Romeinen 13, 1-7



Dovnload 38.43 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte38.43 Kb.

Romeinen 13, 1-7



12. Het wettig gezag
1 Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd.

2 Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen.

3 Want de oversten zijn niet tot een vreze den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vrezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben;

4 Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet te vergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet.

5 Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om des gewetens wil.

6 Want daarom betaalt gij ook schattingen; want zij zijn dienaars van God, in ditzelve geduriglijk bezig zijnde.

7 Zo geeft dan een iegelijk, wat gij schuldig zijt; schatting, dien gij de schatting, tol, dien gij den tol, vreze, dien gij de vreze, eer, dien gij de eer schuldig zijt.

Verklaring

Als Guido de Brès, de opsteller van de 37 Geloofsartikelen (één van de belijdenisgeschriften van de kerken der Calvijnse Reformatie) door de Roomse overheid van zijn dagen tot de dood veroordeeld is, houdt hij, staande op de ladder die hem naar de galg voert, een korte toespraak tot het volk van Valenciennes. Het is 31 mei 1567. Een gruwelijke dag waarop een overheid één van haar trouwste zonen de martelaarsdood laat sterven. Maar vlak voordat de beul de ladder onder de voeten van De Brès wegtrekt en de strop om zijn hals hem zal wurgen, spreekt hij nog enkele onvergetelijke woorden. Hij vermaant het samengestroomde volk om de overheid te eerbiedigen en volhardend te blijven in de leer die hij hen verkondigd had, de zuivere waarheid Gods.


Stel u voor: een man die volstrekt ten onrechte door een overheid wordt opgehangen, roept op om zich gewillig te onderwerpen aan het gezag van die overheid.

Hoe kan dat? Is dat niet iets ongerijmds? Nee, voor De Brès en voor gereformeerde protestanten is dat niets ongerijmds. Want zij hebben in hun Bijbel gelezen: alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God en de machten die er zijn, die zijn van God geordineerd (vs. 1). Aldus Rom. 13. 1. Protestanten zijn vijanden van elk eigenmachtig revolutionair ingrijpen in bestaande orden. Dat lag in de dagen van De Brès voor de hand. Protestanten in het zuiden van België trokken soms provocerend de straten op, al psalmen zingend. Weg met de Roomse godsdienst. Ook waren er lieden die onder de naam van het protestantisme in Munster zelfs het Koninkrijk Gods uitriepen en met het zwaard erop uittrokken om de wereld te veroveren. Mensen die voor overheden geen enkel respect hadden. Het waren de z.g. Dopersen. Maar De Brès heeft het de Koning van Spanje die hij (zoals ook ons volkslied zegt) altijd geëerd had als het wettig gezag, laten weten, dat protestanten tegen de revolutie waren. Tot vlak voor zijn dood. En in zijn Geloofsartikelen schreef hij: 'Voorts een ieder, van wat kwaliteit, conditie of staat hij zij, is schuldig zich aan de overheden te onderwerpen, schattingen te betalen, hun eer en eerbied toe te dragen en hun gehoorzaam te zijn in alle dingen die niet strijden tegen Gods Woord...’ (N.G.B. art. 36).



Rom. 13 en Openb. 13

Onderwerpt u aan het wettig gezag dat door God over u gesteld is, ook al wordt u door dat wettig gezag om uw geloof aan de galg gehangen. Ziedaar de boodschap van de Reformatie. En is dat het niet ook wat Paulus zegt in Rom. 13? Laten we er maar meteen aan toevoegen, dat het dingen zijn die geheel en al indruisen tegen de geest van de tijd die wij vandaag beleven. Revolutie, omverwerping van gezag, tarten van de politie op straat, burgerlijke ongehoorzaamheid, weigeren van belastingbetaling, wanneer de overheid het geld voor kerncentrales wil uitgeven, het zijn allemaal zaken waarvan de kranten bol staan. Ze zijn aan de orde van de dag. Kerkelijke leiders voeren pleidooien voor geweld, als overleg en vreedzaam protest niet meer helpen, in Zuid-Afrika vooral. Gewapend verzet tegen een overheid die apartheid de handen boven het hoofd houdt. Net zo goed als in de tachtigjarige oorlog tegen de overheid die protestanten vervolgde. Net zo goed als in de oorlog '40-'45 tegen nazi-Duitsland dat ons volk tiranniseerde. En het lijkt allemaal heel logisch. Net zo goed als een aanslag op Hitler, de demagoog en tiran van de westerse wereld, wettig was (al mislukte die aanslag). Net zo goed lijkt tirannenmoord gewettigd als het blanke tirannen zijn die zwarten achteruitzetten. De vraag naar het recht van opstand wordt vandaag alom met klem gesteld. En een overheid lijkt slechts wettig genoemd te kunnen worden, als zij het in onze ogen goed doet. Kortom, wij leven in tijden waarin sekten en muiterij in kerken en wereldlijke regeringen worden aangericht (avondmaalsformulier). Alsof het de gewoonste zaak ter wereld is.


Spr. 8 : 15v ; Joh. 19 : 11; Tit. 3 : 1; 1 Petr. 2 : 13-17

Luisteren we opnieuw, met dubbele aandacht, naar wat Gods Woord ons zegt. Ook waar het over de overheid gaat in Rom. 13. Het is niet veilig om iets te doen dat tegen Gods Woord indruist. Paulus schrijft hier over de overheid (- heden; ‘exousiai’) die er zijn als dienaressen van God. En hij roept op tot onderwerping. 2. Wellicht heeft de apostel, schrijvend aan de christenen in Rome (de hoofdstad van het grote Romeinse keizerrijk), rekening gehouden met de mogelijkheid, dat die christenen te Rome in een harde confrontatie met de overheid naar de wapens zouden gaan grijpen. Het spande reeds in de dagen waarin de apostel zijn brief schrijft. Keizer Claudius had van 50 tot 55 alle Joden uit Rome weggestuurd vanwege hun getwist en weldra zouden de christenen aan de beurt zijn om vervolgd te worden. In de zestiger jaren stonden ze in de tuin van Nero’s paleis te Rome, met pek overgoten, als fakkels te branden. Wat moet men met zo'n overheid? Werd zij niet steeds meer, reeds in die dagen, het beest dat de vrouw met het kind verslindt, het beest van Openbaring 13.


Rom. 8 : 35; Matth. 26 : 52

Daarom gaat Paulus in zijn brief aan Rome eens flink discussiëren over het recht van verzet. Daarom beweert hij: die Romeinse keizers die zelf in de regel door het vermoorden van hun voorgangers aan het bewind zijn gekomen, moet u niet als rechtmatige overheid erkennen. Nee, dat beweert Paulus hier in genen dele. Integendeel, hij roept op tot onderwerping. Alle ziel zij de machten over haar gesteld onderworpen. Zeg niet, dat de apostel natuurlijk nog niet wist, hoe beestachtig een overheid te keer kan gaan en hoe die het bloed onder de nagels vandaan kan halen. Wist Paulus soms niet van de moord op Jezus waaraan ook de Romeinse overheid zich in de persoon van Pontius Pilatus had schuldig gemaakt? Wist Paulus niet van bedreigingen juist van de kant van die Romeinse overheid ook uit zijn eigen leven (b.v. toen hij in Filippi in de gevangenis terechtkwam). Dat alles heeft Paulus geweten. Maar Paulus heeft nog iets anders geweten. Hij wist ook, dat zijn Meester, de Heere Christus, toen men Hem gevangennam in de hof van Gethsemané, tegen zijn jongeren gezegd had: 'Die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.' Hij wist ook, dat zijn Meester nooit een Zelotische ijveraar was geweest, die met geweld de bezettende macht van de Romeinen uit het land Israëls had verdreven.


Zeg dus niet: 'Paulus zou tien jaar later wel andere dingen geschreven hebben.' 3. Of: 'Als Paulus maar eens in onze tijd geleefd had, dan zou hij niet zo argeloos en kritiekloos tegenover dé overheid hebben gestaan'. Dat is onzin. Paulus schrijft zoals hij schrijft, omdat hij weet, dat, als hij hier iets van afdoet, de wereld binnen de kortste keren in anarchie en chaos ondergaat. 4. En Paulus zou, als hij in onze dagen geleefd had, dat ook tegen ons hebben gezegd. 'U komt met al uw revolutie, geweld, omverwerping van regeringen, enz. in de volstrekte chaos terecht.' Trouwens, dat is niet maar een particuliere mening van een zekere Paulus. Rom. 13 staat in de Bijbel. Het is het Woord van God. Ook voor ons nog steeds van kracht. Niet omdat er van een Romeinse overheid met zijn bekende Romeinse iustitia (recht) voor de ordening van het menselijk samenleven nog wel wat goeds te verwachten was, maar omdat God wat te maken had en heeft met de regering van een land en van een volk, m.a.w. omdat de overheid door God is ingesteld, daarom verbiedt de apostel ons in Rom. 13 om het heft in eigen hand te nemen en ieder voor zich eigen baas te gaan spelen.
1 Petr. 2 : 19

Zeker, een overheid schept orde in het door de zonde van de mensheid verstoorde bestaan, hoe slecht die orde misschien dan ook is. En er komt in elk geval een volstrekte wanorde, wanneer de mens gaat doen wat goed is in zijn ogen. De ordeningen van het leven, hoe labiel ook, zijn als het steigerwerk dat nodig is om een gebouw op te trekken. Maar wat het allerbelangrijkste is: heeft Hij die alle macht op aarde heeft, niet beloofd om spoedig te zullen wederkomen? Daarom kan aan christenen worden aanbevolen om in de kleine tijd die zij nog te leven hebben in de oude wereld, zich ordelijk te gedragen en onrecht, ook vanwege een overheid, gewillig te dragen.



Gods diakenen en liturgen

Alle ziel (d.i. iedereen, Jood zowel als heiden) zij onderwerpen aan de overheid. Aan de macht, ofte wel machten. Macht is op zich geen vies woord. 5. Wat de apostel hier schrijft sluit aan bij het voorgaande (hoofdstuk 12: 17vv) waarin hij immers heeft opgeroepen om zichzelf niet te wreken, maar alle leed over te geven in de hand van God aan wie de toorn en de wraak toekomt. Dat Paulus het hier heeft over tastbare aardse regeringen, dat is uit heel het verband zonneklaar. Hij noemt hen oversten (vs. 3). De machten die er zijn, dat zijn de leidslieden van het volk (van volkeren). En ook al zijn deze door malversaties (onrecht en moord wellicht) aan de macht gekomen, Paulus stelt eenvoudig, dat men hen te respecteren heeft als vertegenwoordigers van God. Dus niet de idee van een absolute staatsmacht op zich wordt hier de handen boven het hoofd gehouden. Maar wel worden wij indringend opgeroepen om overheidspersonen als gezagsdragers van Godswege te respecteren en te gehoorzamen. Ze zijn door God aangesteld (geordineerd). Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat (vs. 2a).



.

Ps. 82 : 6; 1 Petr. 3 : 13v; 2 Kron. 19 : 6, 7



Maar let er nu voorts op, hoe in Rom. 13 die overheid zelf tegelijk herinnerd wordt aan haar dure roeping. Rom. 13 is niet alleen voor onderdanen, maar net zo goed ook voor overheidspersonen geschreven. Zij heten dienaars van God. Diakenen staat er eigenlijk. Bezig in opdracht van de hoge God om het leven onder de mensen leefbaar te maken, zodat de één niet een wolf voor de ander is. Want zij is Gods dienares, u ten goede (vs. 4a). Voor uw bestwil, uw welzijn (vgl. Rom. 8 : 28; 15 : 2). Zo heeft God het bepaald. Paulus schrijft zelfs over de overheidspersonen als `liturgen van God': Want zij zijn dienaars van God, in ditzelve gedurig bezig zijnde (vs. 6). Liturgen van God, dat is: bevolmachtigd door God, steeds bezig in de uitvoering van hun Goddelijke opdrachten. 6. En wat houdt dat in? Zoals gezegd: zij dienen het samenleven der mensen te ordenen.
7. Want de oversten zijn niet tot een vreze den goede werken, maar den kwaden (vs. 3a). M.a.w., die het goede doen (d.i. dus wat bevorderlijk is voor het welzijn van de naaste) behoeven niet bang te zijn voor de overheid. Maar de kwaaddoeners wel. Zo behoort het te zijn. Een overheid die precies het omgekeerde doet (dus de goeden straft en de kwaden de handen boven het hoofd houdt), krijgt hier ook een les. Zij moet weten, dat zij bezig is haar eigen graf te graven. Zij zal het hard te verduren krijgen in het oordeel van God. Want zij zal zich erover moeten verantwoorden, als zij geen echte diaken en liturg, geen dienares Gods tot welzijn van de onderdanen is geweest. Dat is ook de geweldige verantwoordelijkheid van een overheid vandaag. Als zij wetten maakt om onschuldige kindertjes in de moederschoot te kunnen laten vermoorden (zoals in Nederland) of als zij Joden en christenen vervolgt (zoals in Rusland) of als zij niet alles in het werk zou stellen om een eerlijke samenleving tussen zwart en blank mogelijk te maken in Zuid-Afrika, kan zo'n overheid zich dan - een diaken en liturg van God - voor God verantwoorden?
Zwaard-macht
Een overheid is er om in Gods Naam over het goede te waken en het kwade te straffen. Daarom schrijft Paulus: Wilt gij nu de macht niet vrezen (dus wilt u, dat de overheid u niet de schrik op het lijf jaagt), doe het goede en gij zult lof van haar hebben (vs. 3b). Een overheid weet op zijn tijd die mensen die de samenleving lang en trouw gediend hebben, ook te eren. 8. Denk - om een voorbeeld te noemen - aan koninklijke onderscheidingen die worden toegekend aan zulke onderdanen. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij (de overheid) draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares (diaken), een wreekster tot straf dengene die kwaad doet (vs. 4b). Kwaaddoeners hebben te vrezen. Laar moet ook een overheid toe bijdragen. Het moet niet zo worden in een samenleving, dat inbrekers en moordenaars maar rustig hun gang kunnen gaan, omdat er toch maar amper gestraft wordt. Heel wat mensen gaan vandaag de dag 's avonds naar bed met de angstige gedachte: wanneer zal ik aan de beurt zijn voor een inbraak? Dat kwaad schijnt maar moeilijk te straffen te zijn. Of pakt de overheid dit kwaad niet streng genoeg aan? En wat moet een overheid, als iemand in koelen bloede — met voorbedachten rade — zijn naaste heeft neergeslagen en vermoord? Is zij nog wel een wreekster tot straf voor wie kwaad doet? Draagt zij het zwaard dan toch tevergeefs?
Vanzelfsprekend is het veel gemakkelijker om te zeggen: 'De overheid moet dit of dat', dan om zelf een overheidspersoon te zijn, een wetgever of een rechter. Het is uiterst moeilijk om een rechte strafmaat te bepalen en om straffen uit te voeren, als de maatschappij door het kwade is verziekt en gevangenissen overvol raken. Maar overheden en onderdanen hebben zich wel te houden aan wat God in Zijn Woord zegt. En dan is een humane behandeling van kwaaddoeners niet het enige richtsnoer. Het kwade moet gestraft worden. Want het kwade op zich is de dood voor de maatschappij. En als de overheid het zwaard niet voor niets draagt, dan is afschaffing van de doodstraf in onze westerse wereld in elk geval iets waardoor het zwaard van de overheid bot is gemaakt om niet te zeggen: buiten werking gesteld. 9. Helaas, men kan tegenwoordig voor een koopje iemand van 't leven beroven. En een mensenleven is weinig meer waard.
Paulus gaat in ieder geval uit van het recht van de overheid om met het zwaard te slaan. Daardoor beschermt een overheid het bestaan van haar onderdanen. Ook in geval van oorlog. Wie durft te ontkennen, dat het in 1940 de dure roeping van onze overheid was om land en volk te beschermen door de Duitse Wehrmacht te bestrijden? Die dure roeping om land en volk te beschermen heeft de overheid vandaag nog steeds. Ook al kan die bescherming er moeilijk anders uitzien dan een bescherming met kernwapens. Of die overheid daar ooit ook mee moet gaan vechten is een andere vraag. Mag het atoomzwaard ook gebruikt worden, als daardoor zowel tegenstanders als onderdanen van de aardbodem worden weggevaagd?
Matth. 22 : 21; Mark. 12 : 17; Luk. 20 : 25

Ik stip de vragen slechts aan. Ik kan niet overwegen om het veelbesproken probleem van oorlog en vrede en van de kernbewapening in enkele zinnen naar aanleiding van Rom. 13 af te handelen. Wel zou ik dringend willen aanraden om Gods Woord, ook in de huidige discussies over het oorlogsvraagstuk te laten staan. Paulus roept op tot eerbiediging van het overheidsgezag. De overheid moet weten, hoe zij overheid is. Maar onderdanen past onderworpenheid. Daarom is het nodig (het is een noodzaak, staat er eigenlijk) onderworpen te zijn, niet alleen om der straf, 10. maar ook om des gewetens wil (vs. 5). Dus burgerlijke gehoorzaamheid. En dat niet maar, omdat er anders wat voor ons opzit. Uit vrees voor straf. Maar omdat burgerlijke ongehoorzaamheid ons een slecht geweten bezorgt. 11. Wilt u een goed geweten hebben voor God, onderwerpt u dan, speelt niet uw eigen rechtertje. Zegt niet: 'l'Etat c’est moi' (de staat, dat ben ik). Want dat voert tot een volkomen bestuurloosheid van een volk. Dat is ten spoedigste chaos. En al hebt u ook dan een rustig geweten, u kunt het voor God niet verantwoorden. Want daarom betaalt gij ook schattingen (vs. 6a). Zo geeft dan een ieder wat gij schuldig zijt; schatting die gij de schatting, tol die gij de tol, vreze die gij de vreze, eer die gij de eer schuldig zijt (vs. 7).


Nogmaals, zo heeft Paulus' Meester en uw en mijn Meester het ons geleerd. Toen immers aan Jezus gevraagd werd, of men de keizer schatting moest betalen, liet hij een muntstuk ophalen uit de bek van een vis, met de beeltenis van de keizer erop. En toen zei Hij wat Paulus hier zegt: `Geeft dan de keizer dat des keizers is en Gode dat Gods is.' Als we het laatste doen, hebben wij het met het eerste zo zwaar niet. Jezus en Paulus hebben de financiële belastingdruk van de Romeinse overheid niet revolutionair van zich afgeworpen. En als wij vandaag vinden, dat wij onze belastingcenten voor verkeerde doeleinden op tafel leggen dan zijn er nog wel andere wegen om dat ter discussie te stellen dan die van de botte weigering en de burgerlijke ongehoorzaamheid.
Het is overigens voor moderne mensen van de 20e eeuw wel moeilijk te verwerken wat we lezen in Rom. 13. Een mens is het daar diep in zijn hart nooit mee eens. God zelf moet hem ogen en een hart geven om zich te buigen onder het hoogste gezag van Hem, de levende God zelf; en om zich te verheugen in het hoogste goed dat er op aarde is, het volzalige geluk van de vrede met God door Jezus Christus; en om vol hunkering uit te zien naar de spoedige wederkomst van onze Heiland. Dan heeft hij met Rom. 13 niet zoveel moeite meer. Hij weet dan, dat Rom. 13 steeds meer Openb. 13 wordt en dat de grote tegenspeler van God, de satan, het in de machtsstructuren in deze wereld steeds meer voor het zeggen krijgt. Maar wees getroost, het is slechts voor even. Want het blijft waar wat Jezus zei, toen Hij naar Zijn Vader ging: `Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.'

Gode meer gehoorzaam zijn

Spr. 24 : 21; Hand. 5 : 29

Inmiddels geldt: wie de machten wederstaan, zullen over zichzelf een oordeel halen (vs. 2b). 12. Een vraag tot slot. Moeten wij ons dan maar onder alle omstandigheden blind en slaafs onderwerpen aan iedere overheid? Op straffe van het oordeel Gods over ons te halen? Dan hadden die Duitsers in de oorlog dus toch gelijk, toen ze zeiden: 'Befehl ist Befehl.' Ook toen ze er - wellicht tegen hun eigen geweten in — aan meewerkten, dat zes miljoen Joden de dood werden ingejaagd op de gruwelijkste wijze. En dan moet men het hun dominees maar vergeven, die toch eigenlijk niet de moed hadden om hardop te zeggen: `Dat regime van Hitler is van de duivel.' U gevoelt hoe groot hier de vragen zijn. Niet voor iemand die het recht van opstand boven in het vaandel geschreven heeft staan. Wel voor iemand die ernst wil maken met Rom. 13.
Een overheid kan ook een straf van God zijn. En daar kruipt men niet zomaar even onderuit. Maar een overheid gehoorzamen, uitvoeren wat die overheid beveelt, als dat dwars tegen het uitdrukkelijk gebod van God ingaat, dat zullen we niet en nooit. Wij zullen Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen. En meewerken aan de moord op zes miljoen Joden, dat had iedereen om Gods wil moeten weigeren, ook al zouden duizend Hitlers het hebben geëist. Achteraf is 't gauw genoeg gezegd. Maar u gevoelt voor welk een beslissing een Duitse christen in de laatste wereldoorlog stond. Nee, dat gevoelen wij misschien pas recht, als wij zelf in een situatie terecht zijn gekomen, waarin om Gods wil van ons gevraagd wordt, dat wij weigeren zullen om beestachtige bevelen van een over ons heersende overheid uit te voeren. De jongens van het verzet in de oorlog '40-'45 die rekening wensten te houden met Rom. 13 moeten het gevoeld hebben, hoe zwaar het een christenmens valt om Gode meer gehoorzaam te zijn dan een overheid die ons als een zware gesel van God is opgelegd. En wij of onze kinderen zullen het misschien nog eens ervaren, hoe zwaar het valt om de machten te wederstaan, omdat God van ons vraagt, dat we Hem méér gehoorzamen. Dat zullen we alleen kunnen, als God ons de genade geeft om ons eigen leven niet te achten en Zijn wil als ons hoogste goed te beschouwen.
Het is goed en nodig om dat nu te leren. Wie zal zeggen, hoe lang het nog duurt, voordat wij een overheid hebben, die ons dwingt om gewetenloos en godloos te handelen. Wij mogen wel bidden, of de Heere ons voor zo'n overheid bewaren wil.

Gespreksvragen

Het onderwerp dat aan de orde kwam naar aanleiding van Rom. 13 : 1-7 is moeilijk en teer. Er komen gemakkelijk heel wat gevoelens los. Samen nadenkende over de grote vragen waarvoor wij vandaag staan, moeten we daarom bovenal de vinger leggen bij wat de Heere van ons vraagt in Zijn Woord. Laat dat het in ons spreken over deze dingen voor het zeggen hebben. Ook als wij verder met elkaar spreken over de volgende drie vragen.


- De eerste: Bent u het ermee eens, dat het recht van opstand tegen het over ons gestelde gezag alleen toekomt aan instanties en personen die God zelf daartoe roept? (Calvijn had daarbij het oog op de z.g. lagere overheden). Denk aan de tachtigjarige oorlog.
- Kunt u erin komen, dat mensen die protesteren tegen de legalisering van abortus, tegelijk ook kunnen pleiten voor herinvoering van de doodstraf en voor verdediging van de Westerse wereld door atoomwapenen? Hoe kijkt u tegen het verschijnsel van de z.g. kleine criminaliteit aan en welke maatregelen van overheidswege acht u nodig om deze te bestrijden?
- In Rom. 13 wordt door Paulus niet de vraag gesteld, of een overheid ook onwettig kan zijn. Vindt u dat wij deze vraag wel mogen stellen?

NOTEN
1. Gedurende enige tijd heeft de z.g.n. daemonistische interpretatie van Rom. 13 : 1-7 bij een aantal exegeten aanhang gekregen. Deze interpretatie (van o.a. G. Dehn, ook K. Barth) houdt in, dat de hier door Paulus genoemde 'exousiai' (machten) als achter de staat staande kwade engelmachten worden gezien. Deze zijn door Christus overwonnen (Ef. 1 : 21; Col. 2 : 15; 1 Petr. 3 : 22), al oefenen ze op aarde (via de overheden) nog steeds hun kwade invloed uit. Wanneer Paulus hier over daemonische machten zou schrijven, die overigens via de aardse overheden werkzaam zijn, zou Rom. 13 evenals Openb. 13 vooral de nadruk leggen op de gedaemoniseerde overheid en niet direct oproepen om zich te onderwerpen aan het gezag van de overheid. O.i. echter hebben we hier met een gewrongen verklaring te doen. Paulus gebruikt het woord 'exousia' als een neutraal woord voor macht dat in het Hellenistische en Griekse profane spraakgebruik (ook bij het Jodendom) in de regel gebruikt wordt voor de overheid (meervoud: overheden). Het is een synoniem woord voor 'archontes' (oversten - vs. 4) waarmee ook steeds de staats- en stadsbearnbten werden aangeduid. Trouwens de oproep om zich te onderwerpen aan daemonistische machten zonder neer kan toch moeilijk uit Paulus' pen zijn gevloeid. Nergens in het N.T. vinden we overigens de gedachte, dat Christus de 'metafysische exousiai' in Zijn dienst heeft gesteld. Zie Althaus, . a.w., blz. 130v en Lekkerkerker, a.w., blz. 131vv en 138v.

De machten waarover Paulus hier schrijft, zijn machten die zich boven alle ziel bevinden en die door God zijn ingezet en aangesteld (verordend).


2. Sommige exegeten vinden, dat Rom. 13 : 1-7 niet past in het betoog van Paulus. Vs. 8 van Rom. 13 schijnt helemaal aan te sluiten bij de laatste verzen van hoofdstuk 12 (over de liefde tegenover vriend en vijand). Rom. 13 : 1-7 staat daar als een storend element tussenin. Het moet later zijn ingevoegd door iemand anders. Het klopt ook niet met wat de rest van het N.T. ons over de overheid zegt, zo beweert toen. Openbaring 13 b.v. tekent ons een heel ander beeld van de overheid, nl. dat van het beest. En Paulus zelf is elders in zijn brieven ook veel kritischer tegenover aardse overheden en rechters (vgl. 1 Cor. 6 : 4). De perikoop moet uit de tweede eeuw stammen. O.i. is deze argumentatie zeer zwak. Geen enkel handschrift mist de perikoop. Bovendien kan moeilijk worden gezegd, dat Paulus tegenover de overheid elders (waar schrijft hij er trouwens nog meer over?) zo negatief is. In 1 Cor. 6 : 4 pleit hij ervoor, dat geschillen tussen gelovigen binnen de gemeente worden opgelost en dat men daarvoor niet ongelovigen te hulp roept. Ook bij een positieve waardering van de overheid is zo'n raad heel begrijpelijk. Kortom, als men van lastige bijbelperikopen verlost wil worden, is het argument van de z.g. latere invoeging de gemakkeIijkste manier.
3. Zoals Paulus hier schrijft over de overheid, staat hij in een klassieke Joodse traditie. Onder de Joden eerbiedigde men immers het gezag als door God gegeven. Zie: Wijsheid van Salomo 6 : 1-11. Althaus (a.w., blz. 132) wijst ook op Pirke Aboth 3, 2: 'Bid voor het heil van de overheid; want zonder de vrees voor haar zou de één de ander levend verslinden.' Hij zegt verder: 'In de tempel te Jeruzalem wordt voor de Romeinse keizer geofferd, in de synagogen bidt men voor hem. Want God heeft de macht gegeven voor het welzijn der mensen.'
4. Ten onrechte gebruiken de verklaarders van de Nieuwe Vertaling als argument, dat Paulus hier oproept tot christelijke onderworpenheid, omdat hij de Romeinse overheid waardeerde als beschermster van de vrede en daardoor in feite een macht die de voortgang van het Evangelie bevorderde.
5. Calvijn schrijft in zijn commentaar (Rom. 13 : 3): 'Er kan in het geheel geen tirannie zijn die niet in zeker opzicht toch bijdraagt tot bescherming van de menselijke maatschappij.'
6. Een andere vertaling is: want zij zijn dienaren van God die met het oog hierop (nl. het betalen van belasting) rusteloos bezig zijn. Dan zou het woord dienaren dus slaan op de onderdanen en niet op de overheid. Deze vertaling is echter weinig aannemelijk. In vs. 6 staat het woord 'leitourgoi' (dienaren) voorop en is door het woordje 'want' verbonden met het voorgaande. Het ligt dus het meest voor de hand het te betrekken op het werk van de overheid.
7. Het is zeer merkwaardig, dat Paulus hier het woord 'leitourgoi' gebruikt. Het betekent letterlijk: werkers voor het volk. En deze werkers voor het volk zijn bezig in opdracht van God: daarom liturgen Gods. De Septuagint gebruikt het woord als vertaling van de priesterlijke taak in de tempel onder oud-Israël. En voor zichzelf gebruikt Paulus het in Rom. 15 : 16 (als apostel). Ook de gelovigen in het N.T. heten wel liturgen, wanneer zij voor Gods aangezicht bezig zijn b.v. met bidden, collecteren en het inwinnen van heidenen voor het Evangelie. In Rom. 15 : 6 heten de overheden liturgen, omdat zij voor Gods aangezicht (in Zijn opdracht) werkzaam zijn ten dienste van het volk. Dat Paulus dit zwaar geladen woord voor deze dienst gebruikt, bewijst dat hij overheid en kerk niet los zag van elkaar. Zij zijn als de twee brandpunten van een ellips: kerk en overheid nauw op elkaar aangewezen (theocratisch ideaal).
8. Vermoedelijk denkt Paulus hier aan onderscheidingen vanwege de Romeinse overheid, officieel uitgereikt aan onderdanen die zich verdienstelijk maakten (inscripties op marmer getuigen daarvan).
9. Over de doodstraf is veel te doen geweest. Met het zwaard van de overheid wordt in Rom. 13 bedoeld het beschikkingsrecht over leven en dood (vgl. Rom. 8 : 35; Openb. 6 : 4). Romeinse overheden droegen meestal als teken van hun macht een wapen. Paulus ziet in de zwaardmacht van de overheid de handhaving en het herstel van het door God gegeven recht, dat door de misdaad is verstoord en waardoor de gemeenschap van een volk onmogelijk wordt gemaakt.
10. Als Paulus hier telkens spreekt over straf of toorn (vs. 4 en 5), bedoelt hij in de rente plaats de straf en toom van overheidswege. Maar daarin openbaren zich tevens de straf en de toorn van Godswege.
11. Meerdere keren spreekt Paulus over het geweten, o. a. in Rom. 2 : 15. Hij gaat er kennelijk van uit, dat de mens een mede-weter in zich heeft die met de overheid mee weet van goed en kwaad en waardoor de mens niet te verontschuldigen is. Hoewel de kwaaddoener gewetenloos kan handelen, kan een gelovige geen rustig geweten hebben, als hij niet naar Gods gebod onderworpen is aan de overheid.
12. Artikel 36 van de NGB eindigt aldus: 'En hierin verwerpen wij de Wederdopers en andere oproerige mensen en in het algemeen al degenen die de overheden en magistraten verwerpen en de Justitie omstoten willen, invoerende de gemeenschap der goederen en verwarren de eerbaarheid die God onder de mensen gesteld heeft.'



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina