Referaten gehouden voor ‘Studium Generale’ op 10 oktober 2008 in Gouda



Dovnload 105.44 Kb.
Pagina1/2
Datum24.07.2016
Grootte105.44 Kb.
TypeReferat
  1   2
L.J. van Valen
JOHN WESLEY (1703-1791), ZIJN LEVEN WERK EN BETEKENIS VOOR VANDAAG
Referaten gehouden voor ‘Studium Generale’ op 10 oktober 2008 in Gouda

EERSTE REFERAAT: Wesleys leven en leidersrol bij methodistische opwekkingsbeweging in de achttiende eeuw


TWEEDE REFERAAT: Wesleys karakter, theologische accenten, invloed en relevantie voor vandaag

EERSTE REFERAAT: Wesleys leven en leidersrol bij methodistische opwekkingsbeweging in de achttiende eeuw.


Wesley, voor en tegen

De naam John Wesley roept onder de gemiddelde calvinist gemengde gevoelens op. Dit is begrijpelijk, omdat hij voor de calvinist belangrijke leerstukken, zoals de uitverkiezing en de volharding der heiligen behoorlijk heeft bekritiseerd. Ten opzichte van George Whitefield, bij wie wij enkele weken geleden hebben stil gestaan, is hij als leider van de methodistische opwekkingsbeweging een geheel eigen weg gegaan, die vergaande consequenties heeft gehad, niet alleen voor het verdere verloop van de kerkgeschiedenis van de Angelsaksische landen, maar ook daarbuiten. Zijn theologie, vooral zijn visie op de heiliging, heeft nog steeds grote invloed op de evangelische beweging. Toch is het de moeite waard om kennis te nemen van zijn persoon en werk, omdat ondanks zijn dwalingen, zijn motieven bijbelse uitgangspunten hebben. Ook zijn visie op de heiliging heeft belangrijke elementen waar ook wij als calvinisten ons voordeel mee kunnen doen. Wij durven zelfs te stellen dat de overeenkomsten tussen Whitefield en Wesley groter zijn dan hun verschillen in theologische onderbouwing. Ik wijs in dit verband op het boek van de calvinist Iain Murray, Wesley and Men who Followed, dat afstand neemt van de geest van veroordeling en een genuanceerd en evenwicht beeld geeft van de drijfveren van de grote leider van de Methodisten. Zijn conclusie is duidelijk: ‘Indien Wesleys theologie verwarrend was, waarom, zoals sommigen kunnen vragen, zouden we vandaag zijn gedachtenis waarderen? Het antwoord is dat zijn werkelijke nalatenschap niet is gelegen in zijn theologie. Christelijke leiders worden voor verschillende doeleinden verwekt. De evangelikalen uit de achttiende eeuw waren in de eerste plaats mannen van daad en in deze rol heeft John Wesley veel gedaan en gezegd dat tot blijvend nut is geweest voor duizenden. In deze rol moeten we hem plaatsen.’ Om deze mening nog meer te benadrukken, haalt Murray bisschop J.C. Ryle aan: ‘Het zou ongetwijfeld op z’n minst beter geweest als Wesley zijn arminianisme van zich afgeworpen had, maar hij heeft wel het Evangelie gepreekt, Christus verheerlijkt en buitengewoon veel goeds gedaan. Dit zou ik niet meer in twijfel trekken dan ik mijn eigen bestaan in twijfel zou trekken.’ 1


Vooral in dit licht willen wij proberen een beeld te geven van John Wesley, zonder zijn dwalingen weg te redeneren. John Wesley (1703-1791) kan in zijn werk en theologie niet worden losgemaakt van die van zijn broer Charles (1707-1788), met wie hij jaren lang optrad en met wie hij eensgeestes was. John was meer theoloog van zijn broer, die zich vooral onderscheidde door zijn ‘Hymns’ en niet te vergeten door zijn wat mildere opstelling. Hij bleef in de schaduw van zijn broer, maar had evenals hij veel invloed op de ontwikkeling en voortgang van de opwekkingsbeweging die we bij mijn referaten over George Whitefield hebben besproken. We moeten wel bedenken dat Whitefield de beweging op gang heeft gezet en de eerste was die openluchtpreken hield. Hij was echter geen planner. ‘Hij kon zielen bij elkaar brengen, maar hield er geen schema op na om hen vast te houden’, zo merkt Skevington Wood op. John Wesley gaf de methodistische beweging structuur en consolidatie. Canon Overton schrijft: ‘Hij torent veruit boven de leiders van de evangelische opwekking, niet zozeer vanwege zijn godsvrucht of intellectuele kracht, of door welsprekendheid, of in gezond oordeel, of in het nastreven van zijn doel, maar in kracht in het algemeen.’ En Dr Martyn Lloyd Jones noemt hem een ‘fenomeen’, die waarschijnlijk eraan heeft meegewerkt, dat Engeland een soortgelijke omwenteling als de Franse Revolutie is bespaard gebleven.2

We moeten zijn positie echter niet overdrijven. Door zijn dominante karakter en organiserend vermogen trad hij wel het meest op de voorgrond, maar was hij zeker niet de enige leider. 3


Wesleys leven in korte trekken

Jeugd en opleiding

John Wesley werd geboren in Epworth, Lincolnshire op 17 juni 1703. Zijn vader was daar ‘Rector’ van de anglicaanse parochiekerk. Zowel hij als zijn moeder Susanna kwam uit de puriteinse traditie van de Dissenters, maar beiden kozen voor de Staatskerk. Zijn moeder was een intelligente vrouw (zij was bekend met Grieks, Latijn en Frans en las vooral geschriften van de vroege kerkvaders). Zij had veel invloed op John, vooral op zijn geestelijke en theologische ontwikkeling. Zij bracht negentien kinderen ter wereld en wist haar huishouden en goede banen te leiden. De kinderen kregen vanaf hun vijfde jaar zes uur per dag les van haar.

John ontsnapte in zijn jeugd meermalen aan de dood: hij was te vroeg geboren en bleef door een wonder in leven en zes jaar later werd hij uit een brandende pastorie gered. De laatste catastrofe was sindsdien voor hem een beeld van de zondige ten onder gaande wereld. In 1714 ging hij naar de Charterhouse School in Londen en acht jaar later liet hij zich inschrijven aan de Universiteit van Oxford. Hij viel hier op door zijn grote schranderheid en ijver. 4
Zijn ouders drongen er bij hem op aan om theologie te studeren met het oog op een predikantschap. Zijn interesse richtte zich eerder op devotionele en mystieke boeken dan op de systematische godgeleerdheid. Hij las Thomas à Kempis, Jeremy Taylor, Henry Scougal, Molinos, Fenelon en andere boeken van roomse mystici en vroegere kerkvaders met een ascetische inslag. Het ging hem om de innerlijke doorleving van de christelijke waarheden. In 1725 werd hij geordend tot ‘deacon’ in de Engelse Staatskerk en een jaar later volgde de benoeming tot ‘fellow’ aan het Lincoln College van Oxford. Hij gehoorzaamde daarop zijn vader door hem in Epworth te assisteren. In 1728 werd hij tot priester geordend, maar hierop volgde geen verhuizing naar een parochie, omdat hij een ‘Fellowship’ aanvaardde aan de Universiteit van Oxford.
In die tijd las hij William Laws Christian Perfection en diens Serious Call. Law as een mystieke schrijver uit de Engelse kerk die veel invloed zou gaan uitoefenen op
Wesleys theologische visie die hij later ontwikkelde. Bij zijn ‘fellowship’ aan de universiteit kwam hij in aanraking met een kring van studenten en jonge predikanten, waartoe George Whitefield (sinds 1735), Benjamin Ingham, James Hervey en zijn broer Charles behoorden. De leden van deze ‘Holy club’ (een spotnaam!) hielden zich bezig met de praktische godsdienst van het hart en leven. Behalve het onderzoek van de Schrift en van mystieke boeken deden zij liefdadigheidswerk onder de armen, gevangenen en gaven les van kinderen die van onderwijs waren verstoken. Op woensdag en vrijdag werd gevast en veel tijd werd besteed voor gebed en zelfonderzoek. Vijf jaar lang gaf John een bijdrage aan het reilen en zeilen van deze vereniging gegeven. In die tijd werden hij en de clubleden voor het eerst ‘Methodisten genoemd.’ 5
Bekering

Geestelijk verkeerde hij in die jaren in het duister. Zijn ernst en vrome werken gaven hem geen voldoening en vrede. Zijn preken hadden van 1725 tot 1729 volgens zijn eigen zeggen geen vrucht. ‘Inderdaad,’ zo merkt hij op, ‘ik kon dit niet hebben, want ik legde het fundament van bekering, noch dat van het geloven in het Evangelie. Ik nam aan dat allen voor wie ik preekte gelovigen waren en dat velen van hen ‘de bekering niet nodig hadden’. 6



Voor hem werd dit gebrek aan zegen op zijn bediening en het gemis van geloofszekerheid zo frustrerend dat hij met Charles besloot om een reis naar Amerika te maken. Overigens kampte Charles ook met hetzelfde probleem. In 1735, na het sterven van hun vader, zeilden de beide broers met nog enkele geestverwanten naar de kolonie Georgia aan de oostkust van Noord-Amerika. Deze reis diende in ieder geval om hen uit het isolement van ascetische vroomheid te halen. Het doel om ‘te leren wat de ware zin van de evangelieprediking aan de heidenen’ is werd echter niet bereikt. Het werd een grote mislukking! ‘Ik ging naar Amerika om indianen te bekeren, maar o, wie zal mij bekeren?... Wie zal mij verlossen van de angst van de dood?’ Toch is het de vraag of zijn verblijf in Amerika zo onproduktief was. In ieder geval was Whitefield die een jaar later naar dezelfde streek ging, heel positief over Wesleys optreden: ‘Zijn naam is zeer dierbaar onder het volk en hij heeft een fundament gelegd die naar ik hoop geen mensen noch duivelen kunnen doen schudden.’
Tijdens de heenreis ontmoetten de Wesleys een groep moravische broeders uit Duitsland die zich voor het zendingswerk hadden afgezonderd. In Georgia hadden zij gesprekken met hun leider Spangenberg. Deze eerste vroeg John op de man af: ‘Geeft de Geest van God met uw geest getuigenis dat u een kind van God bent?’ Hij wist niet wat hij daarop moest zeggen. Toen kwam de vraag of hij Jezus Christus kende. Wesley zei aarzelend: ‘Ik weet dat Hij de Zaligmaker is der wereld.’ ‘Dat is waar maar weet u dat Hij u verlost heeft.’ Meer dan ooit werd hij zich nu bewust dat hij de zekerheid van zijn persoonlijk heil miste. Terug gekomen in zijn vaderland zocht John in februari 1738 Peter Böhler op die in die tijd leider was van de Moravische Broeders in Londen. Hij beschouwde hem als een schriftgeleerde die op de school van de Heilige Geest was onderwezen. Zowel John als Charles waren geestelijk ten einde raad. Door gesprekken met Böhler ontdekten zij hun eigen geestelijke armoede en onkunde in de weg der zaligheid. ‘Mijn broeder, mijn broeder, die filosofie van u moet worden uitgezuiverd,’ zo riep de Duitser op een keer uit. 7
In welke leer onderwees Böhler de Wesleys? Hij vertelde hen dat in het ware geloof twee zaken onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn: ‘Heerschappij over de zonde en een gedurige vrede die voortkomt uit een bewustzijn van de vergeving.’ Dit was voor hen geheel nieuw. Onderzoek van de Schrift bevestigde John in de waarheid van deze uitspraak. Maar dit was voor hem persoonlijk nog geen oplossing. Van binnenuit was er nog steeds verzet tegen deze leer. Om zijn mening vanuit de praktijk te onderbouwen, bracht Böhler enkele geloofsgenoten mee die getuigden dat zij leefden in de vrijheid waarmee Christus hen had vrijgemaakt. Zij onderstreepten dat het geloof een gave van God is die uit genade geschonken wordt. Dit geloof wordt in een ogenblik in het hart gewerkt. Dat verbaasde hem, omdat hij steeds gedacht had dat geloof en bekering na veel strijd en worsteling verkregen worden. Böhler beklemtoonde dat om dit geloof te ontvangen alle hoop op iets in de mens of in zijn werken moet worden verzaakt. Het geloof is rechtvaardigend van aard en richt zich op de volkomen verdienste van Christus. Het rust op Christus en op Zijn gerechtigheid.

Toen Wesley dit aanhoorde, werd hij verbijsterd en riep hij uit: ‘Hier eindigt mijn geredeneer. Ik kon niet anders doen dat uitroepen: “Ik geloof, Heere, kom Gij mijn ongeloof te hulp.” Nu was ik hiervan geheel overtuigd en besloot ik dit geloof tot dat doel te zoeken.’ 8


De grote doorbraak voor John kwam op 24 mei 1738. Charles was enkele dagen daarvoor tot zekerheid gekomen. In de vroege morgen opende hij zijn Bijbel bij 2 Petrus 1 : 4, ‘Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der goddelijke natuur deelachtig zoudt worden.’ ’s Avonds ging hij naar de ‘society meeting’, het gezelschap, van de Moravische Broeders in de Aldersgate Street in Londen. Daar las iemand het voorwoord van Luther in zijn verklaring van de Romeinen, waarin deze vaststelt dat alleen het geloof rechtvaardigt. Onder het lezen ontving Wesley een wonderlijke ervaring. Hij schrijft:

Ik voelde dat mijn hart vreemd verwarmd werd. Ik voelde dat ik in Christus, in Christus alleen tot zaligheid, vertrouwde. Er werd mij een verzekering gegeven dat Hij al mijn zonden, ja zelfs de mijne, had weggenomen en mij verloste van de wet der zonde en des doods. Toen kon ik openlijk aan allen hier getuigen wat ik nu voor het eerst in mijn hart voelde. 9


Deze ervaring van zijn persoonlijke heilszekerheid veranderde zijn hele leven en bediening. Hij schreef aan aartsbisschop Secker: ‘Het is waar dat ik vanaf 24 mei 1738 wanneer van mij verlangd werd om te preken, de zaligheid door het geloof mijn enige thema was.’ Zijn hart was nu vol van de liefde van Christus en hij was bereid om de zaken die hij beleefd had door te geven. ‘Toen behaagde het God om een vuur te ontsteken waarvan ik hoop dat deze nooit zal worden uitgeblust.’ Zijn prediking begon nu vrucht te dragen. ‘God begon toen door mijn bediening te werken als Hij nooit eerder gedaan had.’ Het geloof in Christus was nu het aambeeld waarop hij hamerde. Bij een evaluatie van zijn bediening die hij op latere leeftijd maakte, schreef hij:
Van 1738 tot op vandaag heb ik steeds gesproken van Jezus Christus. Ik stelde Hem tot het fundament van het gehele gebouw en maakte Hem in alles tot de Eerste en de Laatste. Ik preekte alleen over dit heilsplan ‘dat het koninkrijk van God nabij gekomen is; bekeert u en geloof het Evangelie.’ Het Woord van God ging als een vuur door de stoppels. Het werd meer en meer verheerlijkt en menigten van zielen riepen uit: “Wat moeten wij doen om zalig te worden. Later getuigden deze: “Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof.” 10
Ondanks de nadruk die Wesley legde op het geloof, laat hij zich in het vervolg vaak door zijn gevoel leiden. Als het gevoel niet aanwezig is, vroeg hij zich soms af of zijn bekering wel echt geweest is. De Lutherse nadruk op de rechtvaardiging door het geloof, was niet altijd helder bij hem. In een preek over ‘Gods vrije genade’ die hij in het gedenkwaardige jaar 1738 uitgaf, verdedigt hij de vrije genade ‘in allen’ en ‘tot allen’ die geloven, maar in de jaren die volgden verlegde hij het fundament meer van ‘Christus voor ons’ naar ‘Christus in ons.’ Wanneer hij Böhlers visie helemaal zou overnemen, moest hij breken met enkele mystieke elementen in zijn geloofsopvatting die hij aan schrijvers als William Law had ontleend. Uit een briefwisseling met Law wordt duidelijk dat de manier waarop Wesley het geloof verwoordt voor Law te kort door de bocht is. Volgens hem kan het hoofd zich wel inbeelden met ‘een levend en rechtvaardigend geloof in het bloed van Jezus,’ terwijl het hart nog vol is van eigenliefde. 11
Deze spanning tussen het geloof, dat in de eerste plaats in ‘kennis’ bestaat, en de vernieuwing van hart en leven is hem zijn gehele leven bij gebleven. In het tweede referaat kom ik daarop terug. Overigens is het geen vreemde zaak dat hij zich na deze bijzondere ervaring in Aldersgate Street zo op de uitgangen van zijn hart concentreerde. Na de tijd van de ‘eerste liefde’ dat de vrede en rust zijn hart beheersten, kwam hij zijn oude zonden weer tegen. Deze en de aanvechtingen van de satan brachten hem in de war. Op 25 mei, een dag na de Aldersgate ervaring schreef hij in zijn dagboek: ‘Jezus, Meester, was in mijn hart en in mijn mond en ik vond dat al mijn sterkte hierin gelegen was, dat ik mijn oog op Hem gevestigd had en mijn ziel Hem gedurig verwachtte.’ Maar de vijand fluisterde hem daarop in: ‘Als je dan gelooft, waarom is dan geen sprake van een meer gevoelige verandering’, waarop hij antwoordde dat hij ‘nu vrede met God had.’ De volgende dag was het ook vrede, maar weer werd hij geplaagd door aanvallen van de boze. Een Moravische broeder gaf hem de raad om hier niet tegen te vechten, maar om dadelijk ‘te schuilen in de wonden van Jezus.’ Zo werd hij tussen hoop en vrees geslingerd. 12
Leider van methodistische opwekking
Accenten in de prediking

Het is begrijpelijk dat Wesley na zijn bekering meer contact zocht met de Moraviërs. Samen met Benjamin Ingham bezocht hij hen in Nederland en in Duitsland, zoals de leider van hen, Graaf Von Zinzendorf in Marienborn en het ‘hoofdkwartier’ van de gemeenschap in Herrnhut in Saksen. Gesprekken met leiders en leden over geloofsvragen waren voor hem verhelderend, maar namen niet al zijn onzekerheden weg. Het ging bij de Herrnhutters meest over de rechtvaardiging, de zekerheid van de vergeving en de inwoning van de Geest. In zijn dagboek nam hij verschillende getuigenissen van de Moraviërs die hij sprak over, waaruit blijkt dat ook zij vaak na veel strijd tot zekerheid gekomen waren. Deze getuigenissen raakten hem diep. Hij bespeurde bij hen meer voortgang in de heiliging en strijd tegen de inwonende zonde dan bij zichzelf.13 Het ideaalbeeld dat hij van de Herrnhutters kreeg, werd later wel wat bijgeschaafd. Excessen die herleid kunnen worden tot allerlei vormen van geestdrijverij leidden uiteindelijk tot een breuk met hen. Bij de zogenaamde ‘Pinksteruitstorting’ in de Fetter Lane Society in Londen op Nieuwjaarsdag 1739 waren de banden nog hecht, maar het sektarische drijven en de uitgesproken exclusiviteit van deze gemeenschap maakte het voor de anglicaanse Wesleys onmogelijk om langer met hen samen te werken. Toch heeft de periode dat Wesley met hen omging de basis gelegd voor de verdere ontwikkeling van zijn geestelijke leven en visie op de heiliging. Het centraal stellen van Christus in het geloofsleven sprak hem wel aan. Wel nam hij afstand met de mystieke ‘bloed en wondenleer’ die Zinzendorf dreef. Zijn grootste beschuldiging aan hun adres was die van antinomianisme. Hij vond hen te veel met de genade schermen en te weinig nadruk leggen op het leven van heiligmaking. Vooral Böhler vond hij eenzijdig in zijn nadruk op der rechtvaardiging en zekerheid. Daarbij speelde een rol dat hijzelf vaak door twijfel over zijn eigen staat werd geplaagd.14


Evenals bij Whitefield was voor de Wesleys het preken in de open lucht een keerpunt in hun bediening. Met de Bergrede van Christus als voorbeeld, stond John in de buurt van Bristol op een kleine verhoging en sprak daar tot ongeveer drieduizend mensen. In 1739 kocht hij de zogenaamde Foundery in Londen met het oog op het bijeenkomen van ‘societies’. Al spoedig kwam de tweeledigheid van zijn roeping tot ontwikkeling: aan de ene kant de evangelisatorische boodschap van bekering en aan de andere kant het toerusten van hen die tot geloof gekomen waren. Hoofdactiviteit bleef de evangelieverkondiging onder de volksmassa. Evenals bij Whitefield was de belangstelling enorm. 15 Het is opmerkelijk dat de inhoud van hun preken zo’n grote invloed had op de manier van bekering. De emotionele effecten op de hoorders waren groter dan bij de preken van Whitefield. Er was kennelijk een verband tussen deze verschijnselen en de manier waarop zij preekten. John hechtte veel waarde aan gevoelsmatige uitingen die niet direct hadden te maken met het karakter van de bekering. Hij stimuleerde zelfs bijkomende lichamelijke verschijnselen, de zogenaamde ‘phenomena’, en beschouwde deze als kenmerken van wedergeboorte. Zo schreef Wesley op 21 april 1739 van een ‘jonge man die plotseling door een hevig beven werd getroffen en binnen enkele minuten op de grond neerviel’. ‘Maar wij hielden niet op om God aan te roepen, totdat Hij hem opwekte, vol van “vrede en blijdschap in de Heilige Geest”.’ Een week later verhaalt hij van ‘sterke uitroepen en tranen’ van een vrouw die door het Woord was aangeraakt. Zij was zo hevig ontsteld dat ‘grote druppels zweet over haar gezicht liepen en al haar beenderen begonnen te schudden’. Deze symptomen kwamen steeds meer voor en verstoorden de samenkomsten. 16 De Erskines in Schotland die toen met de Wesleys correspondeerden, waarschuwden John voor dergelijke emoties: ‘Een misleidende geest kan arme zielen bewegen om op indrukken, gemoedsbewegingen en wat zij in zich voelen, te gaan rusten, alsof dit alles de grond en reden van hun hoop is.’17
Breuk met Whitefield

Al spoedig bleek dat John Wesley binnen de Methodistische opwekking een eigen koers wilde gaan. Zijn schuchterheid, die hij in het begin aan de dag legde, ging na verloop van tijd over in een zekere eigenzinnigheid. Tijdens de afwezigheid van Whitefield, die voor de tweede maal naar Ameirka reisde, was hij de onbetwiste leider geworden. Hij drukte zijn stempel op de uitbouw van de beweging en deed dat met zijn eigen methoden en theologische accenten, die voor een deel haaks stonden op die van Whitefield. Wesley maakte niet alleen te weinig onderscheid tussen de werkingen in de menselijke geest en de zaligmakende werkingen van de goddelijke Geest, maar hij gaf in het openbaar aan grote moeite te hebben met de calvinistische visie op de uitverkiezing. In een preek over Romeinen 8:32 die hij in april 1739 in Bristol hield, trok hij van leer tegen ‘the horrible decree’, de eeuwige voorverordinering. Met dit onvoorwaardelijke en eeuwige besluit van God was de boodschap van het Evangelie in zijn ogen krachteloos en onnodig, want God heeft immers als lang bepaald wie er zalig zullen worden en wie niet! De opschudding kwam eerst goed op gang toen Wesley deze preek onder de titel ‘Free Grace’ publiceerde. Whitefield was bedroefd, toen hij van de commotie hoorde die deze preek had verwekt. Hij schreef hem: ‘Als je de vrede van de kerk voor ogen hebt, houd dan je preek over de predestinatie voor je. Maar je hebt het lot geworpen! O, mijn hart is in het binnenste van mij als gesmolten was.’ Toch werd de grote waardering door deze teleurstellende gebeurtenissen bij Whitefield niet geschaad. Hij schreef: ‘De Heere geve Hem [Wesley] tienduizend keer meer succes dat Hij mij gegeven heeft.18


Vanuit zijn weeshuis in Georgia in Amerika schreef Whitefield in december 1740 een lange brief aan Wesley die enige tijd later werd gepubliceerd. De toon hiervan is soms scherp, maar toch bleef hij hartelijk. Daarin bestreed hij niet alleen Wesleys standpunt over de predestinatie, maar ook zijn gedachten over de vrije wil, zijn verdediging van de algemene verzoening, zijn ontkenning van de volharding en pleidooi voor de volmaaktheid die een gelovige in zijn ogen kan bereiken. Na de terugkeer van Whitefield in maart 1741 bleek dat de meningen van beiden lijnrecht tegenover elkaar stonden. Een publicatie van Wesley in hetzelfde jaar over de volmaaktheid deed nog meer stof opwaaien. Whitefield vertelde Wesley dat zij twee verschillende evangeliën preekten en daarom niet met elkaar konden samenwerken. De Societies werden hierop gespitst met alle droevige gevolgen van dien. De verwijdering tussen hen veroorzaakte veel verbittering en soms nijd. Gelukkig luwde de storm na enkele jaren en kwam er weer een vorm van samenwerking. Whitefield concentreerde zich meer op Schotland, Engeland en zijn eigen kapellen die door Lady Huntingdon waren gefinancierd. Wesley had veel aanhang in Engeland zelf en in Ierland waar hij met veel zegen preekte, ook onder het rooms-katholieke bevolkingsdeel. Zowel in Bristol als in Londen had hij zijn hoofdkwartier. Vanuit Bristol maakte hij veel reizen naar Cornwall waar hij soms voor duizenden preekte. 19
De eigen weg van Wesley

‘Ik beschouw de hele wereld als mijn parochie.’ Deze opmerking tekent zijn passie voor evangelisatie die hij met Whitefield gemeenschappelijk had. Zijn boodschap die ondersteund werd door zijn ruime visie op de reikwijdte van de verzoening, was: ‘Alle mensen hebben nodig om gered te worden, alle mensen kunnen gered worden, alle mensen kunnen weten dat zij gered zijn en alle mensen kunnen volkomen zalig worden.’20 Toch maakten zijn arminiaanse opvattingen zijn boodschap niet oppervlakkig. De kern van zijn prediking was zonde, wedergeboorte, geloof, berouw, bekering en heiliging. Daarbij stond de persoon van Christus, Zijn werk en het werk van de Heilige Geest centraal. Vooral de heiliging (Christus in ons) was het aambeeld waar hij op hamerde. De erfzonde en het feit dat een mens buiten de genade niets kan toedoen aan zijn zaligheid leerde hij stellig.21 Het aandringen op geloof en zondeovertuiging had wel een voorwaardelijk karakter. Hij dringt aan op een menselijke beslissing, maar honoreert daarbij wel de genade van God. ‘We zijn dood voor God,’ zo merkt hij op in een preek. ‘Dood in de zonden en misdaden. We dragen nu het beeld van de duivel in plaats van het beeld van God en dat komt in uiting in onze trots, in onze eigenwilligheid, in onze zinnelijke genoegens. Onze zonden wijzen ons erop dat wij een nieuw levensbeginsel nodig hebben.’ Maar wedergeboorte is onmogelijk zonder berouw over de zonden. ‘Zij die voelen dat ze slechts geschikt zijn voor de hel zijn er precies klaar voor om Gods eer te verbreiden; de heerlijkheid van vrije genade die de goddeloze en de persoon die niet werkt, rechtvaardigt.’ Wesley legt veel nadruk op het verzoeningswerk van Christus en de noodzaak van het geloof in Zijn bloed. Maar de meeste nadruk laat hij misschien wel vallen op de noodzaak van heiliging. Daar is vooral de nazorg van de zielen die onder de prediking getroffen waren en tot geloofsdoorbraak kwamen, op gericht.22


Behalve zijn broer Charles stond een ‘leger’ van helpers om hem heen. Hij wist hen te coachen, te corrigeren en toe te rusten. Hij schroomde niet hun werk te stoppen, als zij in zonden vielen of zich tegen zijn leiding verzetten. Regelmatig trok hij door het land om ‘visitatie’ te houden. Zijn werkkracht was groot. Aan het einde van zijn leven was de Methodistenbeweging zo gegroeid dat zij alleen al in Engeland meer dan 75.000 leden telde. Meer dan 300 predikers dienden de Wesleyaanse ‘Societies’ of trokken het land door. Wesley ging tot zijn dood in 1791 onophoudelijk door met zijn werk. Vele duizenden kilometers legde hij met zijn paard en later met zijn rijtuig af. Hij moet meer dan 40.000 preken gehouden hebben. Ook besteedde hij aandacht aan de uitgave van zijn eigen boeken en herdrukken van vele puriteinse en mystieke geschriften; de laatste bevatten 50 kloeke boekdelen. Hij had een zekere voorliefde voor mystieke schrijvers, maar ook had hij de Puriteinen hoog staan. Dan waren er de vele landelijke en districtvergaderingen, waarin hij een sleutelrol vervulde. Hij was een man van organisatievermogen en gezag.23 Zijn huwelijk op latere leeftijd was niet gelukkig, wat hem vaak neerdrukte. Hij trouwde in 1751 met een vermogende weduwe. In die tijd dicteerde hij zijn grafschrift, waarin hij zichzelf ‘een vuurbrand uit het vuur gerukt’ heet en het eindigt met het gebed: ‘God wees mij onnutte dienstknecht genadig.’ Tot het laatste toe bleef hij de Kerk van Engeland trouw. In Amerika kwam wel een Methodistenkerk voort die zich snel uitbreidde en een zelfstandige status verkreeg. In Engeland had hij veel steun van John Fletcher of Madeley die enige tijd hoofd was van de door Lady Huntingdon gestichte opleidingsschool in Trevecca in Wales.

Op 2 juni 1791 ging John Wesley heen. 88 Jaar was hij oud. Hij stierf in zijn onderkomen aan de City Road in Londen, waar hij werd begraven. Veel sprak hij niet op zijn sterfbed. Hij haalde de woorden aan van een lied van Isaac Watts: ‘Ik zal mijn Maker prijzen zo lang ik adem’, waarbij hij sprak: ‘Het beste van alles is God in ons.’24 Toen de bekende William Wilberforce hem vóór zijn sterven bezocht, vatte hij zijn leven als volgt samen:


Ik heb tussen de vijftig en zestig jaar gezworven en mij ervoor ingezet om op mijn zwakke manier een weinig goed te doen aan mijn medeschepselen… Ik kan niets van wat ik gedaan of ondergaan heb aanmerken dat de aandacht waard is. Ik heb geen andere pleitgrond dan deze:

Ik ben de voornaamste van de zondaren

Maar Jezus is voor mij gestorven.
In het kader van dit getuigenis moet de opmerking worden gezien die hij hierna deed: ‘Er is geen andere weg in het heiligdom dan door het bloed van Jezus.’ Dit was in feite zijn leven, de slogan van zijn geloof. Hier legde de grijsaard zijn anker neer, in het binnenste heiligdom. 25

TWEEDE REFERAAT: Wesleys karakter, invloed, theologische accenten en relevantie voor vandaag


Karakter en betekenis

J.C. Ryle noemt John Wesley de tweede in rangorde van die een leidersrol vervulden bij de grote opwekkingsbeweging in het Britse rijk in de achttiende eeuw. Vijfenzestig jaar heeft hij in Gods koninkrijk gewerkt. Ryle merkt terecht op: ‘Zijn leven is herhaaldelijk door zijn vrienden en volgelingen geschreven, zijn werken zijn steeds herdrukt, zijn stelregels en grondprincipes zijn eerbiedig bewaard en als de beenderen van Jozef gebalsemd.’26 Als organisator stak hij met kop en schouders boven Whitefield uit. Zijn preektalent was groot; evenals Whitefield was hij direct, ernstig en bewogen in zijn aanspraak. Maar, zo zegt Ryle, ‘hij was niet tevreden met het oogsten van de velden die hij rijp vond voor de oogst. Hij nam het koren op, bond het tot schoven en vergaderde deze in de schuur.’ 27 Daarvoor had hij een breed scala van helpers, zoals lekenprekers, groepsleiders (class-leaders) die de Societies in goede banen moesten leiden. En waren er de ‘love feasts’ en ‘watchnights’, liefdemaaltijden en gebedstijden waar de gelovigen de onderlinge band konden versterken en zich inzetten voor Gods koninkrijk, niet alleen voor hun eigen geestelijke opbouw en groei, maar ook met een gebedslast voor de bekering van hen die ‘buiten zijn.’ Zijn verblijf in Herrnhut en contacten met Moravische Broeders inspireerden hem om terug te keren naar de praktijk van de eerste christengemeente. Dit betekende geen breuk met de traditionele eredienst en sacramentsbediening, maar een aanvulling op de kerkdiensten waarin de gelovigen zelf weinig inbreng hadden. Persoonlijke gaven konden binnen de kerkelijke traditie moeilijk tot ontplooiing komen, maar de samenkomsten van de ‘Societies’ boden de mogelijkheid tot verdere geestelijke ontwikkeling en groei. Ook werd daarbij gebruik gemaakt van het vrije lied dat door een aanzienlijk aantal van ‘hymnwriters’ werd aangeleverd.


Ryle geeft een beschrijving van zijn kwaliteiten en karakter. Als eerste eigenschap noemt hij ‘zijn oprechtheid en vasthoudenheid in het nastreven van zijn doel.’ Bijbedoelingen zullen ook bij de groten in Gods koninkrijk een rol blijven spelen, maar zijn intentie was ten diepste om zielen voor Christus te winnen. Zijn passie was intens en diep. Als tweede eigenschap noemt Ryle zijn buitengewone ‘ijver, zelfverloochening en tijdsinvulling (economy of time).’ Het was alsof hij elke minuut van zijn leven wilde benutten om zich van zijn immense taak te kwijten. Zijn gebed was vaak: ‘Heere, laat mij niet leven om nutteloos te zijn.’ Had hij dan geen tijd voor studie? Geschiedenis, poëzie en filosofie las hij als hij op zijn paard zat. Hij bezat een grote kennis van zaken ook op theologisch gebied. Zijn preken waren wel geen exegetische hoogstandjes, maar wel onderbouwd. Dit betekende niet dat hij altijd consistent was in zijn uitspraken. Zijn gevoelsleven was vaak te veel zijn graadmeter, waardoor zijn theologische uitspraken soms ambivalent konden zijn. Toch maakte hij een vastberaden indruk. Als laatste punt noemt Ryle ‘zijn wonderlijke veelzijdigheid in zijn gemoed en vermogen om op vele gebieden in zich op te nemen.’ Hij kon heel makkelijk van het ene onderwerp op het andere overspringen. Dat gold niet alleen voor zijn studiezin, maar ook voor zijn eigen produkties. De ene dag was hij bezig met dichten en de andere dag met een bijbelcommentaar dat hij over de gehele Bijbel wist af te ronden. Dan kon hij bezig zijn met het opstellen van regels voor de prediking, ook voor de houding van de voorgangers, de lengte van hun preken en ga zo maar door. 28 Ryle probeert ondanks de leergeschillen die hij met Wesley heeft, toch een positieve tekening te geven van de man en zijn werk. Hij gaat daarbij voorbij aan zij soms eigenzinnig en dominant optreden. Wesley kon op ongezouten wijze iemand de les lezen. Dit deed hij bij voorbeeld met Lady Huntingdon, die hij beschuldigde van hoogmoed en het najagen van eigen eer. Maar zowel de Lady als hij waren dominant, maar gelukkig wisten beiden ook van vergevingsgezindheid en ootmoed. Wat iemand over de Lady schreef, is ook op Wesley van toepassing: ‘Had zij (de Lady) een volmaakt karakter? Nee! Dit is niet het lot van sterfelijke mensen aan deze zijde van het graf. Wanneer de maan in alle helderheid schijnt, zijn haar schaduwen het meest zichtbaar.’ 29 Zo hebben velen geprobeerd Wesley te karakeriseren. Zij hebben zijn karakter, gaven, organisatietalent en ook zijn psychologische tegenstelling op een rij willen zetten. En zijn karakter was zeer complex! Volgens een methodistische historicus is men daar ten dele in geslaagd. Hij merkt op: ‘De echte John Wesley is hen allen ontsnapt’. 30
Theologische accenten

Invloedsferen

Er zijn veel pogingen gedaan om Wesleys theologie in kaart willen brengen, maar ook op dat terrein blijkt het moeilijk te zijn om een onbevooroordeeld oordeel te geven. Dit komt ook omdat hij bij zijn theologische vorming en doordenking geen stabiele lijn volgt, maar erg ambivalent is.31

De botsing met de calvinistische leer behoort tot de schaduwzijden van Wesleys leven. Afwijkingen van de reformatorische leer mogen niet worden versluierd, maar ook niet worden uitvergroot. We moeten Wesley niet alleen door de bril van Calvijn bekeken en verschillen met hem etaleren en detailleren. Naar mijn gedachte wordt het echte beeld van hem daardoor vertroebeld en verduisterd. Ik wil proberen hem recht te doen, zonder zijn arminianisme te bagatelliseren.
Iain Murray geeft aan dat Wesley bij de doordenking en vorming van zijn theologische accenten beëinvloed is door een de zogenaamde hoogkerkelijke spiritualiteit binnen de anglicaanse traditie, het mysticisme en de theologie van de Moravische Broedergemeente. 32De eerste invloedsfeer kreeg hij thuis mee; zijn ouders waren eensgeestes met het anglicaanse denken dat wordt gestempeld door overdreven aandacht voor de sacramenten, waaraan kracht tot vernieuwing en zelfs het wegnemen van de erfzonde wordt ontleend. Daarbij kwam dat vooral zijn moeder een aversie had tegen de leer van de predestinatie en deze niet onder stoelen of bank verborg. Thuis en tijdens zijn studententijd nam hij kennis van rooms-katholieke mystici en niet te vergeten van de boeken van de anglicaanse mysticus William Law, die hem het meest hebben beïnvloed. Tijdens de crisis die uitmondde in zijn bekering, kwam hij wel terug op sommige van hun stellingen, vooral toen hij met de Herrnhutters in aanraking kwam, maar zijn liefde tot mystieke boeken is hem wel bijgebleven. 33 Trouwens ook bij de Moraviërs kwam hij een zware nadruk tegen op de ervaring van het hart, ondanks dat zij hem met de rechtvaardiging in aanraking brachten. Hij viel voor hun genadeleer die Lutherse elementen bevat, maar stootte niet door tot de leer van de toegerekende gerechtigheid. Deze kwam ook bij de Herrnhutters niet uit de verf. Wel meende hij dat hun nadruk op de rechtvaardiging en het geloof zo groot was, dat het gevaar van ontsporing daarbij niet denkbeeldig was. Terecht zag hij bij hen een doorvloeien naar antinomiaanse dwalingen. Als reactie hierop ging Wesley meer aandacht geven aan de heiliging, helaas ten koste van de rechtvaardiging van de goddeloze. Zo kon hij ongenuanceerd scherpe kritiek leveren op de geloofsleer van de Reformatie, wat bij Whitefield en vele anderen in het verkeerde keelgat schoot.
Ervarings- en heiligingstheoloog

Terecht noemt Maris in zijn proefschrift Wesley een ervaringstheoloog. ‘Zijn denken en prediking was in sterke mate gericht op religieuze ervaring.’ Dat wil niet zeggen dat de Schrift bij hem een ondergeschikte rol speelt. Ook was zijn theologie niet enkel ervaring, want het geloof in het zien op Gods beloften in Christus is voor hem een wezenlijk element van het kennen van God. Maar de manier waarop hij het geloof omschrijft en daarmee omgaat, doet soms mystiek aan. Daarbij komt nog dat hij de zekerheid als een aparte genade ziet die door het getuigenis van de Geest in het hart wordt verkregen. Voorbeelden daarvan had hij vooral bij de Moravische Broeders waargenomen. Hij vond dat de accenten die Luther en Calvijn op de rechtvaardiging door het eenvoudige geloof leggen, ten koste gaat van de geboden van God als leefregel voor de gelovigen. Daarom kan hij niet alleen ervaringstheoloog, maar ook de theoloog van de heiliging genoemd worden. En de ervaring blijft ook bij de heiliging een belangrijke rol spelen.34


Bij de ruimte die Wesley aan de ervaring geeft, geeft hij ook aan dat de heiliging door het geloof wordt verwerkelijkt. Maar het geloof gaat in zijn opvatting nog verder; zij heeft een zodanige kracht door de genade van God dat een gelovige tot een algehele heiliging (entire sanctification) kan komen, zo zelfs dat de zonden geheel worden overwonnen. Het boek van William Law, de Christian Perfection dat hij in de tijd van de ‘Holy Club’ gelezen had, had een blijvende indruk bij hem nagelaten. Tegenover de calvinistische leer van de ‘volharding der heiligen’ in de strijd tussen ‘geest en vlees’, verdedigde hij dat de christen in de heiliging het niveau moet kunnen bereiken van een ‘zondeloze volmaaktheid.’ 35 Wilde Wesley met zijn heiligingsleer propageren dat een gelovige op de hoogste trap van heiligmaking geen zonde meer heeft? Hoewel hij zich op dit punt, volgens Packer, verwarrend uitdrukt, is dat niet zijn bedoeling. Met ‘zondeloosheid’ bedoelt hij dat de zonde geen vat meer heeft op de gelovige, als hij ‘volmaakt’ is in de liefde. De bedoeling van zijn leer is om de gelovige tot groei aan te zetten. Het bloed van Christus is niet alleen tot rechtvaardiging, maar dient ook om de ziel van de overblijvende zonde te reinigen en hem in heiliging te doen toenemen. Bij Wesley is de heiliging in de eerste plaats een innerlijk werk van Gods Geest, door de genade die in Christus is en niet de levenswandel alleen die daar een vrucht van is.
Tegenover de klassieke leer van de heiliging is die van Wesley eenzijdig en in feite subjectivistisch. Hij miskent niet alleen de kracht van de overblijvende zonde in de gelovige, maar hij neemt ook de troost weg van de volkomen rechtvaardiging door de toegerekende gerechtigheid van Christus. Het gevaar van zijn volmaaktheidsleer is dat de gelovige in een arrogantie vervalt dat hij de zonde heeft overwonnen. Hij heeft een hoge trap van heiliging bereikt en is geneigd om neer te zien op hen die nog niet zo ver gevorderd zijn.

Uit een geschrift dat Wesley vóór zijn sterven uitgaf, blijkt dat zijn heiligingsideaal zich geleidelijk heeft ontwikkeld. Vóór zijn bekering zag hij dat hij ‘niet zonder heiliging kon zalig worden.’ Bij de zogenaamde Aldersgate Street-ervaring ontdekte hij dat de rechtvaardiging ‘door het geloof komt’, en dat een mens zonder de werken vergeving ontvangt. Maar omdat hij daarna in het groeien in de genade een hapering waarnam, greep hij toch weer terug op de leer van Law. Zo werd volgens Maris voor Wesley uiteindelijk niet de rechtvaardiging, maar de heiliging beslissend tot zaligheid. 36


Geen agressief arminianisme

Het etiket ‘arminiaan’ waarmee Wesley onder ons getekend wordt, hoeft wel enige correctie. In de eerste plaats was hij geen agressieve arminiaan die de vrije wil drijft en mensen tot een oppervlakkige geloofsbeslissing aanzet. Ik bedoel dat Wesley in zijn preken en geschriften uitgaat van Gods vrije genade, zoals deze door de Heilige Geest in de vernieuwing en wedergeboorte van het hart gestalte krijgt. De welmenende aanbieding van deze genade staat centraal in zijn boodschap. Zijn keuze voor het arminianisme was in feite een reactie op het antinomianisme dat door de deur te openen voor een slordige levenswandel de genade krachteloos maakt.


Uit dit oogpunt stond hij ook op gespannen voet met de leer van de ‘toegerekende gerechtigheid.’ In een briefwisseling met James Hervey geeft hij aan moeite te hebben met het woord ‘toegerekend’. Hij wil het woord gerechtigheid niet alleen beperken tot de rechtvaardiging, maar vooral toepassen op de heiliging, maar dan in de zin van een inherente, door Gods Geest gewerkte gerechtigheid in de ziel van de gelovige. Zo merkt hij op dat ‘de leer van de toegerekende gerechtigheid niet tot bekering leidt maar tot ongebondenheid.’ De nadruk valt bij hem meer op de ‘rechtvaardigmaking’ dan op de ‘rechtvaardiging’, in de zin dat de gelovige door de Geest steeds meer vernieuwd en rechtvaardig wordt.37

Hetzelfde gevaar van antinomianisme ziet Wesley bij hen die naar zijn mening de uitverkiezing ‘drijven’ en dit leerstuk, evenals dat van de volharding, gebruiken tot vleselijke zorgeloosheid. Vervolgens had hij grote moeite om Gods liefde alleen tot de uitverkorenen te beperken, want ‘die liefde… breidt zich uit tot alle mensen, in zo ver dat Jezus Christus Zijn armen tot allen uitstrekt…’38


Het is duidelijk dat hij op een aantal belangrijke punten afwijkt van de leer van de Reformatie. Hierin willen wij hem niet navolgen. De nadruk die hij in het begin legde op de rechtvaardiging, werd later verlegd naar de heiliging. Hij zegt in 1773 in een gesprek met Richard Hill: ‘In het begin van het jaar 1738 geloofde ik [dat de rechtvaardiging de leer is waarmee de kerk staat of valt]. Spoedig daarna vond ik reden om hieraan te twijfelen. Sinds die tijd ben ik niet veranderd.’ Hill antwoordde hierop dat Wesley ook daarna meermalen op reformatorische wijze over de rechtvaardiging sprak. Hij wilde de rechtvaardiging echter alleen betrekken tot de vergeving van zonden en niet tot de toerekening van de gerechtigheid van Christus!39 In een preek over ‘De Heere onze Gerechtigheid’ wijst hij de beschuldiging af dat hij afwijkt van het oorspronkelijke protestantse standpunt en verzekert hij zelfs zijn hoorders dat hij hetzelfde leerde als Calvijn. Hij zag de rechtvaardiging niet als compleet, maar als een eerste trap van Gods gunst. Het blijkt echter dat hij zichzelf op dit punt nogal eens tegen spreekt.40 Een ander bedenkelijk punt is dat Wesley Romeinen 7 : 7-25 beschouwt als de worsteling om tot het geloof te komen en niet als de ervaring van de realiteit van de inwonende zonde die zelfs de verst gevorderde in de genade parten speelt. Daarmee laat hij de augustiniaanse visie op de overblijvende zonde bij de gelovigen varen. 41

Wesley wil met zijn verzet tegen in zijn ogen calvinistische stokpaardjes niet tekort doen aan de onverdiende genade van God. In zijn preken dringt hij niet alleen aan op de noodzaak van geloof en bekering, maar geeft hij ook uitvoerige beschrijving van het werk van Gods Geest bij de wedergeboorte, waarbij hij de kenmerken daarvan niet buiten beschouwing laat. Leerstellig mag hij dan arminiaanse standpunten huldigen, maar in zijn preken is daar weinig van terug te vinden.42


Positieve punten in Wesleys theologie

Bediening van Woord en Geest

Wat zijn de positieve punten in Wesleys theologie? Dat zijn niet de punten waarin waarin hij afwijkt van de reformatorische leer. We kunnen wel leren van zijn boodschap en van die van zijn geestverwanten. Iain Murray merkt op over de Wesleyaanse Methodisten: ‘De kracht in de prediking van de oude Methodisten is geen geschiedenis die tot de verbeelding spreekt, maar zij werd bepaald door de overtuiging dat het waarderen van de Schrift en het waarderen van de Heilige Geest niet van elkaar kunnen worden gescheiden. De predikers hanteerden een boodschap die niet van henzelf was en dit boezemde ontzag in.’ Hun bediening was met kracht en zalving. Dit is het eerste punt dat wij in positieve zin willen noemen. Het was in ieder geval Wesleys bedoeling om het Woord van God recht te doen en de kracht van de Geest niet alleen te ervaren, maar ook in deze kracht te spreken en te getuigen van de ene Naam Die onder de hemel gegeven is tot zaligheid.43


Aandacht voor het geloof bij de heiliging

Als tweede punt willen wij noemen de aandacht voor het geloof in de orde van het heil, zowel bij de rechtvaardiging als bij de heiliging. We gaven aan dat zijn geloofsbegrip overschaduwd wordt door de nadruk op de ervaring. Geloof en ervaring worden nogal eens met elkaar vermengd, maar in ieder zeker niet van elkaar gescheiden. Het geloof is bij Wesley in de eerste plaats gericht op geestelijke groei en opwas in de genade. Het vermogen om te geloven wordt in de wedergeboorte ingestort, waaruit de gelovige kracht ontvangt om zijn eigen zaligheid met vreze en beven uit te werken. Hij merkt op: ‘Eerst werkt God het in u; daarom kunt u werken, want anders zou dit onmogelijk zijn om eigen eigen zaligheid uit te werken. In de tweede plaats werkt God het in u; daarom moet u werken: u moet “tezamen met Hem werken (dit zijn de woorden van apostel); anders zal Hij ophouden met werken.’ Gods genade en de geloofswerken van de gelovige vormen bij Wesley een coöperatie. Het geloof speelt daarbij een sleutelrol. Wedergeboorte is bij hem wedergeboorte in ruimere zin, waarin de gelovige steeds meer aan het beeld van Christus gelijkvormig wordt. Dit brengt geen passieve houding voort, maar een streven naar meer kennis van Christus en naar meer heiligheid. Het geloof is in het proces van heiliging dus een werkzaam geloof dat zich niet alleen richt op het bloed van Christus tot reiniging van de zonden, maar vanuit de liefde van God brengt het vruchten voort van de Heilige Geest, zoals nederigheid, geduld, zachtmoedigheid.44 Hoe werkzamer het geloof is, hoe meer het zich richt op vermeerdering, des te beter de strijd kan worden gevoerd tegen de inwonende zonde. Het is een instrument om door de toevlucht te nemen tot Christus en van het verwachten van de invloeden van Gods Geest om de heiliging in hart en leven te laten uitwerken.


Streven naar volwassenheid in geloof en heiliging

Wesley richt zich bij de heiliging vooral op de overwinning van de inwonende zonde. Dit betekent echter niet dat de zonde geheel kan worden uitgeroeid. De positieve kant is de aandacht die hij besteedt aan de bijbelse woorden ‘volmaaktheid’ en ‘volmaakt zijn.’ Daarmee bedoelt hij het volwassen worden in het geloof en in de liefde (volmaakt in de liefde). Christenen moeten niet in de kindergeboorte blijven steken, maar toenemen in een heilig en toegewijd leven vanuit de vrijheid die in Christus is. Toegeven aan zonden en een slordig leven, brengen de ziel in het duister en bedroeven de Heilige Geest. Maar het werkzame geloof verwacht niet alleen dat God tot deze volwassenheid wil brengen vanuit Zijn belofte, maar beijvert zich dagelijks om daarnaar te jagen. Dat kan allen door Christus en het gebruik maken van Zijn bloed. Dan overheerst de zonde niet meer maar de genade. Wat bedoelt ten diepste Wesley met volmaaktheid (perfection)? Hij schrijft in 1767 aan zijn broer Charles: ‘Ik bedoel de ootmoedige, zachte, geduldige liefde van God die de mens in al zijn humeuren, woorden en daden in het gehele hart en in heel het leven regeert.’45 Wie zal de noodzaak hiervan niet onderschrijven? Persoonlijk kwam hij in 1765 tot de conclusie dat hijzelf deze standaard niet had bereikt! Perfection (volmaaktheid) was bij hem beslist geen zondeloosheid!46


Noodzaak van heilszekerheid

Als laatste positieve punt noem ik de nadruk op de noodzaak van de heilszekerheid. In het spoor van puriteinen als Thomas Goodwin c.s. beschouwt hij de verzekering van het kindschap als een bijzondere genade die in tijdsvolgorde volgt op de rechtvaardiging. Wesleys visie op de zekerheid is een van de belangrijkste kenmerken van zijn geloofsleer. Hij beschouwt deze verzekering als een extra, een ‘second blessing’, en verbinden deze niet met de wedergeboorte in engere zin. Bij hem is de heilszekerheid meer ervaringszekerheid dan geloofszekerheid, vanwege de nadruk op het gevoel van vrede en vergeving, als onderdelen van het getuigenis van de Geest in het hart. Om toe te nemen in heiliging is het nodig dat de gelovige van zijn geestelijke staat wordt verzekerd, anders is het gevaar van achteruitgang en verachtering in de genade des te groter. Het verband tussen de zekerheid van het heil en de vruchten van de Geest is bij de visie van Wesley onontbindbaar. Hij merkt hierover op: ‘Wat getuigt Hij [de Heilige Geest] in ons “dat wij kinderen Gods zijn.” Het onmiddellijke gevolg van dit getuigenis is “de vrucht van de Geest”, namelijk ‘liefde, blijdschap, verdraagzaamheid, geduld, goedheid.”En zonder deze kan het getuigenis niet voortduren.’47


Wesleys relevantie voor vandaag
Omgaan met de inwonende zonde

Bij onze referaten over Whitefield hebben we vooral aandacht gegeven aan het verloop van de methodistische opwekkingsbeweging, waarbij ook Wesley een belangrijke schakel was. Bij onze referaten over Wesley hebben wij zijn visie over heiliging en wedergeboorte willen belichten. Bij onze evaluatie wil ik vooral de noodzaak van heiliging binnen het kader van geestelijke vernieuwing en opwekking aanstippen. Persoonlijk wil ik vasthouden aan het reformatorische principe van ‘simul iustus, simul peccator’ (tegelijk rechtvaardige en zondaar). Dit is de troost van de gelovige die zichzelf dagelijks tegenvalt. Maar er is meer. De gelovige is niet alleen rechtvaardig in Christus, maar ook heilig in Hem! (HC Zondag. 23 spreekt zelfs van een toegerekende heiligheid). De sleuteltekst voor de heiliging die in de gereformeerde traditie verwaarloosd is, vinden we in Romeinen 6 : 11, 14, ‘Houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende in Christus Jezus, onze Heere’…’Want de zonde zal over u niet heersen, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.’ Dit geeft de positie van elke gerechtvaardigde gelovige aan, hoe hij zich ook voelt vanwege de inwonende zonde. Lovelace vindt het gelovig beoefenen van deze waarheid een probaat middel in de strijd tegen de zonde. De nadruk op de overwinning van de zonde in de weg van het geloven, vindt hij bij Wesley een positief punt en een probaat middel tegen geestelijke inzinking.48 Wordt de sleutel van Romeinen 6 niet over het hoofd gezien door Romeinen 7 zo uit te vergroten dat het ‘Ik ellendig mens’ tot de hoogste trap in de genade wordt verheven? Of wordt deze deeltekst vaak niet als excuus gebruikt om een armzalig geestelijk leven te camoufleren? We zeggen dan dat ‘het nooit wat met ons worden, want we blijven immers ‘arme zondaren’? Wordt de geestelijke groei hiermee niet getorpedeerd en krachteloos gemaakt?


Heilszekerheid is te verkrijgen!

Dan noem ik nog de noodzaak van heilszekerheid. Persoonlijk vind ik de geloofsdefinitie van Calvijn bijbels, ook omdat hij de persoonlijke heilszekerheid tot het wezen van het geloof rekent. De meeste Puriteinen en vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie beschouwen de verzekering van het persoonlijke heil als een extra genade (De Dordtse Leerregels nemen een middenstandpunt in, zie hfdst. 5 art. 10). Ook Wesley ziet de heilszekerheid als een aparte genade (second blessing). Wat kunnen we van hem leren?

De praktijk onder ons wijst uit dat er veel onzekerheid heerst over het kindschap. Velen worstelen met die vraag en richten zich daarbij meer op zichzelf, op hun eigen ervaringen, dan op de belovende God. Bij Wesley is de zekerheid een zaak van geloof en van ervaring! Op zich niet verkeerd, als we geloof en ervaring in balans houden en de ervaring niet aan het geloof vooraf laten gaan. Kan een tweede genade, laten we het een tweede bekering noemen, niet nodig zijn om ons dieper te verbinden aan Christus en Zijn weldaden? Mogen we daar niet naar staan, zeker als we zo tobben met geloofsvragen en met de vraag of onze bekering wel echt is? Zou het ons geestelijke leven niet vruchtbaarder maken, als we door Woord en Geest van ons kindschap overtuigd mogen worden? Lees in dit verband eens Romeinen 8 : 15, ‘Want gij hebt niet ontvangen de Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen de Geest der aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba Vader!’49
Heiliging is zowel passief als actief

Door alleen de heiliging te zien als ‘heilig in Christus’ is het gevaar aanwezig dat de christen op de leunstoel gaat zitten. Geestelijke groei wordt niet verkregen door maar stil te zitten. Dat heeft Wesley goed gezien, zij het dat hij in reactie op het antinomianisme wel eens doorsloeg. Lovelace wijst in dit verband op Filippenzen 2 : 12, 13 en Romeinen 6 : 12, ‘Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam…’ Het blijft een gebiedende wijs om te jagen naar de volmaaktheid, om de oude mens af te leggen, om Gods wet als regel des levens te hanteren. Let wel: het geloof in onze positie in Christus gaat wel vooraf! Zonder troost is er geen sprake van een evangelische heiliging. Laten we echter de ‘doe’ teksten niet passief maken! Maar wettische wapens doen in dit opzicht geen nut, als we niet strijden vanuit de vrijheid die in Christus is! Dan komt de heiliging door geloof weer naar voren. Dan geschiedt de doding van de zonde alleen vanuit Christus Die onze heiligmaking is!50


Opwekking is ten diepste gericht op heiliging

Wesleys theologie en leidersschap binnen de methodistische opwekkingsbeweging vond in ons land weinig ingang.51 Bij ons referaat over Whitefield hebben wij er op gewezen dat de opwekking in Nederland niet is doorgebroken. Ditzelfde geldt voor de doorwerking van een geestelijke vernieuwing in de kerken. Zonder oorzaken hiervan op te sommen, wijzen wij erop dat we niet alleen een bijbelse doordenking nodig hebben wat heiliging en vernieuwing inhoudt, maar ook een verlangen hiernaar door de werking van Gods Geest. Wanneer we ons staande weten te houden met enkele traditionele stokpaardjes is er iets goed mis. Als er geen zicht is op wat de Schrift met opwekking en vernieuwing bedoelt en wij deze in feite niet missen, zal de geestelijke doodsheid alleen maar bevorderd worden. Een logisch gevolg hiervan is dat het gebed verschrompelt en we steeds weerlozer worden tegenover de invloed van de ‘wereld.’ Dode vormen houden de geest van de tijd niet tegen. Als de beproeving werkelijk komt, ik bedoel de vervolging, hebben geen kracht om staande te blijven. We hebben dan op den duur niet meer dan een dood karkas zonder enige wezenlijke inhoud. Wat een vreselijke realiteit!

We hebben ‘de doop met de Heilige Geest’ nodig, persoonlijk, in onze gezinnen en kerkelijk. Of anders gezegd. We hebben nodig dat Christus een gestalte in ons krijgt, zowel tot verzekering van ons heil als tot onze heiliging, ‘tot opwas in de genade.’52 Ik wil besluiten met een gedeelte van de bekende ‘hymn’ van de broer van John, Charles Wesley ‘Jeus, Lover of My Soul:
Plenteous grace with thee is found

Overvloedige genade wordt bij U ‘gevonden

Grace to cover all my sins;

Genade om al mijn zonde te bedekken;

Let the healing streams abound;

Laat de genezende stromen overvloeien;

Make and keep me pure within!

Maak en houd mij zuiver van binnen!

Thou of life the fountain art;

Gij zijt de Fontein des levens;

Freely let me take of thee;

Laat mij daar vrij van nemen;

Spring thou up within my heart!

Spring Gij op in mijn hart

Rise to all eternity!

Ga op tot alle eeuwigheid!53



  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina