Romeinen –hoofdstuk 4



Dovnload 160.04 Kb.
Pagina1/4
Datum26.08.2016
Grootte160.04 Kb.
  1   2   3   4

Bijbelcommentaar – Andrew Wommack

Romeinen –hoofdstuk 4
Vertaling Bible Commentary van Andrew Wommack

Wiebrig Calderhead, 2008
(Om in Word naar een eindnoot te springen: plaats de cursor bij de eindnootverwijzing, kies Beeld (menubalk) – voetnoten. Om terug te gaan naar de tekst: zet de cursor in de eindnoot, klik rechts, kies "Ga naar eindnoot")

Hoofdstuk 4
1 Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, verkregen heeft?
Opmerking 1 bij Romeinen 4:1: De vraag is: welk nut hadden de werken van Abraham? Paulus beantwoordt deze vraag op een indirecte manier. Hij zegt waar de werken van Abraham niet goed voor waren. Ze waren niet goed genoeg om hem gerechtvaardigd te maken voor het aangezicht van God, want dat kwam door geloof. Hij toont aan dat Abraham door zijn werken of inspanningen niets verdiende bij God. Meer dan dertien jaar voordat Abraham zich liet besnijden, waarvan de Joden volhielden dat dit noodzakelijk was om recht voor God te kunnen staan, was hij al gerechtvaardigd door geloof (verzen 10-11).
2 Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God.
Opmerking 2 bij Romeinen 4:2: Wij zullen alleen maar kunnen roemen in onze eigen goede werken als we onszelf met andere mensen vergelijken (2 Kor. 10:12)1. In het aangezicht van God kan niemand zich echter op iets beroemen. We derven allemaal de heerlijkheid van God (zie opmerkingen 5 en 6 bij Rom. 3:23)2.
3 Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.
Opmerking 3 bij Romeinen 4:3: Paulus laat hier een geïnspireerde openbaring zien van teksten uit het Oude Testament. Alle vrome Joden kenden de geschiedenis van Abraham, maar zij hadden deze eenvoudige waarheid, die Paulus hier naar voren brengt, over het hoofd gezien. In Genesis 15:6 zegt de Schrift duidelijk dat Abraham God geloofde en God rekende het geloof van Abraham tot gerechtigheid. Duidelijker kan het niet gezegd worden. Verderop in ditzelfde hoofdstuk 4 verwijst Paulus naar het tijdsverloop (meer dan dertien jaar) tussen de tijd dat de Schrift zegt dat het Abraham tot gerechtigheid werd gerekend en de tijd dat hij besneden werd, als verder bewijs dat er gerechtigheid aan Abraham was gegeven voordat hij de rechtvaardige daden van de wet uitvoerde.
Opmerking 4 bij Romeinen 4:3: Paulus had in hoofdstuk 3 een aantal radicale uitspraken gedaan (zie opmerking 4 bij Rom. 3:19 3 en opmerking 1 bij Rom. 3:21)4. Het was moeilijk voor de Joden om dit te incasseren. Nu gaat hij terug naar de tekst van het Oude Testament en naar de stichter van de Joodse natie om zijn beweringen te bewijzen. Heel bekwaam gebruikt hij juist die teksten die ze niet hadden begrepen om zijn evangelie van genade te bewijzen. Hij haalt ook David aan om twee van de meest geëerde mannen uit het Oude Testament te gebruiken als voorbeelden van redding uit genade door geloof.
Opmerking 5 bij Romeinen 4:3: In Hebreeën 11:6 staat: “Maar zonder geloof is het onmogelijk om Hem te behagen.” Het geloof van Abraham was welgevallig voor God. De Heer beloofde Abraham dat zijn zaad net zo ontelbaar zou zijn als de sterren aan de hemel en het zand aan de oever van de zee,5 en Abraham geloofde God. Dit gaf God zoveel voldoening dat Hij Abraham gerechtigheid toerekende, zelfs al had Abraham nog niet het ritueel van de besnijdenis vervuld en leidde hij geen bijzonder heilig leven.
Volgens Leviticus 18:9 was het voor een man een gruwel om te trouwen met een halfzuster (Lev. 18:26)6. Sara, de vrouw van Abraham, was zijn halfzuster (Gen. 20:12)7. Daarom kon het huwelijk van Abraham met Sara God niet welgevallig zijn. Abraham had ook gelogen over het feit dat Sara zijn vrouw was, om zijn eigen hachje te redden. Hij liet zonder enig bezwaar toe dat een andere man overspel pleegde met zijn vrouw. Meteen na de gebeurtenis, waar de Heer het geloof van Abraham tot gerechtigheid rekende (Gen. 15:6)8, probeerde Abraham de wil van God op natuurlijke wijze tot stand te brengen met Hagar (Gen. 16)9 en daarna herhaalde hij zijn verschrikkelijke zonde met Sara weer (Gen. 20)10.
Iedereen die aandachtig kijkt naar het leven van Abraham en de gunst die hij bij God vond, moet wel tot de conclusie komen dat het het geloof van Abraham was wat welgevallig was voor God. Evenzo is het bij ons. Het enige wat we kunnen doen om God te behagen is ons geloof te stellen in Jezus als onze Verlosser.
Opmerking 6 bij Romeinen 4:3: Het Griekse woord dat hier is vertaald met “gerekend tot” is “logizomai” wat betekent: “inventariseren, een schatting maken”. Het is een rekenkundige term die “in het grootboek opnemen” betekent. Ditzelfde woord wordt elf keer in dit hoofdstuk gebruikt in de vormen toegerekend, toerekenen en toerekent (Rom. 4:3, 4, 5, 6, 8, 9, 10, 11, 22, 23, 24).
4 Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting.
Opmerking 7 bij Romeinen 4:4: Paulus zegt dat als iemand door werken gered kon worden, God hem redding zou verschaffen als betaling aan hem en natuurlijk slaat dit nergens op. God heeft geen verplichting of schuld bij wie dan ook. Vertrouwen in onze eigen werken doet genade teniet en evenzo maakt geloof in Gods genade geloof in onze eigen inspanningen nutteloos. In Romeinen 11:6 herhaalt Paulus dit weer: “Indien het nu door genade is, dan is het niet meer uit werken; anders is de genade geen genade meer.”
5 Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid,
Opmerking 8 bij Romeinen 4:5: Wat een verklaring! Paulus had de valse leerstelling dat rechtvaardige daden iemand rechtvaardig konden maken tegengesproken. Nu laat hij de bom vallen dat God de goddelozen rechtvaardigt! We mogen op grond van de context eraan toevoegen dat dit de enige soort persoon is die door God gerechtvaardigd wordt, omdat Hij geen enkele andere soort mensen heeft die Hij kan rechtvaardigen. We hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid van God (zie nogmaals opmerkingen 5 en 6 bij Rom. 3:23). Dit vers zou voor altijd elk waanidee moeten verdrijven dat je de gunst van God zou kunnen verdienen door je prestatie.
Opmerking 9 bij Romeinen 4:5: Geloof in de verzoening van Jezus geeft ons rechtvaardigheid. Onze daden geven ons geen rechtvaardigheid. Waarachtig geloof zal echter wel daden voortbrengen (Jak. 2:17)11 en deze daden, of het gebrek daaraan, kunnen door andere mensen worden gebruikt om te bepalen hoe dicht wij staan bij de Heer (1 Joh. 3:7-10)12. Hoewel onze daden een indicatie zijn van ons innerlijk geloof, kunnen ze verkeerd worden opgevat en daarom moet ieder oordeel dat op grond van onze daden wordt gemaakt alleen dienen voor het doel om te onderscheiden en niet voor veroordeling (zie opmerking 46 bij Matt. 7:1)13.
6 gelijk ook David de mens zalig spreekt, aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken:
Opmerking 10 bij Romeinen 4:6: Koning David (zie opmerking 8 bij Hand. 13:22)14 leefde onder de wet van het oude verbond (zie nogmaals opmerking 3 bij Rom. 3:19). Deze tekst, die Paulus aanhaalt uit Psalm 32,15 evenals datgene wat David in Psalm 51 16 schreef toen hij berouw had over zijn zonden tegen Uria en Batseba, toont aan dat David een enorme openbaring had van de redding uit genade door geloof die met de Messias zou komen.
7 Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn.

8 Zalig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen.
Opmerking 11 bij Romeinen 4:8: Het Griekse woord dat in dit vers is vertaald met “geenszins” is een nadrukkelijke ontkenning en het betekent “nooit”. Dit is de meest krachtige taal om aan te geven dat bij degenen die vergeving hebben ontvangen hun zonden nooit tegen hen gebruikt zullen worden. Paulus zei niet alleen maar “niet”, maar “geenszins” wat inhoudt dat zelfs toekomstige zonden eens en voor altijd zijn vergeven door het offer van Jezus (Heb. 10:10, 14)17.
De meeste Christenen hebben het idee dat de zonden die zij hebben begaan voordat zij hun geloof in Christus beleden bij hun redding vergeven zijn, maar dat iedere zonde die zij na die tijd hebben begaan niet vergeven zijn totdat ze er berouw van hebben en er vergeving voor hebben gevraagd. Dat is niet het geval.
Al onze zonden, die van het verleden, de huidige en toekomstige zonden, zijn ons vergeven door het ene offer van Jezus. Als God geen toekomstige zonden kan vergeven, dan zou niemand van ons gered kunnen worden, omdat Jezus slechts eenmaal stierf, bijna 2.000 jaar geleden, voordat we ook maar enige zonde hadden begaan. Al onze zonden zijn vergeven.
Waarom staat er dan in 1 Joh. 1:9: “Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.”? Dit gaat niet over de eeuwige redding van onze geest, maar de redding van onze zielen (Jak. 1:21; 1 Pet. 1:9)18. Onze geest is bij onze redding wedergeboren en de zonde zal nooit worden toegerekend aan onze wedergeboren geest. De geest is voor altijd geheiligd en volmaakt (Heb. 10:10, 14; 12:23) en kan niet zondigen (1 Joh. 3:9)19.
We zijn echter nog steeds in het proces om onze zielen te redden (Jak. 1:21; 1 Pet. 1:9)20. Als we zondigen heeft de duivel een wettelijk recht om zijn vormen van dood in het gebied van onze ziel te brengen (Rom. 6:16)21. Hoe krijgen we de duivel eruit wanneer hij eenmaal is binnengekomen? We belijden het en God brengt de vergeving, die al een werkelijkheid is in onze wedergeboren geest, in het gebied van de ziel en de duivel heeft geen recht meer om te blijven.
Als we iedere zonde moesten belijden die we na onze wedergeboorte hebben begaan om onze redding te kunnen behouden, dan zou niemand er ooit toe in staat zijn. Want wat als we één zonde vergeten te belijden? Dat legt de last van redding op ons terug.
We moeten onthouden dat God Geest is (Joh. 4:24)22 en we moeten Hem aanbidden door onze wedergeboren geest. Daarom zijn we werkelijk gezegend omdat God geen enkele zonde toerekent aan onze geest. Onze geest is rein en puur (Ef. 4:24; Heb. 12:23; 1 Joh. 4:17)23 en zal niet veranderen vanwege ons gedrag.
9 Geldt deze zaligspreking dan de besnedene of ook de onbesnedene? Wij zeggen immers: Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend.
Opmerking 1 bij Rom. 4:9: Paulus had al eerder in dit hoofdstuk aangetoond dat het het geloof van Abraham was wat hem recht deed staan voor God (vers 3) en daarna gebruikte hij een citaat van David om redding uit genade door geloof te bewijzen (vers 6). Nu keert hij terug naar het verhaal van Abraham en gebruikt juist die daad die volgens de wettische Joden nagekomen moest worden (nl. de besnijdenis) om nader te verklaren dat redding komt uit genade door geloof.
10 Hoe werd het hem dan toegerekend? Was hij toen besneden of onbesneden? Niet besneden, maar onbesneden.
Opmerking 2 bij Romeinen 4:10: De periode tussen de tijd dat God Abrahams geloof tot gerechtigheid rekende en de tijd dat Abraham werd besneden was meer dan dertien jaar. Dit kan op de volgende manier worden berekend: De gebeurtenis waar God Abraham rechtvaardig achtte wordt beschreven in Genesis 15:6, wat nog voor de geboorte van Ismaël was (Gen. 16:15). Abraham besneed Ismaël op dezelfde dag dat hij besneden werd (Gen. 17:26), wat volgens Genesis 17:25 gebeurde toen Ismaël dertien jaar oud was. Daarom was de besnijdenis van Abraham tenminste dertien jaar en negen maanden later dan zijn rechtvaardiging door geloof in Genesis 15:6.24
Opmerking 3 bij Romeinen 4:10: Deze waarheid is zo eenvoudig en duidelijk dat het verbazend is dat de wettische Joden het over het hoofd hadden gezien. Paulus legt uit dat God had gezegd dat meer dan dertien jaar voordat hij het ritueel van de besnijdenis uitvoerde Abraham gerechtvaardigd was (Gen. 15:6 en zie opmerking 2 bij Hand. 15:1)25. Als besnijdenis noodzakelijk was om voor God gerechtvaardigd te zijn, zoals sommige Joden voorstonden, dan had Abraham niet eerder rechtvaardig kunnen zijn dan nadat hij deze daad had uitgevoerd, maar God Zelf zei dat Abraham rechtvaardig was. Daarom kan het ritueel van besnijdenis (of iedere andere daad van gehoorzaamheid) niet een voorwaarde voor rechtvaardiging zijn.
In onze dagen houden religieuze mensen niet langer meer vol dat besnijdenis noodzakelijk is voor redding. Paulus weerlegde dat afdoende. Veel mensen maken echter nog steeds dezelfde soort vergissing. Zij hebben besnijdenis vervangen door een andere heilige daad. Ze hebben dan misschien de auto’s gewisseld, maar ze zijn nog steeds op dezelfde weg naar hetzelfde doel.
Een aantal kerkgenootschappen hanteert bijvoorbeeld de leerstelling dat de waterdoop essentieel is voor redding. Nu is er geen discussie over dat de waterdoop een opdracht is van Jezus (Matt. 28:19-20)26, evenals de besnijdenis een opdracht was onder het Oude Testament (Gen. 17:9-14)27. Maar dezelfde logica die Paulus hier gebruikt om besnijdenis als een voorwaarde voor rechtvaardiging te weerleggen kan gebruikt worden om te bewijzen dat de waterdoop niet een vereiste is voor de redding van een persoon (bijv. Cornelius, zie opmerking 9 bij Marc. 16:16,28 opmerking 1 bij Hand. 10:44 29 en opmerking 4 bij Joh. 3:5)30.
Iedere voorwaarde waaraan moet worden voldaan voordat iemand gered kan worden, behalve geloof in wat Jezus voor ons heeft gedaan, is een dwaling (Rom. 3:28)31. Dit is wat Paulus een “ander evangelie” noemt, of juister gezegd, een verdraaiing van het evangelie (Gal. 1:6-7)32.
11 En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun [de] gerechtigheid zou worden toegerekend,
Opmerking 4 bij Romeinen 4:11: Het ritueel van besnijdenis was een bevestiging van de gerechtigheid die Abraham al door geloof had verkregen. Het was bedoeld als een voortdurende herinnering voor hem aan het verbond tussen God en hemzelf. Het was nooit bedoeld als iets waar Abraham over kon roemen of kon gebruiken om anderen zijn heiligheid te laten zien. Het was privé!
Ongetwijfeld koos de Heer deze daad als een teken van het verbond in plaats van een andere daad om juist datgene wat de Joden ervan maakten te voorkomen. Hoe kun je zien dat iemand anders besneden is? Dat is niet iets wat publiekelijk bekend is. Het is tussen God en die persoon. God gaf het teken van besnijdenis omdat het een privé-daad is. Daarom was het nooit Zijn bedoeling dat wij besnijdenis zouden gebruiken om de gerechtigheid van iemand anders te beoordelen.
12 en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze vader Abraham in zijn onbesneden staat bezat.
Opmerking 5 bij Romeinen 4:12: Merk op dat Abraham geloof had voordat hij de daad van besnijdenis uitvoerde. Veel mensen hebben onterecht gedacht dat daden geloof voortbrengen, maar dat is niet zo (zie opmerking 2 bij Luc. 11:42 33 en opmerking 21 bij Matt. 23:26)34. Geloof brengt daden voort (zie opmerking 55 bij Matt. 7:21 35 en opmerking 26 bij Matt. 25:40)36. Goede daden maken iemand niet goed, je moet wedergeboren zijn (zie opmerking 2 bij Joh. 3:3)37.
13 Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs.
Opmerking 1 bij Romeinen 4:13: Er is geen enkele tekst in het Oude Testament die met deze woorden zegt dat Abraham de erfgenaam der wereld zou zijn. De tekst die er het dichtst bij zou kunnen komen is dat de Heer aan Abram vertelde dat alle geslachten van de aardbodem door hem gezegend zouden worden (Gen. 12:3) en dat Hij Abraham de vader van een menigte volken had gemaakt (Gen. 17:4-5)38.
De Joden hadden Gods beloften aan Abraham opgevat als zouden ze alleen maar zijn fysieke nakomelingen betreffen. De woorden die de apostel Paulus gebruikt voor de beloften van het Oude Testament aan Abraham nemen echter iedere twijfel weg dat de Joden de enigen zouden zijn die door Gods verbond met Abraham gezegend zouden worden. Het ware zaad van Abraham is iedereen,39 van ieder land of iedere taal, die gelooft in Christus als zijn Redder.40
14 Want indien zij, die het van de wet verwachten, erfgenamen zijn, dan is het geloof zonder inhoud en de belofte zonder gevolg.
Opmerking 2 bij Romeinen 4:14: We zijn ofwel gerechtvaardigd door geloof in onze werken zonder geloof in Christus, of we zijn gerechtvaardigd door geloof in Christus zonder geloof in onze werken, maar niet door een combinatie van die beide (Rom. 11:6)41. Als het vertrouwen op onze eigen goedheid de enige reden zou zijn voor de redding die God ons geeft, dan wordt het geloof opgeheven en Gods belofte aan Abraham zinloos gemaakt.
Er zijn Christenen die voor hun eeuwige redding hun geloof in Christus hebben gesteld, maar daarna zijn teruggevallen in de misleiding dat God hen zal zegenen en gebruiken op basis van hun prestaties. Dit is wat bij de Galaten gebeurde. Paulus had hen verteld dat Christus hen tot geen nut was als zij vertrouwden op wat zij deden om gerechtvaardigd te worden voor God (Gal. 5:4)42. Evenzo ervaren veel Christenen tegenwoordig ook niet het volle resultaat van hun redding omdat zij hun geloof teniet doen door op hun eigen goedheid te vertrouwen.
15 De wet immers bewerkt toorn; waar echter geen wet is, is ook geen overtreding.
Opmerking 3 bij Romeinen 4:15: De wet van God zette de toorn van God vrij (zie opmerking 4 bij Joh. 3:36)43. Zonder de wet was er geen toorn, omdat er zonder de wet geen overtredingen waren. In 1 Johannes 3:4 staat: “Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid.” Voordat de wet van God was gegeven, rekende God daarom de zonden van de mensen hen niet toe (zie opmerking 2 bij Rom. 5:13)44.
Daarom werd Abraham niet gedood omdat hij zijn halfzuster huwde (zie opmerking 5 bij Rom. 4:3) en Jakob werd niet gedood omdat hij de zuster van zijn vrouw trouwde (Lev. 18:18)45. God had met betrekking tot deze dingen de wet nog niet gegeven en daarom begingen deze mannen geen opzettelijke overtreding. Toen de wet van God dus werd gegeven, werd de zonde tot leven gebracht en stierven wij (zie opmerking 3 en 4 bij Rom. 7:9)46. De wet bracht dood voort door Gods toorn over onze zonden af te roepen (zie nogmaals opmerking 4 bij Rom. 3:19).
Iedereen die probeert de wet van God te houden met als doel om gerechtvaardigd te worden voor het aangezicht van God, zal ook de toorn van God over zijn leven afroepen. Prijs God voor Jezus die ons onder de wet uithaalde en ons onder de genade bracht (Rom. 6:14)47.
16 Daarom is het (alles) uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is,
Opmerking 4 bij Romeinen 4:16: Paulus maakt het hier zeer duidelijk dat het zaad van Abraham meer was dan fysieke nakomelingen.48 Jezus onderwees hierover (zie opmerking 10 bij Joh. 8:33,49 opmerking 14 bij Joh. 8:37 50 en opmerking 16 bij Joh. 8:41)51 en Paulus noemt dit een aantal keren (Rom. 2:28-29; 4:11-12; hfds. 9, Gal. 3)52.
Opmerking 5 bij Romeinen 4:16: Aangezien God de redding beschikbaar maakte op basis van geloof in wat Hij heeft gedaan, kan iedereen gered worden. Als Hij onze heiligheid de basis van onze redding had gemaakt, dan had niemand gered kunnen worden “want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God” (zie nogmaals opmerking 6 bij Rom. 3:23).
17 gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld – voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept.
Opmerking 6 bij Romeinen 4:17: De zinsnede “het niet zijnde tot aanzijn roept” verwijst naar de gebeurtenis die Paulus zojuist had aangehaald, toen God de naam van Abram veranderde in Abraham (Gen. 17:5)53. De naam Abram betekent “hoge vader”. De naam Abraham betekent “vader van velen”. Eén jaar voor de geboorte van Isaak veranderde de Heer Abrams naam in Abraham en hij bevestigde hiermee dat Abraham de vader van velen zou zijn voordat het in het fysieke gebeurde.
Dit illustreert het geloof van God. God zegt dat dingen zo zijn voordat er een fysiek bewijs is dat ze zo zijn. Hetzelfde gebeurde bij de schepping (Gen. 1). God sprak alles in het bestaan en toen was het ook zo. Hij sprak licht in het aanzijn en vier dagen later schiep hij een bron waar dat licht vandaan kon komen (Gen. 1:3 met 14-19)54.
God heeft ons de macht gegeven om te scheppen met geloofsvervulde woorden (Spr. 18:20-21;55 zie opmerking 4 bij Marc. 11:14 56 en opmerking 4 bij Marc. 11:23)57. Als we in Gods soort geloof gaan wandelen, moeten we leren om die dingen die niet zijn in aanzijn te roepen, alsof ze er wel waren.
18 En hij heeft tegen hoop op hoop geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens hetgeen gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn.
Opmerking 7 bij Romeinen 4:18: In het natuurlijke was er geen hoop voor Abraham en zijn vrouw Sara. Ze waren beiden zo goed als dood waar het op hun leeftijd het krijgen van kinderen betrof. Daarom verwierpen zij het natuurlijke en geloofden God met een bovennatuurlijke hoop. Er is een natuurlijke hoop, die iedereen heeft, en er is een bovennatuurlijke hoop, die door God wordt gegeven (1 Kor. 13:13)58. Om wonderen te ontvangen, moeten we de beperkingen van de natuurlijke hoop verwerpen en onszelf aansporen om Gods bovennatuurlijke hoop door geloof te verkrijgen.
Opmerking 8 bij Romeinen 4:18: Abrahams geloof was gebaseerd op Gods Woord. Ieder woord van God is krachtig en bevat het geloof van God om dat woord te doen gebeuren (zie opmerking 4 bij Matt. 14:29)59. Als we niets anders dan Gods Woord overwegen, dan zullen we alleen maar geloven (Rom. 8:6 60 en zie opmerking 9 bij Rom. 4:19 hieronder).
19 En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara’s moederschoot was gestorven;

SV: En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat reeds verstorven was, daar hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was.
Opmerking 9 bij Romeinen 4:19: In dit vers staat hoe Abraham niet verflauwde in het geloof. De sleutel is waar hij zijn aandacht op richtte.
Sommige vertalingen en veel uitleggers hebben dit vers omgedraaid en het het tegenovergestelde laten zeggen van wat in de King Jamesvertaling61 (en ook de Statenvertaling) staat, zoals de NBG51 en de NBV. Deze manier van redenering mist echter één van de grootste schriftuurlijke sleutels voor een sterk geloof.
Het woord “opgemerkt” (NBG51) of “aangemerkt”(SV) kan worden gedefinieerd als overwegen, onderzoeken, bestuderen, er rekening mee houden, beschouwen, er aandacht aan geven. Het Griekse woord dat werd gebruikt is “katanoeo” wat eenvoudigweg betekent “volledig opmerken”.
Daarom kunnen we zien dat Abraham niet de leeftijd van zichzelf en Sara overwoog, onderzocht of bestudeerde en de invloed die dit zou hebben op de belofte die God hem had gegeven. Hij hield geen rekening met deze dingen en hij schonk er geen aandacht aan.
Dit is verbazend en het is precies de reden waarom velen van ons niet in staat zijn hetzelfde wonder te ontvangen. Wij overwegen ieder negatief iets dat tegengesteld lijkt aan de beloften van God en dan proberen wij met ons geloof te vechten tegen de vrees en het ongeloof die door deze gedachten komen (zie opmerking 3 bij Matt. 17:20)62. Op deze manier was Abraham niet sterk in geloof.
Abram was 75 jaar oud toen de Heer hem voor het eerst beloofde dat hij een kind zou hebben en dat alle volkeren der aarde door hem gezegend zouden worden (Gen. 12:1-4)63. In de gebeurtenis die Paulus aanhaalt was hij 99 jaar oud (Gen. 17:1) en Sara was 90 jaar oud (Gen. 17:7)64. Toch overwoog hij zelfs niet de onmogelijkheid van wat God hem had beloofd.
Het is waar dat Abraham versterkt werd in zijn geloof (vers 20) maar datgene wat hem sterk in geloof maakte is het feit dat hij zijn gedachten hield gericht op de belofte van God en het is net zo belangrijk dat hij zijn gedachten niet richtte op alles wat tegengesteld kon zijn aan Gods belofte. Veel mensen wensen dat ze hetzelfde sterke geloof hebben dat Abraham had, maar slechts weinigen houden hun gedachten zo onder controle als Abraham deed.
Geloof is een rechtstreeks resultaat van waar we aan denken. Als jij je gedachten baseert op Gods Woord, dan komt geloof (Rom. 8:6; 10:17)65. Als je aan andere dingen denkt, dan komen ongeloof en vrees (Rom. 8:6). Als jij het geloof van Abraham in je wilt hebben werken, dan moet je denken zoals hij dacht en nooit iets anders overwegen dan Gods Woord, en dan zul je sterk in geloof worden.
20 maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer,

  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina