Romeinen 11 : 16-24



Dovnload 33.2 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte33.2 Kb.

ROMEINEN 11 : 16-24



8. Leren en doen
16 En indien de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig, en indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig.

17 En zo enige der takken afgebroken zijn, en gif, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeënt, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden.

18 Zo roem niet tegen de takken, en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.

19 Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeënt worden.

20 Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Zijt niet hooggevoelende, maar vrees.

21 Want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe, dat Hij ook mogelijk u niet spare.

22 Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult ook gij afgehouwen worden.

23 Maar ook zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeënt worden; want God is machtig om dezelve weder in te enten.

24 Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt; hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geënt worden?
Verklaring
Er waren eens twee joodse rabbi's die discussieerden over de vraag wat er beter was: doen of leren. `Doen', riep de een. 'Leren is beter', zei de andere rabbi. `Weet u waarom? Omdat leren leidt tot doen.'
Dat was tegelijk het einde van de discussie. Leren doet een mens, als het goed is, niet om een veelweter of betweter te zijn. Je leert iets om er in de praktijk wat mee te kunnen doen. Dat is heel in het bijzonder in de Bijbel het geval. Woord en daad zijn één. Zalig die het Woord van God hoort, het bewaart en doet.
Zou dat niet ook zo zijn met alles wat wij leren uit de Bijbel met betrekking tot Israël? Als wij de lessen die wij als huiswerk meekrijgen uit Paulus' brief aan Rome, vooral in de hoofdstukken 9 tot 11, goed instuderen, zullen we twee dingen in praktijk gaan brengen. In de eerste plaats: een ootmoedige wandel. In de tweede plaats: een luisterende houding. Ootmoed en luisteren naar een ander zijn er bij ons van huis uit niet bij. Het zijn twee dingen die geleerd en in praktijk gebracht moeten worden.
Ootmoed. Want het is gewoon een wonder, als ik die heiden ben van oorsprong, in het voetspoor van Jezus mag wandelen. Luisteren. Want als ik niet luisteren kan naar een ander, heb ik ook nooit een echt gesprek met hem. Als ik niet luisteren kan naar een Jood, kan ik ook niet recht van mijn geloof getuigen.
Het is daaraan, dat de apostel Paulus ons herinnert in Rom. 11. Heb geen hoge dunk van uzelf, heidenen in Rome. U bent er tenslotte door een groot wonder bijgehaald. U zit niet op de eerste rang. En het tweede: Geef Israël de voorrang. Luister. Naar wat God in Israël deed en met Israël doet.
Grote verwachtingen heeft de apostel uitgesproken met betrekking tot de toekomst van Israël in de verzen die aan onze perikoop voorafgaan. Hij sprak over een aanneming van Israël door God waar de ganse wereld van zou ophoren. God heeft Zijn volk niet verstoten. Hij blijft er onophoudelijk mee doorgaan.
Och, dat men op deez' eerstelingen...
Num. 15 : 17 - 21; Neh. 10 : 37vv; Ez. 44 : 30; 1 Cor. 7 : 14

En dan gaat Paulus in de verzen 16vv enkele beelden gebruiken om dat duidelijk te maken. Het eerste beeld is dat van de eerstelingen. U kent het o.a. uit Num. 15 : 20v. Een Joodse vrouw is bezig om brood te bakken voor haar gezin. Zij schept wat meel uit een zak waarin het eerste gemalen graan (gepelde gerst), dat van de akker is gekomen, is verzameld. God heeft weer gezorgd voor `spijze des lands'. Zij kneedt het meel tot deeg. Ze maakt er een platte koek van. De eerste van de nieuwe oogst. Heerlijk vers brood. Maar wat doet dan die vrouw met dat brood? Zet ze het haar man en kinderen voor? Nee, ze weet, dat het eerste (het beste) voor de Heere is. Ze wijdt die eerste koek aan God. Als een hefoffer. Ze brengt die koek in het heiligdom. Waar hij God wordt opgedragen. Brood voor de mannen Gods, de priesters. Het eerste is altijd voor God. Het wordt aan het profane gebruik onttrokken. En daardoor wordt ook de tweede broodkoek en de tiende en de honderdste, ja daardoor wordt elke maaltijd van het Joodse gezin God gewijd, heilig. Zo kan er zegen rusten op het voedsel van heel het jaar. Eet smakelijk. Voor het Aangezicht des Heeren.


Welnu, dat beeld gebruikt Paulus in Rom. 11 : 16. Een eerste broodkoek, aan God gewijd, maakt heel het deeg - alles wat uit de graanoogst in het dagelijks brood op tafel komt - heilig. En wat bedoelt de apostel daar nu mee? Wel, hij heeft het over het volk Israël. En hij worstelt met het ongeloof van Israël. Men zou in Rome kunnen denken, dat God nog wel hier en daar een Jood vandaan haalt om die in te voegen in de gemeente van Christus, maar dat het met het Joodse volk op zich gedaan is. Dan zou dus het verbond van God met Israël verbroken zijn. De gemeente uit het heidendom zou in de plaats van Israël gekomen zijn. Jodendom is ongeloof. Weg ermee.
Maar dat wordt hier door Paulus nadrukkelijk weersproken. Dat er Joden zijn die in Jezus als hun Messias geloven, is Paulus een bewijs daarvan, dat God de hand houdt aan Israël, aan Zijn verbond met Abraham, Izaak en Jakob. Dat weet van geen wank'len. In een eerste broodkoek, aan God gewijd, is heel het deeg, is elke maaltijd heilig. In de eerstelingen uit het Joodse volk die God apart zet, van de rest afzondert en naar Zich toehaalt, die Hij in Christus leert geloven, legt God beslag op heel Israël. Zij zijn er profetie, garantie van, dat God Zijn volk niet heeft verstoten. In hen blijft de hoop op het herstel van Israël levend.
Wie Paulus met die eerstelingen precies op het oog heeft gehad, is een moeilijke vraag. Sommige uitleggers denken aan de eerst - gelovenden onder de Joden in Paulus' dagen zelf. In Jeruzalem. In Rome. 'Och, dat men op deez' eerstelingen een rijke oogst van voorspoed zag' (Ps. 118 : 12 ber. ). Anderen zien in deze eerstelingen Abraham, Izaak en Jakob met wie God eenmaal Zijn verbond oprichtte, die Hij apart zette en in wie Hij heel het volk dat uit hen is voortgekomen, tot Zijn geëigend en heilig, volk afzonderde. Ik denk, dat we niet behoeven te kiezen tussen beide verklaringen. Telkens als God een Israëliet (of dat nu Abraham is of David of een Jood in Jeruzalem en Rome) ertussenuit haalt, zet Hij a.h.w. opnieuw in met Zijn volk. Het zijn eerstelingen in wie de profetie van een rijke toekomst voor heel het volk ligt opgeborgen. 1.
Zo is het vandaag nog. Een Messiasbelijdende Jood is ook een eersteling in de zin van: toonbeeld van Gods trouw aan heel Israël als volk. En zo'n Messiasbelijdende Jood roept ons a.h.w. toe: 'Kom onder Israël wonen, in Sems tenten; want daar is het, dat God, de God van Abraham, Izaak en Jakob, de God en Vader van Jezus Christus zich heerlijk maakt'. Een Messiasbelijdende Jood in Nederland mag dus de christelijke gemeente van Nederlandse bodem welkom heten in Israël. Hij komt in feite niet bij ons. Wij komen bij hem inwonen. Want God zal op zijn rol waar hij de volken schrijft,
Hen tellen als in Isrêl ingelijfd

En doen de naam van Sions kind'ren dragen. (Ps. 87 : 4 ber.)



De olijfboom met wortel en tak

Jer. 11 : 16v; Joh. 15 : 2, 4

Dat is het dat ons geleerd wordt in Rom. 11. En indien de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig. Aldus Rom. 11 : 16. En indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig. Een tweede beeld wordt door de apostel gebruikt in vs. 16b om duidelijk te maken, dat heidenchristenen niet hooggevoelende moeten zijn en denken, dat God Israël heeft laten schieten om voortaan met hen door te gaan. Het is het beeld van de olijfboom. Goed geworteld. Wijdvertakt. En op zijn tijd met vruchten beladen. De tuinman hakt er wel eens wat takken tussenuit. Dood hout. Onvruchtbaar uitspruitsel. Maar daarmee is de olijfboom nog niet met wortel en tak uitgeroeid. Daar is geen denken aan. De boom is goed. Slechts dat dode hout moet eruit. En soms ent die tuinman ook andere takken in in die boom. Tussen alle andere takken in. Takken van een wilde olijfboom. Die trekken dan de voedingrijke sappen uit de vette wortel van de goede olijfboom, groeien, bloeien, dragen vrucht. Dank zij die goede olijfboom met zijn vette wortel.
Jes. 11 : 1 en 11; Jes. 53 : 2; Hebr. 4 : 2

Het beeld is duidelijk. Misschien is het minder duidelijk wat hier gezegd wordt over het enten van takken van een wilde boom op de stam van een tamme. Normaal worden takken van een tamme boom op de stam van een wilde geënt en niet omgekeerd. Men heeft dus wel gedacht, dat Paulus het beeld verkeerd gebruikt. Hij was een stadsmens en niet zo goed op de hoogte met tuinieren. Maar we laten die kritiek op Paulus nu maar voor wat ze is. 2. Ook al zou de apostel het beeld wat oneigenlijk gebruiken, dan nog zijn zijn bedoelingen duidelijk. Israël is het volk van Gods verbond, de olijfboom met zijn vette wortel. En God denkt er niet aan om die met wortel en tak uit te roeien. Wel zijn er enige (let erop, dat Paulus hier over enige spreekt) der takken afgehouwen (vs. 17). Wie in ongeloof volhardt, wie de Christus der Schriften verwerpt, wie geen vruchten van geloof en bekering voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Al stamt hij uit Israël. Al is hij tak van een goede olijfboom. Johannes de Doper had aan de Jordaan, vóór de komst van Jezus als Messias, ook al zoiets gezegd.


Ef. 2 : 11-14 en 19

Takken worden afgehouwen. Maar de boom blijft staan. God gaat door met Israël. Hoe? Wel, Hij neemt u, Christen te Rome die uit het heidendom stamt. Paulus gebruikt hier de tweede persoon enkelvoud; hij spreekt heel persoonlijk dus. Hij neemt u, hoewel u een tak bent van een wilde olijfboom en uw vruchten dus niet te genieten zijn. Hij neemt u weg uit uw levensverband, hakt u uit uw heidense levensstam en zet u, tegen uw natuur in, in de goede olijfboom. Daar mag u dan sappen trekken uit de vette wortel van de goede olijfboom en goede vruchten gaan dragen. Tussen al die andere takken in. Welk een wonder. Laat het tegen alle natuurwetten indruisen. Een wilde tak brengt Gode vruchten voort, goede vruchten. Maar als dat niet gebeurt, dan moet u vooral niet denken, dat u er niet voor in aanmerking kan komen om uitgehouwen te worden. Als zelfs de natuurlijke takken die geen vrucht dragen, niet gespaard worden, zou u dan wel gespaard worden?


Ri. 9 : 8vv; Joh. 4 : 22

Lezen we nog eenmaal wat de apostel schrijft: En zo enige der takken afgebroken zijn en gij, een wilde olijfboom zijnde (van heidense stam dus), in derzelver plaats (er staat eigenlijk in hun midden, onder hen) 3. zijt ingeënt, en des wortels en der vettigheid (dus de vette wortel) des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden (vs. 17), zo roemt niet tegen de takken (slaat u niet op de borst tegenover de ongelovige Joden); en indien gij daartegen roemt, gij draagt de wortel niet, maar de wortel u (vs. 18). Om nog even terug te keren naar vs. 16: indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig. Een tak op zich is niets. Omgekeerd: als de wortel, de stam goed is, dan mag daar ook alle verwachting zijn voor de takken. De wortel heilig, dan ook de takken.


Ik dank U, dat ik niet ben... gelijk deze Jood
1 Cor. 10 : 12

Welk een les wordt ons hier geleerd. Om nooit te vergeten. Om in praktijk te brengen. De vraag mag wel gesteld worden, of wij die uit de heidenen zijn, deze les in het verleden werkelijk in praktijk hebben gebracht. Hebben wij het hart niet al te hoog gedragen tegenover het Joodse volk? Hebben wij werkelijk ware ootmoed betracht? Is dat ware ootmoed, als wij denken: Wij zijn in de plaats van Israël gekomen? De kerk heeft dat heel lang gedacht. En velen in ons land denken nog zo. Zij leven langs Israël heen. Zij kunnen opperbest de oordelen van God over het Joodse volk uit de geschiedenis aflezen. Heeft dat volk niet geroepen: 'Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen?' Weg met al die Joodse synagogen, met hun wetsrollen, met hun wettisch gedoe. Met wortel en tak uitgeroeid. We kunnen er alleen maar gevaar van duchten en gruwelijk last van hebben. Helaas heeft zelfs een man als Maarten Luther, hoewel hij voortreffelijke dingen gezegd heeft over Israël, in zijn latere leven, toen hij zijn hoop, dat de Joden zich zouden bekeren tot de Heere Jezus in rook zag opgaan, ook zulke lelijke dingen over de Joden geschreven. Dat strekt hem en ons bepaald niet tot voorbeeld. 4.


1 Cor. 15 : 1; 1 Cor. 16 : 13; 2 Cor. 1 : 24; 1 Thess. 3 : 8; Rom. 12 : 16; Hebr. 3 : 14

Jodenhaat, antisemitisme liggen ook vandaag op de loer. Waarom moeten de Joodse synagogen in het Westen op de sabbat door politiemannen worden onder zocht, of er soms ook bommen geplaatst zijn? Wee ons, als wij gevoelens van Jodenhaat in de christelijke gemeente niet op tijd signaleren. Nog steeds leeft onder ons die kwalijke gedachte die wordt uitgesproken door Paulus in Rom. 11 : 19: Gij zult dan zeggen: 'De takken zijn afgebroken, opdat ik zou geënt worden'. Hoort u niet dat hooggevoelende 'ik' hier spreken? Leren we a.u.b. onze les. En brengen we die a.u.b. ook in de praktijk. 'Goed,' zegt Paulus. Er zijn takken, die afgebroken zijn. We houden het ongeloof niet de handen boven het hoofd. Niets daarvan. Er is maar één naam onder de mensen gegeven tot zaligheid. Maar keert u daar dan maar mee tot uzelf in. Gij staat door het geloof. Best. Maar zijt niet hooggevoelende, maar vrees (vs. 20). Want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe, dat Hij ook mogelijk u niet spare (vs. 21). Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de strengheid wel over degenen die gevallen zijn maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult ook gij afgehouwen worden (vs. 22)



.

Leren we onze les. Ootmoed, ootmoed, ootmoed. En brengen we die vooral in de praktijk. Hoe groot is Gods goedertierenheid, als Hij een zondaar uit de volkerenwereld, uit het blinde heiligdom sparend voorbijgaat en in genade aanneemt. Ondoorgrondelijk wonder waarover een mens elke dag wel verbaasd mag staan. 5. En daartegenover dan de strengheid van God. Eigenlijk staat er: dat kort afhakken. Natuurlijke takken die zolang mogelijk gespaard zijn, maar die tenslotte vruchtloos bleken te blijven. Zij liggen daar als toonbeelden van wat God doet met een mens die in ongeloof volhardt. Pas het op u zelf toe. Als u niet in de goedertierenheid blijft... Dan vergaat het u net zo. 6.


U voelt de spanning. Stel u voor, dat een tollenaar ging bidden: 'Ik dank U, God, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers of ook gelijk deze Jood'. Krijgt hij dan niet te maken met de strengheid van God? Vergeet nooit, dat God geducht straffen kan. Hoogmoed komt voor de val. Trots is een gruwelijk kwaad. Vooral godsdienstige trots. Denken: wij zijn het, wij hebben het. Het in je zak hebben. Over God en zijn genade beschikken.
Spr. 28 : 14; Jer. 32 : 40

'Welgelukzalig die gedurig vreest', zegt het Spreukenboek. U vraagt misschien: 'Moet een christenmens dan altijd maar bang zijn, dat het nog eens verkeerd met hem afloopt?' Dat zeg ik niet. Een christenmens mag een volkomen rust genieten in Hem die het alles voor hem volbracht. Maar een christen is ook een soldaat op wacht. Een soldaat die waken moet. Vooral ook tegen de vijand van zijn trotse en zelfgenoegzame hart. Hij moet oppassen, dat hij geen zelfverzekerd christen wordt.


Fil. 2 : 12

Ik denk aan een figuur uit de Christenreis van John Bunyan. Mijnheer Onkunde is zijn naam. Een man die altijd goede gedachten heeft over God en over de hemel. Zijn hart getuigt, dat zijn dagelijkse handel en wandel aardig in overeenstemming is met Gods wet. Hij gelooft, dat Christus zijn godsdienstige verrichtingen in genade aanneemt. Kortom, een christen met een heleboel godsdienst. Maar te weinig om behouden te worden en genoeg om verloren te gaan. Want als hij de doodsrivier over is gestoken met de hulp van een zekere veerman IJdele Hoop en vervolgens aan de hemelpoort aanklopt, is er niemand die hem welkom heet. Ook mist hij het bewijsstuk, dat hij door genade is gered en een plaats in het Vaderhuis mag innemen. Heer Onkunde wordt weggezonden. Hij komt de hemelse gelukzaligheid niet binnen. Een christen die onbevreesd en onbeschaamd altijd gedacht heeft: Ik heb het, ik ben het, ik behoef voor niets en voor niemand bang te zijn.


Waken wij toch gedurig tegen die zelfverzekerde christendommelijkheid, tegen die `hebberige' christelijkheid. Wat wij in het geloof in Christus hebben mogen, dat hebben we in vreze en beven.

Ootmoed. Luisteren


Laten we dat uit Rom. 11 leren. En... er ook naar doen. Ootmoed. En luisteren. Luisteren naar wat God in Israël bezig is te doen. Hoe Zijn trouwverbond met Abraham, Izaak en Jakob de eeuwen door overeind is gebleven. Hoe Hij dat volk weer een eigen nationaal tehuis heeft gegeven in 1948. In 'Erèts Jizraël'. En hoe de Schriften onder het Joodse volk de eeuwen door zijn onderzocht. Hellenbroek was tot op zijn sterfbed bezig met de bestudering van de Joodse uitleg van het Oude Testament. Luisteren ook naar wat Joodse stemmen vandaag over het Nieuwe Testament zeggen. En zó en dan vurig bidden, dat de God van Abraham, Izaak en Jakob natuurlijke takken inent in de eigen olijfboom. Nakomelingen van Abraham, natuurlijke takken, deel hebbend aan de vette wortel van de olijfboom. Door ze te enten op de stam van 't verbond met Abraham, Gods vrind. Door ze in vuur en vlam te zetten voor het geloof van Abraham. Vrije genade in Christus Jezus.
2 Cor. 3 : 16

Mogen wij dat niet blijvend hopen voor Israël? Maar ook zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeënt worden; want God is machtig om dezelve weder in te enten. Want indien gij afgehouwen zijt uit de olijfboom die van nature wild was en tegen nature in de goede olijfboom ingeënt; hoeveel te meer zullen deze die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geënt worden? (vs. 23, 24)

Terug naar de Joodse wortel dus. Luisteren naar wat God in Israël heeft gedaan en doet. Want wij die uit de heidenen zijn, hebben wel een beurt gekregen. Goddank. En Israël heeft wel een beurt voorbij laten gaan. Helaas. Maar God keert op Zijn tijd tot Zijn uitgangspunt terug. Let erop. Hij is Zijn volk niet vergeten. Hij houdt getrouw Zijn Woord.
Tussen Nieuwjaar en Grote Verzoendag (Rosj Hasjana en Jom Kippoer) bidt het Joodse volk het Awienoe-Malkénoe, een gebed voor bijzondere dagen van boetedoening. Hoor Israël bidden:

‘Mijn God, neig Uw oor en luister, open Uw ogen en zie naar onze ruïnes en de stad waarover Uw Naam genoemd is; want niet om onze deugden leggen wij U onze smeekbeden voor, maar om Uw grote barmhartigheid. God, hoor toch; Heer, vergeef toch; Heer, luister toch; doe het, stel het niet uit; voor Uzelf, mijn God, want over Uw stad en Uw volk wordt Uw Naam genoemd' (Dan. 9 : 18, 19).



Gespreksvragen

- Pinchas Lapide, een Joodse geleerde die zich heel intens met het Nieuwe Testament heeft beziggehouden, heeft onlangs christelijke theologen die niet geloven, dat Jezus lichamelijk uit het graf is opgestaan, verweten, dat zij ontrouw zijn geworden aan wat hun eigen Bijbel hun verkondigt. Wat denkt u van zo'n uitspraak?


- Wat zou u in uw woonplaats en in uw gemeente kunnen doen om Jodenhaat die in onze dagen weer hoog oplaait, te bestrijden? Vindt u b.v., dat Israël in de prediking, in de kerkelijke catechese en in het schoolonderwijs goed ter sprake komt?
- De derde vraag is van heel andere aard. Als Paulus in Rom. 11 : 20vv ons oproept om te vrezen, dat God ons als takken van de wilde olijfboom, geënt op de stam van Israël, mogelijkerwijs afhouwt, betekent dat dan, dat iemand echt kan geloven in God en in Zijn Zaligmaker en toch weer tot afval kan komen?
NOTEN
1. Duidelijk is, dat Paulus met de beelden 'eersteling' en 'wortel' het representatieve wil benadrukken. Het blijft hem steeds gaan om Israël als volk. Onjuist is dan ook wat in de Korte Verklaring gezegd wordt over de wortel. Hier wordt de wortel gezien als: de enkelen die God uit het Jodendom aanneemt, 'het geestelijk Israël, de uitverkorenen, het overblijfsel, dat zalig wordt uit Israël' (a.w., blz. 240v). Eersteling en wortel zijn echter begrippen die duidelijk maken, hoezeer Paulus corporatief heeft gedacht. Het gaat er hem in Rom. 11 uitgerekend om uit te spreken, dat er hoop is voor Israël als volk (niet slechts voor enkelen die geloven). In zijn brieven noemt Paulus soms ook mensen uit een bepaald land of uit een bepaalde landstreek die het eerst tot geloof kwamen: 'aparchai' — 'eerstelingen' (b.v. 1 Cor. 16 : 15: Stefanas, de eersteling van Achaje; koploper in wie het perspectief voor heel Achaje is geopend).
2. Strack-Billerbeck noemt voorbeelden van de gewoonte in de oudheid om soms ook wilde olijftakken te enten op de wortel van een onvruchtbaar geworden olijfboom om dan later weer de nieuwe stam te enten met takken van de oude. Zie ook Lekkerkerker, a.w., blz. 91.
3. 'In derzelver plaats' (Statenvertaling) moet niet worden uitgelegd als: de gemeente uit het heidendom komt in de plaats van Israël. De wilde olijfboom wordt 'in hun midden' ofte wel 'onder hen' (te midden van de takken) ingeënt. Men kan wel vertalen: in hun plaats (zoals o.a. ook Calvijn doet), maar dan bedenke men, dat hier slechts sprake is van een vervanging van takken, niet van bomen. Calvijn zegt dan ook onder meer, dat hier niet gezegd wordt, dat de hele kruin van de boom afgekapt wordt, maar dat sommige van de takken werden afgebroken. De 'heilige en gezegende tronk' blijft staan.
4. In Luthers commentaar op de Romeinenbrief (van 1515/16) lezen we, dat het dwaasheid is om de Joden alleen maar als vervloekten te beschouwen. Maar in zijn geschrift 'Von den Juden und ihren Lügen' (1542) roept hij op om de Joodse synagogen, scholen en huizen te vernietigen, hun gebedenboeken en talmoedische geschriften hun te ontnemen, hun rabbi's bij lijf en leven te verbieden verder te leren, hun het vrije verkeer op de wegen te ontnemen... Laat ze maar naar hun eigen land trekken... dan kunnen ze tenminste de christenen er niet meer van beschuldigen, dat zij meer dan één God dienen.
5. Voor het woord 'goedertierenheid' wordt hier hetzelfde woord gebruikt als in Rom. 2 : 4. Zie onze verklaring van dit vers. Voor strengheid staat in de grondtekst een woord dat herinnert aan het afhakken van takken.
6. Calvijn wijst er in zijn commentaar telkens op, dat Paulus hier niet spreekt van de speciale verkiezing van personen, maar dat hij hier de heidenen tegenover de Joden plaatst en de heidenen in hun totaliteit aanspreekt. Van de uitverkorenen die in Christus zijn ingelijfd en verlicht zijn ten eeuwigen leven volgens het onveranderlijk voornemen van God, kan niet worden gezegd, dat zij afgehouwen worden.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina