Romeinen 4 : 13-25



Dovnload 33.13 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte33.13 Kb.

ROMEINEN 4 : 13-25



12. God is een Man van Zijn Woord
13 Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn zaad geschied, namelijk, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid des geloofs.

14 Want indien degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan.

15 Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding.

16 Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al den zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen;

17 (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welken hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren;

18 Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft; dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens hetgeen gezegd was: alzo zal uw zaad wezen.

19 En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat alrede verstorven was, alzo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was.

20 En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer;

21 En ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen.

22 Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend

23 Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven, dat het hem toegerekend is;

24 Maar ook om onzentwil, welken het zal toegerekend worden, namelijk degenen, die geloven in Hem, Die Jezus, onzen Heere, uit de doden opgewekt heeft.

25 Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

Verklaring

Enige tijd geleden brachten we een bezoek aan de Sterrenwacht in Bochum. Een uur lang, achterover geleund in onze stoelen, bespiedden we daar de sterrenhemel, uiterst kunstzinnig geprojecteerd als in de koepel van het heelal. Wat een indrukwekkend gezicht: al die hemellichamen. Een blinkende morgenster. Maar ook de lichtstreep van de melkweg, een onschatbaar grote menigte van sterren, duizenden lichtjaren van ons vandaan. In zonnestelsels waarvan de mens amper vermoeden heeft. Planeten, kometen met hun majestueuze gang: op en neer. Bestuurd als door almachtige handen. En slechts enkele van die sterren noemen wij met name, omdat zij beter in ons blikveld zijn dan alle andere. Het bestaan van de meeste sterren ontgaat ons.

Gen. 15; Gen. 17; Gen. 18

Die sterren tellen, wie kan dat? Er is geen beginnen aan. Eens, lang geleden, zei God tegen Zijn knecht Abraham: 'Probeer het eens, Abram.' Zij stonden daar in het open veld. De ogen omhoog. Wat een verrukkelijk gezicht. Eén, twee, drie, tien... twintig... Maar Abram raakte natuurlijk binnen de kortste keren de tel kwijt. Onbegonnen werk: de sterren van de hemel in een getal uitdrukken. En toen zei God tegen Abram: 'Mijn kind, zo zal uw nageslacht zijn, zo ontelbaar veel, zo weergaloos groot. Jij bent een erfgenaam der wereld. Een vader van menigte der volken. Een zegen voor alle volken der aarde. Geloof Me, Abram. Jij bent Abraham - vader van een menigte van volken.'


Toen - plotseling - werd het alles weer donker om Abraham heen. Hij stond daar alleen. Een man zonder kind. Zelfs toen hij honderd jaar werd, was hij nog geen vader. En Sara, zijn vrouw, was toen negentig. En nog steeds geen moeder, terwijl ze bij wijze van spreken allang overgrootmoeder had kunnen zijn. Een vrouw met een verstorven lichaam. Allemaal feiten die er niet om logen. Maar had de Heere niet gezegd: 'Geloof Mij, Abram...? Ik beloof het. Geloof Me op Mijn Woord. Dat is genoeg. De sterrenhemel is getuige. Mijn Godswoord is de garantie, dat alleen.' En hoe uitermate moeilijk het ook voor Abram geweest zal zijn om dat te geloven, hij hing aan Gods lippen en geloofde onvoorwaardelijk wat God had beloofd. En de uitkomst faalde niet.

Een erfgenaam der wereld

Gen. 17 : 5; Gen. 18 : 18

Het is over deze dingen, dat de apostel Paulus schrijft in de verzen 13-25 van Rom. 4. Geloven, dat is pal overeind staan met niets anders dan met de belofte van God. Over rechtvaardig zijn voor God schreef Paulus in het voorgaande. Alleen door het geloof. Voor Jood en heiden: de weg des heils. En hij noemde Abraham als voorbeeld. Daarop gaat hij nu nog even door. Want het is er hem alles aan gelegen aan de gemeente van Rome duidelijk te maken, hoe geloof en belofte van God met elkaar samenhangen en hoe ze op elkaar betrokken zijn. Daarom schrijft Paulus opnieuw: Kijk naar Abraham. Hij is het beste bewijs. God belooft hem wat. Wat? Dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn (vs. 13). Hoe dan? Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld (vs. 17) . Abraham moest dus, enkel en alleen omdat God het zei, geloven, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens hetgeen gezegd was: Alzo zal uw zaad wezen (vs. 18). 1. '
Gen. 25; Gal. 3 : 29; Hebr. 11 : 9

Inderdaad, hoeveel miljoenen zijn er niet uit Abraham voortgekomen? Joden, maar ook Ismaëlieten, Edomieten, enz. Abraham is na de geboorte van Ismaël en Izak nog vader geworden van verschillende kinderen, o.a. uit Ketura, zijn bijvrouw geboren. 2. Zelfs is Abrahams invloed in de wereld daardoor zo groot geworden, dat je zou kunnen zeggen: 'De wereld is zijn erfenis geworden.' En als we daaraan toevoegen, dat in de volheid van de tijd de Messias Jezus Christus uit Abrahams nageslacht is geboren die voor de gehele wereld van beslissende betekenis is geworden, heet Abraham dan niet volkomen terecht: erfgenaam der wereld? Dat laatste noemt Paulus niet direct in Rom. 4. Maar wel speelt het op de achtergrond mee. Want Abraham wordt hier ook genoemd een vader van ons allen; van al het zaad, niet alleen dat uit de wet is (dus het Jodendom), maar ook dat uit het geloof Abrahams is (vs. 16). Met andere woorden: Abraham is erfgenaam der wereld, niet alleen doordat er menigten uit hem zijn voortgekomen, maar ook omdat hij terecht een vader heten kan van alle gelovigen. Hij heeft een schare die niemand tellen kan, achter zich aan, gelovigen uit Israël en de volkeren. In hem (in zijn grote nakomeling Christus) zijn alle geslachten der aarde gezegend.


Nu goed dan, dat alles heeft God lang tevoren aan Abraham toegezegd. Maar de vraag waarmee Paulus hier bezig is, is vooral: hoe werkte dat bij Abraham? Zei de Heere tegen Abraham: 'Jij bent Mijn compagnon; jij hebt zoveel vitaliteit; jij bent zo trouw; met de nodige prestaties van jouw kant maak ik jou tot een wereldoverwinnaar'? Ach ja, dat zou een mens wel graag willen. Gods belofte als kroon op zijn eigen werk. En Abraham heeft ook wel eens gedacht: ik moet er zelf ook wel wat voor doen. En toen verwekte hij een kind bij Sara's slavin, Hagar. Zo zou Gods belofte dan zeker waar worden?

Aan Gods lippen hangen

Hebr. 11 : 7; Rom. 1 : 18; 3 : 20; 5 : 13, 20; 7: 8, 10v; Gal. 3 : 19

Maar Paulus schrijft in Rom. 4: Zo (nl. door de wet) geschiedde de belofte niet aan Abraham of zijn zaad. Want indien degenen die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel geworden en de belofte te niet gedaan (vs. 13, 14). M.a.w. als een mens zegt: 'Ik sla me er wel doorheen met wat slagvaardigheid en listigheid; ik zal God wel een handje helpen', dan behoeft God niets meer te beloven. Dan ziet een mens meer op eigen kunnen en kennen dan op Gods belofte. Maar zo komt men er nooit. Dat is ook het geheim van Abrahams leven en van het geloof niet. Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding (vs. 15). Met eigen prestaties komt de mens steeds weer bedrogen uit. Want dan komt hij voor de spiegel van Gods wet te staan. En die veroordeelt hem. In toorn zal God tegen hem zeggen: 'Mens, wat heb jij er nu van gemaakt?' God zal niet zeggen: 'Mijn kind, ik beloof je de halve wereld, omdat jij het zo goed deed.'
1 Cor. 9 : 10; Col. 4 : 12

Van die doodlopende weg roept Paulus ons in Rom. 4 terug. Onze wereld, vol prestatiezucht en dadendrang, is de dood in de pot. Wet, overtreding, toorn. Die behoren bij elkaar. Maar bij het woord béloven hoort het woord géloven. Welnu, terug naar Abraham. Hoe is hij ons aller vader? Niet doordat hij werken des vleses deed (o.a. door Ismaël bij Hagar te verwekken). Maar in de weg van het geloof. Abraham geloofde, dat Gods beloftewoord waarachtig was, ook toen alles om hem heen steeds meer het tegendeel leek te bewijzen. De kinderloze geloofde, dat God hem gesteld had tot een vader van vele volken. Daarop bleef hij hopen, tegen hoop op hoop (vs. 18), d.i. dwars tegen alle menselijke verwachtingen in. Toen hij zelf honderd jaar geworden was en zijn vrouw Sara negentig, zei hij niet: 'Nu is 't afgelopen. God kan me nog meer vertellen, maar...' Hij werd niet opstandig. 'Van Abraham bezitten we geen klaaglied' (Kierkegaard). Abraham is de man, die staat voor God aan welke hij geloofd heeft namelijk God die de doden levend maakt en roept de dingen die niet zijn, alsof zij waren (vs. 17).


Zo werkt het geloof. Het hangt ten einde toe en vaak ook ten einde raad aan Gods lippen. Het houdt God voor een Man van Zijn Woord. Het is geloof in God die alles uit het niets geschapen heeft (‘creatio e nihilo’). God die doden levend maakt. Ook een verstorven moederschoot. God heeft toch zeker onze kundigheden en mogelijkheden niet nodig om iets in het aanzijn te roepen?
Geloof, geloof alleen. Daarin stond Abraham recht voor God. Zo was hij rechtvaardig. En zo: erfgenaam der wereld. Zo voor God (vs. 17) 3. staan. Zo God behagen. Dat is het. Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend (vs. 22). Met al onze prestaties en kunstgrepen doodlopen. Er de dood op schrijven. Onszelf radicaal afschrijven. Een mens die niets meer uit de vingers komt. Een mens die dood is in zonden en misdaden. Helemaal aan 't eind. Wie wil dat graag? Wie wil zich niet in de 'struggle for life' blijven vasthouden aan de laatste strohalmen van zijn eigen mogelijkheden?
Diep op de bodem van het mensenhart sluimert de droom, dat de mensheid op den duur wel wijzer wordt en dat de wereld straks één grote broederschap wordt. Het zijn de laatste restanten van de hoop die ons is overgebleven in die verschrikkelijke wereld waarin wij in de 21e eeuw zijn komen te leven. Een hoop als in de doos van Pandora waarvan de Grieken ons lang geleden vertelden. En zo gaan we dan aan de slag, verbeteren de wereld, beginnend bij onszelf. Maar komen we verder? Zijn we erin geslaagd om de wereld tot een broederschap der volkeren te maken? Worden we zo een geestelijke vader van de volkeren? Als God het daglicht laat schijnen over onze droomwereld, komen we tot onszelf, schrikken we van onszelf. We gaan er met al onze mooie plannen aan. De bron van alle ellende zit diep in mijn hart. Welk een liefdeloos, zelfzuchtig, egocentrisch, trots mens ben ik. En wat is er daardoor al niet stukgegaan in 't leven? Als ik dat inleef, ben ik gewoon nergens meer. Mijn leven is één grote leegte waarin duisternis en dood heersen.

God maakt doden levend

Hebr. 11 : 1; 1 Cor. 1 : 28; 2 Cor. 1 : 9

Maar dat, ja juist dat, aldus Paulus, is het werkterrein van God. En daar, juist daar gaat het geloof zichzelf bewijzen als Gods 'escape' uit al mijn benauwdheden. Abraham bleef vasthouden aan Gods belofte. En hij is er niet bedrogen mee uitgekomen. Midden in zijn dood maakte God Abraham en Sara levend. Abraham heeft zijn eigen lichaam aangemerkt (vs. 19; het woordje 'niet' moet waarschijnlijk worden weggelaten in dit vers). 4 Het was alrede verstorven (geen lichaam, waarmee hij nog een kind verwekken kon), alzo hij omtrent honderd jaren oud was. En ook was de moeder in Sara verstorven (vs. 19). Maar Abraham zei: 'En toch komt dat kind. God heeft het gezegd. Hoe dan ook. God maakt doden levend.' In Abrahams leven dat één grote leegte was, vol duisternis en dood, was het scheppend Woord van Zijn God de baas. En zo had Abraham in feite dat beloofde kind al, hoewel alle feiten riepen:'t Bestaat niet; onzin.’ 5.
Ef. 1 : 20

Dat is de kern van de zaak. In ons leven, zo leeg en duister en dood, is Gods scheppend Woord de baas. `Ik vertel u geen verhalen uit een grijs verleden slechts,' zegt Paulus. Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven (om Abrahams wil), dat het (geloof) hem toegerekend is (dat Abraham zo goed stond voor God) (vs. 23). Maar ook om onzentwil welke het zal toegerekend worden, namelijk degenen die geloven in Hem die Jezus, onze Heere uit de doden opgewekt heeft (vs. 24).


1 Petr. 1 :21; Rom. 5 : 9; 1 Cor. 15 : 17; Rom. 5:18, 8 : 10

Opeens staat Paulus aan het eind van Rom. 4 bij het open graf van Jezus. Dat is de kern. Het grote scharnierpunt. Gods belofte, op Pasen waargemaakt. Ziet u het? Dat God ook de doden levend maakt? Jezus is opgestaan. De geboorte van Izak, Abrahams kind was een 'ongelooflijk' wonder. Maar wat denkt u dan hiervan? God levert Hem (Jezus) over om onze zonden (vs. 25). Hij gaat te gronde aan ons schuldige en doodse bestaan. De mens in onze plaats die helemaal vastloopt. Eén grote leegte, woest en duister. Maar wat doet God? Hij wekt Zijn kind op. Pasen. Opgewekt om onze rechtvaardigmaking (vs. 25 slot). Onze zonden noodzaakten Hem te sterven. Onze rechtvaardiging maakte Zijn opstanding nodig. 6. Want wat zegt God op de Paasmorgen? 'Mijn lief Kind Jezus, sta op. Ik ben volkomen tevredengesteld door wat U deed. Ik ontsla U van verdere rechtsvervolging. En in U, Mijn Kind, allen die Ik U gaf als Uw bruid. Zij moeten niet langer bij de pakken neerzitten, op hun verstorven bestaan letten en dan zeggen: 'Ik ben reddeloos verloren.' Pasen is Mijn belofte aan verstorvenen, hopelozen. Er is voor hen betaald. Mijn Vaderhart staat open. Ik begin volstrekt opnieuw met hen.' 7.


Als wij dat door het geloof nu maar mogen zien. Als wij nu maar eens ophielden met al dat putten uit onze mogelijkheden, met al dat vasthouden van onze strohalmen. Als wij nu maar zien en geloven mogen, dat God in Christus' opwekking uit de doden alle dingen nieuw heeft gemaakt. Ik ellendig mens, ik vermag alle dingen door deze Christus die mij kracht geeft. Het komt volmaakt van een andere kant, van Gods kant. Hij maakt doden levend. Het komt van de kant van Christus, mijn gerechtigheid voor God. Door dat te geloven word ik in Christus van dood levend.
John Bunyan zag op de zondag, als hij de klok hoorde luiden, Jezus Christus huppelen rondom Zijn verlaten graf. En dan juichte het in zijn binnenste: 'Ik ben vrijgesproken door God. Toen. Voor eeuwig.' 'Daarom al is het, dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als nl. dat wij geen volkomen geloof hebben en dat wij ons ook met zulke ijver om God te dienen niet begeven als wij schuldig zijn, maar dagelijks met de zwakheid van ons geloof en de boze lusten van ons vlees te strijden hebben, nochtans...' (Avondmaalsformulier).

Zo mag het geloof spreken. In de belovende God, in de levende Christus, in het scheppende Woord ligt het vast. En als het dan plotseling alles zo donker om mij heen wordt, wanneer ik mijn verstorven lichaam aanmerk of mijn vaak zo moedeloze hart of een wereld vol ellende...? De ogen omhoog, Abraham. Ogen omhoog, moegestredene. Zie op naar het kruis. Zie Jezus' open graf. Garantie van nieuwe levensmogelijkheden. En van een eeuwige toekomst op een nieuwe aarde en in een nieuwe hemel waarin eindelijk Gods gerechtigheid zal wonen. Wie dat mag zien, heeft altijd wat te hopen, ook al is hij/ zij kinderloos, ook al breekt alles bij de handen af.



Ontwijfelbaar

Matth. 21 : 21; Hebr. 6 : 13, 15; Hebr. 11 : 34

Ziet u wel, dat dat maar geen oud verhaal is, dat verhaal van Abraham die bleef geloven en hopen? Paulus heeft in Abrahams geloofsgeheim het geheim van zijn eigen leven ontdekt. Zo de Schriften lezen - met betrekking op onszelf - dat is recht met de Bijbel omgaan. Naast Abraham komen staan. Hem de arm om de schouder slaan zoals een kind dat doet bij zijn vader. En dan zo samen op Jezus zien. Niet twijfelen. Want Abraham heeft aan de belofte Gods niet getwijfeld door ongeloof (vs. 20). 8.
'Maar dat is moeilijk,' zegt u. Wie twijfelt er niet op zijn tijd? Als hij ziet op droeve omstandigheden of op zoveel mislukkingen in 't leven of op wat mensen zeggen of op de zonden van zijn hart. Twijfelen is op twee gedachten hinken. Deed Abraham dat nooit? Heeft hij ook niet eens tegen God gezegd: 'Heere, hoe kan een honderdjarige nog vader worden?' Ja, maar dat was (aldus Calvijn) meer een uitroep van verwondering. Abraham kon het vaak niet klein krijgen. En dat is nog wat anders dan iets betwijfelen, omdat men denkt: 'Dat bestaat niet; dat kan God niet.' Dan stelt men God vanuit zijn eigen mogelijkheden onder kritiek. En dat is ongeloof. Daarmee bedroeft men God.
Als u en ik niet durven geloven, dat God ons iets wil en zál geven, laat ons er dan in elk geval niet aan twijfelen, dat God het ons kán geven. In dat geloof worden wij gesterkt. Daarin ligt kracht. Zo krijgt God de eer. En het gaat om Gods eer. Onuitsprekelijk groot is Hij. Daarom lezen we: en is gesterkt geweest in het geloof, 9. gevende God de eer en ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was Hij ook machtig was te doen (vs. 20b, 21). Voluit verzekerd. Nee, geen zelfverzekerd christenmens. Maar een christenmens met een gloedvolle overtuiging, dat de almachtige God die voor geen onmogelijkheden staat op ons levensterrein, zo vol voetangels en klemmen, alles en allen de baas is.
Zo'n geloof is een wonder geschenk van de Almachtige Zelf. 'Teneo et teneor - ik houd vast, want ik word vastgehouden'.

Maarten Luther, op visitatie in een dorp, vroeg eens aan een eenvoudige boer, of hij de twaalf artikelen wilde opzeggen. De man begon: 'Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige, Schepper...' 'Wacht eens even,' zei Luther, 'wat betekenen deze woorden?' De man raakte in verlegenheid en zei: 'Ik weet het niet.' Waarop Luther antwoordde: 'Ik en alle geleerden weten het ook niet. Maar geloof slechts eenvoudig, dat als u en uw vrouw en kinderen in nood zijn, God kan uithelpen...'


Geef God de eer. 'Hij kan en wil en zal in nood zelfs bij het naad'ren van de dood, volkomen uitkomst geven' (Ps. 68 : 10 ber.)

Gespreksvragen

- Er wordt wel eens gezegd: `De Heere is een Man van Zijn Woord'. Inmiddels zien we heel vaak in de Bijbel, dat Hij Zijn kinderen lang laat wachten op de vervulling van Zijn beloften. En bij u is dat misschien al net zo. Waarom toch zou de Heere dat doen?


- Geloven is wachten op God en wachten duurt vaak lang. Maar op Zijn tijd (te Zijner tijd) vervult God ook Zijn beloften, zodat we de waarheid en werkelijkheid van Zijn Woord aan onze ziel en aan den lijve ervaren. Zou u eens voorbeelden willen noemen van vervulde beloften van God, ook uit uw eigen leven?
- De Joden die niet in Jezus als Messias geloven, zeggen vaak: 'Hij kan de Messias niet zijn, want er is geen verlossing (geen vrederijk op aarde) gekomen'. Hebben zij daarin gelijk? Wij zeggen, dat Gods beloften in Christus vervuld zijn. Maar hoe dan? Hoe kan iemand in Jezus als zijn Messias geloven, terwijl er toch zo weinig te bespeuren is van echte verandering en verlossing?
- Is twijfelen gezond of is twijfel zonde? Er wordt wel eens gezegd: `Wie nooit heeft getwijfeld, heeft nooit geloofd.' En in onze tijd zeggen sommigen zelfs, dat het best eens goed is om aan alles te twijfelen, ook aan het bestaan van God. Geloven is voor sommigen zelfs hetzelfde als: God ter verantwoording roepen. Vindt u dat ook? Lees nog eens: Rom. 4 : 20 en 21.

NOTEN
1. De verlenging van Abrams naam met een a (Abram — Abraham) heeft volgens vele verklaarders te maken met Gods belofte, dat Abraham vader van velen zou worden. Men hoort dan in Abraham het woord 'velen' of 'menigte'.
2. Wij gaan uit van de gedachte, dat Abraham, nadat hij Izak verwekt had bij Sara, nog andere kinderen gekregen heeft (o.a. bij Ketura, Gen. 25). Sommige uitleggers zeggen, dat wat Gen. 25 ons vertelt chronologisch voor de geboorte van Izak kan zijn gevallen. Calvijn zegt, dat Abraham, hoewel hij als honderdjarige ogenschijnlijk geen kinderen meer kon verwekken, 'niet alleen in staat is geweest om Izak te verwekken, maar ook, als ware hij in de bloei des levens teruggebracht, krachten had om daarna andere kinderen te verwekken.'
3. De woorden voor God (Hem) zijn belangrijk. Paulus schrijft hier een compacte en voor ons gevoel minder goed lopende zin neer. Sommige uitleggers denken bij vs. 17b aan een oudchristelijke (liturgische) belijdenis die Paulus abrupt uit de pen vloeit. De woorden 'voor God' (voor Hem) beklemtonen in elk geval, dat Abraham er zo voorstond bij God. Zo was zijn positie voor het aangezicht des Heeren.
4. De beste handschriften laten het woordje 'niet' weg. Dat Abraham wel zijn eigen lichaam en dat van Sara als verstorven opmerkte, betekent, dat hij niet langs de feiten heen, maar dwars daardoorheen geloofde. Abraham liep niet met een blinddoek door 't leven.
5. Althaus (a.w., blz. 47vv) beweert, dat Paulus steeds aan de woorden van het O.T. een andere betekenis geeft dan deze historisch hebben. Paulus zou b.v. het alternatief 'geloof of werk' in de Abraham-geschiedenis hebben ingelezen. In het boek Genesis zou dit niet aan de orde zijn. En wij moeten (aldus Althaus) dan ook zo'n exegetische methode niet volgen. Als Althaus echt gelijk heeft, blijft er van de eenheid van de Schrift weinig of niets over. Paulus verkondigt dan een particuliere mening. En staat uiterst zwak tegenover het Jodendom. Zo dienen zich echter de Geest-doorademde woorden van de brief aan de Romeinen niet aan. Het zijn Schriftwoorden waarin andere Schriftwoorden (O.T.) tot op de bodem worden doorlicht. De Schrift is niet een bundel van particuliere geloofsmodellen.
6. Het woordje 'om' (dia) dat tweemaal in vs. 25 voorkomt, moet in beide gevallen hetzelfde betekenen. Het geeft de reden aan a) onze zonden waarom God Jezus moest overleveren tot in de dood en b) onze rechtvaardiging waarom God Hem opwekte uit de dood. De eerste keer terugwijzend, de tweede keer vooruitwijzend (vgl. ook Jes. 53 : 4vv).
7. Nu eens wordt door Paulus in zijn brief aan Rome de rechtvaardiging verbonden met Christus' dood (3 : 24v), dan weer met Zijn opstanding (4 : 25). Kruis en opstanding zijn echter volstrekt op elkaar betrokken. Het één kan niet zonder het ander. De vrijspraak op grond van Christus' bloedstorting, zouden we kunnen zeggen, wordt publiek vernomen in de opwekking van Christus.
8. Men zou kunnen vertalen: Abraham liet zich niet opsplitsen. Twijfelen (‘diakrinein’) is in het N.T.: innerlijk gespleten zijn en dat staat tegenover geloven (vgl. Mark 9 : 14-29 o.a.). Jakobus (1 : 6) vergelijkt de twijfelaar met een baar der zee. Bij Jakobus is ook iemand die de bijeenkomst der christenen bezoekt en de arme veracht, een gespleten man, een twijfelaar (Jak. 2 : 4). Dit twijfelen (gespletenheid in innerlijk en houding) is zowel in het O.T. als in het N.T. gelijk aan: zondige afwijzing van het Woord van God in ongeloof (Gen. 18 : 12; Mark. 4 : 40). Geloof en twijfel sluiten elkaar dus uit. Wat niet betekent, dat de gelovige niet soms ook de aangevochtene en bestredene is (zo Job die niet als twijfelaar, maar als strijder getekend wordt in de Bijbel).
9. Sommigen verklaren de woorden: 'gesterkt geweest in het geloof' als: bekrachtigd om Izak te verwekken (vgl. Hebr. 11 : 11 waar van Sara wordt gezegd, dat zij kracht ontving tot het moederschap). Er staat hier echter alleen, dat Abraham met kracht werd aangegord door het geloof, dus dat hij daarin sterk stond (ook ondanks alle harde feiten).



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina