Romeinen 5 : 12-21 14. Adam Christus



Dovnload 31.04 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte31.04 Kb.
ROMEINEN 5 : 12-21
14. Adam - Christus
12 Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.

13 Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is.

14 Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke een voorbeeld is Desgenen, Die komen zou.

15 Doch niet, gelijk de misdaad, alzo is ook de genadegift, want indien, door de misdaad van een, velen gestorven zijn, zo is veel meer de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is van één mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen.

16 En niet, gelijk de schuld was door den één, die gezondigd heeft, alzo is de gift; want de schuld is wel uit één misdaad tot verdoemenis, maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking.

17 Want indien door de misdaad van één de dood geheerst heeft door dien énen, veel meer zullen degenen, die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heersen door dien Enen, namelijk Jezus Christus.

18 Zo dan, gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; alzo ook door één rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens.

19 Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien énen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.

20 Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waarde zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest;

21 Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot den dood, alzo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere.

.

Verklaring

De verzen 12 tot 21 van het 5e hoofdstuk van Paulus' brief aan de Romeinen behoren tot de minst gelezen en nog veel minder begrepen gedeelten van de Bijbel, schreef iemand eens. Ook nadat u deze verzen driemaal achtereen gelezen hebt, zou u kunnen vragen: 'Wat heeft dit allemaal toch te betekenen?' We gevoelen meteen, dat hier een theoloog aan het woord is. Er worden forse en diepzinnige gedachtelijnen geschetst. Het gaat om een vergelijking tussen Adam en Christus. Dat is duidelijk. Maar wat heeft een mens daar nu eigenlijk aan voor zijn geloofsleven? Zouden we maar niet meteen kunnen overstappen naar hoofdstuk 6 waar het dagelijkse leven wat meer in het vizier komt? Aan theologische hoogstandjes heeft niemand behoefte.

Toch is het een geweldige vergissing, als we zo over het tweede deel van Rom. 5 oordelen. Want juist hier wordt ons op een machtige wijze getoond wat een Adamskind als u en ik aan de Heere Christus hebben kan. In één woord: hier wordt de allesomvattende betekenis van Christus Jezus meesterlijk geschilderd. Met licht en donker. Indrukwekkend als 'een Rembrandt'. 'Wij kunnen immers nooit zo duidelijk zien wat we in Christus hebben dan wanneer ons voor ogen wordt gesteld wat wij in Adam zijn kwijtgeraakt,' schrijft Calvijn. En inderdaad, daar gaat het de apostel Paulus in deze verzen om. Tevoren heeft hij de diepe zin van Christus' bloedstorting betuigd. En dat Hij, Christus een verstrekkende dood stierf. Dat God om Hem zondaren rechtvaardigt, vrijspreekt. Maar hoe is dat mogelijk? Hoe bestaat het, dat ik toegerekend krijg wat Jezus Christus deed? Dat is toch wel vreemd. Ja, het is wonderbaarlijk vreemd te geloven, dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben. Maar als ik nu eens beginnen zou met te geloven, dat ik in Adam met de ganse wereld voor God verdoemelijk ben, zou ik dan niet ook mogen en kunnen geloven, dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben?

Voor hoeveel telt Hij?

Laat ik het verduidelijken met een verhaal. Het gaat over een veldheer in de Griekse oudheid die met zijn soldaten eens in grote moeilijkheden geraakte. Ze werden omsingeld door een groot vijandelijk leger. Op de avond voordat het tot een treffen zou komen, ging die veldheer het soldatenkamp rond om te horen hoe de stemming onder zijn manschappen was. En staande bij één van de tenten, hoorde hij toen een man daar binnen mismoedig zeggen: 'Jongens, het kán niet goed gaan; de vijand is oppermachtig; een groot aantal ruiters... een menigte geoefende soldaten... en wij ... ?'

Op dat moment trok de veldheer het zeil van de tent opzij, stak zijn hoofd om de hoek, keek de ontmoedigde man aan en zei: 'U somde zojuist de grote legermacht van de vijand op. Maar zeg eens, voor hoeveel tel ik?' Ja, een veldheer die de naam en faam van een groot overwinnaar heeft, telt die niet voor duizend? En mogen zijn strijders dan niet zeggen: 'Met die ene veldheer in wiens gevolg wij dienen, voor wiens rekening wij vechten en in wie wij ons begrepen weten, staan wij sterk?'
Welnu, zo vindt ook een kind van God alles - zijn glorie, zijn gerechtigheid, zijn vrede, zijn kracht - in Christus die de grote overwinning op zonde en dood op Zijn Naam heeft staan. Laat de heerschappij van het boze sterk zijn, geweldiger is de Koningsheerschappij van Jezus. Wie in Hem geborgen is, verliest niet.
1 Cor. 15 : 21, 22, 45vv

Is dat het niet, dat in de verzen 12 vv van Rom. 5 te lezen staat? Hier wordt Christus tegenover Adam geplaatst. Soms vergelijkt Paulus Christus met Mozes. Maar hier met Adam. Want het gaat er hem om Christus groot te maken niet slechts onder het volk dat onder leiding van Mozes staat, het Joodse volk, maar ook onder mensenkinderen in het algemeen, Adamskinderen. Trouwens om te weten wat men aan Christus heeft, moet men weten wat men in Adam is kwijtgeraakt (Calvijn). Zo is het. Vandaar die vergelijking in Rom. 5 tussen Christus en Adam.



Door één mens: zonde en dood

Gen. 2 : 17 en 3 : 19

Omdat er een kruis op Golgotha heeft gestaan met een wereldwijde strekking (vs. 10, 11), daarom kan Christus het opnemen tegen Adam. 1. Laat ons zien. Hoe is 't met Adam gesteld? Eén mens noemt Paulus hem. Helemaal aan het begin van de mensheidsgeschiedenis. Paulus heeft zeker nooit gehoord van Darwin en zijn evolutietheorie? Inderdaad, Paulus gelooft, dat God de geschiedenis der mensheid op aarde begon met één mens. Niet dat het mensenras, het soort mens in een evolutie van miljarden jaren geleidelijk aan is ontstaan uit de dierenwereld. U kunt dat naïef noemen. Maar als Paulus de volut1eleer had aangehangen, zou hij nooit geschreven hebben zoals hij schreef in Rom. 5. Hij vindt het juist heel belangrijk om vast te stellen, dat het ooit eens een keer (historisch) mis is gegaan in de wereld door één mens. 2.
En één is hier telwoord. 3. Door één mens is de zonde in de wereld ingekomen en door de zonde de dood (vs. 12a). 4. Adam brak met God. Hij ging voor eigen rekening leven. En toen ging het mis. Want een mens die voor eigen rekening leeft, graaft zijn eigen graf, Los van God leven is de dood. Dan maakt men van het leven een chaos, een ruïne. God had gezegd: 'Indien gij van deze boom eet, zult ge de dood sterven' (Gen. 2 : 17). De dood sterven, d.i. meer dan alleen maar doodgaan, niet meer ademen. Het is lichamelijk en geestelijk door het nulpunt heengaan. Reddeloos verloren. Aan vernietiging prijs gegeven. Zelfs voor eeuwig. Dat alles haalde Adam over zich en zijn nageslacht heen. Adams zonde was geen privé-aangelegenheid. Ze had een desastreuze nawerking en nasleep, ontwrichtte de menselijke natuur. Uit de onreine Adam is nooit meer een reine voortgekomen.
We noemen dat erfzonde. Dat woord komt in Rom. 5 niet voor. Maar de zaak is hier volop aanwezig. Vooral in de laatste woorden van vs. 12: In welke allen gezondigd hebben. De meest voor de hand liggende verklaring van deze woorden is immers: dat alle mensen in Adam, die éne mens zondigen. 5. Hoe dat kan? Wel, omdat Adam niet op zijn eentje zondigde. Hij was de representant van de mensheid. In hem was ook ik begrepen. Zoals voor het besef van de oosterling vroeger in een koning geheel een volk begrepen was, zo stond Adam voor geheel de mensheid. Ik sta derhalve in en met hem schuldig voor God. Ik moet vooral niet denken trouwens, dat ik het anders, beter had gedaan dan hij.

Erfzonde-leer

Dat wordt betuigd in Rom. 5. Door die ene, Adam is het misgegaan. Door de ongehoorzaamheid van die ene mens zijn velen tot zondaars gesteld (vs. 19). Ten onrechte vertaalt hier de Nieuwe Vertaling van het NBG: geworden. Paulus zegt hier nl. meer. Die ene mens en zijn ene daad van opstand tegen God gingen voortaan de dienst uitmaken in de wereld, maakten dat velen (het ganse mensdom) in een zondestaat terechtkwamen. God rekende hun Adams zonde toe. Of liever: die ene daad van ongehoorzaamheid bracht de mens in het algemeen in een staat van zondaar. Dat zegt Paulus hier.


Nogmaals, men kan erover denken zoals men wil, maar hier wordt ons gezegd wat de kerk later onder woorden bracht met de leer van de erfzonde, zij het dan, dat hier niet meteen wordt duidelijk gemaakt hoe Adams val in de zonde gemaakt heeft, dat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden (Ps. 51 : 7). Gods Geest leert het mij, als ik al mijn persoonlijke zonden voor ogen gesteld krijg, om dieper te graven en uit te komen waar Paulus uitkomt in Rom. 5: in 't paradijs. En daar beween ik de breuk die geslagen is tussen God en de mens, tussen God en mij. Dat is geen aanvaarding van een tragisch lot: kan ik het helpen, dat ik zo verkeerd geboren word!? Het is persoonlijke schuld. Het is tegelijk ook collectieve schuld. En er is ook een droevig lot aan verbonden.
Want herhaaldelijk immers spreekt Paulus in Rom. 5 over de ellendige nasleep van die ene daad van ongehoorzaamheid, die misdaad, die zonde van de ene Adam: de dood. De zonde is als een sluipmoordenaar de wereld binnengekomen. En door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is (vs. 12b). 'Wie is er, die de slaap des doods niet eens zal slapen?' De dood is geen toevallige bijkomstigheid, geen onvermijdelijke aangelegenheid waarmee een mens nu eenmaal rekenen moet: sterven is je plaatsje inruimen voor een ander. Tegenwoordig wordt de dood doodgewoon gemaakt. De mensen wordt geleerd om met de dood te leven. Of om de dood te vragen, als men levensmoe is. Maar zoiets vindt u niet in de Bijbel. De dood is vrucht van de zonde. 6. Sterven is een bittere zaak. Het is God ontmoeten.
Zo staat het in Rom. 5. We halen er enkele uitspraken uit naar voren. Door de misdaad van één zijn velen gestorven (vs. 15). De schuld is uit één misdaad tot verdoemenis (vs. 16). Door de misdaad van één heeft de dood geheerst door die ene (vs. 17). Zo dan, gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis (vs. 18). Kortom, de dood heeft sinds Adam als een tiran geheerst. De dood was koning. Eigenlijk, ten diepste: de zonde. Gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood (vs. 21). Er is een onlosmakelijk verband tussen zonde (Adams zonde) en dood (ons aller doodsstaat). Zo is 't altijd geweest. Zelfs ook in die tijd (tussen Adam en Mozes) waarin er nog geen geschreven wet was. Men zou zeggen: zonde en straf (dood) kunnen er alleen maar zijn, als er een wet is, die men overtreedt. Voordat de wet (op de Sinaï) aan Israël gegeven werd, zou men dus moeilijk kunnen spreken van overtreding en dood. Maar toch was er ook in die tussentijd (Adam - Mozes) de dood. Dus was er ook zonde. Wel niet in een vorm van een overtreding van een duidelijk gebod zoals bij Adam. Maar ook zonder dat verkeerde de mensheid in een zondestaat. Want Adams zonde werkte na. Velen zijn tot zondaars gesteld. In Adam zijn allen gevallen. De bewijzen zijn voor 't grijpen. En toen de wet kwam, werd dat alleen maar erger. Want die wet prikkelde de mens die het kwade zo lief heeft, in feite alleen maar om nog meer misdadig te worden. Zoals het bordje 'Verboden te vissen' in een bergmeer de grage visser alleen maar uitnodigt om de hengel uit te werpen. Deze dingen kunt u lezen in de verzen 13, 14 en 20 van Rom. 5 7.

De overvloed van de genade

1 Tim. 2 : 5; Rom. 6 : 23; 1 Tim. 1 : 14; Hebr. 5 : 8, 9

U hebt misschien inmiddels al wel gedacht: moet Paulus nu weer met zo zwaar geladen woorden over de zonde- en doodsstaat van de mens beginnen? Alsof hij dat niet al genoeg gedaan heeft in de eerste hoofdstukken van zijn brief aan Rome. Nu, dan moet u weten waarom Paulus dat hier doet. Het gaat er hem immers om Christus aan te prijzen. De tweede Adam. Ging het door de eerste Adam, door één mens, mis, door de tweede Adam, ook één mens kwam het recht. Zo dan, gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; alzo ook door één rechtvaardigheid 8. komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens (vs. 18).
Paulus begon in vs. 12 met een zin, maar maakte die niet af. Hier maakt hij hem af. Adam is de inzet van 't zondeleven en van de verdoemenis der mensen. Maar Christus is de inzet van het eeuwige leven der mensen. In Hem staat een nieuwe mensheid recht voor God, bedeeld met genade, met de gave van de rechtvaardiging, de vrijspraak door Zijn bloed. Eén zonde (van Adam) zorgde voor zoveel ellende voor zo velen. Maar Christus (de tweede Adam) stelde die tirannie van zonde en dood buiten werking. Ja, niet slechts die ene misdaad van Adam, maar vele misdaden van ons mensen die daarop volgden (vs. 16). Er is overvloed van de genade (vs. 17). Wij leven onder de heerschappij der genade. Alzo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven door Jezus Christus onze Heere (vs. 21). Wij bevinden ons in een wereld vol zonde en dood. Maar de baas is hier niet meer Adam I. De baas is hier de grote Overwinnaar Jezus Christus. Wij leven in Zijn koninklijk rijksgebied. Adam I, zonde en dood leggen het tegen Hem af. Zij zijn de heersers der aarde niet meer, al lijkt het duizendvoudig zo te zijn. Christus is Koning. Wat dunkt u, voor hoeveel telt Hij? Hij staat als de grote Overwinnaar aan het hoofd van een nieuwe mensheid. En Zijn zaak kan niet meer mislukken. Som nu toch a.u.b. niet als een moedeloze soldaat alleen maar de troepensterkte van de vijand op. Zie hier uw Overwinnaar.
Alverzoening?
Joh. 1 : 16; Jes. 53 : 11v; Openb. 20 : 4; 1 Cor. 6 : 2

Maar natuurlijk hebt u nu een vraag. Deze vraag: leert Paulus de alverzoening? In Adam allen verloren – in Christus allen verkoren? 't Komt met alle mensen goed, ook al blijven ze tot de laatste ademsnik kwaaddoeners? Is het zo? Nee, Paulus leert geen alverzoening. Zeker, genade is een overvloedige zaak. Een zaak voor velen. Niet vergeten. Daarom moeten we het Evangelie over de gehele wereld ronddragen. Het geldt alle nakomelingen van Adam. Daarom moet een levend christen ermee de wereld in. Hij kan de hand niet op de zak houden. Hij moet het allen zeggen, dat Christus leeft. Christen-zijn is geen interne aangelegenheid. Maar er moet nog iets aan toegevoegd worden. Dat doet Paulus ook. Hij spreekt in vs. 17 over degenen die de overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen. Zij zullen in het leven heersen door die Ene, namelijk Jezus Christus. Het Evangelie komt tot allen. Maar een koningskind zijn, begiftigd met de gave der rechtvaardigheid en leven, eeuwig leven, dat is een zaak die men persoonlijk ontvangt. 9. Christus is het Hoofd van een nieuwe mensheid nl. van hen, die door genade geleerd hebben om nú, ja, nú de knie voor Hem te buigen. 10.


Spurgeon, de Engelse opwekkingsprediker riep in een preek eens uit: 'Er is redding mogelijk ook voor de grootste der zondaren. Zelfs die man die daar op de galerij staat met een fles jenever in zijn zak, kan behouden worden.' Laat er nu juist op dat moment een man op de galerij staan met een fles jenever in de zak die `toevallig' de kapel was binnengelopen. Het was op die avond bepaald niet zijn bedoeling geweest om een preek te horen. Maar God gebruikte het woord van de prediker dat zo persoonlijk en toch ook slechts in het algemeen gesproken was, voor een aan de drank verslaafde. Ja, want God richt de boodschap van genade, zo ruim en breed, als een pijl op het hart. En dan ben ik erbij. Dan lever ik de wapens in. Dan raak ik los van Adam I. Dan word ik het koningskind onder het Hoofd Adam II.
Voor hoeveel telt Hij? Hij draagt de banier boven tienduizend.
Gespreksvragen
- We zagen, dat Paulus een nauw verband legt tussen zonde en dood. Door de zonde kwam de dood de wereld binnen. Zou dat ook betekenen, dat de dieren en de planten in het paradijs, voordat Adam zondigde, niet stierven? Is de dood in het planten- en dierenrijk dan ook binnengedrongen tengevolge van Adams zonde?
- In een boekwerk over Adam las ik, dat het niets uitmaakt, of men gelooft, dat Adam een historische figuur is geweest of niet. Dat zou niets veranderen aan wat Paulus in Rom. 5 zegt. Vindt u dat ook?
- Dat ik schuldig sta met en in Adam, dus dat ik erfschuld heb die mij voor God verwerpelijk maakt, is minder goed te begrijpen dan wat Joodse rabbi's vaak leerden, nl. dat God de mensen de boze neiging (‘jezer ha-ra’) wel heeft ingeschapen, maar dat de mens deze door te proberen de wet te volbrengen kan overwinnen? 11. Waarom zouden wij zoveel moeite hebben met het eerste? En waarom spreekt het laatste ons eigenlijk veel meer aan?
NOTEN
1. O.i. is dit de betekenis van het woord 'daarom' in vs. 12. Vanwege de verstrekkende betekenis van Christus kan Hij tweede Adam zijn.
2. Ook de Joodse rabbi's spraken en schreven nogal eens over Adam en de gevolgen van Adams zonde (de dood voor alle mensen). De boze neiging ‘(jezer ha-ra’), door God mede in de mens ingeschapen, kan door de mens in het doen der wet worden overwonnen. Zie Ridderbos, a.w., blz. 99.
3. In de vs. 12 vv van Rom. 5 vormt in Paulus' gedachtegang Adam het uitgangspunt. Aan hem laat Paulus als aan 'een voorbeeld(type) van degene die komen zou' (de Messias) zien welke de heilrijke en verstrekkende betekenis van Jezus Christus is. Zie Matth. 11 : 3, Luk. 7 : 19v en 2 Cor. 5 : 17. In Christus begint God opnieuw. Als Hoofd der nieuwe mensheid herstelt Hij wat ons aller vader Adam bedierf. Hij is ‘corporate personality' (allen in Eén). De gedachte (o.a. bij Philo) van een 'ideaalmens' (Gen. 1 : 27) die aan de historische Adam van Gen. 2 : 7 vooraf zou gaan, een soort hemels wezen (het ware mens-zijn) is Paulus volstrekt vreemd. De eerste mens is bij Paulus de historische Adam die in de zonde viel.
4. Vs. 1 is een z.g. anakolouth (zin die niet wordt afgemaakt). In vs. 18 wordt de draad van het betoog weer opgenomen. De Nieuwe Vertaling (NBG) laat de zin in vs. 2 wel aflopen en vertaalt: alzo is ook... Maar het gaat Paulus hier niet om een vergelijking tussen Adam (zijn zonde en de daarop volgende dood) en zijn nageslacht (hun (dood en zonde), maar om een vergelijking tussen Adam en Christus.
5. Taalkundig is dat mogelijk. De woorden 'in welke' (eph' hooi) betekenen dan: met het oog op welke... (Adam). Waarom zou 'welke' niet op de zo centraal staande 'ene mens' van vs. 12 kunnen slaan? Paulus zegt in deze laatste woorden van vs. 12 dan, dat Adams zonde aller zonde is (vgl. vs. 19: velen tot zondaars gesteld door...) Vgl. Rom. 3 : 23vv. Terecht zegt H. Ridderbos (a.w., blz. 100 vv), dat hier niet gesproken wordt over de persoonlijke zonden van Adams nakomelingen. Daarom kunnen we ook beter niet vertalen: omdat allen gezondigd hebben, hoewel de woorden 'eph hooi' dat toelaten (vgl. 2 Cor. 5 : 4; Fil. 3 : 12 en 4 : 10). Kohlbrugge laat de woorden terugslaan op dood: in welke dood (doodstoestand) wij allen gezondigd hebben en niet anders kunnen dan zondigen (zie Lekkerkerker, a.w., blz. 240). Calvijn zegt (a.w., blz. 201), dat Paulus hier niet spreekt van dadelijke zonden van Adams nageslacht. En hij argumenteert: '...waarom zou Paulus anders een vergelijking trekken tussen Adam en Christus?' De kerkelijke leer van de erfzonde heeft steeds terecht op deze perikoop teruggegrepen. Een mens komt niet als een onbeschreven blad papier (‘tabula rasa’) ter wereld, maar staat in Adam met zijn door Adams val bedorven hart en leven schuldig voor God.
6. Ook de dood als fysisch gebeuren en niet slechts het sterven als gescheiden-zijn van God (kwalitatief dus) behoort bij de vloek die God over Adams zonde uitsprak. Daarom zullen we moeten zeggen, dat de dood als 'verdwijningsproces' (zowel bij de mens als bij het dier en in heel de natuur) nooit bij de goede zegeningen van onze Schepper kan behoren en dat dat ook niet bij Zijn oorspronkelijke opzet van de schepping heeft behoord.
7. De betekenis van wat Paulus in vs. 13, 14 en in vs. 20 zegt, is hierboven kort aangeduid. De woorden 'niet gezondigd in de gelijkheid der overtreding van Adam' (vs. 14) betekenen niet, dat Adams nakomelingen (levend tussen Adam en Mozes) niet zo erg zondigden als Adam, maar dat hun zondigen (in hun zondestaat) niet als dat van Adam was. Want deze had de vrije keus om zich aan het uitdrukkelijk verbod van God (niet eten van de boom der kennis des goeds en des kwaads) te houden of niet te houden. En dat laatste bracht de dood met zich mee. In sommige handschriften ontbreekt het woordje 'niet' voor 'zondigen'.
8. Het woord rechtvaardigmaking, rechtvaardigheid in de vs. 16 en 18 (‘dikaiooma’) moet hier, gelet op de tegenstelling met 'verdoemenis' (‘katakrima’) de betekenis hebben van vrijspraak. Dat is de genadegift (‘charisma’) in Christus Jezus die door het geloof het deel wordt van hen die deze gave der genade persoonlijk ontvangen (vs. 17). Zij waren in Adam tot zondaars gesteld, d.w.z. door God als zondaars behandeld, omdat zij in Adam gezondigd hadden en ook daadwerkelijk in de staat der zonde leefden. Zij worden in Christus rechtvaardig gerekend te zijn, d.w.z. door de 'vreemde vrijspraak' en in de weg van de gelovige toe-eigening daarvan. Paulus legt er steeds de nadruk op, dat dat laatste 'veel meer overvloedig' is..
9. Als Paulus spreekt over 'allen' ('velen') die in Christus begrepen zijn zoals hij spreekt over 'allen' ('velen') die in Adam I begrepen zijn, heeft hij het de eerste keer steeds over allen die Christus door het geloof toebehoren en niet zonder meer over alle mensenkinderen.
10. Dat 'door de wet de misdaad te meerder geworden is' (vs. 20) betekent niet slechts, dat daardoor de zonde meer als zonde openbaar kwam (in de kennis daarvan), maar ook dat de wet in de zondestaat van de mens zo functioneerde, dat zij tot zonde prikkelde en daardoor de mens tot meer overtredingen bracht. Vgl. Gal. 3 : 19, Rom. 4 :15 en 7 : 8vv.
11. Kennelijk kan Paulus ook in Rom. 5 : 12vv niet nalaten te denken aan de Joodse lezers van zijn brief die ter zake van het punt waarom het de apostel hier gaat (nl. van 's mensen zondestaat door Adam) de heilrijke betekenis van de wet en de werken der wet ter sprake zullen hebben gebracht. Paulus betuigt hier echter: door de wet kwam het niet alleen niet weer goed, maar werd het erger met de mens.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina