Romeinen 2 : 12-24



Dovnload 34.32 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte34.32 Kb.

ROMEINEN 2 : 12-24



6. Jood en heiden op één hoop
12 Want zovelen, als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zovelen, als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden;

13 (Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden;

14 Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, deze, de wet niet hebbende, zijn zichzelven een wet;

15 Als die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende, of ook ontschuldigende).



16 In den dag wanneer God de verborgene dingen der mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie.

17 Zie, gij wordt een Jood genaamd en rust op de wet; en roemt op God,

18 En gij weet Zijn wil, en beproeft de dingen, die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet;

19 En gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen, die in duisternis zijn;

20 Een onderrichter der onwijzen, en een leermeester der onwetenden, hebben de gedaante der kennis en der waarheid in de wet.

21 Die dan een anderen leert, leert gij uzelven niet? Die predikt, dat men niet stelen zal, steelt gij?

22 Die zegt, dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige?

23 Die op de wet roemt, onteert gij God door de overtreding der wet?

24 Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is.
Verklaring
In de tijd waarin wij leven hoort u heel vaak spreken over gelijkheid van alle mensen op de aarde. Wie beweert dat er ongelijkheid is tussen mensen onderling, wordt al gauw beschuldigd van discriminatie. Man en vrouw, blank en bruin, rijk en arm, het zijn onderscheidingen die volgens dit absolute gelijkheidsideaal onrechtmatig zijn.
En nu ga ik natuurlijk niet beweren, dat wij met onze menselijke onderscheidingen nooit discrimineren. Ik zou wel willen zeggen, dat wij nooit geheel aan onderscheidingen tussen de mensen onderling zullen ontkomen. Ik zeg zelfs, dat God het leven zo veelkleurig en veelvormig heeft geschapen, dat wij er goed aan doen om niet alles in dit leven over één kam te scheren. Op één punt evenwel is er sprake van een absolute gelijkheid onder alle mensen. De Bijbel zegt, dat wij allemaal, wie we ook zijn en hoeveel privileges wij ook schijnen te bezitten, zondaar voor God zijn. De Bijbel zegt ook, dat er voor ieder mens maar één weg is om te ontkomen aan het oordeel van God, nl. het geloof in Jezus' bloed dat reinigt van alle zonden.

Absolute gelijkheid

Het is deze absolute gelijkheid tussen de mensen die Paulus betuigt in Rom. 2 : 12-24. Zonder de wet of onder de wet, aldus Paulus, wat maakt dat voor verschil, als wij allemaal overtreders van de wet zijn en dus onderworpen aan het oordeel van God? Er is een absolute eenheid onder de mensen, waar het gaat over genade en de weg waardoor mensen zalig kunnen worden.


Hand. 10 : 35; Rom. 3 : 19

In de verzen 1-11 van Rom. 2 heeft Paulus in vrij algemene bewoordingen over dit alles geschreven. Heel persoonlijk trouwens ook. Zodat u en ik konden merken, dat hij het over ons had. Vanaf vs. 12 past de apostel wat hij gezegd heeft toe op de situatie waarin de heidenen en de Joden verkeren. Het gaat er hem immers in zijn brief om duidelijk te maken, dat in de gemeente van Rome of waar dan ook ter wereld geen Jood boven een heiden en geen heiden boven een Jood dient te gaan staan.


Jak. 4 : 11; 1 Joh. 3 : 7; Luk. 12 : 47

Want zovelen als er zonder wet 1. gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zovelen als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden (vs. 12). Zonder wet zondigen. Hoe kan dat? Waar geen wet is, is toch geen overtreding? Het is duidelijk, dat Paulus de heidenen bedoelt. Van hen zegt hij in vs. 14, dat zij die wet niet hebben. De wet in de geschreven vorm, de Thora, Gods geopenbaarde wil in de Schriften. De heidenen moesten immers Gods 'getuigenissen en Zijn verbondsgeheimen missen' (Ps. 147 : 10 ber.).

Een vreselijke toestand: wetteloos zijn. Nog erger: zonder wet zijn. ‘Ni Dieu ni maítre’. Geen God of gebod te hebben waaraan men zich moet storen. Absoluut vrij om het eigen geluk (zeg maar: zijn eigen ondergang) te zoeken in een leven conform zichzelf, in harmonie met wat het eigen hart hem ingeeft. Zo is 't in het moderne heidendom onmiddellijk om ons heen, in deze 21e eeuw.


Maar bestaat er op aarde eigenlijk wel zo'n heidendom? Volstrekt wetsloos? Haast iedereen vandaag wil zo zijn. Maar het is net als in de dagen van Paulus. Puur wetsloos, daar komen de grootste problemen van. Dat houdt een mens nooit helemaal vol. Een mens moet wel wat van een wet hebben. Anders keert het alles op de aarde in de kortste keren terug tot de woestheid en ledigheid van de nog ongevormde schepping waarvan wij in het begin van de Bijbel lezen.

‘Droppeltjes der waarheid’

Daarom zegt Paulus: een mens, ook een heiden die leeft buiten de lichtkring van de bijzondere openbaring, heeft altijd wel wat van de wet. Want wanneer de heidenen die de wet niet hebben, van nature de dingen doen die der wet zijn, deze, de wet niet hebbende, zijn zichzelf een wet; als die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende (vs. 14, 15). Paulus zegt hier, dat de heidenen dingen doen die der wet zijn. 'Wat van de wet is', staat er eigenlijk. Van nature, dat is: intuïtief. Werken die de wet van hen eist. En dan niet zomaar een wet, maar de wet van God. 2. Als voorbeeld zou ik kunnen noemen: eerbied voor de ouders. Vindt men die ook niet vaak bij volkeren die van de Tien Geboden nooit gehoord hebben? En als Aristoteles, die bepaald geen christen was, de raad geeft om voor mensen die in nood zijn, hulpvaardig te zijn, is dat dan niet ook een werk der wet zoals God dat eist? Hoe vaak ook heb ik mensen ontmoet die van God noch gebod willen weten, maar die b.v. in de wijze waarop zij als man en vrouw met elkaar omgingen, menig christen beschaamd zetten?


Jes. 51 : 7 en Jer. 31 : 33

Ze zijn zichzelf een wet, aldus Paulus. Zij laten blijken, dat er wetswerk in hun harten is geschreven. En dan doelt de apostel niet, dat Gods wet hun in het hart is ingeschreven door de Heilige Geest zoals de profeten dat oudtijds aan Gods volk beloofden. Hij doelt hier veeleer op een ingeschapen zedewet, waaraan geen mens zich totaal kan ontworstelen. Calvijn die van de allervernuftigste der mensen zegt, dat zij blinder dan de mollen zijn, ontkent toch niet, dat wijsgeren in het algemeen ‘een kleine smaak van Gods Godheid' en 'droppeltjes der waarheid' hebben gekend. Maar hij zegt er wel bij, dat die 'droppeltjes der waarheid door monsterachtige leugens zijn verontreinigd'.


Het is als met een wandelaar in het open veld is, midden in de nacht, tastend in duister. Opeens verlicht een bliksem voor een ogenblik zijn pad. Hij ziet een weg voor zich. Maar voordat hij daarop nog één stap kan zetten, is de bliksem verdwenen en is de nacht er weer om hem heen. 3. Het blijft waar wat Calvijn zegt: 'Uit des mensen verdorven natuur komt niets voort dan wat doemwaardig is' (opschrift Institutie II, 3). Dat is het wat Paulus bedoelt te zeggen. De heiden is in feite niet zonder wet. Maar hij komt daarmee geen stap verder. Hij is slechts niet te verontschuldigen. Hij heeft een geweten. 4. Een mede-weter van binnen. Een instinctmatig gevoelen dat die door God in het hart ingeschreven wet bijvalt. En ook zijn daar gedachten in het bewustzijn van de mens die kennelijk gevormd worden vanuit dat sterk gevoelsmatige geweten. Als ons geweten spreekt, dan komen onze gedachten in beweging. Er komt een soort tweegesprek in ons binnenste, een twistgesprek tussen aanklacht en verontschuldi ging.
Nogmaals, verbindt daar niet de conclusie aan, dat een mens met een grote dosis goede wil en met wat helpende genade wel zó braaf zal worden, dat hij van God ruim voldoende krijgt om zalig te worden. Dat zou immers een fatale vergissing zijn. Paulus zegt hier niet meer dan in het voorgaande hoofdstuk (vs. 18vv). Er is geen sterveling - ook al kent hij de geopenbaarde wil van God uit de Bijbel niet - te verontschuldigen.
Hand. 10 : 42; Hand. 17 : 31; Luk. 8 : 17; 1 Cor. 4 : 5; Rom. 16 : 25; 2 Tim. 2 : 8

Dat zal blijken. In de dag wanneer God de verborgen dingen der mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie (vs. 16). Op die grote dag van het oordeel waarop Jezus Christus, de door Zijn opstanding uit de doden geautoriseerde Rechter van hemel en aarde de verborgen dingen der mensen zal oordelen. In dat wereldproces zal het geweten van de mens overluid gaan spreken. Een oordeel van Christuswege waarbij de mens van binnenuit, d.i. door zichzelf beschuldigd en aangeklaagd zal worden en waarop aan alle schijn en leugen in de mensheidsgeschiedenis een eind zal komen. De mens je dan een open boek voor God. Een open boek met zwarte bladzijden. Want op die dag van toom zal blijken, dat de mensen - hoewel zij de wet niet hadden, maar van binnen uit constant op de levende God en Zijn geboden geattendeerd zijn - gezondigd hebben. Zij zullen, aldus Paulus in vs. 12, zonder de wet gezondigd hebbende, ook zonder de wet verloren gaan. Dat is de boodschap die Paulus bracht. 5. Stellen wij onszelf toch de vraag, of het veilig is die dag van geduchte toom rustig af te wachten, alsof er geen vuiltje aan de lucht is en alsof het allemaal zo'n vaart niet zal lopen.



Woorden èn daden

Matth. 7 : 21vv; Deut. 27 : 26



Iemand vraagt: 'Maar wordt er dan niemand zalig? Staat het er zo slecht met ons allemaal voor?' Paulus antwoordt: 'De daders van de wet worden gerechtvaardigd. Zij die de wet hebben gedaan.' Daar komt het op aan. Maar zijn zulke mensen er eigenlijk wel? Die moet je dan toch zeker zoeken onder dat volk dat onder de wet is? Jazeker, daar waar God door een uitzonderlijke genade Zijn heilige wil bekendgemaakt heeft; onder de Joden, daar zou kunnen worden verwacht, dat er naar Gods wet wordt gehandeld en gewandeld. Maar dan moet dat wel blijken. Het bezit van de wet alleen geeft «een vrijbrief in Gods gericht. Want zovelen als er ondor de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden. Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden (vs. 12 b, 13). Het bezit van de wet, het horen van de wet alleen is niet genoeg. Ziet u wel, dat de apostel vasthoudt aan de gulden regel: God vraagt gerechtigheid, gerechtigheid die correspondeert met Zijn heilige wet? En dan helpt het niet, als een mens mooie woorden heeft: 'Heere, Heere,' of zoiets. Geen woorden, maar daden. Of liever: woorden die daden zijn. Daar komt het op aan. Welnu, hoe is het dan op dit punt gesteld met Gods volk, het volk van de Joden? Laat ons zien. Maar steken wij die Paulus' woorden lezen, toch meteen ook de hand in eigen boezem.
Rom. 5:11; Luk. 1 : 4; Hand. 18 : 25; Gal. 6 : 6; Joh. 3 : 10; Matth. 15 : 14

Zie, 6. gij wordt een Jood 7. genaamd en rust op de wet (onophoudelijk neemt ge uw toevlucht tot de wet) en roemt op God (God - onze God). En gij weet Zijn wil (ge zijt precies op de hoogte van wat uw God van u vraagt). En beproeft de dingen die daarvan verschillen 8. (met andere woorden: ge weet, waar het op aankomt. Ge hebt de wet niet alleen. Maar ge probeert er bovendien het uitnemendste uit te halen, zoals een bij die in een bloem kruipt om er de honing uit te halen). Ge zijt onderwezen uit de wet (mensen met een zakelijke en degelijke kennis van de wet). En gij betrouwt uzelf te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen die in duisternis zijn; een onderrichter der onwijzen (ofte wel: een opvoeder van onverstandigen) en een leermeester der onwetenden (ofte wel: een leraar van onmondigen) (vs. 17-20). Inderdaad, zo stelde in Paulus' dagen het rabbinistische Jodendom zich op. En hun heidenzending leverde heel wat proselieten. Hun invloed drong zelfs door tot in de hofkringen te Rome. Het Jodendom kon terecht (vanwege het feit, dat het de Woorden van God waren toevertrouwd) een leidsman en gids der mensheid heten. Dat is heel vaak door mensen als lastig ondervonden. De Joden zijn erom gehaat. Hun voorname positie (nl. een 'leidstar' der volkeren te zijn) werd hun als iets smadelijks opgedrukt in 'der Judenstar' in de dagen van het Nationaal-Socialisme. Maar hoe vreselijk ook, dat kon van die erepositie toch niets afdoen. Zij hadden en hebben de gedaante der kennis en der waarheid in de wet. Inderdaad, in de wet is de Joden de belichaming, de korte samenvatting van de ware kennis geschonken. 9.
Maar als dat zo is, dan wordt het wel hoog tijd, dat u uzelf gaat onderzoeken, zo gaat Paulus verder. Gij die de naam van Jood draagt, maakt u het ook waar? Bent u zoveel beter dan die zonder wet leven? Het gevaar van zelfverheffing ligt op de loer. Bij de Jood maar net zo goed bij ons aan wie de Woorden van God zijn toevertrouwd. Ook de christendommelijke kerkmens die de zaak in zijn zak meent te hebben, de brave burger die keurig in 't paadje lijkt te lopen. Keren we ermee tot onszelf in. Het is toch zo gevaarlijk om de waarheid in pacht te hebben. De waarheid kan een mens slechts in vreze en beven bezitten. In diepe ootmoed en schaamte over zichzelf.
Preken tegen diefstal, tegen overspel, tegen afgoderij, dat moeten wij. Preken, dat men van het bezit van zijn naaste moet afblijven (en tegenwoordig hangt heel de wereld van dieverij aan elkaar). Preken, dat men dankbaar moet zijn, als men één vrouw heeft en niet zeggen: 'Voor jou vijf anderen' (en tegenwoordig leven de meeste mensen zo; de wereld wordt steeds meer één liefdeloze chaos). Preken tegen al die afgoderij waarin de moderne mensen verkommeren (afgoderij met geld en met sportgoden, met seks en met het eigen naakte lichaam).
Dat moet allemaal. Om Gods wil.

Maar we moeten dat allemaal niet slechts tegen anderen zeggen. Want als wijzelf onze naaste niet de aandacht geven die hem toekomt en als wijzelf alles om ons eigen lieve ik laten draaien? Dan bestelen wij die naaste ook. En als wijzelf - misschien nooit gescheiden - inmiddels toch aan één vrouw niet genoeg hebben? En als wij compleet aan afgoderij doen, omdat we naast de enige dienenswaardige God zoveel hebben waarop wij ons betrouwen zetten? Dan plegen wij immers ook hoererij.


Ps. 50 : 16vv; Matth. 23 : 3v; Mark. 12 : 40; Hand. 19 : 37; Jes. 52 : 5; Ez. 36 : 20; 2 Petr. 2 : 2

Die dan een ander leert, leert gij uzelf niet? 10. Die predikt, dat men niet stelen zal, steelt gij? Die zegt, dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige? 11. Kortom, het is mogelijk, dat men op het bezit van de wet roemt en toch God onteert door de overtreding der wet. Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is (vs. 21 - 24). 12.

Roep de veerman

De perikoop Rom. 2 : 12-24 is een heel indringende vraag aan ons adres. Zullen de mensen met wie wij in aanraking komen en die uit onze handel en wandel zoveel goeds moesten bespeuren dat hun heenwijst naar de levende en dienenswaardige God, zullen die mensen van ons zeggen: 'Wat is dat voor een God wiens kinderen zo met Zijn wetten omgaan?' Kan het lijden, dat iemand die wil weten, of wij een christen zijn, bij onze buren gaat vragen naar ons christen-zijn?


0f zijn wij in alles gelijk aan pure heidenen die de wet niet kennen, hoewel wij van kindsbeen af onderwezen zijn in de dingen die God aangenaam zijn?
De bijbelstudie over Rom. 2 is ten diepste een trieste boodschap. Kort en goed komt het erop neer, dat er geen sterveling aan Gods oordeel ontkomt. We moeten echter niet vergeten, dat Paulus dit alles zo op de man af schrijft, opdat u en ik, zonder wet of onder de wet, uit de verlorenheid van ons bestaan zouden leren roepen om één die in onze plaats kwam staan en die voor mensen die het op moeten geven en die aan alle kanten vastgewerkt zijn een Zaligmaker wil zijn die voor gerechtigheid zorgde. Gerechtigheid om mee voor God te bestaan.
Als we dan maar niet zijn als die knecht die er eens door zijn baas op uitgestuurd werd om ergens een brief te bezorgen. Spurgeon vertelt van hem. Enige tijd later kwam de knecht met de brief weer terug. 'Waarom heb je hem niet afgegeven?' 'Ik kwam voor een diepe rivier te staan, mijnheer; en daar kon ik niet over.' 'Maar was er dan geen veerman?' 'Dat weet ik niet mijnheer; hij was misschien aan de overkant.' 'Maar heb je dan niet hard geroepen: Over!' 'Nee, mijnheer.' 'Je bent een luie knecht,' zei toen de baas, 'stellig was er een veerman, maar je nam de moeite niet om tot hem te roepen.'
In Rom. 2 staan wij voor een diepe rivier. Maar er is een veerman. Neem de moeite en roep: 'Over!' En dan zegt Spurgeon: 'Indien u tot Hem roept, indien uw hart zegt: "O Zaligmaker, kom en behoud mij" en uw geest in Hem rust, dan weet Hij, hoe diep die rivier van uw zonde ook is, u er veilig door te dragen en u aan de overkant aan land te zetten. Moge Hij dat met een ieder van u doen! Bij God zijn alle dingen mogelijk, hoewel het hij de mens onmogelijk is.'

Gespreksvragen

- De Engelse monnik Pelagius ten tijde van Augustinus leerde, dat een mens als een onbeschreven blad papier op de wereld komt (‘tabula rasa’). De mens is uit kracht van zijn geboorte niet slecht. Hij gaat het verkeerde doen, als hij dat later bij anderen om zich heen ziet (door navolging). Vindt u, dat Paulus in Rom. 2 eigenlijk ook zoiets zegt? Of moet u Augustinus gelijk geven, die de mens een 'massa perditionis' noemt (een verdoemelijke massa)?


- Paulus bestrijdt in onze perikoop de religieuze (godsdienstige) hoogmoed. Kunt u daarvan voorbeelden noemen uit onze tijd?
- Het geweten, dat de apostel in vs. 15 noemt, is een moeilijk te omschrijven iets. Kunnen we er in onze tijd nog wat mee aan, nu zovelen om ons heen gewetenloos dingen lijken te kunnen doen die dwars tegen Gods geboden ingaan (b.v. het doden van kinderen in de moederschoot)? Is het geweten in het slijtageproces dat elk normbesef vandaag ondergaat, nog wel iets waarop men zich beroepen kan?
NOTEN
1. De betekenis van het woord 'zonder wet' (‘anomos’) is niet: wetteloos. Want zondigen is steeds iets wetteloos. Het betekent hier: zonder de wet te hebben of te kennen. Vgl. 1 Cor. 9 : 21.
2. Er zijn uitleggers (o.a. K. Barth) die denken, dat hier van heiden-christenen (en niet van pure heidenen) gesproken wordt. Wat Paulus hier schrijft zou te veel eer zijn voor blinde heidenen, alsof zij (hoewel verstoken van de bijzondere openbaring onder Israël en in Christus) het toch nog aardig ver zouden kunnen brengen in hun natuurlijke Godskennis en in het volgen van een hun ingeschapen zedewet. Het is evenwel zonneklaar, dat Paulus hier een absolute tegenstelling maakt tussen heidenen die zonder wet en Joden die onder de wet zijn. En het is tevens duidelijk, dat de apostel hier van een ingeschapen zedewet geen opstapje voor het christelijk geloof maakt. Ontkennen, dat de mens uit kracht van Gods bemoeienis met hem - ook buiten de Bijbel om - binnen gedurig bereik van God is, is in strijd met wat Paulus hier zegt. Zie onze uitleg van Rom. 1 : 18vv. Paulus beroept zich op Gods handelen met de mens in Zijn algemene openbaring, op een 'inscriptie' van Godswege in het hart van de mens waardoor er enig besef is van goed en kwaad. Dat is wat anders dan de 'inscriptie’ van Gods wet in het binnenste van Zijn volk in de volheid des tijds door de Geest van Pinksteren. Ook Luther vindt een exegese zoals K. Barth die later heeft gegeven, gewelddadig.
3. Calvijn, Institutie II, 2, 18.
4. Over het geweten is ook door filosofen veel geschreven, reeds in de Griekse oudheid. Paulus spreekt er hier over als een soort getuige bij een rechtbank. In het getuigenis van het geweten valt de mens innerlijk de wet van God die in het hart geschreven is, bij. Luther zegt in zijn Vorlesung über den Rómerbrief (a.w., blz. 72): 'Eens ieders geweten, als het niet gans en al dwaalt, of - daar men zich al te weinig daarover bekommerd heeft - geheel afgestompt is, zaagt en mort, als men iets kwaads gedaan heeft. Het is echter rustig, als men iets goeds gedaan heeft. Daarom zegt ook Cicero: 'Het bewustzijn dat een wel doorgebracht leven aan iemand schenkt, is een herinnering die veel vreugde verschaft.' Zo zijn hun omgekeerd die gedachten een bewijs daarvan, dat zij weten wat te doen en te laten is, d.i. hoe de wet waargenomen moet worden. Lekkerkerker (a.w. blz. 100) zegt: 'Dat de heidenen over zichzelf reflecteren en het eigen handelen beoordelen, bewijst, dat zij niet geheel en al onbekend zijn met Gods wet.'
5. 'Naar mijn Evangelie', schrijft Paulus aan het slot van vs. 16. Calvijn zegt hierbij: 'Christus kan niet gepredikt worden zonder een opstanding voor sommigen en een val voor anderen te zijn.' (J. Calvijn, commentaar op Romeinenbrief in de Engelse uitgave van Eerdmans, Grand Rapids-Michigan 1948).

6. Een groot aantal handschriften leest 'ei de' - indien gij (u dan Jood laat noemt in plaats van 'ide' - zie (gij wordt een Jood genaamd). In het eerste geval trekt Paulus vragenderwijs conclusies uit het in de vs. 17-20 veronderstelde in de verzen 21-23.
7. Het woord Jood dat Paulus hier gebruikt, is een woord waarmee op zich niets denigrerends is gezegd. Integendeel, het woord (zonder lidwoord) is hier aanduiding van een bepaald type mens dat niet door ras noch door cultuur, maar door het geschenk van Gods openbaring van de heidense mens te onderscheiden is. Het woord komt van Juda - Godlover. De Joden in de diaspora (verstrooiing) lieten zich graag zo noemen. Vgl. Matth. 2 : 2 en 27 : 37.
8. In Fil. 1 : 10 gebruikt Paulus precies dezelfde zinswending ('dokimazein ta diaferonta'). De Statenvertaling geeft de woorden letterlijk weer. Het gaat hier om beoordeling van waar het op aankomt aan de hand van Gods wet. Een Geestelijk wegen van de Woorden van God en er lering uit trekken voor een wandel in godsvrucht. De tegenstelling van 'diaferonta' (waar het op aankomt, het wezenlijke) is: adiafora (middelmatige zaken die ter discussie staan).
9. De wet van de 10 Geboden, de Pentateuch, het Oude Testament is inderdaad de ‘summary’ en de bron van kennis en waarheid. Daar Paulus kennelijk niet kennis zonder meer bedoelt, maar geloofskennis en daar hij met waarheid een houvast voor heel het dagelijkse leven bedoelt, omschrijven wij met: kennis der waarheid of ware kennis. Vgl. Ps. 119 : 66 en 142.
10. Wat Paulus hier zegt (Die anderen leert, leert gij uzelf niet) is een uitspraak die ook in de rabbijnse geschriften vaak gevonden wordt. Zie Strack-Billerbeck III; blz. 107: 'Er zijn vele mensen die zichzelf onderwijzen, maar niet anderen, of die anderen onderwijzen, maar niet zichzelf, of die zichzelf onderwijzen en anderen noch zichzelf noch anderen'.
11. Beroving van het heilige, tempelroof zal hier betekenen: zich vergrijpen aan de afgoden (tegenstelling tot: verafschuwen). De Joden handelden wel in aan de afgoden gewijde artikelen en eigenden zich soms ook wederrechtelijk goud en zilver van afgodsbeelden toe (ondanks het verbod van Deut. 7 : 25).
12. De heiliging van de Naam des Heeren op aarde, is het hoge doel waartoe Israël geroepen is. Maar als Israël zijn God verlaat en God moet het straffen door het in ballingschap te doen gaan, geeft het de heidenen aanleiding om de Heere te beschimpen. Hun triomf over Gods volk houdt in, dat zij de God van dat volk kunnen kleineren. Zie Jes. 52 : 5 en Ez. 36 : 20.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina