Regelingen en voorzieningen code 3 571



Dovnload 20.9 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte20.9 Kb.





Manegehouder of eigenaar aansprakelijk voor schade door trap van paard?

jurisprudentie



bronnen


  • Hoge Raad, 1.4.2011, zaaknr. 09/03245, LJN: BP1475

  • NRC Handelsblad, 5.5.2011, www.nrc.nl






Hoge Raad
Samenvatting.

Verbintenissenrecht.

Risicoaansprakelijkheid voor schade aangericht door dier, art. 6:179 en 6:181 BW.
Een persoon loopt schade op in de manegebak door een trap van een door de bezitter tegen betaling ter belering bij manege ondergebracht paard. Of de bezitter of de bedrijfsmatig gebruiker is aansprakelijk. Aansprakelijkheid rust op degene die het bedrijf runt in de uitoefening waarvan het dier wordt gebruikt, dus op de manege. In dit verband is niet van belang of degene die het bedrijf uitoefent bezitter dan wel houder is van het dier, en ook niet of het doel waarvoor het dier wordt gehouden inmiddels bijna is bereikt. Evenmin mag in dit verband de eis worden gesteld dat degene die het bedrijf uitoefent, het dier duurzaam en ten eigen nutte gebruikt.
Vindplaats: LJN: BP1475

donderdag 5 mei 2011 door Folkert Jensma NRC
De Uitspraak: als een paard een kind trapt is dan de manegehouder of de eigenaar aansprakelijk?

Als je kind in het gezicht getrapt wordt door een paard, wie moet er dan de schade vergoeden? De manegehouder of de eigenaar van het paard? Met commentaar van NJB-medewerker Arvin Kolder, advocaat in Emmen en docent privaatrecht aan de Universiteit Groningen. 


De zaak. Op een manege wordt in de zogeheten ‘kleine bak’ een paard getraind door iemand van het personeel. Aan het einde van de training wordt het paard in de bak afgezadeld. Het dier wordt dan aan de teugel gehouden door een andere werknemer. Als de trainer de bak verlaat met zadel en stijgbeugelriem blijft het hek open. Degene die het paard vasthoudt zegt tegen een tien jarig meisje dat ze wel even mag binnenkomen. Daarop slaat het paard het kind met de achterbenen in het gezicht. De ouders van het kind begroten de schade uiteindelijk op rond een ton.
Wat zijn de juridisch relevante feiten? Het is geen manegepaard, maar een privé paard. De eigenaar sloot met de manege een zogeheten beleringsovereenkomst. De manege moet het paard trainen, africhten en zadelmak maken.
Waar draait het conflict om? De ouders van het gewonde kind vinden dat de eigenaar aansprakelijk is. Zij lezen in boek 6 art 179 van het burgerlijk wetboek dat de eigenaar van een dier aansprakelijk is. De eigenaar vindt echter dat art 181 toepasselijk is. Als het dier ‘wordt gebruikt in de uitoefening van het bedrijf van een ander’ dan is die ander daarmee ook aansprakelijk geworden.

De kwestie draait dus om de vraag of een manegehouder die een privé paard traint ook het risico van de eigenaar overneemt. En of het trainen van een paard onderdeel is van de ‘uitoefening’ van het manegebedrijf.


Waarom staat het zo in de wet? Daarmee wordt degene die schade heeft geleden beschermd. De aansprakelijkheid ligt daar waar de risico’s maatschappelijk ‘herkenbaar’ samenkomen. Een manege is als onderneming makkelijker vindbaar dan de eigenaren achter al die paarden. Een paardenhouderij is bovendien op winst gericht en kan worden geacht zijn bedrijfsrisico’s als één geheel te verzekeren.
Wat zegt de eigenaar van het paard? De manegehouder is verantwoordelijk, niet ik. Die had de volledige zeggenschap over het gebruik van mijn paard en de zorg ervoor. Ook had diens werkneemster de deur open laten staan en het kind toegelaten. Een paard zadelmak maken in opdracht past bij bedrijfsmatig gebruik.

De eigenaar vindt zichzelf wel aansprakelijk als het paard er alleen maar in de stal staat. Zodra de manegehouder een privé paard ook verhuurt aan derden, het traint of er rijles mee geeft, verschuift de aansprakelijkheid naar de manegehouder. Het ‘beleren’ van een paard tegen betaling is daarmee vergelijkbaar.


Wat zeggen de ouders? De training van het paard was vrijwel voltooid. Er was dus geen sprake meer van een bedrijfsmatig gebruik door de manege dat duurzaam is en ‘ten eigen nutte’. Anderen reden er ook niet op. De manege is alleen aansprakelijk als het expliciet die verantwoordelijkheid van de eigenaar heeft overgenomen.
Wat zegt de Hoge Raad? Een ‘beleringsovereenkomst’ is een activiteit die hoort bij de uitoefening van het bedrijf van een manege. De manegehouder is daarom aansprakelijk.

De uitspraak LJ BP1475 in het arrest ‘paard Loretta’ is hier te vinden.


NJB medewerker Arvin Kolder, advocaat in Emmen en docent privaatrecht aan de Universiteit Groningen zegt:
donderdag 5 mei 2011
Binnen het aansprakelijkheidsrecht worden dieren gezien als bronnen van verhoogd gevaar. Dit vanwege ‘het gevaar dat schuilt in de eigen energie van het dier en het onberekenbare element dat in die energie ligt opgesloten’, zoals de Hoge Raad het al in HR 24 februari 1984, NJ 1984, 415 (Bardoel/Swinkels) verwoordde. Daarom kent ons Burgerlijk Wetboek met art. 6:179 BW een specifieke aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door dieren. Het betreft een zogenoemde risicoaansprakelijkheid. Schuld, in de zin van onzorgvuldigheid, gebrek aan waakzaamheid of toezicht met betrekking tot het dier, is niet vereist. Voor aansprakelijkheid is voldoende, dat het dier door zijn ‘eigen energie’ de schade heeft aangericht. Zo mist art. 6:179 BW bijvoorbeeld toepassing indien het schadeveroorzakende dier, door het opvolgen van commando’s of instructies van degene die het dier berijdt of leidt, louter als ‘instrument’ handelt. Zie HR 23 februari 1990, NJ 1990, 365 (Zengerle/Blezer).
In deze zaak bestond geen discussie over de vraag, of sprake was van schade veroorzaakt door de ‘eigen energie’ van paard Loretta. Toen het 10-jarige slachtoffertje het paard in de bak passeerde, trapte dit uit eigen beweging plotseling achteruit, in haar gezicht. Waar de discussie tot aan de Hoge Raad wél over ging, betrof het antwoord op de vraag op wíe de risicoaansprakelijkheid voor de door het dier veroorzaakte letselschade rust. Art. 6:179 BW zelf wijst de bezitter van het dier als aansprakelijke aan. Zodoende lijkt het volkomen logisch dat (de ouders van) het slachtoffer in deze procedure haar pijlen op de bezitter van het dier richtte. Echter, in dit verband is ook de regel uit art. 6:181 BW van belang: wordt een dier in de uitoefening van een bedrijf gebruikt, dan rust de aansprakelijkheid uit art. 6:179 BW op degene die dit bedrijf uitoefent. Art. 6:181 BW introduceert aldus de bedrijfsmatige gebruiker van het dier als aansprakelijke persoon.
In deze zaak vond het ongeval plaats na afloop van een training in een manege, waar het paard door de bezitter tegen betaling ‘ter belering’ (trainen, africhten en zadelmak maken) tijdelijk was ondergebracht. De Hoge Raad, die een ruime uitleg van art. 6:181 BW voorstaat, oordeelt – evenals rechtbank en hof in eerdere instanties – dat het paard ten tijde van het ongeval inderdaad werd gebruikt in de uitoefening van het manegebedrijf. Art. 6:181 BW wordt toepasselijk geacht. In mijn optiek bepaald geen verrassende beslissing.

De vraag die dan rijst, is een cruciale: is ingeval van bedrijfsmatig gebruik nu zowel de bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:181 BW als de bezitter uit art. 6:179 BW aansprakelijk, of is het steeds van tweeën één? De Hoge Raad spreekt hier klare taal: de aansprakelijkheid voor dieren rust steeds op óf de bezitter óf de bedrijfsmatige gebruiker. Cumulatieve aansprakelijkheid van bezitter én gebruiker zou evenwel een slachtoffervriendelijker keuze zijn geweest. Immers, nu moet degene die vergoeding wenst van schade veroorzaakt door een dier telkens kiezen tussen de bezitter óf gebruiker van dat dier, waarbij de gevolgen voor hem zijn als hij verkeerd kiest. Toch is het oordeel van de Hoge Raad in lijn met de bedoeling van de wetgever. Met art. 6:181 BW wordt namelijk enerzijds beoogd slachtoffers van schade door bedrijfsmatige activiteiten een handreiking te bieden; zij kunnen zich ter vergoeding van hun schade steeds tot één gemakkelijk op te sporen persoon – ‘de onderneming’ – wenden. Anderzijds wordt met art. 6:181 BW beoogd dubbele verzekeringslasten te voorkomen; doordat de aansprakelijkheid bij één persoon wordt geconcentreerd, kan zulks als één (bedrijfs)risico worden (door)berekend en verzekerd. Ook speelt hier volgens wetgever en Hoge Raad nog mee, dat bedrijfsmatig verrichte activiteiten in beginsel zijn gericht op het verkrijgen van profijt.


Zodra dus een bedrijfsmatige gebruiker van het dier valt aan te wijzen, is diegene op voet van art. 6:181 BW dé aan te spreken persoon. De bezitter uit art. 6:179 BW blijft dan buiten schot. Dat wordt niet anders indien uiteindelijk ook de bezitter profijt trekt van het dier, zoals in deze zaak het rijgenot van het zadelmak te maken paard. Op de exclusieve werking van art. 6:181 BW ten opzichte van art. 6:179 BW liep na jarenlang procederen de vordering van het slachtoffer stuk. Ter vergoeding van haar schade werd immers enkel de bezitter van paard Loretta aangesproken en niet (ook) het manegebedrijf. Deze zaak leert, zij het voor het slachtoffer op onfortuinlijke wijze, dat het in de praktijk – bij twijfel – verstandig is de pijlen steeds op zowel de bezitter als bedrijfsmatige gebruiker te richten. Door zodoende voor beide ankers te gaan liggen, kan in ieder geval worden voorkomen dat op het verkeerde paard wordt gewed.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina