Republic of Suriname / República de Suriname 1987 Constitution with Reforms of 1992



Dovnload 204.61 Kb.
Pagina1/4
Datum26.07.2016
Grootte204.61 Kb.
  1   2   3   4
Republic of Suriname / República de Suriname

1987 Constitution with Reforms of 1992

Constitución de 1987 Constitution con Reformas de 1992

RESOLUTIE van 18 december 1987 no. 8228, houdende publicatie van de tekst van de Grondwet van de Republiek Suriname in het Staatsblad van de Republiek Suriname (S.B. 1987 no. 116), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 1992 no. 38.


Preambule
WIJ, HET VOLK VAN SURINAME,
Geïnspireerd door de liefde voor dit Land en het geloof in de kracht van de Allerhoogste en geleid door de eeuwenlange strijd van ons volk tegen het kolonialisme, welke werd beëindigd met de vestiging van de Republiek Suriname op 25 november 1975, in aanmerking nemende de staatsgreep van 25 februari 1980 en de gevolgen daarvan, bewust van onze plicht elke vorm van buitenlandse overheersing de bestrijden en te verhinderen,
Vastbesloten de nationale souvereiniteit, zelfstandigheid en integriteit te verdedigen en te beschermen,
bewust van de wil, onze economische, sociale en culturele ontwikkeling in volle vrijheid zelf te bepalen,
overtuigd van onze plicht de principes van vrijheid, gelijkheid en democratie alsmede de fundamentele rechten en vrijheden van de mens te eerbiedigen en te waarborgen,
bezield door de beleving van het burgerschap en departicipatie bij de opbouw, de uitbouw en de instandhouding van een sociaal-rechtvaardige samenleving,
vastbesloten met elkaar en met alle volkeren in de wereld samen te werken, op grondslag van vrijheid, gelijkheid, vreedzame coëxistentie en internationale solidariteit,
VERKLAREN PLECHTIG, ALS RESULTAAT VAN DE GEHOUDEN VOLKSRAADPLEGING, DE VOLGENDE GRONDWET TE AANVAARDEN.
HOOFDSTUK I
DE SOUVEREINITEIT
EERSTE AFDELING
DE REPUBLIEK SURINAME
Artikel 1
1. De republiek Suriname is een democratische Staat gebaseerd op de souvereiniteit van het volk en op eerbiediging en waarborging van fundamentele rechten en vrijheden.
2. De Surinaamse Natie bepaalt haar economische, soicale en culturele ontwikkeling in volle vrijheid.
TWEEDE AFDELING
GRONDGEBIED
Artikel 2
1. Suriname omvat het grondgebied op het Zuidamerikaans continent dat als zodanig historisch is bepaald.
2. De Staat vervreemdt geen grondgebied of souvereiniteitsrechten die hij daarover uitoefent.
3. De uitgestrektheid en grenzen van de territoriale wateren en de rechten van Suriname op het aangrenzende continentale plateau en de economische zône worden vastgesteld bij wet.
DERDE AFDELING
NATIONALITEIT
Artikel 3
1. Wie Surinamer en ingezetene is, wordt bij wet bepaald.
2. Naturalisatie wordt bij wet geregeld.
3. Alle Surinamers worden in Suriname toegelaten en zijn vrij zich binnen Suriname te verplaatsen en te verblijven behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.
4. Alle Surinamers zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.
5. De wet stelt vast in welke openbare ambten vreemdelingen kunnen worden benoemd.
6. De toelating en de uitzetting van vreemdelingen worden geregeld bij wet.
7. De wet stelt regels vast omtrent de uitlevering van vreemdelingen; uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag en overeenkomstig de wijze bij wet vastgesteld.
VIERDE AFDELING
STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Artikel 4
De zorg van de Staat is gericht op:
a. de opbouw en instandhouding van een nationaal economie vrij van buitenlandse overheersing;
b. de bestaanszekerheid van de gehele bevolking;
c. voldoende werkgelegenheid onder garanties van vrijheid en gerechtigheid;
d. het deelhebben van een ieder aan de economische, sociale en culturele ontwikkeling en vooruitgang;
e. de participatie bij de beleving van het burgerschap bij de opbouw, de uitbouw en de instandhouding van een rechtvaardige samenleving;
f. de waarborging van de nationale eenheid en souvereiniteit.
HOOFDSTUK II
ECONOMISCHE DOELSTELLINGEN
Artikel 5
1. De economische doelstellingen van de Republiek Suriname zijn gericht op de vestiging van een nationale economie, vrij van buitenlandse overheersing en in het belang van de Surinaamse natie.
2. Het economisch systeem waarbinnen de sociaal-economische ontwikkeling plaatsvindt, wordt gekenmerkt door gezamenlijk, gelijktijdig en gelijkwaardig functioneren van staatsbedrijven, particuliere ondernemingen waarin de Staat en particulieren gezamenlijk deelnemen en coöperatieve ondernemingen, overeenkomstig ter zake geldende wettelijke regels.
3. Het is de plicht van de Staat om alle ondernemingsgewijze produktie zoveel mogelijk te bevorderen en te waarborgen.
HOOFDSTUK III
SOCIALE DOELSTELLINGEN
Artikel 6
De sociale doelstellingen van de Staat zijn gericht op:
a. het identificeren van de ontwikkelingsmogelijkheden van de eigen natuurlijke omgeving en het vergroten van de capaciteiten om die mogelijkheden in toenemende mate te vergroten;
b. het garanderen van de deelname van de samenleving aan het politieke leven onder andere door nationale, regionale en sectorale participatie;
c. het garanderen van een politiekvoering die strekt tot verhoging van welzijn en welvaart van de samenleving, gebaseerd op sociale rechtvaardigheid, de integrale en evenwichtige ontwikkeling van Staat en maatschappij;
d. een rechtvaardige verdeling van het nationaal inkomen, gericht op een rechtvaardige spreiding van welzijn en welvaart over alle lagen van de bevolking;
e. regionale spreiding van leefvoorzieningen en economische activiteiten;
f. het bevorderen van medezeggenschap van de medewerkers in bedrijven en werkeenheden bij het nemen van beslissingen omtrent de produktie, de economische ontwikkeling en de planning;
g. het scheppen en het bevorderen van condities, nodig voor de bescherming van de natuur en voor het behoud van de ecologische balans.
HOOFDSTUK IV
INTERNATIONALE BEGINSELEN
Artikel 7
1. De Republiek Suriname erkent en respecteert het recht van de volkeren op zelfbeschikking en nationale onafhankelijkheid op basis van gelijkwaardigheid, souvereiniteit en wederzijdse belangen.
2. De Republiek Suriname bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde en is voorstander van de vreedzame beslechting van internationale geschillen.
3. De Republiek Suriname wijst iedere gewapende agressie, elke vorm van politieke en economische druk, als ook iedere directe of indirecte inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van andere Staten af.
4. De Republiek Suriname bevordert de solidariteit en samenwerking met andere volkeren in de strijd tegen kolonialisme, neo-kolonialisme, racisme, genocide en in de strijd voor nationale bevrijding, vrede en sociale vooruitgang.
5. De Republiek Suriname bevordert de participatie in internationale organisaties met het doel vreedzame coëxistentie, vrede en vooruitgang voor de mensheid te verwezenlijken.
HOOFDSTUK V
GRONDRECHTEN
PERSOONLIJKE RECHTEN EN VRIJHEDEN
Artikel 8
1. Allen die zich op het grondgebied van Suriname bevinden hebben gelijke aanspraak op bescherming van personen en goederen.
2. Niemand mag op grond van zijn geboorte, geslacht, ras, taal, godsdienst, afkomst, educatie, politieke overtuiging, economische positie of sociale omstandigheden of enige andere status gediscrimineerd worden.
Artikel 9
1. Een ieder heeft recht op fysieke, psychische en morele integriteit.
2. Niemand mag worden onderworpen aan folteringen, vernederende of onmenselijke behandeling of straf.
Artikel 10
Een ieder heeft bij aantasting van zijn rechten en vrijheden aanspraak op een eerlijke en openbare behandeling van zijn klacht binnen redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.
Artikel 11
Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem aanwijst.
Artikel 12
1. Een ieder kan zich in rechte doen bijstaan.
2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.
Artikel 13
De burgerlijke dood of verbeurdverklaring van alle goederen van de veroordeelde kan niet als straf of als gevolg van straf worden bedreigd.
Artikel 14
Een ieder heeft het recht op leven. Dit recht wordt beschermd door de wet.
Artikel 15
Niemand kan worden gedwongen dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten.
Artikel 16
1. Een ieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid.
2. Niemand zal van zijn vrijheid worden beroofd, anders dan op gronden en volgens procedures, bij wet bepaald.
3. Een ieder die van zijn vrijheid is beroofd heeft recht op een behandeling overeenkomstig de menselijke waardigheid.
Artikel 17
1. Een ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezin, zijn woning en van zijn eer en goede naam.
2. In niemands woning mag tegen zijn wil worden binnengetreden dan op last van een macht die tot het geven van die last bij wet bevoegd is verklaard en met inachtneming van de bij wet voorgeschreven normen.
3. Het brief-, telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve in gevallen bij wet bepaald.
Artikel 18
Een ieder heeft recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.
Artikel 19
Een ieder heeft het recht om door de drukpers of andere communicatiemiddelen zijn gedachtenof gevoelens te openbaren en zijn mening te uiten, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
Artikel 20
Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering, met inachtneming van bij wet vast te stellen bepalingen in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid en goede zeden.
Artikel 21
1. Het recht van vreedzame betoging wordt erkend.
2. De uitoefening van dit recht kan in het belang der openbare orde, veiligheid, gezondheid en goede zeden bij wet aan regel en beperking worden onderworpen.
Artikel 22
1. Een ieder heeft het recht om verzoeken schriftelijk bij het bevoegde gezag in te dienen.
2. De wet regelt de procedure voor de behandeling daarvan.
Artikel 23
In geval van oorlog, oorlogsgevaar, staat van beleg of een andere uitzonderingstoestand of om reden van staatsveiligheid, openbare orde en goede zeden kunnen de in de Grondwet genoemde rechten bij de wet worden onderworpen aan de beperkingen, welke gedurende een bepaalde periode, afhankelijk van de situatie, van kracht zullen zijn, met inachtneming van de terzake geldende internationale bepalingen.
SOCIALE, CULTURELE EN ECONOMISCHE
RECHTEN EN PLICHTEN
EERSTE AFDELING
RECHT OP ARBEID
Artikel 24
De Staat draagt zorg voor het schappen van omstandigheden, waardoor een optimale bevrediging van de basisbehoeften aan werk, voeding, gezondheidszorg, onderwijs, energie, kleding en communicatie verkregen wordt.
Artikel 25
Arbeid is het belangrijkste middel voor de ontplooiing van de mens en een belangrijke bron van welvaart.
Artikel 26
1. Een ieder heeft recht op werk, in overeenstemming met zijn capaciteit.
2.De plicht om te werken is onlosmakelijk verbonden aan het recht op werk.
3. Een ieder heeft het recht van vrije keuze van beroep en werk, behoudens bepalingen, opgelegd bij wet.
4. Een ieder heeft recht op initiatief voor economische produktie.
TWEEDE AFDELING
STAATSZORG VOOR DE ARBEID
Artikel 27
1. Het is de plicht van de Staat om het recht op werk zoveel mogelijk te waarborgen door:
a. een planmatig beleid te voeren, gericht op volledige werkgelegenheid;
b. ontslag zonder gegronde redenen of om politieke of ideologische gronden te verbieden;
c. gelijkheid van kansen bij de keuze van beroep en soort werk te garanderen, alsmede te verbieden dat toegang tot enige functie of beroep wordt verhinderd of beperkt op grond van iemands geslacht;
d. beroepsopleiding voor werknemers te bevorderen.
2. De Staat draagt zorg voor het scheppen van de omstandigheden voor de optimale bevordering van initiatieven voor de economische produktie.
DERDE AFDELING
RECHTEN VAN WERKNEMERS
Artikel 28
Alle werknemers zijn, ongeacht leeftijd, geslacht, ras, nationaliteit, godsdienst of politieke overtuiging, gerechtigd tot:
a. beloning voor hun werk naar gelang van hoeveelheid, aard, kwaliteit en ervaring op basis van het beginsel van gelijk loon voor gelijke arbeid;
b. het verrichten van hun taak onder menswaardige omstandigheden, ten einde zelfontplooiing mogelijk te maken;
c. veilige en gezonde werkomstandigheden;
d. voldoende rust en ontspanning.
VIERDE AFDELING
PLICHTEN VAN DE STAAT MET BETREKKING
TOT RECHTEN VAN DE WERKNEMERS
Artikel 29
Het is de plicht van de Staat om de voorwaarden voor werk, beloning en rust, waartoe de werknemers gerechtigd zijn aan te geven, in het bijzonder door:
a. regelingen te treffen ten aanzien van lonen, werktijden, arbeidsomstandigheden en speciale werkerscategorieën;
b. bijzondere bescherming te verlenen op het werk voor vrouwen tijdens en na de zwangerschap, voor minderjarigen, minder validen en voor degenen, die betrokken zijn bij werkzaamheden die bijzondere inspanning vereisen of die werkzaam zijn in ongezonde of gevaarlijke omstandigheden.
VIJFDE AFDELING
VAKVERENIGINGSVRIJHEID
Artikel 30
1. Werknemers zijn vrij om vakverenigingen op te richten voor de behartiging van hun rechten en belangen.
2. Bij de uitoefening van vakverenigingsrechten worden zonder onderscheid de volgende vrijheden gewaarborgd:
a. vrijheid om al dan niet lid te zijn van een vakvereniging;
b. het recht om deel te nemen aan vakverenigingsactiviteiten.
3. Vakverenigingen zullen worden beheerst door de beginselen van democratische organisatie en bestuur, gebaseerd op regelmatige verkiezingen van hun besturen middels geheime verkiezing.
ZESDE AFDELING
RECHTEN VAN VAKVERENIGINGEN EN
COLLECTIEVE OVEREENKOMSTEN
Artikel 31
1. De vakverenigingen zijn bevoegd om de rechten en belangen van de werknemers die zij vertegenwoordigen te verdedigen en voor hen op te komen..
2. Vakverenigingen worden betrokken bij:
a. de voorbereiding van arbeidswetgeving;
b. de instelling van instituten van sociale zekerheid en andere instituten die gericht zijn op het dienen van de belangen van werknemers;
c. de voorbereiding van en het toezicht op de uitvoering van economische en sociale plannen.
3. Vakverenigingen hebben het recht om collectieve arbeidsovereenkomsten aan te gaan.
De regels betreffende de bevoegdheid tot het aangaan van collectieve arbeidsovereenkomsten en de werkingssfeer van hun bepalingen worden vastgesteld bij wet.
ZESDE AFDELING A
RECHTEN VAN ONDERNEMERS
Artikel 32
De belangenverenigingen van ondernemers zijn bevoegd om de rechten en belangen van degenen die zij vertegenwoordigen te verdedigen en om voor hen op te komen.
ZEVENDE AFDELING
STAKINGSRECHT
Artikel 33
Het stakingsrecht wordt erkend behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien.
ACHTSTE AFDELING
RECHT OP EIGENDOM
Artikel 34
1. Eigendom, zowel van de gemeenschap als van het individu, vervult een maatschappelijke functie. Een ieder heeft het recht op ongestoord genot van zijn eigendom behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien.
2. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang volgens regels bij wet te stellen en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling.
3. Scadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood, onverwijlde onteigening geboden is.
4. In gevallen bij of krachtens de wet bepaald, bestaat recht op schadevergoeding, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegde gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.
NEGENDE AFDELING
HET GEZIN
Artikel 35
1. Het gezin wordt erkend en beschermd.
2. Man en Vrouw zijn voor de wet gelijk.
3. Ieder kind heeft recht op bescherming zonder enige vorm van discriminatie.
4. Ouders hebben ten aanzien van wettige en natuurlijke kinderen dezelfde verantwoordelijkheden.
5. De Staat erkent de uitzonderlijke waarde van het moederschap.
6. Werkende vrouwen hebben recht op zwangerschapsverlof, met behoud van loon of salaris.
TIENDE AFDELING
DE GEZONDHEID
Artikel 36
1. Een ieder heeft recht op gezondheid.
2. De Staat bevordert de algemene gezondheidszorg door systematische verbetering van leef- en werkomstandigheden en geeft voorlichting ter bescherming van de gezondheid.
ELFDE AFDELING
DE JEUGD
Artikel 37
1. Jeugdigen genieten bijzondere bescherming voor het genot van economische, sociale en culturele rechten, waaronder begrepen:
a. toegang tot onderwijs, cultuur en werk;
b. beroepsscholing;
c. fysieke scholing, sport en vrijetijdsbesteding.
2. De belangrijkste doelstelling van het jeugdbeleid is de ontwikkeling van de persoonlijkheid van de jonge mens en het gevoel van dienstbaarheid aan de gemeenschap.
TWAALFDE AFDELING
ONDERWIJS EN CULTUUR
Artikel 38
1. Een ieder heeft recht op onderwijs en cultuurbeleving.
2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de Staat op alle onderwijsinstellingen van publieke aard ter naleving van het nationaal onderwijsbeleid en door de Staat vastgestelde normen betreffende het onderwijs.
3. Het beoefenen van wetenschap en technologie is vrij.
4. De Staat bevordert het soort onderwijs en de omstandigheden, waaronder schoolonderwijs en andere vormen van onderwijs kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een democratische en sociaal-rechtvaardige samenleving.
5. De Staat bevordert de democratisering van cultuur door het genot van cultuur en culturele schepping aan te moedigen en middels culturele en recreationele verenigingen, voorlichtingsmedia en andere geschikte kanalen de toegang van alle burgers tot die culturele scheppingen te verzekeren.
DERTIENDE AFDELING
ONDERWIJS
Artikel 39
1. De Staat erkent en waarborgt het recht van alle burgers op onderwijs en biedt hun gelijke kansen op scholing.
2. Bij de uitvoering van zijn onderwijsbeleid is het de plicht van de Staat om:
a. verplicht en vrij algemeen lager onderwijs te verzekeren;
b. duurzaam onderwijs te verzekeren en analfabetisme op te heffen;
c. alle burgers, in overeenstemming met hun capaciteiten toegang tot de hoogste niveaus van onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en kunstzinnige schepping mogelijk te maken;
d. in fasen, vrij onderwijs op alle niveaus te verstrekken;
e. het onderwijs af te stemmen op de produktieve en sociale behoeften van de samenleving.
HOOFDSTUK VII
ECONOMISCHE ORDENING
Artikel 40
Ter bevordering van de sociaal-economische ontwikkeling naar een sociaal-rechtvaardige samenleving wordt bij wet een ontwikkelingsplan vastgesteld, met inachtneming van de nationale en sociaal-economische doelstellingen van de Staat.
Artikel 41
Natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen zijn eigendom van de natie en dienen te worden ingezet in de economische, sociale en culturele ontwikkeling. De natie heeft het onvervreemdbaar recht om volledig bezit te nemen van de natuurlijke hulpbronnen, ten einde deze aan te wenden ten behoeve van de economische, sociale en culturele ontwikkeling van Suriname.
Artikel 42
1. De wet waarborgt, dat de wijze van uitoefening van handel en industrie niet strijdig is met de nationale doelstellingen, het algemeen belang en met name de openbare orde, gezondheid, goede zeden en staatsveiligheid.
2. Het deviezenverkeer wordt bij wet geregeld.
Artikel 43
Voorzieningen ter bevordering van investeringen in de produktieve sector worden bij wet vastgesteld.
Artikel 44
Het recht op industrieel eigendom wordt bij wet geregeld.
HOOFDSTUK VIII
SOCIALE ORDENING
Artikel 45
De sociale ordening rust in beginsel op een samenleving, waarin alle Surinamers dezelfde rechten en plichten hebben.
Artikel 46
De Staat schept de condities, welke ten grondslag liggen aan de vorming van burgers die in staat zijn op democratische en effectieve wijze te participeren in het ontwikkelingsproces van de natie.
Artikel 47
De Staat bewaart en beschermt de culturele erfenis van Suriname, stimuleert het behoud hiervan en bevordert het beoefenen van wetenschap en technologie in het kader van de nationale ontwikkelingsdoeleinden.
Artikel 48
1. De Staat oefent toezicht uit op het fabriceren, voorhanden hebben en verhandelen van chemische, biologische, pharmaceutische en andere produkten, bestemd voor comsumptie, medische behandeling en diagnose.
2. De Staat oefent toezicht uit op alle medische beroepen, het beroep van apotheker en andere paramedische praktijken.
3. Het toezicht op de in het eerste en tweede lid genoemde produkten en beroepen, wordt bij de wet geregeld.
Artikel 49
Bij wet wordt een huisvestingsplan vastgesteld, gericht op het in voldoende mate voorzien in betaalbare woningen en staatscontrole op de aanwending van onroerend goed voor volkshuisvesting.
Artikel 50
Het beleid inzake sociale zekerheid voor weduwen, wezen, bejaarden, invaliden en arbeidsongeschikten wordt bij wet aangegeven.
Artikel 51
De Staat draagt zorg voor het toegankelijk maken van de instituten voor rechtshulp ten behoeve van rechtszoekenden.
HOOFDSTUK IX
BEGINSELEN VAN DE DEMOCRATISCHE STAATSORDENING
EERSTE AFDELING
POLITIEKE DEMOCATIE
Artikel 52
1.De politieke macht berust bij het volk en wordt uitgeoefend in overeenstemming met de Grondwet.
2. De politieke democratie kenmerkt zich door participatie en representatie van het Surinaamse volk, welke tot uitdrukking komen door de deelname van het volk aan het vaststellen van een democratisch politiek stelsel, alsmede door deelname in wetgeving en bestuur, gericht ophet handhaven en uitbouwen van dit stelsel.
De politieke democratie schept voorts de voorwaarden voor deelname van het volk aan algemene, vrije en geheime verkiezingen ter samenstelling van de volksvertegenwoordigende organen en van de Regering.
3. De verantwoordingsplicht ten opzichte van het volk en controle op het overheidshandelen door organen die daartoe zijn ingesteld en het terugroeprecht ten aanzien van gekozen volksvertegenwoordigers zijn waarborg voor een waarachtige democratie.
TWEEDE AFDELING
POLITIEKE ORGANISATIES
Artikel 53
1. De Staat erkent de bevoegdheid van de burgers om politieke organisaties op te richten, behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien.
2. Politieke organisaties moeten de nationale souvereiniteit en de democratie respecteren.
3. Bij het uitoefenen van haar bevoegdheden moeten de politieke organisaties het navolgende in acht nemen:
a. de doelstellingen mogen niet strijdig en onverenigbaar zijn met de Grondwet en met de wetten;
b. de organisaties moeten voor elke Surinaamse burger, die voldoet aan de door de wet te stellen criteria, toegankelijk zijn, mits deze de beginselen van de partij onderschrijft;
c. de interne organisatie moet democratisch zijn, hetgeen onder meer tot uitdrukking dient te worden gebracht door:
- regelmatige bestuursverkiezingen;
- het vereiste dat voorgedragen kandidaten voor de volksvertegenwoordigingen binnen de partijstructuren moeten zijn verkozen;
d. de kiezers in staat te stellen kennis te kunnen nemen van het beginselprogramma en het verkiezingsprogramma van de politieke organisaties;
e. jaarlijkse publikaties van inkomstenbronnen en rekeningen in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en tenminste een dagblad;
f. het functioneren moet beantwoorden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, alsmede aan de gestelde wettelijke regels voor de waarborging van de openbaarheid en inzichtelijkheid;
g. het samenstellen van een programma, met als enig doel de behartiging van het nationaal belang.


  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina