Regelingen en voorzieningen code 1 5



Dovnload 28.32 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte28.32 Kb.







Jurisprudentieoverzicht bezwaar en beroep (rijks)belastingen



Bronnen

- www.rechtspraak.nl

- PricewaterhouseCoopers, Belastingnieuws.nl


Twee verschillende rechtsingangen voor de heffing en invordering van belastingen

Voor de heffing van belastingen en de invordering daarvan bestaan twee verschillende rechtsingangen. Voor de heffing is de bestuursrechter in belastingzaken bevoegd en voor de invordering de civiele rechter. In de praktijk is men zich niet altijd van dat verschil bewust. In het bijzonder niet als door de ontvanger genomen invorderingsmaatregelen -waaronder verrekeningen en uitbetaling- niet (goed) worden gecommuniceerd richting de burger, zo blijkt uit een recente uitspraak van Hof Amsterdam.
In de onderhavige procedure had een man op 15 maart 2011 verminderingen gekregen van twee aanslagen inkomstenbelasting over 2001 en 2002. In beide gevallen zou dat leiden tot een te ontvangen of een te verrekenen bedrag. Bij brief van 3 mei 2011 stelde de man de ontvanger in gebreke met betrekking tot de uitbetaling van de verminderde belastingaanslagen. Op 27 juli 2011 stelde de man beroep in bij Rechtbank Haarlem wegens het uitblijven van betaling. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om uitspraak te doen. Daarop stelde de man hoger beroep in bij Hof Amsterdam.

Het hof stelde vast dat de ontvanger de verminderingen grotendeels had verrekend met twee terug te betalen zorgtoeslagen en deels met een te betalen aanslag inkomstenbelasting 2003. Voor het overige had op 4 juli 2011 een uitbetaling aan de man plaatsgevonden. De man stelde voor het hof dat hij geen bezwaar had tegen de verrekeningen, maar wel moeite had met de late uitvoering en de berichtgeving daarover. Het hof had daarvoor begrip.

Echter ook het hof was van oordeel dat de rechtbank zich terecht onbevoegd had verklaard. Uit de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de bestuursrechter in belastingzaken niet bevoegd is te oordelen over de rechtmatigheid van de door de ontvanger van de belastingdienst genomen invorderingsmaatregelen. De man had beroep bij de civiele rechter moeten instellen.
Hof Amsterdam 18.7.2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2285

Wanneer is ongefrankeerd bezwaarschrift zonder poststempel nog tijdig ingediend?


Voor de beoordeling of een per post verzonden bezwaarschrift tijdig is ingediend, gelden twee wettelijke voorwaarden. Ten eerste moet het bezwaarschrift vóór het einde van de bezwaartermijn van zes weken ter post zijn bezorgd. Ten tweede moet het bezwaarschrift niet later dan één week na afloop van de bezwaartermijn door de inspecteur zijn ontvangen.

De Hoge Raad (HR) heeft onlangs in een arrest op kernachtige wijze de regels op een rij gezet voor de beoordeling of een ongefrankeerd bezwaarschrift zonder poststempel nog tijdig is ingediend. De zaak was als volgt.

Een man had een aanslag inkomstenbelasting 2005 ontvangen met dagtekening 2 september 2008. Gezien de dagtekening hield dit in dat de bezwaartermijn tegen deze aanslag op 3 september 2008 was aangevangen en zes weken later -op 14 oktober 2008- zou aflopen. Op maandag 20 oktober 2008 had de inspecteur een bezwaarschrift tegen eerdergenoemde aanslag ontvangen. Dat bezwaarschrift zat in een ongefrankeerde envelop waarop geen poststempel was geplaatst. TNT Post had voor dit poststuk geen strafport in rekening gebracht.
De inspecteur verklaarde het bezwaarschrift wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet ontvankelijk. Rechtbank Arnhem en Hof Arnhem waren het daarmee eens.

Gezien de datum waarop de inspecteur het bezwaarschrift had ontvangen, vond het hof dat de man het niet aannemelijk had gemaakt dat hij het bezwaarschrift vóór het einde van de bezwaartermijn had ingediend door het per post te verzenden. De man stelde daarop cassatie in bij de HR en stelde dat hij het bezwaarschrift echt per post had verzonden.

De HR was de man op dit punt ter wille en toetste vervolgens aan diverse (wettelijke) voorwaarden of het bezwaar toch tijdig per post was ingediend. De HR nam de twee eerdergenoemde wettelijke voorwaarden als vertrekpunt.

De HR stelde voorop dat als een bezwaar- of beroepschrift per post wordt ingediend, het op de weg van de indiener ligt om alle noodzakelijke handelingen te verrichten om het poststuk met de postdienst bij de geadresseerde te laten bezorgen. Een van die noodzakelijke handelingen betreft het voldoende frankeren van het poststuk. Als de geadresseerde een niet voldoende gefrankeerd bezwaar-

of beroepschrift niet heeft geaccepteerd, kwalificeert dat stuk niet als een ingediend bezwaar- of beroepschrift. Het kwalificeert wel als ingediend als een onvoldoende gefrankeerd poststuk toch door de postdienst is bezorgd en door de geadresseerde niet is geweigerd.

Als op het poststuk een leesbare poststempel is geplaatst, gelden hiervoor de regels zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 28 januari 2011 had geformuleerd. Deze houden kort gezegd in dat bewijsrechtelijk het uitgangspunt wordt ingenomen dat de terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag van afstempeling en niet eerder.

Als op het poststuk geen (leesbare) poststempel is geplaatst, geldt als uitgangspunt dat het bezwaar- of beroepschrift tijdig ter post is bezorgd, als het op de eerste of tweede werkdag na het einde van de bezwaar- of beroepstermijn is ontvangen, tenzij het tegendeel komt vast te staan. De HR verwees hiervoor naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17.8.2011.

In de onderhavige procedure was het bezwaarschrift meer dan twee dagen na de afloop van de bezwaartermijn ontvangen en was laatstgenoemde regel dus niet van toepassing. De feitenrechter (Hof Arnhem) was na een feitenonderzoek tot het oordeel gekomen dat de man niet aannemelijk had gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig ter post was bezorgd. De HR merkte hierover op dat dit feitelijke oordeel niet in cassatie kan worden bestreden. De HR is namelijk geen feitenrechter maar toetst alleen of een feitenrechter (een gerechtshof of rechtbank) het recht juist heeft toegepast. Dat was naar het oordeel van de HR in de onderhavige procedure inderdaad het geval. De HR verklaarde daarom het cassatieberoep ongegrond.



    Hoge Raad 14.10.2011; ECLI:NL:HR:2011:BT7470





Vergoeding immateriële schade bij overschrijding redelijke termijn in belastinggeschillen
Op grond van Europese jurisprudentie over artikel 6 EVRM worden bij overschrijding van de redelijke termijn spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade verondersteld. Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb kan de gemeente tot vergoeding van die schade worden veroordeeld. Gelet op HR 22-04-2005, 37984, LJN: AO9006, begint de in aanmerking te nemen termijn bij dergelijke geschillen in beginsel op het moment waarop de gemeente het bezwaarschrift ontvangt. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Een en ander geldt voor zowel natuurlijke personen als rechtspersonen en andere entiteiten.

De uitspraak van de Hoge Raad: ook belastinggeschillen moeten binnen een redelijke termijn worden afgedaan. In dit geval ligt tussen het bezwaarschrift en de uitspraak van de Hoge Raad bijna tien jaar. Voor rekening van de gemeente komt ongeveer 10 maanden (eerste uitspraak op bezwaar ruim 6 maanden en tweede uitspraak op bezwaar (na uitspraak rechtbank) ruim 3 maanden. De rest is gerechtelijke procedure, waarbij de zaak tweemaal 3 jaar bij Hof 's-Hertogenbosch ligt. Het tijdsbeslag van de procedure bij de Hoge Raad is twee jaar. In totaal ligt de zaak ongeveer 9 jaar bij de rechterlijke instanties.




    Hoge Raad nr. 09/02639 10.6.2011; LJN BO5046


In (hoger) beroep kunnen beide partijen in beginsel nieuwe of andere gronden van verweer aanvoeren
De Hoge Raad heeft beslist dat de inspecteur in beroep bij de rechtbank en in hoger beroep voor het hof in beginsel nieuwe of andere gronden van verweer kan aanvoeren. Dat geldt ook voor zijn wederpartij.

De inspecteur kan in beginsel in de beroepsprocedure voor de rechtbank ter ondersteuning van de door hem opgelegde aanslag een ander standpunt innemen dan hij in zijn uitspraak op bezwaar in de bezwaarfase heeft gedaan. Verder kan een procespartij -dus ook de inspecteur- zich in hoger beroep verweren met alle gronden die hij bruikbaar acht. Dit is slechts anders als de inspecteur en/of zijn wederpartij het desbetreffende standpunt of verweer ondubbelzinnig zou hebben prijsgegeven, dan wel wordt aangevoerd onder zodanige omstandigheden, dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde. De Hoge Raad heeft onlangs in deze zin beslist en verwees hiervoor ook naar twee arresten uit 2002 en 2009. De Hoge Raad gaf verder aan dat deze opvatting ook aansluit bij de wetsgeschiedenis van de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties waarmee per 1 januari 2005 in de fiscale beroepsprocedure de tweede feitenrechter werd ingevoerd. In deze wetsgeschiedenis is opgemerkt dat in het belastingrecht in hoger beroep de herkansingsfunctie voorop staat. Als regel kunnen daarom nieuwe beroepsgronden, argumenten en bewijsmiddelen in hoger beroep worden aangevoerd, tenzij een goede procesorde zich daartegen verzet.




    Hoge Raad 10.12.2010 nr. 09/05017; ECLI:NL:HR:2010:BO6786



Herziening onherroepelijke uitspraak mogelijk

Het klinkt innerlijk tegenstrijdig: herziening van een onherroepelijke uitspraak. Toch is het onder omstandigheden mogelijk. In een uitspraak gaf Hof Den Bosch aan dat het niet bevoegd is om een uitspraak van de Hoge Raad te herzien, maar onder omstandigheden wel de hofuitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. In de praktijk gaat het dan om vrij uitzonderlijke situaties. Er moet namelijk sprake zijn van feiten of omstandigheden, die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en waren zij bij het hof eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Wanneer bijvoorbeeld de verzoeker om herziening in de eerdere hofprocedure vergeten is bepaalde documentatie te overleggen die reeds beschikbaar was, is geen herziening mogelijk. In de onderhavige procedure stelde Hof Den Bosch vast dat zich niet de omstandigheden hadden voorgedaan die aanleiding konden geven voor herziening en wees het verzoek daartoe af.


Hof Den Bosch 30.5.2007, LJN BB1901

Vertrouwensbeginsel kan wettelijke toepassing belastingregels opzij zetten
De Belastingdienst behoort gewekte verwachtingen waar te maken. Dit is onder meer het geval als u een bepaalde fiscale kwestie uitdrukkelijk onder de aandacht van de inspecteur hebt gebracht en u ervan mag uitgaan dat de inspecteur de kwestie heeft beoordeeld of had moeten beoordelen. In dat geval is in beginsel sprake van een weloverwogen standpuntbepaling van de inspecteur. Een inspecteur is dan op grond van het vertrouwensbeginsel gebonden aan dat standpunt als de situatie onveranderd is gebleven. De reikwijdte van het vertrouwensbeginsel kan erg ver gaan. Het kan zelfs de wettelijke juiste toepassing opzijzetten en ertoe leiden dat u een aftrekpost kunt claimen terwijl dat formeel gezien niet kan. Dit blijkt uit een uitspraak van Hof Amsterdam over de giftenaftrek.
N.B. Het opgewekte vertrouwen werkt niet oneindig door tot in de toekomst. De inspecteur kan altijd een kwestie aan de orde stellen en daardoor deze opnieuw op zijn fiscale merites inhoudelijk beoordelen. Het is daarbij wel regel dat de belastingplichtige een redelijke overgangstermijn wordt gegund om rekening te kunnen houden met de nieuwe situatie. Het is bijvoorbeeld goed denkbaar dat de inspecteur meedeelt dat hij toekomstige uitgaven niet meer zal accepteren en dat de uitgaven bijvoorbeeld in het daaropvolgende belastingjaar niet meer in aftrek kunnen komen.
Gerechtshof Amsterdam nrs. 08/00935 en 09/00378 29.4.2010, LJN BM5664




Kostenvergoeding voor professionele rechtsbijstand
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder om haar verzoek tot vergoeding van de kosten die zij in bezwaar heeft moeten maken af te wijzen. Tussen partijen is in geschil of eiseres de kosten voor professionele rechtsbijstand, waarvan zij vergoeding heeft verzocht, redelijkerwijs heeft moeten maken. Niet in geschil is dat aan de overige vereisten van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is voldaan. Het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft ook betrekking op de vergoeding van kosten verband houdende met de bezwaarfase. Voor de kosten van professionele rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht geen aansluiting gezocht bij de daadwerkelijk gemaakte kosten, maar een forfaitair tarief neergelegd. Dat tarief is gebaseerd op de daadwerkelijk verrichte proceshandelingen. Toekenning van een kostenvergoeding voor professionele rechtsbijstand is dus niet, zoals verweerder stelt, afhankelijk van (het bewijs van) de daadwerkelijk gemaakte kosten. Daaruit volgt dat verweerder aan eiseres, nu namens deze een bezwaarschrift is ingediend, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, in totaal € 161,00 had moeten vergoeden.

    Rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 10.1.2008, LJN BC2903





Familierelatie stond proceskostenvergoeding wegens zakelijke rechtsbijstand niet in de weg
Een familierelatie met een rechtsbijstandverlener sluit het recht op een proceskostenvergoeding niet bij voorbaat uit. Aan het recht op een proceskostenvergoeding zijn wel voorwaarden verbonden. Zo moet sprake zijn van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en moet vaststaan dat de kosten op de procespartij drukken. Dit kan blijken uit nota’s of betalingsbewijzen vanwege verleende rechtsbijstand. In de procedure voor de rechtbank overlegde een vrouw de opdrachtbevestiging, een bankafschrift en de nota van haar zoon die als zelfstandig belastingadviseur werkzaam was. Voor de rechtbank was daarmee de zakelijke relatie tussen de vrouw en haar zoon voldoende komen vast te staan. In de betreffende procedure werd de gemeente veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

    Rechtbank Leeuwarden 7.4.2009 nr. 08/905, LJN BJ3283





Vergoeding van kosten bezwaar- en beroepsfase achteraf
De rechter kan een proceskostenvergoeding toekennen aan de belastingplichtige die een procedure geheel of gedeeltelijk wint. Hetzelfde geldt als de belastingplichtige het beroep intrekt omdat geheel of gedeeltelijk aan het beroepschrift is tegemoet gekomen. Voor een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase, geldt als voorwaarde dat het verzoek om proceskostenvergoeding al voor de uitspraak op bezwaar moet zijn gedaan.

Dit is anders als een zaak naar de inspecteur is terugverwezen om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen. In de heropende bezwaarprocedure kan alsnog een verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarfase worden ingediend, als dit verzoek in eerste instantie niet was gedaan. Dit blijkt uit een arrest van de Hoge Raad. Voor een achteraf ingediend verzoek om vergoeding van de kosten in de beroepsfase voor de rechtbank ligt het wat makkelijker. Hof Arnhem heeft aangegeven dat in zodanig geval geen voorwaarde geldt dat dit verzoek al voor de uitspraak in beroep moet zijn gedaan. Het hof kende een man alsnog een proceskostenvergoeding toe voor de behandeling van de zaak bij de rechtbank.



    Hoge Raad 19.9.2008 nr. 43552, LJN BF1226; Hof Arnhem 3.9.2008 nr. 07/00442, LJN BF0550







1




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina