Ridders in de pc



Dovnload 184.38 Kb.
Pagina1/4
Datum26.08.2016
Grootte184.38 Kb.
  1   2   3   4




Ridders in de pc

Middelnederlandse literatuur in de les van 2006

Leiding en redactie: Prof. dr. Johan van Iseghem



Reflecties en lesmateriaal

Bernadette Rutgeerts, Isabel Smets, Jan Uyttendaele, José Vandekerckhove, Johan van Iseghem

Academische Lerarenopleiding Nederlands – Vliebergh-Sencie

Nascholing KU Leuven – Herziene versie voor HSN – 17 november 2006

Historiseren – actualiseren : en/of ? En of !

Jan Uyttendaele


In het recente leerplan Nederlands voor de derde graad ASO-KSO-TSO van het VVKSO (Licap, Brussel, 2004) worden in de richtlijnen voor de aanpak van het literatuuronderwijs twee verschillende benaderingswijzen genoemd, nl. de historiserende en actualiserende. In verband met het lezen van ‘oudere werken’ in de b-richtingen (vooral TSO) pleiten de auteurs van het leerplan uitdrukkelijk voor ‘acualisering, d.i we verbinden de oudere tekst met moderne elementen’. Voor de a-richtingen (vooral ASO) wordt echter gepleit voor een combinatie van ‘historisering, d.i. situering in de historische context, en actualisering’ (p. 46).



Hoewel deze termen al lang gebruikt worden in het didactische discours over het omgaan met historische teksten in de klas, komen ze nu voor het eerst in een leerplan ter sprake. Het is daarom nuttig om ze even toe te lichten. Daarna gaan we in op de ‘combinatie’ waar het leerplan voor pleit.

Actualisering

Actualisering betekent dat de oude tekst zoveel mogelijk getransponeerd wordt naar de actuele wereld van de leerlingen. De tekst komt bijvoorbeeld ‘toevallig’ voor in een bloemlezing rond een bepaald thema, die zowel oude als moderne teksten bevat. De bedoeling is daarmee te laten zien dat het thema van alle tijden is en wellicht nog voldoende actueel om leerlingen van vandaag aan te spreken. Soms wordt daarbij zelfs verdoezeld dat het om een oude tekst gaat. Door middel van herspelling of omzetting in het hedendaags Nederlands wordt de precieze afkomst van de tekst min of meer weggemoffeld om hem een tijdloos karakter te kunnen geven. Actualisering legt de klemtoon op de overeenkomsten tussen oude teksten en de actuele leefwereld van de leerlingen en kiest voor teksten waarin eeuwige, algemeen menselijke thema’s naar voren komen.


Op het eerste gezicht is daar geen enkel bezwaar tegen. De redenering is dat, wil je erin slagen om de leerlingen te motiveren voor oude teksten, je moet uitgaan van wat hen direct kan aanspreken, zonder dat er een heleboel achtergrondinformatie gegeven moet worden. De oude tekst wordt daarom helemaal betrokken op de actuele wereld van de leerlingen. Soms wordt hij zelfs alleen maar gebruikt als aanleiding tot, als uitgangspunt voor een klassengesprek over eigen ervaringen of als een spiegel voor identificatie en reflectie op eigen handelen. Het spreekt vanzelf, dat je met deze werkwijze op je hoede moet zijn. Actualisering kan immers gemakkelijk tot grove versimpeling of vertekening leiden, bijvoorbeeld als je moderne liefdesverhoudingen in middeleeuwse teksten gaat projecteren. Actualisering kan, anders gezegd, leiden tot historische verminking, kan ertoe leiden dat de historische achtergrond van de oude tekst wordt ‘vergeten’ en de juiste interpretatie onrecht wordt aangedaan.


Er zijn eigenlijk twee valkuilen die je moet proberen te vermijden bij het actualiseren van oude teksten. Ten eerste, de actualisering stimuleert soms meer het weglopen van de tekst dan het omgaan met, het zich inwerken in de tekst, en zorgt er op die manier voor dat het verdiepen van de leeservaring (een belangrijke doelstelling van het literatuuronderwijs) niet meer wordt nagestreefd. Ten tweede, als je te sterk de nadruk legt op identificatie en de aanwezigheid van eeuwige thema’s in oude literatuur, dan geraakt het historische bewustzijn in de verdrukking, dan worden de teksten niet meer gesitueerd in hun literair-historische context, wat toch ook een belangrijke doelstelling is van het literatuuronderwijs in de derde graad.

Historisering

Dat historisch bewustzijn wordt wel heel duidelijk bevorderd door de historisering als didactische methode. De historiserende benaderingswijze van oude teksten gaat uit van het fundamenteel verschil tussen onze hedendaagse ervaringen en het wereldbeeld van de oude tekst. De nadruk ligt hier op het historische van die tekst, het gedateerde, het niet meer actuele, de historiciteit. Men gaat ervan uit dat het verleden niet dichterbij gehaald moet worden, maar juist getoond moet worden als veraf, anders en vreemd. En de belangrijkste vraag die daarbij gesteld moet worden is dan: welke maatschappelijke context, welk historisch referentiekader en welke literair-historische functies maken de oude tekst tot wat hij is, tot een tekst die voor ons in vele opzichten anders en vreemd lijkt. Om die tekst te begrijpen moeten we hem eerst zo goed mogelijk situeren in de historische context.


Voorstanders van de historisering wijzen evengoed op de mogelijkheid om de leerlingen via hun benadering te motiveren. Ze twijfelen er zelfs aan of de leerlingen vooral gemotiveerd worden door algemeen menselijke thema’s in oude teksten. Ze beweren dat het eigenlijk veel interessanter is om zich in de klas juist bezig te houden met gebeurtenissen en ervaringen die niet overeenkomen, maar contrasteren met de wereld van nu. Ze vinden de contrastwaarde veel boeiender dan de herkenning en identificatie.


En/of ?

Het zal duidelijk zijn, dat geen van de beide visies helemaal ongelijk heeft. De doelstellingen van de beide benaderingswijzen zijn elk op zich ook de moeite waard om nagestreefd te worden. Het komt mij dan ook voor dat ze mekaar niet uitsluiten, maar mekaar aanvullen.

Het komt er daarom op aan om de beide visies in te klas af te wisselen, te combineren en te verzoenen, zoals het leerplan overigens ook suggereert. Naargelang van de omstandigheden kan de klemtoon ook nu eens op de actualisering en dan weer op de historisering liggen. Ik wil proberen een kort voorbeeld te geven van een verantwoorde aanpak, waarbij zowel sprake is van actualisering als van historisering.
Na een inleidend klassengesprek over de thematiek van de zelfmoord en de plotse dood van een geliefde persoon luisteren de leerlingen naar het lied ‘Afscheid van een vriend’ van Clouseau. (Zie bijlage.) Na een korte uitwisseling van de eerste indrukken worden de leeservaringen van de leerlingen verdiept in een onderwijsleergesprek, waarin de leerkracht vragen stelt zoals:


  • De tekst vertelt over het verlies van een vriend. Hoe is de relatie tussen de twee vrienden verlopen?

  • Waar maakt de dichter in de tekst de balans op van hun vriendschap?

  • Heb je enig vermoeden waaraan de vriend gestorven zou kunnen zijn? Vind je daarover iets in de tekst?

  • Door te sterven komt de vriend in een andere wereld terecht. Hoe wordt die wereld getypeerd?

  • Is het afscheid voorgoed of hoopt de dichter zijn vriend ooit weer te zien?

De leerlingen krijgen ook de gelegenheid om (eventueel) eigen ervaringen te confronteren met de tekst van Clouseau.
N

et zoals de tekst van Clouseau, mag ook het Egidiuslied identificerend gelezen worden als een tekst uit het heden en mogen de leerlingen uiting geven aan hun directe tekstervaring. Daarbij kan men gebruik maken van vragen zoals:

  • Welk gevoel roept de tekst bij je op? Probeer dat gevoel in één trefwoord weer te geven.

  • In welke regel van het gedicht vind je dat gevoel duidelijk terug?

  • Wat is volgens jou het belangrijkste woord in het gedicht? Enz.

In de volgende fase dient de opgebouwde ervaring met de tekst als achtergrond voor de historische interpretatie. Terwijl in de vorige fase de historische context grotendeels wordt genegeerd en de aandacht gaat naar herkenning en identificatie, komt nu het anders-zijn, het vreemde van de historische tekst op de voorgrond. Daarbij worden eigentijdse en historische aspecten met mekaar geconfronteerd, waarbij de eerste lectuur als achtergrond of horizon fungeert voor wat we de ‘historisch reconstruerende lectuur’ zouden kunnen noemen, d.w.z. de lectuur die vertrekt vanuit een referentiekader dat fundamenteel verschilt van het onze.

Tijdens deze lesfase kan de interpretatie geleid worden door de eigenaardigheden in de tekst die de leerling al bij de eerste lectuur heeft vastgesteld. De leerkracht kan bijvoorbeeld vragen:


  • Wat is hier anders dan in hedendaagse afscheidsteksten (Clouseau)?

  • Wat is vreemd en onverwacht in de afscheidswoorden van de dichter?

  • Welke passages hebben je verwondering opgewekt of je speciaal getroffen?

Vervolgens plaatst de leerkracht het gedicht in zijn literair-historisch kader. In deze fase zal de leerkracht als docent natuurlijk meer op de voorgrond treden, maar hij komt met zijn uiteenzetting tegemoet aan de leerlingen, die de tekst weliswaar al op een tekstervarende manier hebben verwerkt, maar toch nog een aantal vragen hebben over de oorspronkelijke bedoeling, het publiek, de context enz. De leerkracht geeft nu uitleg over Jan Moritoen en de biografische interpretatie van het lied. Daarbij komen ook vragen aan de orde als:



  • Hoe keken de middeleeuwers tegen de dood aan?

  • Welk beeld van het hiernamaals hadden ze?

  • Hoe kon je hier op aarde ‘de hemel verdienen’?

Het spreekt vanzelf, dat bij de esthetische toelichtingen het accent niet mag liggen op de dorre bespreking van de rondeelvorm, het rijmschema en de strofenbouw, maar wel op de verduidelijking van de functies en het effect van de gebruikte poëtische expressiemiddelen.
Ten slotte kan de leerkracht de historische horizon met de actuele versmelten in een korte synthesefase, waarin de leerlingen uitgenodigd worden om de overeenkomsten en verschillen tussen de doodservaring van toen en nu, tussen Egidius en Clouseau, tussen het hedendaagse en het middeleeuwse luisterlied nog eens op een rijtje te zetten. Als mogelijke schrijfopdrachten kunnen daarbij aansluiten:

  • Schrijf de reactie van Egidius vanuit de hemel.

  • Schrijf zelf een in-memoriamtekst in dichtvorm.

Tot zover dit voorbeeld. Om te besluiten zou je kunnen zeggen dat de kloof tussen oude teksten en jonge lezers van nu op twee manieren overbrugd kan worden.

De leerkracht kan proberen om de oude tekst dichter bij de leerlingen te brengen door hem te laten opduiken naast andere, moderne teksten rond hetzelfde thema en door hem te gebruiken als uitgangspunt voor een gesprek over eigentijdse problemen. De tekst wordt dan niet zozeer betrokken op de wereld waaruit hij voortkwam, als wel op de huidige belevingswereld van de leerlingen (actualisering).

De leerkracht kan ook proberen de leerlingen dichter bij de oude tekst te brengen, met hen naar de tekst toe te werken door zoveel mogelijk informatie te geven over middeleeuwse cultuur en literatuur en zich zo goed mogelijk in te leven in de middeleeuwse dichter en het middeleeuwse publiek (historisering).

Die twee methoden hebben elk hun bestaansrecht, meer nog: ze kunnen het beste gecombineerd met elkaar worden gebruikt, omdat ze mekaar niet uitsluiten, maar aanvullen.



Bibliografie
Armand van Assche (red.), Literatuurgeschiedenis op school? Acco, Leuven, 1988.

Jacques Kruithof, Het hoofd werd op de tafel gezet. Stichting Constanter, Amsterdam, 1980.

Hubert Slings, Toekomst voor de Middeleeuwen. Middelnederlandse literatuur in het voortgezet onderwijs. Prometheus, Amsterdam, 2000.


Bijlagen

Bijlage 1

A

fscheid Van Een Vriend

Alles is voorgoed gedaan
Als jij er klaar voor bent
'k Heb aan je zijde gestaan
Mijn God, ik heb je graag gekend

Ik blijf nu hier jij gaat naar daar


En daar is niet zover van hier
We spreken af, ik weet niet waar
En daar ontmoeten we elkaar

Zonder jou tikt de klok even snel


Maar de tijden veranderen wel
Dus ik neem afscheid, jij moet nu gaan
Weet dat je in m'n hart altijd blijft voortbestaan

Slaap zacht, je hebt het verdiend


Je vocht tot aan je laatste zucht
En ga, ga nu m'n vriend
En droom voor eeuwig opgelucht

Net zoals vroeger kom je wel terecht


Ik weet je vindt een thuis heel gauw
En ik herhaal wat jij me ooit hebt gezegd
In m'n hart blijf ik je trouw

Zonder jou tikt de klok even snel


Maar de tijden veranderen wel
Dus ik neem afscheid, jij moet nu gaan
Weet dat je in m'n hart altijd blijft voortbestaan

En ik weet ik zou dankbaar moeten zijn


Maar precies daarom doet het zo'n pijn

Zonder jou tikt de klok even snel


Maar de tijden veranderen wel
Dus ik neem afscheid, jij moet nu gaan
Weet dat je in m'n hart altijd blijft voortbestaan
http://www.lyricsdownload.com/clouseau-afscheid-van-een-vriend-lyrics.html



Lodewijk van Gruuthuse

De eigenaar van het handschrift

Bijlage 2



Egidius waer bestu bleven
Mi lanct na di gheselle mijn
Du coors die doot du liets mi tleven
Dat was gheselscap goet ende fijn
Het sceen teen moeste ghestorven sijn

Nu bestu in den troon verheven


Claerre dan der zonnen scijn
Alle vruecht es di ghegheven

Egidius waer bestu bleven


Mi lanct na di gheselle mijn
Du coors die doot du liets mi tleven

Nu bidt vor mi ic moet noch sneven


Ende in de weerelt liden pijn
Verware mijn stede di beneven
Ic moet noch zinghen een liedekijn
Nochtan moet emmer ghestorven sijn

Egidius waer bestu bleven


Mi lanct na di gheselle mijn
Du coors die doot du liets mi tleven

(origineel)

Egidius, waar ben je gebleven?
Ik mis je zo, mijn kameraad.
Jij koos de dood, liet mij het leven.
Je vriendschap was er vroeg en laat,
maar 't moest zo zijn, een van ons gaat.

Nu ben je in 't hemelrijk verheven,


helderder dan de zonneschijn,
alle vreugd is jou gegeven.

Egidius, waar ben je gebleven?


Ik mis je zo, mijn kameraad.
Jij koos de dood, liet mij het leven.

Bid nu voor mij, ik ben verweven


met deze wereld en zijn kwaad.
Bewaar mijn plaats naast jou nog even,
ik moet nog zingen, in de maat,
tot de dood, die elk te wachten staat.

Egidius, waar ben je gebleven?


Ik mis je zo, mijn kameraad.
Jij koos de dood, liet mij het leven.
Je vriendschap was er vroeg en laat,
maar 't moest zo zijn, een van ons gaat.

(hertaling Willem Wilmink)



http://www.literatuurgeschiedenis.nl/teksten.asp?ID=10

Het Egidiuslied: een ‘confronterende’ benadering

Twee tijdperken, drie kunstvormen en vier vaardigheden

Johan van Iseghem



Mag of kan men oude teksten actualiseren? En hoe toelaatbaar is het om hun boodschap in andere vormen gieten? Zijn de normen van onze eigen tijd hierbij acceptabel? Eigenlijk kunnen leerlingen die probleemstelling ook zelf aan. Ze hebben daar meningen over; of we kunnen hen aanzetten om daar kritisch over na te denken. Vanaf stap 6 confronteren we:

  • het oude Egidiuslied met een moderne presentatie ervan;

  • een tekst met de mondelinge voordracht ervan (een aspect dat vaak compleet wordt verwaarloosd in onze lessen vandaag);

  • de middeleeuwse beleving van dood en afscheid met visies van onze eigen tijd (o.a. de ‘bespreekbaarheid’ van zelfdoding);

  • literaire tekst met animatiefilm en met schilderkunst;

  • literatuuronderwijs met vormen van vaardigheidsonderwijs.

De opdrachten zijn bedoeld als suggestie, om te kiezen…





Schematisch lesconcept
1.
Aansluitend bij wat voorafging: we lezen het Egidiuslied, verklaren, hertalen. Daarbij werken we historiserend ‘en/of’ actualiserend. Ook een inlevende benadering is mogelijk, waarbij we ingaan op de verwoording van verlies, verdriet, rouw. Dat kan als instap voor de les, als tekstervarende afsluiter of als uitbreidend, empathisch georiënteerd klassengesprek achteraf.
2.
De tekst was bedoeld om gezongen te worden, en bevat daarom een aantal structuren, vormen van regelmaat en herhaling, klankpatronen die de mondelinge presentatie van toen versterkten of ondersteunden. We sporen die op (opdracht 1) en gaan eventueel dieper in op de rondeelstructuur (via bijvoorbeeld vergelijking tussen een theoretische beschrijving daarvan en de tekst zelf, opdracht 2); we kunnen ingaan op de afwisseling tussen solist en koor/medezangers zoals die mogelijk bedoeld was daarin.
3.
De hertaling van Willem Wilmink probeert hedendaags Nederlands binnen dezelfde ritmische stroom te schuiven. Opdracht 3: Wat gebeurt er daarbij met het rijmschema? Valt dat te verdedigen – op grond van de liedvorm? Wat zijn de consequenties voor de betekenis van de (nieuwe) tekst? Overloop de verzen in detail. Welke nuances vallen er weg? Wat komt er bij? Kennismaken met de tekst van Wilmink kan eventueel al tijdens het beluisteren van de uitvoering (ensemble Rans) : zie http://www.literatuurgeschiedenis.nl/teksten.asp?ID=10
4.
Nu wordt het Egidiuslied vooral gelezen, soms ook voorgedragen. Zingen komt er zelden nog aan te pas: onze poëziecultuur is veranderd en is van “songs” duidelijk afgescheiden. De ritmische elementen en klankpatronen van toen zitten evenwel in de tekst ingebakken. Mondelinge voordracht is daarom een presentatievorm die de oorspronkelijke context het best benadert. Opdracht 4a: hoe zou je dit zelf voorlezen als je de oorspronkelijke betekenis bij anderen wilt laten overkomen? Denk na of overleg, over (a) klemtonen, (b) versnelling en vertraging van het spreektempo, (c) de toon van de tekst, (d) het volume en de klankkleur waarmee je leest, (e) evt. mogelijkheden tot afwisseling tussen ‘refrein’ en ‘strofe’, (f) korte of nadrukkelijke pauzes. Opdracht 4b: lees de tekst voor, bespreek daarna met de groep. Opdracht 5: Veronderstel dat je een klankopname moet voorbereiden met een voor de gelegenheid ingehuurd voordrachtkunstenaar. Schrijf een bondige instructietekst waarbij je (a) het concept van het gedicht kort toelicht voor deze dame/heer, die de tekst niet kent; (b) aanwijzingen geeft voor het gevoel dat zij/hij tijdens het voordragen moet zien ‘aan te boren’ bij (zichzelf en) de toeschouwers; (c) concrete tips geeft voor de manier waarop zij/hij het gedicht moet brengen (uit te werken aan de hand van opdracht 4a).
5.
Zie je mogelijkheden om aan die klankopname achtergrondgeluiden of muziek toe te voegen? Veronderstel dat men daar om vraagt: aan wat voor geluid of muziek denk je dan? Motiveer. (Opdracht 6)
6.
Zonder de beelden te laten zien en zonder allusie te maken op het feit dat dit voor een animatiefilm is bedoeld, laten we de klankband horen van het filmpje op http://www.dichtvorm.nl/. Opdracht 7: beluister deze opname; let op de stem bij de voordracht, vergelijk die met wat je zelf had bedacht. Vind je de stem goed? Welke geluiden hoor je? (Wind? Regen? Ritselende bladeren? Herfst? Donder? Breekt die ‘donder’ niet telkens wat kort af? Zie je in je verbeelding andere verklaringen voor de geluiden? Past de sfeer ervan bij de tekst? Waarom (niet)? We bespreken.
7.
Iets heel anders nu (kwestie van nog niet in de kaarten te laten kijken): weg van klank en geluid, op zoek naar beelden. Vandaag worden nogal wat romans, ook gedichten en chansons in stripvorm uitgegeven. Plaatjes doen het in 2006. Opdracht 8: je krijgt de opdracht om voor dit gedicht een tekening (of een reeks tekeningen) te maken: wat zie je voor ogen? (Een graf? Een gebroken roos? Een vaag gezicht in een gehavende spiegel?…) Licht toe. Opdracht 9: veronderstel dat men je vraagt om dit gedicht in een kort filmpje te evoceren, in gesproken of gezongen vorm. Kan dat, denk je? Welke mogelijkheden of problemen zie je? Is er wel ‘actie’ mogelijk? Wordt dit statisch of dynamisch? Zijn er personages? Komt Egidius in beeld, of heb je genoeg aan één persoon? Hoe verbeeld je dood, hemel, ‘zonneschijn’? We bespreken prognoses en concepten, problemen en ‘haalbaarheid’.
8.
Het lied werd wel degelijk in een animatiefilm verfilmd. We maken even kennis met de stijl en de aard van de maker. (Opdracht 10) Ga naar de site http://www.whitecowboy.nl : dit is de site van een animatiefilm die Martin Jan van Santen maakte voor het VPRO-programma ‘Villa Achterwerk’. Verken die site even. (In de pc-klas geven we het startschot door tegelijk de revolvers aan te klikken). (Opdracht 11) De aard van de site en de figuur van deze ‘White Cowboy’ zijn typerend voor de striptekenaar. Hoe omschrijf je zijn stijl? Beslist iemand die van avonturen, actie, vlotheid, humor houdt. Illustreer. Kunnen we van hieruit iets voorspellen over wat ‘Egidius’ bij hem moet worden?
9.
We maken eerst even kennis met de persoon en lezen (opdracht 12, vrijblijvend, puur informatief) de tekst ‘Biografie Martin Jan van Santen’ (te vinden op de website). Als we de verrassing er nog in willen houden, reiken we die tekst misschien nog het best via een ppt-dia of op papier aan.
10.
Daarna bekijken we aandachtig de animatiefilm (opdracht 13). Eigenlijk horen we nu de klankband van daarnet. Indien het een groep is waarvan de aandacht gericht moet worden: nu zien we wat die verschillende ‘donder’-geluiden voorstellen; interpreteer ze via het beeld.
11.
Hoe lost de tekenaar de problemen die we zagen op? Het éne personage? Het al of niet ‘aanwezig’ zijn van Egidius? Er was geen verhaal, weinig ‘dynamiek’ in het gedicht. Nu wel? (Nogal pathetische wanhoop, zelfmoordgedachten, ongeval, dood en hereniging). Een nieuw element (‘donder’) is het opengaan van de poorten: hemel (Egidius) en hel (in de beleving van die tijd een volstrekte zekerheid in het geval van zelfdoding). Passen wind, landschap, voorleesstem en beelden bij elkaar? Is dit nog ‘Egidius’? Vind je dit geslaagd, of vind je dit gewoon ‘kunnen’? Gaat dit even ver als wat Willem Wilmink deed in zijn hertaling? Verder? (Opdracht 14)
12.
We laten de maker aan het woord. Opdracht 15: kijk- en luisteroefening: het interview op dezelfde site. Hier maken we ook kennis met de medewerker van Van Santen, Roy Bergsma.
13.
Dit zijn duidelijk specialisten in de grafische vormgeving en in animatiefilm, misschien niet in middeleeuwse letterkunde. (gesprek, evt. opdracht 16) Van Santen onderscheidt ‘oud Nederlands’ tegenover ‘gewoon Nederlands’. Waar zit er mogelijk verwarring in zijn term? Let ook eens op zijn karakterisering van ‘de middeleeuwen’: ‘de tijd zo vlak voor de renaissance’ (tekstvak op de website naast ‘interview’). Zijn medewerker heeft het over ‘gemiereneuk’ wanneer hij de schildertechniek van de Vlaamse Primitieven beschrijft. Klopt dat? Ging dat zo in zijn werk? Evt. bekijken we enkele schilderijen en/of details, misschien op het web (http://images.google.be): H. Memlinc, H. van der Goes, J. van Eyck, R. van der Weyden... We kunnen even linken naar de symbolische betekenissen in herbaria, lapidaria, bestiaria. Is het uitgangspunt voor de landschappen in de film vanuit deze optiek geslaagd? Wat over de houding van de personages, de kostumering? Waarop mikken de makers naar eigen zeggen meestal: graag humor, graag wat dramatisch of actie, graag ‘vlotte jongens’ in beeld…

Hamvraag



Is dit geslaagd of zijn er te veel ‘Van Santen’-stempels in de film? (Opdracht 17: schrijfopdracht/huistaak: stelling of korte verhandeling): bespreek de film vanuit twee gezichtspunten: (a) de oorspronkelijke context en bedoeling van het Egidiuslied, het ‘Jan Moritoen’-concept dus; (b) je eigen gemotiveerde appreciatie van wat de animatie wel of niet bereikt.

Uitsmijter en afsluiter



De roman Max Havelaar is een prachtwerk, hoewel ingewikkeld gestructureerd; sierlijk van taal, levendig in het ritme van zijn proza, vol vondsten en registers. In de ‘Compact Books’, zichzelf op het achterplat omschrijvend als ‘een vernieuwende literaire reeks waarin meesterwerken uit de literatuur op verzorgde wijze uitgegeven worden in een verkorte en geïllustreerde versie’, verscheen de Havelaar óók (Uitgeverij Komkom, Pellenberg, 1991, 69 [!] blz.), omdat ‘lezen ook leuk moet zijn’ (p. 67). De tekst is een (wel zéér korte) bewerking door Karel Claes; de illustraties (soms duidelijk geïnspireerd oudere afbeeldingen, te vinden in: Henri A. Ett e.a. Genie en wereld. Multatuli. Hasselt, Heideland-Orbis, 1970)

zijn van de hand van Leo Fabri.




 Droogstoppel en Sjaalman in de Kalverstraat

Droogstoppel



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina