Romeinen 14 : 1-12 14. Christelijke verdraagzaamheid



Dovnload 29.08 Kb.
Datum26.07.2016
Grootte29.08 Kb.
ROMEINEN 14 : 1-12
14. Christelijke verdraagzaamheid
1 Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen.

2 De één gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden.

3 Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen.

4 Wie zijt gij, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat, of hij valt zijn eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen.

5 De één acht wel den enen dag boven den anderen dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.

6 Die den dag waarneemt, die neemt hem waar den Heere; en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks den Heere niet, en hij dankt God.

7 Want niemand van ons leeft zichzelven, en niemand sterft zichzelven.

8 Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.

9 Want daartoe is Christus ook gestorven en opgestaan, en weder levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levenden heersen zou.

10 Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.

11 Want er is geschreven: 'Ik leef, zegt de Heere; 'voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden'.

12 Zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven.
Verklaring
De gemeente die naar Christus' Naam genoemd is, kan niet bestaan zonder christelijke verdraagzaamheid. Er zijn onder christenen altijd verschillen van inzichten, van overtuigingen, van leefwijzen ook. Wat voor de één toelaatbaar is, is het nog niet altijd voor de ander. Ieder heeft zo zijn eigen geweten. En het is voor niemand veilig iets tegen zijn eigen geweten in te doen.

Maar in een christelijke gemeente moet men wel vreedzaam samenleven. En dat wil zeggen, dat men niet van ieder inzicht, van elke overtuiging, van iedere leefwijze een halszaak moet maken. Men kan de gemeenschap met elkaar verbreken op punten waarin men elkaar liever moest verdragen. Men moet goed weten, of de zaak waarvoor men wil staan een schisma waard is of dat men elkaar daarin binnen die ene gemeente de nodige ruimte moet laten. Er zijn nu eenmaal ook middelmatige zaken waar onze ziel en zaligheid niet van afhangen en waarover wij ons niet al te druk moeten maken. En als men wil weten, of een zaak een breekpunt moet zijn, een zaak van zijn of niet-zijn, laat men dan eens bezien, of men voor die zaak ook zo vurig zou willen opkomen, staande op Golgotha tegenover een stervende Zaligmaker, of in de ontmoeting met de opgestane Christus of voor de rechterstoel van Christus.


Het is nodig dat wij deze dingen nog eens met klem naar voren brengen. Om twee redenen. In de eerste plaats omdat in onze dagen de polarisatie - ook binnen de christelijke gemeente - sterk is toegenomen. Er is van eenheid der gemeente vaak maar bitter weinig te bespeuren. Het lijkt wel, alsof er in het geheel geen christelijke verdraagzaamheid meer bestaat. En in de tweede plaats omdat er tegenwoordig onder het mom van christelijke verdraagzaamheid inmiddels geweldig veel mee door kan. Tolerantie is een modewoord ondanks alle polarisatie. Terwijl die tolerantie toch ook niet grenzeloos kan zijn.

De derde weg

Hand. 10 : 14

Dat is het wat aan de orde komt in Rom. 14. De gemeente van Rome blijkt verdeeld te zijn. In twee partijen. Tenminste het dreigen partijen te worden. Aan de ene kant: de vleeseters. Anderzijds: de vegetariërs. Paulus schrijft in vs. 2: De één gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden. Zeer waarschijnlijk doelt Paulus bij laatstgenoemden op de Joodse gelovigen in de gemeente van Rome. Zij hebben er de grootste moeite mee om vlees te eten. Geen wonder. Want verbood God in Zijn Woord niet het eten van b.v. varkensvlees (ook dat van konijnen en hazen; zie Deut. 14 en Lev. 11)? Opdat Zijn volk zich zou onderscheiden van, ‘kosjer’ (heilig) zou zijn te midden van het pure heidendom. U kent de geschiedenis van Petrus' visioen uit Hand. 10 waarin hem een laken getoond wordt met reine en onreine dieren, kris kras door elkaar. En Petrus' antwoord op Gods uitnodiging om te eten: `Ik heb nooit iets gegeten dat gemeen of onrein was.' Zulke gelovigen nu moeten er ook in de christelijke gemeente te Rome zijn geweest. Joodse christenen, opgevoed bij de tradities van de spijswetten. Zij meenden, dat men in een heidense wereld als die van Rome al spoedig in de verleiding kwam om vlees zonder onderscheid te eten, b.v. tijdens een maaltijd bij christenbroeders die op dit punt helemaal geen problemen maakten. Daarom waren ze vegetariërs. Ze aten slechts groenten. Voor de veiligheid dus helemaal geen vlees. 1.
Nog op een ander punt wensten zij de oude ceremoniële wetten te onderhouden. Voor hun besef moesten zij zich ook blijven houden aan de bepalingen van Gods wet ten aanzien van bepaalde dagen, feestdagen van de Joodse kalender (sabbatten, dagen van de nieuwe maan, Nieuwjaarsdag, enz.). Hoewel in een heidense omgeving moeilijk uit te voeren, stonden ze er toch op ook op deze punten correct de Joodse wetten te onderhouden. Daarover schrijft Paulus in vs. 5: De één acht wel de ene dag boven de andere dag; maar de ander acht alle dagen gelijk. 2.

Voor Joodse christenen zwaarwegende punten. Voor christenen uit het heidendom zaken die van geen belang waren. Maar men moest elkaar in één en dezelfde gemeente wel zien te vinden op deze punten. En moesten heiden-christenen zich dan soms naar de Joodse voorschriften gaan gedragen? Of moesten de Joodse gelovigen hun tradities ter wille van de vrede onder elkaar maar opzij zetten? Of was er ook een derde weg?


Gal. 4 : 10v; Col. 2 : 16v

Paulus kiest voor een derde weg. Hij roept op ieder te laten in de waarde waarin hij is en elkaar de vrijheid te gunnen naar ieders geweten te handelen. Geen polarisatie, maar verdraagzaamheid. U zegt misschien: `Maar zoiets zijn we van Paulus toch niet gewend? Was hij er niet juist altijd heel erg op tegen, als Joodse christenen hun broeders uit de heidenen probeerden weer onder de eisen van de Mozaïsche wet te brengen? Was Paulus m.a.w. niet veel radicaler?' In de Galatenbrief b.v. hakt hij heel resoluut de knoop door, als hij schrijft, dat het onderhouden van dagen en maanden en tijden en jaren niet als een voorwaarde voor het beërven van de zaligheid mag worden gezien. En in de Colossenzenbrief schrijft hij: `Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan, of der sabbatten.' De apostel was er steeds een vijand van, dat de christelijke gemeente zich van zijn vrijheid in Christus liet beroven door zich opnieuw onder de wet te Laten brengen.


Rom. 15 : 1, 7; Filem. : 17; Matth. 7 : 1; Jak. 4 : l lv

Dat alles is juist. Maar dat is het dan ook - en niets anders - dat Paulus de christenen in Rome voorhoudt. Men moet elkaar niet voor de voeten lopen. Men moet van leefgewoonten, tradities, welke die ook mogen zijn, geen barricades maken, geen veto's aan het christen-zijn van elkaar. De Joodse gelovigen moeten de broeders uit de heidenwereld in de gemeente de ruimte laten om alles te eten zonder onderscheid en zich niet te houden aan bepalingen die God oudtijds aan Israël gaf om dat volk te onderscheiden van de wereld. En omgekeerd moeten heiden-christenen hun broeders uit het Jodendom die opgevoed zijn bij de tradities van de ceremoniële wetten, de vrijheid laten zich daaraan te blijven houden. De apostel stelt zich wel op het standpunt, dat zij die het laatste doen nog zwak in het geloof zijn. Zij zijn nog niet zover gevorderd in de beleving van de vrijheid des geloofs, dat zij al deze dingen zonder meer kunnen en durven laten schieten, hoewel dat vanuit het geloof in Christus echt wel mocht. Paulus gaat dus aan een kant staan. Maar hij roept tegelijk de gemeente van Rome op elkaar de ruimte te geven en de gewetens niet te binden.


Degene nu die zwak is in het geloof, neemt aan (d.w.z. accepteert hem, behandelt hem als een broeder), maar niet tot twistige samensprekingen (vs. 1). Geen dialoog. waarin de splijtzwam welig tieren kan. 3. Laat er een gesprek zijn over de dingen waarin men van inzicht verschilt. Maar veracht elkaar niet. Letterlijk staat er: houdt de ander niet voor niets. Die daar eet, verachte hem niet die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet die daar eet; want God heeft hem aangenomen (vs. 3). Als iemand, inclusief zijn inzichten en leefwijzen door God aanvaard is, moeten wij hem niet misdoen of links laten liggen.
Eén is uw Meester

1 Cor. 10 : 12

Christelijke verdraagzaamheid. Geen bemoeizucht met elkaars innerlijke overtuigingen, want ieder heeft zich over zijn eigen doen en laten voor God te verantwoorden. Wie zijt gij die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat of valt zijn eigen heer (vs. 4). U gaat u toch ook niet bemoeien met een knecht van een ander? Zijn zaak is immers uw zaak niet, maar de zaak van zijn heer. Als die zegt: 'Jij doet het goed', hebben wij niet te zeggen: 'Jij handelt verkeerd'. Paulus doet hier dus een beroep op de persoonlijke relatie tussen een knecht en zijn heer, tussen de christen en zijn God. Hij dient zijn God recht of hij doet dat niet. Laat dat aan God over. En bedenk, dat God machtig is hem vast te stellen. Hij zal vastgesteld worden (vs. 4). M.a.w. als God iemand met een bepaalde leefwijze en levensstijl Zijn Goddelijke goedkeuring geeft, dan staat die broeder in deze overtuiging vast en recht voor God. En zo is het ook wat betreft het onderhouden van dagen. Een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd (vs. 5). Als ieder maar zo gehoorzaam is aan God zoals hij gevoelt in zijn gemoed, dat hij om God te behagen handelen moet.
Col. 3 : 17; 1 Tim. 4 : 4v

Als u er God maar mee onder ogen kunt komen. Dat is het belangrijkste. Daar moet u zeker van zijn. Niet iets doen of laten, omdat anderen vinden dat u het doen of laten moet. Helaas, hoe vaak wordt levensstijl bepaald door wat mèn vindt alleen. Met alle krampachtigheid daaraan verbonden. Wat zeggen de mensen ervan? Paulus zegt: `Heb een overtuiging, leef een leven waarmee u onder de ogen van God kunt komen. En weet: zo sta ik er goed voor.' Dat is beslist leven. U houdt er geen kwaad geweten aan over. Alles den Heere. Die de dag waarneemt, die neemt hem waar den Heere; en die de dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere, Die daar eet, die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks den Heere niet en hij dankt God (vs. 6). Als u er God maar voor danken kunt, hetzij u iets uit vaste overtuiging doet, hetzij u het nalaat.


1 Cor. 3 : 23; 1 Thess. 4 : 14; 1 Thess. 5 : 10

Leven voor God, de Heere. Dat is de grondregel voor alle ethiek, voor elk christelijk handelen. Niet: voor zichzelf leven, voor zijn eigen eer, genot, geluk of wat dan ook. Want als dat het uitgangspunt is, is alles in principe goed. En dat betekent losbandigheid. Dan mag een mens een inhalig, hartstochtelijk, zelfzuchtig mens blijven. En God moet het allemaal goed vinden. Maar dat bestrijdt Paulus hier. Hij beweert niet, dat alles goed Is, als men maar een rustig geweten heeft. Want er zijn mensen die een rustig geweten hebben, al slaan ze hun naaste dood of al plegen zij schandelijkheid als mannen onder elkaar.


Nee, de apostel zegt: 'Kom ermee onder de ogen van God.' Ja, leef Gode. Zo is het toch in de christelijke gemeente? Voor de Heere, van de Heere?! Dus: Hem toegewijd en in alles Zijn eigendom. Hij heeft het voor het zeggen. Want niemand van ons leeft zichzelf en niemand sterft zichzelf Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren (vs. 7, 8).
Luk. 20 : 38 2 Cor. 5 : 15 Gal. 2 : 20

Is dat niet het machtige levensgeheim van een kind van God? 'In de grootste smarten, blijven onze harten in de Heer' gerust' (Ps. 33 : 10 ber.)? En: ''k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind, Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten' (Ps. 119 : 83 ber. ). De Heere toebehoren. Hem van ganser harte dienen, in de gloedvolle overtuiging van een hart dat altijd voor Hem klaarstaat. 'Wiens ik ben, welke ik ook dien' (Hand. 27 : 23). Dan laat ik niet zomaar iemand anders over mij meesteren. Ik ben ook niet meer afhankelijk van mensenmeningen. Ik mag een christelijke persoonlijkheid zijn, een man uit één stuk. Eén is Mijn Meester. Want daartoe is Christus ook gestorven en opgestaan en weder levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levenden heersen zou (vs. 9). In leven en sterven de gestorven en levende Heere (Kurios) Jezus Christus die het alom en altijd voor het zeggen heeft, tot Koning over mijn leven uitroepen. Nee, Hij is het. Van de wieg tot en met het graf. 'Rabbouni - mijn lieve Meester'.


Matth. 25 : 31v Hand. 10 : 42

Hij heeft het voor het zeggen. Maar als dat zo is, dan moeten wij het ook afgeleerd hebben en telkens weer afleren om over elkaar de scepter te willen zwaaien, heerszuchtig boven elkaar te gaan staan, keurmeesters en zedenmeesters eerste klas. Zolang als men trouwens bezig is met wat anderen doen en laten om dat te kritiseren, kan men het veilige gevoel hebben, dat men zelf voor God behoorlijk aan de maat is. 'Wie in eens anders tuintje wiedt, ziet 't onkruid bij zichzelve niet'. Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor de rechterstoel van Christus 4. gesteld worden (vs. 10) .


Hand. 17 : 31; Jes. 45 : 23; Jes. 49 : 18; Jer. 22 : 24; Ez. 5 : 11; Fil. 2 : 10v;

2 Cor. 5 : 10

Bedenk wat dat betekent. De rechterstoel van God of van Christus. Paulus spreekt zowel over God als over Christus, als hij de rechterstoel noemt in zijn brieven. God en Christus trekken één lijn, zijn ook in het oordeel over ons bestaan één. Welnu, moeten voor die rechterstoel niet alle mensenmeningen als nietig en ontoereikend wegvallen? Wat is er al niet waarover een mens zich druk maakt en wat de eeuwigheid niet haalt, wat achterblijft in het totaal van alle onbenulligheden en kleinzieligheden van de tijd? Laat ons bedenken - hier en nu - wat ons dán, als wij voor God en voor Christus staan, zwaar zal wegen. Want er is geschreven: 'Ik leef', zegt de Heere; 'voor Mij zal alle knie zich buigen en alle tong zal God belijden' (vs. 11). Een profetisch Woord. Zeer vast. Een oud-christelijke belijdenis zoals ook blijkt uit Fil. 2. 'Wij allen moeten voor de rechterstoel van Christus geopenbaard worden, opdat een ieder wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad' (2 Cor. 5 : 10). En waar blijf ik, waar blijft u in dat heilig gericht van de allerhoogste God?
Is 't voor God verantwoord?
Luk. 16 : 2; Hebr.4 : 13

Aan die vraag hebben wij de handen vol, nietwaar? Zo dan, een ieder van ons zal voor zichzelf Gode rekenschap geven (vs. 12). Niemand uitgezonderd. Ter verantwoording geroepen voor de alwetende, heilige en rechtvaardige God. Staande voor de troon van de Almachtige, in het gericht van God betrokken met alles wat men persoonlijk is en was, zo zal men recht over zijn broeder kunnen oordelen. Zo mag iemand ook een overtuiging hebben. Wees ermee onder de ogen van God.


Ik keer nog een ogenblik terug tot het uitgangspunt. Paulus doet in de perikoop een apostolische aanbeveling van de christelijke verdraagzaamheid. Een samenleving van Joden en heidenchristenen in één gemeente moet mogelijk zijn. Als ieder het eigen standpunt niet verabsoluteert. Als men eigen tradities, leefgewoonten, levensstijl maar niet als een juk aan de ander oplegt. Ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. En ieder is verantwoording schuldig aan de Heere van dood en leven.
Ik stel me voor, dat u echter nog een vraag hebt. Hoe moeten wij vandaag deze apostolische oproep tot christelijke verdraagzaamheid toepassen? Ik heb al even geschreven over de grenzen van de tolerantie. Daar voeg ik nu het volgende aan toe. Vanzelfsprekend bedoelt Paulus in Rom. 14 niet een ‘carte blanche’ te geven voor elke invulling van het begrip levensstijl. Hij zegt niet: 'Het doet er niet toe, hoe u leeft. Ieder heeft zo zijn eigen tradities, zijn eigen ervaringen, zijn eigen overtuigingen. ‘Laisser faire, laisser aller’. Als u er maar mee durft te sterven.' Nee, ook de levensstijl is een zaak die men niet aan de willekeur van de mens kan overlaten. En er zijn op dit terrein ook halszaken. Kan men voor de rechterstoel van Christus verschijnen, als men b.v. zijn lichaam levenslang aan een overmaat van sterke drank overgeeft?
Kan men voor de rechterstoel van Christus verschijnen, als men de door God ingestelde rustdag verwaarloost, doordat men de samenkomsten rondom Gods Woord links laat liggen en die dag gebruikt om te relaxen, te zonnen en te zwemmen? Kan zoiets op iets anders uitlopen dan op geestelijke armoede? Met andere woorden: wat Paulus in Rom. 14 schrijft, moet men wel vanuit het hart van de zaak benaderen, vanuit wat tot Gods eer strekt en tot onze zaligheid. Men moet wat Paulus hier schrijft niet als een stuk elastiek uittrekken, totdat elke levensstijl tenslotte aan de maat blijkt te zijn. Kwesties als eten en drinken en zaken als die van de rustdag, dat zijn kennelijk toch ook weer geen zaken die ieder op zijn manier maar moet invullen. Ieder zal moeten weten, dat hij naar lichaam en ziel heilig voor God heeft te zijn. Bij de opvoeding vroeger kwam het nogal eens voor, dat moeder of vader tegen een kind dat naar de bioscoop of kermis wilde, zeiden: 'Kind, vraag je altijd af: Kan ik daar God ontmoeten?' Ik denk, dat dit toch zo'n slechte vraag nog niet was.
Maar dan blijft er toch nog een andere vraag, nadat u alles wat Paulus in Rom. 14 schrijft nog eens goed overdacht hebt. Op welke punten hebben wij dan christelijk tolerant te zijn tegenover elkaar? Paulus geeft hier toch immers een algemene regel, nl. om van bijzaken geen hoofdzaken te maken. En hoe vaak komt het dan toch maar voor binnen de christelijke gemeente, dat men elkaar op punten waarin men elkaar vrij moest laten, onder het juk brengt? Ik meen, dat wij tegen dat laatste zeer hebben te waken. Een vegetariër en een geheelonthouder mogen er best zijn. Men zal hen in de christelijke gemeente moeten respecteren als een indringende waarschuwing tegen de afschuwelijke consumptiemaatschappij waarin wij leven. Maar die vegetariër en geheelonthouder zullen hun levenswijze toch niet als een wet voor iedereen aan anderen willen opleggen? En is het zo ook niet met de wijze van zondagsviering? Lopen we niet het gevaar, dat wij de zondag tot een verbodsdag maken door tot in de finesses te willen regelen wat mag en niet mag? Ik zou er graag voor willen pleiten, dat op de rustdag alle niet-noodzakelijke arbeid gestaakt wordt. Als in Israël het openbare vervoer op de sjabbat stil ligt, dan moet dat ook bij ons kunnen. Maar overigens mogen wij er in de gemeente en in onze gezinnen wel op toezien, dat wij de christelijke feestdag van de zondag werkelijk samen kunnen vieren als een dag vol vreugde waarin we elkaar ontmoeten mogen rondom Gods Woord en in onze gezinnen. Tot lof aan God die ons zulk een rustdag gaf en nog steeds liet. En tot een geestelijke verkwikking, zodat we er in de komende werkweek weer tegen kunnen. Dan doen en laten wij – elk op zijn of haar eigen wijze - die dingen op deze dag die bevorderlijk zijn voor onze geestelijke rust. Vraagt u wit altijd maar af, als u iets doet of laat: 'Kan ik zo God ontmoeten?’ En zo zij een ieder in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.
Gespreksvragen
- Betekent dat wat Paulus schrijft in Rom. 14, dat Joodse christenen die dat begeren, in plaats van de zondag als christelijke feestdag ook de sabbat, de laatste dag der week, als hun rustdag mogen onderhouden?
- Iemands levensstijl en de manier waarop hij de zondag doorbrengt, zijn onder ons meestal nauw aan elkaar gekoppeld. Welke normen zijn ervoor om aan te geven wat een gepaste zondagsviering is? En op welke punten zouden wij ook tegenover onze kinderen bepaald onverdraagzaam moeten zijn?

NOTEN
1. Zeer waarschijnlijk gaat het over deze dingen en niet direct over het aan de afgoden gewijd offervlees waar Paulus over schrijft in 1 Cor. 8 : 1-13 en 10 : 14-33, hoewel het laatste ook in de gemeente van Rome een rol kan hebben gespeeld. Omdat Paulus in Rom. 14 zowel over het al of niet eten van vlees als over het waarnemen van dagen schrijft en wij bij het laatste verwijzen kunnen naar wat ons in Gal. 4 : 10v wordt gezegd, denken we wat betreft Rom. 14 vooral aan Joodse christenen die met het punt van de onderhouding van de ceremoniële wetten zaten in een puur heidense omgeving. Zo oordelen ook Calvijn en de Statenvertalers in hun Kanttekeningen. In Col. 2 : 16, 17 is wellicht meer sprake van van afkomst Joodse en heidense christenen samen die uit ascetische overwegingen zich onthielden van spijzen en die dit en het onderhouden van bepaalde dagen als heilsnoodzakelijk voor de volheid van het geloof predikten. Strack-Billerbeck (a.w., blz. 307) zeggen bij Rom. 14 : 1, dat hier wellicht toch sprake is van christenen die om niet onwetend afgoden-offervlees te eten of heidense als drankoffer op het altaar gebrachte wijn te drinken, principieel van elk vlees-en-wijn-genot afzagen.
2. Een aantal handschriften heeft aan het begin van de zin het woordje 'want'. Dit woordje 'want' is dan echter niet redengevend. Het duidt slechts de voortzetting van het betoog aan.
3. Letterlijk: niet tot het onderzoeken, uitpluizen van de 'dialogismoi'. Dus niet om over meningen te twisten. Calvijn spreekt in dit verband over: twist veroorzakende strijdvragen. De Kanttekeningen van de Statenvertaling zeggen: niet om tot twijfeling der gedachten te brengen. Lekkerkerker (a.w. blz. 157) vertaalt: zonder daarbij over meningen te gaan disputeren. 'Diakrinein' vat hij op als redetwisten en 'dialogismoi' als meningen.
4. Een aantal handschriften leest: van God, een aantal: van Christus. Paulus kan het beide geschrevén hebben. Elders spreekt hij afwisselend over de rechterstoel van God en van Christus.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina