Regelingen en voorzieningen code 2 65



Dovnload 18.4 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte18.4 Kb.





WCK vervroegde opeising bij achterstand; betalingen toekennen aan openstaande termijnen




jurisprudentie




bronnen


  • Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3.2.2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:328






Inhoudsindicatie:

WCK/ Voldoende achterstand voor opeising?/ Contractuele afwijking artikel 6:43 lid 2 BW niet gebleken / Niet voldaan aan eisen vervroegde opeising Wck / Subsidiaire vorderring ter zake vervallen termijnen toewijsbaar/ proceskosten begroot op kosten eerste aanleg, rest nodeloos.

7.2.


Uit de door VW Bank op 21 augustus 2014 ingediende akte en wat door VW Bank naar voren is gebracht blijkt dat VW Bank automatisch geïncasseerde bedragen steeds heeft toegerekend aan de maand van de betreffende incasso, ook al stond er nog een oudere termijn open. In dit geval leidt dit er volgens VW Bank toe dat [geïntimeerden c.s.] de termijn van 16 augustus 2012 groot € 544,47 niet hebben voldaan, ondanks betaling van eenzelfde bedrag op 16 september 2012, 16 oktober 2012 en 16 november 2012 via automatische incasso.
Aldus was per 16 oktober 2012 de termijn van 16 augustus 2012 twee maanden achterstallig, aldus VW Bank.
Bij akte van 21 oktober 2014 (hierna ook de akte) heeft VW Bank nog aangevoerd dat partijen expliciet met elkaar hebben bedongen dat betalingen ontvangen in het kader van automatische incasso worden toegewezen aan de maand waarin de betaling wordt ontvangen. In dat kader is aan de automatische incasso ook een betalingskenmerk verbonden gekoppeld aan de maand waarvoor wordt betaald. Voorts is in bedoelde akte een voorwaardelijke wijziging van eis (subsidiaire vordering) opgenomen.

[…]


7.4.1.

Het hof oordeelt ten aanzien van de primaire vordering en de nader door VW Bank aangevoerde argumenten als volgt. Artikel 6:43 lid 1 BW bepaalt dat de betaling wordt toegerekend op de verbintenis die de schuldenaar aanwijst.

In lid 2 is vervolgens bepaald dat, bij gebreke van een dergelijke aanwijzing en in geval van meerdere opeisbare verbintenissen - als in deze aan de orde, waarin een maandelijkse betalingsverplichting bestaat - toerekening plaatsvindt aan de ’meest bezwarende’ en indien de verbintenissen even bezwarend zijn aan de oudste verbintenis.

7.4.2.


Het door VW Bank aanbrengen van een betalingskenmerk gekoppeld aan de maand waarin de automatische incasso wordt uitgevoerd vormt naar het oordeel van het hof geen aanwijzing als bedoeld in artikel 6:43 lid 1 BW. Anders dan VW Bank in algemene zin in de akte heeft betoogd treft het hof voorts geen nadere regeling ter zake toerekening aan in de overeenkomst en de daarbij horende algemene voorwaarden. Artikel F lid 2 geeft slechts aan hoe er betaald kan worden. Artikel 7 van de bijbehorende voorwaarden rept in lid 2 over “gedragen naar de boeken van Kredietgever”, maar daar kan het hof geen (expliciete) afwijking van artikel 6:43 lid 2 BW in lezen. Er is derhalve niet afgeweken van artikel 6:43 lid 2 BW en deze bepaling vindt onverkort toepassing.

7.4.3.


Toerekening van de respectieve betalingen steeds aan de oudste openstaande termijn(en) leidt tot de volgende conclusie.
Op 26 januari 2013, zijnde de datum waarop VW Bank de als productie 4 bij de akte van 21 augustus 2014 overlegde brief heeft verstuurd, waren [geïntimeerden c.s.] de maandtermijnen van 16 december 2012 en 16 januari 2013 verschuldigd. De betaling op 16 september 2012 dient immers te worden toegerekend aan de augustustermijn, die van 16 oktober 2012 aan de septembertermijn, die van 16 november 2012 aan de oktobertermijn en de betaling van 16 januari 2013 aan de novembertermijn van 16 november 2012.
Op 26 januari 2013 was aldus ten aanzien van [geïntimeerden c.s.] geen enkele termijn twee maanden achterstallig, zoals artikel 12 onder a van de algemene voorwaarden conform artikel 33 Wck vereist en is er ten onrechte vervroegd opgeëist. De primaire vordering dient daarom te worden afgewezen.
7.5.

Ten aanzien van de subsidiaire vordering overweegt het hof als volgt.

7.5.1.

Uit het door VW Bank overlegde overzicht (onderdeel 6 van de akte) alsook uit de overgelegd overeenkomst blijkt dat alle termijnen, inclusief de slottermijn van € 7.400,= (van 16 oktober 2013) al voor het aanhangig maken van het hoger beroep zijn vervallen. [geïntimeerden c.s.] hebben dit ter comparitie feitelijk niet betwist. In beginsel komen bedoelde termijnen vermeerderd met de gevorderde contractuele rente voor toewijzing in aanmerking.



[…]

7.6.


Door VW Bank is onweersproken het bedrag aan hoofdsom plus rente minus een kleine betaling door [geïntimeerden c.s.] genoemd van € 12.369,55, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf 17 oktober 2013 tot de dag der voldoening als te rekenen over € 12.301,13. Deze bedragen aan hoofdsom en rente zullen worden toegewezen.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zullen hoofdelijk worden veroordeeld, nu zij tegen de vordering van VW Bank op dit punt geen verweer hebben gevoerd en artikel 1 van de algemene voorwaarden hoofdelijkheid van de mee tekenende partner met zich brengt.

[…]

7.8.1.


[geïntimeerden c.s.] zullen worden veroordeeld in de proceskosten. Nu de vordering in hoger beroep uiteindelijk wordt toegewezen op basis van eerst in hoger beroep overgelegde bescheiden en op grond van een subsidiaire vordering die eerst na tussenarrest is ingesteld, zullen de kosten voor beide instanties worden begroot op de kosten die aan VW Bank in eerste aanleg zouden zijn toegekomen indien zij toen meteen had gehandeld als hiervoor omschreven. De overige kosten zal VW Bank als nodeloos veroorzaakt zelf dienen te dragen. Het aan [geïntimeerden c.s.] in hoger beroep in rekening gebrachte griffierecht zal in bovengenoemde begroting van de aan VW Bank toekomende kosten worden meegenomen (verrekend). Aldus kan aan VW Bank in beginsel worden toegewezen ter zake verschotten
€ 96,76 dagvaardingskosten eerste aanleg en € 448,= griffierecht eerste aanleg, vermeerderd met 1 punt ad € 300,= conform de kantonrechterstaffel. Op de verschotten zal € 299,=, zijnde het aan [geïntimeerden c.s.] in rekening gebrachte griffierecht in hoger beroep, in mindering worden gebracht, zodat resteert € 245,76 aan verschotten en het genoemde bedrag aan salaris advocaat.

7.8.2.


[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zullen voorts hoofdelijk – als gevorderd – in deze kosten worden veroordeeld, alsook in de gevorderde nakosten.
De veroordelingen zullen voorts – zoals gevorderd – uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

8 De uitspraak


Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk, en wel aldus dat wanneer de één betaalt de ander zal zijn gekweten, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan VW Bank te voldoen € 12.369,55, vermeerderd met de overeengekomen rente van - op het moment van dagvaarden - 9,90% per jaar - voor zover dit percentage het ingevolge de Wet op het Consumentenkrediet maximaal toegestane percentage niet te boven gaat - over € 12.301,13, vanaf 17 oktober 2013 tot de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk in de proceskosten van beide instanties, welke kosten tot op heden aan de zijde van VW Bank tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 245,76 aan verschotten en op € 300,= aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders gevorderd is.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina