of meer zinnen of simpelweg te schrappen. Zet woorden die bij elkaar horen bij elkaar en pers er niet te veel woorden tussen. Anders leest het niet lekker.


  • Niet: De gevolgen zullen, indien er niet tijdig wordt ingegrepen, niet te overzien zijn.

  • Wel: Als men tijdig ingrijpt, zijn de gevolgen te overzien.


2.7.4. Voorkom naamwoordstijl

Bij de naamwoordstijl wordt van het werkwoord een zelfstandig naamwoord gemaakt. Dit leidt tot afzwakking en vervaging van de tekst. Deze stijl maakt zinnen nodeloos ingewikkeld. De schrijver in kwestie denkt wellicht chic bezig te zijn, maar voor de lezers is het vervelend.


Vermijd deze onnatuurlijke, houterige stijl en zet simpelweg het onderwerp van de zin vooraan. Daarnaast gebruikt een vlotte tekst vooral werkwoorden. Helaas misvormen sommige schrijvers werkwoorden tot termen als ‘verbreding’, ‘ontwikkeling’ of ‘sanering’. Werkwoorden worden zo zelfstandige naamwoorden.


  • Niet: We willen tot verbetering van de prestaties komen

  • Wel: We willen de prestaties verbeteren




  • Niet: De werking van de maatregel is positief

  • Wel: De maatregel werkt positief.


2.7.5 Gebruik geen toekomende tijd

Schrijven in de toekomende tijd leidt meestal tot vaag taalgebruik. De tegenwoordige tijd maakt de tekst concreter én actiever.




  • Niet: Over een jaar zullen we starten.

  • Wel: We starten over een jaar.




  • Niet: We gaan het project evalueren.

  • Wel: We evalueren het project.




      1. Puntkomma

Waar en wanneer gebruik je een puntkomma? Vuistregel: overal waar een puntkomma kan staan, kan ook een punt staan. Het gaat dus om twee grammaticaal zelfstandige zinnen, waarbij de puntkomma aangeeft dat zij wel een onderling verband hebben. Een puntkomma is niet fout, maar beperk het gebruik ervan.



2.8 Woordgebruik
2.8.1 Houd het simpel

In Rotterdam wonen allerlei mensen uit verschillende achtergronden en culturen. Dit heeft effect op het taalgebruik in de stad. Het gemiddelde taalniveau vereist dat ambtenaren simpel en begrijpelijk schrijven. Probeer dus helder te schrijven voor iedereen.


Zo is ‘essentieel’ te vertalen met ‘noodzakelijk’, ‘partieel’ is liever ‘gedeeltelijk’ en ‘mutaties’ mogen ‘wijzigingen’ heten.
Gebruik korte, eenvoudige en gewone woorden want bij omslachtig taalgebruik haakt de bezoeker snel af. Lelijke woorden zijn er in allerlei vormen en maten.
De eerste categorie zijn woorden die gewichtig klinken, maar eigenlijk niets betekenen. Enkele ‘gebakken-lucht’-termen: slagvaardig, innovatief, efficiency.

Een andere categorie: geïmporteerde woorden. Neem bijvoorbeeld de term ‘hotspots’. In de gemiddelde reisgids zijn dat de leuke plekken om te stappen en gezien te worden. De gemeente gebruikt deze term echter voor de onveilige plekken in de stad. Andere voorbeelden zijn woorden als pilot (proefproject) en input (inbreng).


De laatste categorie zijn overbodige nieuwe woorden, zoals pimpen, cool, hot, onwijs. Dit soort termen lijken een tekst leuker te maken, maar zijn zeer modegevoelig. Wanneer je tekst een maand op het internet staat, dan zijn deze kreten alweer achterhaald.
Stel jezelf drie vragen bij het gebruik van dit soort woorden:



  • Bestaan er betere termen?

  • Is de term mogelijk verwarrend?

  • Is de term moeilijk?

Bij drie keer ‘nee’ is de term te gebruiken. Gebruik bij twijfel het Groene Boekje of de Van Dale.


2.8.2 Stoppers

Veel ambtenaren hebben een voorliefde voor wollige termen in een tekst, de zogenaamde ‘stoppers’.


Enkele stoppers: 'temeer daar ook', 'voor wat betreft' en 'met betrekking tot'. Al deze frasen hebben met elkaar gemeen dat het korter kan. En mooier. Een formulering als 'temeer daar ook' kan vervangen worden met ‘want’. De andere termen kunnen door ‘over’ worden vervangen. Eén woord volstaat dus, waar er eerder drie werden gebruikt.

Stoppers ontwijken kan gemakkelijk door simpelweg met het onderwerp te beginnen. De zin wordt dan actief en kort. Wie zich aan het motto ‘schrijven is schrappen’ houdt, gebruikt geen stoppers.


2.8.3 Ambtelijk Woordgebruik / Jargon

Jargon is volgens de Van Dale ‘voor oningewijden moeilijk verstaanbare taal’. In teksten voor een groter publiek is het beter om geen jargon te gebruiken. Mensen begrijpen de tekst anders niet. Vervang jargon dus door gewone woorden, of licht de term op zijn minst toe als er geen alternatief is.


Zo zegt een term als ‘ontkokering’ de meeste lezers niets. Alleen een ambtenaar weet direct dat het over betere samenwerking gaat.
Enkele voorbeelden van typisch ambtenarenjargon:


  • terugkoppelen (doorgeven wat er is gebeurd);

  • doorpakken (doorgaan);

  • aansturen (leiding geven);

  • betreffende (over / onderwerp);

  • implementeren (invoeren).



2.8.4 Kort en krachtig

Officiële teksten staan vaak bol van lange voorzetseluitdrukkingen, die vaak ook door één woord vervangen kunnen worden. ’Minder is beter’ is ook hier het motto.




  • als gevolg van = door

  • voor het geval dat = als

  • door middel van = door of met

  • ten aanzien van = over

  • in de nabijheid van = bij of naast

  • met het oog op = om

  • vanwege het feit dat = omdat

  • teneinde = om

  • op deze wijze = zo

  • met betrekking tot = over


2.8.5 Ouderwets taalgebruik

Het gebruik van ouderwetse woorden (archaïsche termen) geeft de lezer de indruk dat de schrijver niet meer bij de tijd is. Taal is tenslotte altijd in ontwikkeling.


Daarbij is het nog maar de vraag of jongeren het woord kennen. Dit betekent zeker niet dat een tekst heel hip geschreven moet worden (zie 2.8.1), maar eigentijds woordgebruik communiceert wel zo goed.
2.8.6 Eufemismen

Woorden die de zaken mooier voorstellen dan ze zijn levert veel wantrouwen op. In ambtelijke nota’s heten bezuinigingen bijvoorbeeld ineens ‘een financiële taakstelling’. Dit draagt niet bij aan de begrijpelijkheid van een tekst of de transparantie van een organisatie.

Lezers krijgen zo het gevoel dat de schrijver iets achterhoudt. Eufemismen keren zich vaak tegen de schrijver. Beter is het om te zeggen wat er aan de hand is.
2.8.7 Geslacht

Let goed op het geslacht van een woord. Er zijn regels, maar die zijn niet altijd even duidelijk en direct toepasbaar. Raadpleeg bij twijfel een goed woordenboek of het Groene Boekje, die geven het geslacht van een woord aan.


Daarnaast zijn er ezelsbruggetjes om het geslacht van woorden vast te stellen. Zo worden namen van organisaties en instellingen behandeld als mannelijk. Verder zijn woorden die beginnen met ‘het’, zoals ‘het kabinet’, onzijdig. Bij onzijdige woorden horen mannelijke verwijzingen.
Onduidelijker zijn woorden die beginnen met ‘de’, zoals ‘de regering’. Er bestaan wel vaste regels: de-woorden die eindigen op -ing (regering), -heid (hardheid), -nis (kennis), -schap (gemeenschap), -ie (organisatie), -teit (kwaliteit) en -tuur (programmatuur) zijn vrouwelijk. Er zijn ook woorden die zowel mannelijk als vrouwelijk kunnen zijn, zoals ‘taal’.






    1. Spelling en schrijfwijze

Computers dienen de mens. Iedereen kan tegenwoordig gemakkelijk in teksten ‘knippen’ en ‘plakken’. Dat is handig, maar het leidt nogal eens tot allerlei slordigheden. Zoals tikfouten of woorden die per ongeluk blijven staan. Om nog maar te zwijgen over het verkeerd spellen van namen.


Het fout schrijven van woorden staat niet zo netjes. De spellingcontrole van Word en het Groene Boekje, de officiële woordenlijst van de Nederlandse taal, helpen dat te voorkomen. De gemeente Rotterdam is verplicht de spellingsregels uit het Groene Boekje te volgen.
2.9.1 Hoofdletters

De hoofdregel voor hoofdletters is dat personen en zaken die als ‘heilig’ worden beschouwd, een hoofdletter krijgen. Zoals ‘Allah’, ‘God’, ‘Koninkrijk Gods’ en de ‘Profeet’.

Overheidsdienaren moeten het zonder hoofdletter doen, het is ‘burgemeester’ en ‘college’. Bij afkortingen worden wel hoofdletters gebruikt, dan wordt het ‘college van B en W’.
Eigennamen krijgen ook hoofdletters, het is dus de ‘dienst Stadsbeheer’ en ‘wethouder Jeugd, Gezin en Onderwijs’. Als iets een soortnaam is, worden er in principe geen hoofdletters gebruikt. Bijvoorbeeld bij de woorden ‘dienst’, ‘politiebureau’ of ‘stadhuis’. Daar zijn er immers meer van.
2.9.2 Afkortingen

Afkortingen remmen de bezoeker tijdens het lezen omdat die zich moet bedenken waar de afkorting ook alweer voor staat. Diensten hebben eigen afkortingen, maar ook vakgebieden kennen weer eigen afkortingen. Ondertussen snapt de lezer er weinig van.


In een gewone tekst schrijft men de naam van een regeling, instelling of vakterm voluit. Zo begrijpen lezers wat er staat. Woorden voluit schrijven voorkomt ook verwarring. Een afkorting als ‘t.g.v.’ kan bijvoorbeeld zowel ‘ten gevolge van’ als ‘ten gunste van’ betekenen.
Afkortingen van instellingen, commissies, en dergelijke mogen wel, maar alleen als de naam eerst een keer voluit staat.


  • gebruik liever helemaal géén afkortingen;

  • afkortingen van één woord krijgen een punt (mr. / nr. / etc.), behalve maten en gewichten (kg / cm);

  • afkortingen van meer woorden krijgen een punt achter elk woord (t.g.v.);

  • ingeburgerde afkortingen krijgen geen punt (btw / bv / nv). Dit geldt niet voor eigennamen (RET N.V.);

  • afkortingen met hoofdletters krijgen geen punt (HRM / JOS / BSD);

  • binnen een alinea afkortingen van organisaties en diensten altijd één keer voluit schrijven en daarna afkorten (Grote Stedenbeleid / GSB).


2.9.3 Vreemde tekens

Gebruik woorden in plaats van tekens. Daarmee wordt voorkomen dat het leesritme van de bezoeker onderbroken wordt.




  • % wordt procent

  • € wordt euro

2.9.4 Cijfers

Getallen van nul tot twintig, tientallen, honderdtallen en het getal duizend worden in letters geschreven. Andere getallen worden in cijfers geschreven.




  • 1 = één

  • 10 = tien

  • 16 = zestien

  • 23 = 23

  • 50 = vijftig

  • 100 = honderd

  • 132 = 132

  • 1000 = duizend


2.9.5 Beklemtonen

Als je een woord een extra lading meegeeft, welk accent heb je dan nodig: déze of dèze? Je gebruikt dan altijd het accent aigu, oftewel het streepje naar rechts. In het geval van dubbele klinkers plaats je op elke klinker een accent.

Het woord ‘een’ heeft een dubbele functie: je kan een telwoord of lidwoord bedoelen. Zet geen accenten als de telwoordfunctie duidelijk is: een van beide en een of andere. Gebruik wél accenten als de telwoordfunctie onduidelijk is: één huis, geen twee.


  • Deze hier, leuk én goedkoop.

  • Het ligt dáár!

Overigens leest het niet prettig wanneer er te veel accenten gebruikt worden. Beklemtoon dus met mate.


2.9.6 Klinkerbotsingen

Bij het samenvoegen van woorden, kun je klinkerbotsingen krijgen en daarmee ook problemen met de leesbaarheid. Denk aan milieu + inspectie. Om een klinkerbotsing te voorkomen, gebruik je een verbindingsstreepje.




  • milieu-inspectie

  • bijna-akkoord

  • auto-ongeluk

Natuurlijk kent deze regel ook uitzonderingen, niet alle klinkercombinaties botsen. Denk aan: controleafdeling, volumeontwikkeling en politieauto. Twijfel je aan de juiste spelwijze, kijk dan even in het Groene Boekje.


2.9.7 T of d?

Bij het vervoegen van sommige woorden ontstaat soms verwarring. De algemene regel is:




  • bij werkwoorden met een ch, f, k, p, s of x voor de uitgang -en, schrijf je een t.

voorbeeld: faxen, faxte, gefaxt;

  • bij werkwoorden met een b, g, l, m, n, r, v, w of z voor de uitgang -en, schrijf je een d.

boorbeeld: mailen, mailde, gemaild;

  • eindigt de stam van het werkwoord op een klinker of ij, schrijf je ook een d;

voorbeeld: judoën (stam: judo), judode, gejudood of vrijen (stam: vrij), vrijde, gevrijd.




2.9.8 Woorden met Engels deel

Ook hebben we steeds meer woorden die samengesteld zijn uit een Engels en een Nederlands deel. Hoe schrijf je deze samenstellingen dan? De regel is dat samenstellingen die met een niet-Nederlands deel beginnen, aan elkaar worden geschreven. Als het niet-Nederlandse deel uit meer dan één woord bestaat en die woorden buiten de samenstelling los worden geschreven, is een streepje verplicht.




  • Carpoolstrook

  • Privacywetgeving

  • No-nonsensehouding

  • Zero-tolerancebeleid


2.9.9 Gebruik cursief bij Engelse termen
Veel magazines en websites schrijven alle Engelstalige termen en uitdrukkingen cursief, maar

teveel cursivering maakt een tekst onrustig. Taal is een levend iets, dus webteksten moeten daar ook een afspiegeling van zijn. Wanneer het leenwoord is ingeburgerd, gebruik het dan niet gecursiveerd. Bijvoorbeeld: email of workshop. Is het een vakterm of nog niet ingebed in onze taal, maak het dan cursief .



2.9.10 Beletselteken

Het beletselteken is een leesteken bestaand uit drie puntjes ( … ). Voor én na het beletselteken komt een spatie. Als het beletselteken aan het einde van de zin staat, komt er niet nog een punt achter: En toen werd het stil ...


Het teken wordt gebruikt:


  • Om aan te geven dat een deel van de zin is weggelaten;

  • Om een pauze aan te geven;

  • Om in een citaat aan te geven dat er iets is weggelaten. Meestal wordt het dan tussen haakjes gezet;

  • Om aan te geven, dat iets te denken geeft.



2.10 Conclusie - Wie slim schrijft, schrijft simpel!

Schrijven voor het internet is helder, zowel in structuur als in taalgebruik. Een echt slimme tekst is zo eenvoudig dat iedereen het begrijpt.


  • Bedenk eerst de boodschap. En vooral: wat wil de lezer weten?;

  • Begin met een korte samenvatting. Open met het belangrijkste;

  • Gebruik voldoende witregels, tussenkopjes en beeldmateriaal;

  • Schrijf korte actieve zinnen. Soms zeggen vijf woorden genoeg;

  • Gebruik heldere, eenvoudige en alledaagse woorden;

  • Wees actueel en geef correcte informatie;

  • Wees concreet en tastbaar: geef duidelijke voorbeelden, feiten en exacte aantallen. Gebruik geen suggestieve constructies of vaagheden;

  • Gebruik zo min mogelijk vaktaal, eufemismen, stoppers, tangconstructies en afkortingen;

  • Schrijven is schrappen: houd het kort, werk met bijlagen of verwijs naar internet.


Bestandsnaam: Schrijfwijzer inter- & intranet Auteur: Petra Berrevoets

Versie: 3.5 Status: definitief



Datum opgeslagen: 4 februari 2009





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina