Romeinen nbv voorstel zie bij dikaio-oo, dikaiosunè



Dovnload 262.7 Kb.
Pagina1/3
Datum24.08.2016
Grootte262.7 Kb.
  1   2   3

(06) Romeinen



Romeinen





NBV

voorstel

zie bij

dikaio-oo, dikaiosunè

rechtvaardigen, gerechtigheid

vrijspreken, vrijspraak

15

pisteu-oo, pistis

geloven, geloof

vertrouwen, vertrouwen

117


-1- 
1geroepen tot apostel en uitgekozen om het evangelie van God te verkondigen

speciaal gezant voor Gods goede boodschap.
2dat al bij monde van zijn profeten

[als je vertaalt: Gods goede boodschap] die lang geleden door zijn profeten.


3 het evangelie over zijn Zoon, een mens voortgekomen uit het nageslacht van David

- het evangelie – hoeft niet herhaald te worden;

- over – het Griekse voorzetsel regeert de 2e naamval, vandaar ook 2e naamval in 4;

- zijn Zoon, een mens – persoonlijk geef ik, zeker in verband met wat erop volgt: een mens, de voorkeur aan de weergave: zijn zoon.


4 aangewezen als Zoon van God en door de heilige Geest bekleed met macht toen hij, Jezus Christus, onze Heer, opstond uit de dood

- aangewezen als – de Vulgata vertaalt met: praedestinatus, waar designatus beter past: hij werd nu juist niet prae (vooraf) maar post (achteraf) aangewezen, namelijk door zijn opstanding;

- de heilige Geest – SV: de Geest der heiligmaking, 1951: de Geest der heiligheid; de nuance van actieve heiligmaking mag niet verloren gaan (wijding, consecratie);

- bekleed met macht – en dunamei, met kracht, krachtig; NBV betrekt dit op Jezus, maar je kunt het ook verbinden met 'aangewezen':



overtuigend als zoon van God aangewezen door – en dat typeert de Geest die heilig maakt – dodenopstanding: Jezus Christus, onze Heer!
5Hij heeft mij de genade geschonken apostel te zijn, opdat ik omwille van hem aan alle volken gehoorzaamheid en geloof zou verkondigen –

- mij – Paulus spreekt in het meervoud: wij kregen;

- de genade... apostel te zijn – genade en apostolaat, gave en opgave;

- opdat ik... zou verkondigen – SV: tot | 1951: om... te bewerken;

- omwille van hem – voor zijn naam;

- gehoorzaamheid en geloof – SV en 1951: gehoorzaamheid des geloofs, geloofsgehoor-zaamheid;

- geloof – in 43.5.9.11.16.17 geeft NBV pistis/pisteuein (geloof, geloven) weer met 'vertrouwen'; gezien de voorbeeldfunctie van Abraham in Rm, kun je overwegen dit in deze brief ook elders te doen; vgl. de aantekening bij 117 over het correlate begrip dikaiosunè.

van hem kregen we de heerlijke opdracht om onder alle volken gehoorzaamheid en geloof te verkondigen, in zijn naam.
7Genade zij u

zij – zie bij 1Kor 13.


9het evangelie over zijn Zoon vol overgave

- over zijn Zoon – je kunt de tweede naamval voorwerpelijk (over zijn zoon) of onderwerpelijk (van zijn zoon) uitleggen; in veel gevallen is het niet of-of maar en-en!

- vol overgave – in mijn geest, met alles wat in me is.
10eindelijk naar u toe te komen

dat ik eens naar u toe kom.
13U moest eens weten

u mag wel weten.


14beschaafde en niet beschaafde

Zijn de 'Hellenen' beschaafd en de 'barbaren' onbeschaafd? Kun je niet beter zeggen:



Griekstaligen en anderstaligen?
16het is Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken

- voor allen die geloven – voor ieder die gelooft;

- voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken – voor een/de jood eerst en dan ook voor een/de Griek, vgl. 29.10 39 1012 (217.28v 31.29 924);

het is een goddelijke kracht tot redding voor ieder die vertrouwt, eerst voor de jood, dan ook voor de Griek/niet-jood.


17In het evangelie openbaart zich dat God enkel en alleen wie gelooft als rechtvaardige aanneemt...: ‘De rechtvaardige zal leven door geloof’

- openbaart zich dat – lijkt me geen goed Nederlands (Germanisme?);

openbaren = onhullen, laten zien, laten merken;

- enkel en alleen wie gelooft – 1951: uit geloof tot geloof, van vertrouwen naar vertrouwen, vertrouwen vóór en vertrouwen ná; onderstreept niet zozeer het 'enkel en alleen' (sola) als wel het 'altijd maar weer' (semper), van het begin tot het eind;

- als rechtvaardige aanneemt – diakaiosunè (Gods rechtvaardigheid), hetzelfde woord in het Grieks hoef/kun je niet altijd weergeven door hetzelfde woord in het Nederlands maar in Rm kun je bij dikaiosunè (gerechtigheid) en verwante woorden vaak denken aan het forensische begrip 'vrijspraak' – zoals NBV terecht doet in 322.28 45 58.16-18.21.30 616 103, maar m.i. kan dit op meer plaatsen; vgl. de aantekening bij 15 over het correlate begrip pisteuein;

want daarin laat God vrijspraak zien, van vertrouwen tot vertrouwen...: 'wie vrijgesproken wordt leeft van vertrouwen'.
18En vanuit de hemel openbaart Gods toorn zich over al het kwaad en onrecht

Want uit de hemel laat God merken dat hij boos is over alle goddeloosheid en onrechtvaardigheid.
19wat een mens over God kan weten is hun bekend

wat je van God kunt weten, weten ze ook.


20Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar. Er is niets waardoor zij te verontschuldigen zijn

- zijn onzichtbare eigenschappen – ta ahorata autou, de onzichbare dingen van hem, zijn onzichtbare dingen, zijn onzichtbaarheid, namelijk...

- ...zijn eeuwige kracht en goddelijkheid – deze twee woorden kun je opvatten als een hendiadys (vgl. bv. 15 en 1Kor 24): zijn eeuwige goddelijke kracht;

- zichtbaar in zijn werken – zichtbaar aan zijn werken, scheppingen;

- voor het verstand – no-oumena (hoort bij ahorata) waargenomen wordend, door waarneming, door te observeren;

- zijn... waarneembaar – kat-horaoo (naar beneden kijken) neerzien; onderzoeken, bespeuren; peilen, doorzien;

- er is niets waardoor zij te verontschuldigen zijn – zodat ze (de mensen) niet te excuseren zijn;

- SV: Want zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn;



want door de schepselen te observeren bespeurt men, sinds de schepping van de wereld, zijn onzichtbare, eeuwige en goddelijke kracht – men is dus niet te verontschuldigen.
21hebben ze hem niet de eer en dank gebracht die hem toekomen

hebben ze hem niet geëerd of gedankt.


23de majesteit

eer, glorie, grootheid.


24hun lage begeerten

naar de begeerten van hun harten.
25ze vereren en aanbidden

eren en dienen.
32vonnis

vordering, gebod.


-2- 
1 (a)Natuurlijk, u veroordeelt dit alles... (b)Het oordeel dat u over anderen velt, velt u over uzelf, (c)want de dingen die u veroordeelt doet u zelf ook

(a)SV: Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mensch, wie gij zijt die [anderen] oordeelt, vgl. 1951; zie voor de betekenis van krinein bij 1Kor 43 1129vv: oordelen;

(b)waarin u de ander oordeelt, veroordeelt u zichzelf;

(c)want u die oordeelt, doet zelf net zo.
2Wij weten dat God hen die dergelijke dingen doen terecht veroordeelt

Bij 2v en 5vv hoef je niet meteen te denken aan het láátste oordeel; je kunt ook denken aan gevolgen hier en nu.



Wij weten dat Gods oordeel over wie zulke dingen doen, waarheidsgetrouw is.
3Of denkt u soms dat u, die zelf doet wat u in anderen veroordeelt, de straf van God kunt ontlopen?

- denkt u – rekent u, calculeert u;

- de straf van God – Gods oordeel, vgl. bij 2.
4en weet u niet dat zijn goedheid u tot inkeer wil brengen?

wil brengen – brengt; de keus 'verzet of overgave' is niet aan de orde;



zonder te beseffen dat zijn goedheid u tot inkeer brengt.
5 (a)Doordat u zo hardleers bent en niet tot inkeer wilt komen, (c1)maakt u dat de straf waartoe God u veroordeelt (b)op de dag dat (c2)hij zijn rechtvaardig vonnis uitspreekt en uitvoert, alleen maar zwaarder wordt

(a)door uw hardheid en onveranderlijkheid van hart, door koppig te zijn en te blijven;

(b)als hij op een dag;

(c1+2)zijn boosheid en rechtvaardig oordeel onthult/laat zien en voelen, vgl. 117;

Door koppig te blijven maakt u Gods boosheid alleen maar groter: op een dag laat hij zijn boosheid en oordeel merken.
6God beloont ieder mens naar zijn daden

beloont – heeft alleen positieve betekenis; vergeldt heeft ook négatieve betekenis.


7Aan wie het goede doet en daarin volhardt, aan wie glorie, eer en onsterfelijkheid zoekt, schenkt hij het eeuwige leven

- wie... doet – wie... doen (in 6 enkelvoud, 7-8 meervoud, 9-10 enkelvoud);

- daarin volhardt – met volharding, blijvend, altijd maar weer;

- glorie, eer – Hb 27 (eer en luister) citeert Ps 86 (glans en glorie), en Rm 27 (glorie, eer) verwijst ernaar: doxa, timè (LXX en NT). Het gaat over mensen die op zoek zijn naar glans en glorie die niet vergaat (onsterfelijkheid, eeuwig leven);

- schenkt hij het eeuwige leven – 'schenkt hij' ingevoegd door NBV, 'het eeuwige leven' is grammaticaal nog afhankelijk van 6 :

6God vergeldt ieder naar zijn daden: 7hun die door goeddoen eeuwige glans en glorie zoeken, met eeuwig leven;
8Maar wie handelt uit geldingsdrang, de waarheid niet eerbiedigt en zich laat leiden door onrecht, straft hij met zijn toorn en woede

zijn toorn en woede – zie bij 2-3;



hun die egoïstisch de waarheid níet en het onrecht wèl gehoorzamen, met boosheid en toorn.
9leed en ellende, de Joden in de eerste plaats, maar ook de andere volken

- leed en ellende – zie bij 2, kommer en kwel;

- de Joden... – zie bij 116.
10glorie, eer en vrede, de Joden in de eerste plaats, maar ook de andere volken.

- glorie, eer – vgl. bij 7;

-de Joden... – zie bij 116.
11 God maakt geen onderscheid

SV: daar is geene aanneming des persoons bij God,

God behandelt de één niet anders dan de ander.
12verloren gaan... worden veroordeeld

- verloren gaan – 1Kor 118 811 109-10 1518 2Kor 215 43.9 2Ts 210;

- worden veroordeeld – worden geoordeeld, zie bij 1.
13Niet wie de wet slechts aanhoort zal voor God rechtvaardig zijn, maar wie de wet naleeft

Het is voorzichtig om de Griekse tekst in tijd en getal nauwkeurig te volgen:

Niet de hoorders van de wet zijn rechtvaardig voor God, maar de doeners van de wet zullen vrijgesproken (vgl. bij 321) worden.
15Ze bewijzen

laten zien, showen.


16op de dag waarop

ten dage dat, als, vgl. bij 2.


22heiligschennis

tempelroof.
23U laat u voorstaan op de wet, maar onteert God door de wet te overtreden.

Conclusie of vraagzin – vgl. SV en 1951.


25naleeft

praktiseert.
26door God

toevoeging overbodig.


27Wie onbesneden is gebleven

Wie van nature onbesneden is.


29Jood is men door zijn innerlijk, en de besnijdenis is een innerlijke besnijdenis. Het is het werk van de Geest, niet een voorschrift uit de wet, dus wie innerlijk een Jood is, ontvangt geen lof van mensen maar van God

Wie van binnen Jood is, besneden van hart, niet naar de letter maar door de Geest – díe krijgt lof, niet van mensen maar van God.
-3- 
1 Wat hebben de Joden dan nog voor op

heeft de Jood.
2zijn het de Joden aan wie God zijn woord heeft toevertrouwd

zijn hun Gods woorden toevertrouwd.
3Wat is daarvan de zin? Wanneer sommigen van hen God ontrouw zijn geworden, zal dat dan geen einde maken aan Gods trouw?

- Wat... zin? – pakt de vraag van 1 weer op: wat dan (heeft de jood nog voor)?

- Wanneer... trouw? – Hun ontrouw maakt toch geen eind aan Gods trouw?
4Ieder mens is onbetrouwbaar, maar God is betrouwbaar, ...‘wanneer u vonnist’

En God moet wel te vertrouwen zijn, maar de mens is dat niet, ...‘als u oordeelt’.
5is het dan niet zo – ik redeneer nu zoals anderen zouden doen – dat God onrechtvaardig is wanneer hij ons toch nog veroordeelt?

ons toch nog veroordeelt – SV: als Hij toorn over [ons] brengt?



wat zullen we dan zeggen? Is God onrechtvaardig als hij tegen ons uitvaart – menselijkerwijs gesproken?
6kan God anders rechter van de wereld zijn?

zal God anders de wereld oordelen?
7Maar wanneer door mijn onbetrouwbaarheid Gods trouw alleen maar toeneemt en daardoor ook zijn eer, waarom word ik dan toch nog als een zondaar veroordeeld?

Want als Gods waarheid door mijn leugen groter wordt – wat hem siert! – waarom word ik dan nog als zondaar beoordeeld?


8Kunnen we niet beter het kwade doen, opdat het goede eruit voortkomt? Er wordt gezegd dat wij dat beweren, maar wie ons zo belastert zal zijn gerechte straf niet ontlopen.

Het is toch niet waar wat boze tongen beweren, dat wij zeggen 'Laten we kwaaddoen zodat 't iets goeds oplevert?' Het oordeel over hen is terecht.
9Wat betekent dit alles? Zijn we als Joden nu bevoordeeld? Niet in alle opzichten, want ik heb immers al heel duidelijk gemaakt dat allen, zowel de Joden als de andere volken, in de macht van de zonde zijn

Wat dan? Zijn wij beter af? Helemaal niet! We hebben Joden en niet-Joden toch al verweten dat ze tot over hun oren in de zonde zitten?
12heel de mensheid is... Er is geen mens die nog het goede doet, er is er zelfs niet één

heel de mensheid is verdorven – allemaal zijn ze verdorven;

Er is... zelfs niet één – er is niemand die vriendelijk doet, zelfs niet één.
16 brengen ellende en vernietiging

SV: Vernieling en ellendigheid is in hunne wegen, vgl. 17de weg van de vrede;



puinhopen en problemen op hun levensweg.
19alleen... Maar uiteindelijk wordt ieder mens het zwijgen opgelegd

- alleen – overbodig toevoeging;

- Maar uiteindelijk – En zo;

- wordt... opgelegd – wordt iedereen de mond gestopt.


20is... geen sterveling onschuldig..., want juist de wet leert ons de zonde kennen

wordt... niemand vrijgesproken..., want door de wet merk je pas goed wat zonde is.
21Gods gerechtigheid, waarvan de Wet en de Profeten al getuigen, wordt nu ook buiten de wet zichtbaar

- Een onderkoelde weergave van een verrassende uitspraak van de Rechter:

SV: Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard... | 1951: Thans is echter...

- wordt zichtbaar: is zichtbaar (perfectum);

- vgl. de aantekening bij 15 over het correlate begrip pisteuein, 'vertrouwen'.
22God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven

Terecht vertaalt NBV in 22-30: iedereen, een mens (= mensen), allen, zijn begaan;

maar de weergave: wie gelooft, wij, ons, u (wij :: zij!) dreigt dit te beperken.

SV: de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus,

1951: gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus;

NBV: goed, actief: God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven (op Jezus Christus vertrouwen).


23Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God

- iedereen heeft... en ontbeert – meervoud: allen hebben... en ontberen;

- de nabijheid van God – doxa, Gods uitstraling (gen. subj. èn obj.), Ps 86 en Jh 1240v;

allen hebben gezondigd en missen goddelijke uitstraling.
24en iedereen wordt uit genade, die niets kost, door God als een rechtvaardige aangenomen omdat hij ons door Christus Jezus heeft verlost

maar [allen] worden gratis, uit genade, via de bevrijding door Christus Jezus, vrijgesproken.
25 26Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft. Hiermee bewijst God dat hij rechtvaardig is, want in zijn verdraagzaamheid gaat hij voorbij aan de zonden die in het verleden zijn begaan. Hij wil ons nu, in deze tijd, zijn gerechtigheid bewijzen: hij laat ons zien dat hij rechtvaardig is door iedereen vrij te spreken die in Jezus gelooft.

SV geeft de Griekse tekst woord-voor-woord weer.




NBV

SV

eigen voorstel

25Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft.

Hiermee bewijst God dat hij rechtvaardig is, want in zijn verdraagzaamheid gaat hij voorbij aan de zonden die in het verleden zijn begaan.



25Welken God voorgesteld heeft [tot] eene verzoening door het geloof in zijn bloed,

tot eene betooning van zijne rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden die tevoren geschied zijn, onder de verdraagzaamheid Gods;



25Hem heeft God gepresenteerd: dit is zíjn offer, het verzoent doordat men op hem vertrouwt.

Zo laat God zíjn manier van vrij-spreken zien: verdraagzaam als hij is, gaat hij voorbij aan vroegere zonden.

26Hij wil ons nu, in deze tijd, zijn gerechtigheid bewijzen: hij laat ons zien dat hij rechtvaardig is door iedereen vrij te spreken die in Jezus gelooft.

26Tot eene betooning van zijne rechtvaardigheid in dezen tegenwoordigen tijd; opdat Hij rechtvaardig zij en rechtvaardigende dengene, die uit het geloof van Jezus is.

26In onze eigen tijd laat hij zíjn manier van vrijspreken zien: hij is rechtvaardig, ook als hij iedereen vrijspreekt die op Jezus vertrouwt.


27Kunnen wij ons dan nog ergens op laten voorstaan? Dat is uitgesloten. En door welke wet komt dat? Door de wet die eist dat u hem naleeft? Nee, door de wet die eist dat u gelooft.

Wat valt er dan nog te pochen? Niets!
28Ik heb u er immers op gewezen dat een mens wordt vrijgesproken door te geloven, en niet door de wet na te leven

door te geloven – door te vertrouwen.


30want er is maar één God, en hij zal zowel besnedenen als onbesnedenen op grond van hun geloof als rechtvaardigen aannemen

op grond van hun geloof – doordat zij vertrouwen.


-4- 
1Wat moeten wij nu zeggen over onze stamvader Abraham?

SV: Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vleesch?



­­- 'verkregen heeft naar het vleesch' – vertaalt NBV niet; deze woorden maken helder dat kinderen-krijgen onmogelijk was, toch vertrouwde Abraham Gods belofte;

- verkregen heeft – heurèkenai, find, discover, come upon (Newman, verder N); vgl. heureka! (Archimedes) gevonden, ondervonden, ontdekt heeft;

- naar het vlees – kata sarka, flesh, physical body (N 1e betekenis) lichaam; wordt vaak bij 'onze vader' getrokken, maar bij 'verkregen/gevonden' is ook mogelijk.

Wat... Abraham? Wat heeft hij aan den lijve ondervonden?


2Indien hij als een rechtvaardige zou zijn aangenomen op grond van zijn daden, dan had hij zich daarop kunnen laten voorstaan.

Want als Abraham om wat hij dééd werd vrijgesproken, dan had hij een punt.


3‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend.’

- Wel 'van gerechtigheid', maar toch weer 'een daad'! De bedoeling is ongetwijfeld:

Abraham vertrouwde op God en dat werd hem aangerekend als vrijspraak.

- In 3.4.5.6.8.9.11.22.23 staat telkens hetzelfde werkwoord logidzomai: count, reckon, calculate, take into account (N).


4Iemand die zijn loon verdient, krijgt het niet als een gunst maar als een recht.

5Maar iemand zonder verdienste, die echter vertrouwt op hem die de schuldige vrijspreekt, wordt vanwege zijn vertrouwen rechtvaardig verklaard

- iemand die zijn loon verdient – 'loon' en 'verdienen' horen in de nazin ('recht'); in de voorzin gaat het alleen over iemand die 'werkt' (ergadzomenooi vgl. ergo-therapie);

- iemand zonder verdienste – ook hier is 'verdienste' binnengeslopen in de voorzin, het woord is ook dubbelzinnig: je kunt best een verdienstelijk mens zijn zonder dat je een cent verdient; het gaat om iemand die er niets voor 'doet' (mè ergadzomenooi).

- SV volgt de Griekse tekst weer op de voet: 4Nu dengenen, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld. 5Doch dengenen, die niet werkt, maar gelooft in Hem, die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid. De vraag is alleen: hoe zeg je dit tegenwoordig? Een poging (let op de accenten):



4Als je ergens voor wèrkt, dan is je loon geen geschènk, maar dan verdíen je het.

5Maar als je er níets voor doet (je vertróúwt alleen maar op hem die de schuldige vrijspreekt), dan geldt jouw vertrouwen als vrijspraak.
6Zo prijst ook David de mens gelukkig die door God rechtvaardig wordt verklaard zonder dat hij enige verdienste heeft

Zo feliciteert David de mens die God vrijspraak schenkt waar hij niets voor gedaan heeft.


7‘Gelukkig is de mens wiens onrecht is vergeven, wiens zonden zijn bedekt

Inderdaad gebruikt David in Ps 32 een enkelvoud: de mens, wiens. Maar Paulus schrijft in Rm 4 een meervoud: de mensen aan wie (of: wier, maar dit is niet meer van deze tijd).


8niet telt

niet aanrekent. God vindt de zonden niet niks, maar hij rekent ze niet aan!


9 Prijzen deze woorden... gelukkig? We zagen al dat Abrahams vertrouwen hem werd toegerekend als een daad van gerechtigheid

- Prijzen... gelukkig – Slaat deze felicitatie op...?

- een daad van gerechtigheid – zie bij 3.

We zeggen immers: zijn vertrouwen werd Abraham aangerekend als vrijspraak.
10Het laatste, toen hij nog niet besneden was

Het laatste, toen hij dus nog niet besneden was.


11aDe besnijdenis ontving hij later als een bezegeling en teken dat hij als onbesnedene rechtvaardig was omdat hij op God vertrouwde

Ook kreeg hij het teken van de besnijdenis – het zegel van de vrijspraak, dat hij als onbesnedene op God vertrouwde.
11bZo werd hij de vader van alle onbesnedenen die geloven, zodat ook zij als rechtvaardigen konden worden aangenomen

Zo werd hij vader van alle onbesnedenen die op God vertrouwen: ook hun wordt de vrijspraak aangerekend.
12En hij werd eveneens de vader van hen die besneden zijn, althans van hen die zich niet alleen hebben laten besnijden maar ook onze vader Abraham volgen in het geloof dat hij als

onbesnedene bezat



Èn hij werd vader van hen die niet alleen besneden zijn, maar die ook de voetstappen drukken van onze voorvader Abraham, die als onbesnedene op God vertrouwde.
13Immers, niet door de wet ontvingen Abraham en zijn nageslacht..., maar door de gerechtigheid die het geloof schenkt

Immers niet door een wet kregen Abraham en de zijnen..., maar door vrijspraak (die volgde op) na zijn vertrouwen.


14Als men op grond van de wet erfgenaam zou zijn, zou het geloof zijn betekenis hebben verloren en de belofte zijn ontkracht

Want als je op grond van een wet erfgenaam bent, heb je het vertrouwen uitgehold en is de belofte uitgewerkt.


15De wet maakt namelijk alleen dat God straft

Wet bewerkt namelijk straf.
16Maar de belofte had alles te maken met vertrouwen omdat ze een gave van God moest zijn, want alleen zo kon ze voor heel het nageslacht blijven gelden.

Daarom: 'uit vertrouwen', en dus: 'als geschenk' – zó blijft de belofte vast en zeker voor heel het nageslacht.
18bleef Abraham... geloven

bleef Abraham... vertrouwen.


19En zijn geloof verzwakte niet toen hij, ongeveer honderd jaar oud, besefte dat zijn krachten hem hadden verlaten en Sara niet langer vruchtbaar was

En zijn vertrouwen verslapte niet toen hij... besefte dat zijn eigen lichaam zo goed als dood was en de moeder in Sara ook.


20Hij twijfelde niet aan Gods belofte; zijn geloof verloor hij niet, integendeel, hij werd erin gesterkt en bewees zo eer aan God

Hij betwijfelde en wantrouwde Gods belofte niet.


22en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend

Zie bij 43.



Daarom werd het hem ook aangerekend als vrijspaak.
23En dit is niet alleen voor hem geschreven

De Griekse tekst herhaalt hier:

Maar niet alleen voor hem is geschreven: 'Het werd hem aangerekend als vrijspraak', 24maar ook voor ons...
24maar ook voor ons, want ook wij zullen als rechtvaardigen worden aangenomen omdat we geloven in hem die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt

- omdat we geloven – vgl. een daad van gerechtigheid 3.22;

- uit de dood – vgl. 1Kor 1512 Gl 11 2Tm 28;

maar (het is) ook (geschreven) voor ons, wie hij het zal aanrekenen, die vertrouwen op hem die Jezus, onze Heer, uit (de) doden heeft opgewekt.


25omwille van onze rechtvaardiging

om onze vrijspraak.
4:1-25

1Wat moeten wij nu zeggen over onze stamvader Abraham? Wat heeft hij aan den lijve ondervonden?

2Want als Abraham om wat hij dééd werd vrijgesproken, dan had hij een punt. Maar niet bij God, 3want wat zegt de Schrift? 'Abraham vertrouwde op God en dat werd hem aangerekend als vrijspraak.

4Als je ergens voor wèrkt, dan is je loon geen geschènk, maar dan verdíen je het. 5Maar als je er níets voor doet – je vertrouwt alleen maar op hem die de schuldige vrijspreekt – dan geldt jouw vertrouwen als vrijspraak.

6Zo feliciteert ook David de mens die God vrijspraak schenkt waar hij niets voor gedaan heeft: 7‘Gelukkig zijn de mensen aan wie onrecht is vergeven, van wie zonden zijn bedekt; 8gelukkig is de mens wiens zonden de Heer niet aanrekent.

9Slaat deze felicitatie op een besneden of een onbesneden mens? We zeggen immers: zijn vertrouwen werd Abraham aangerekend als vrijspraak.10Maar wanneer gebeurde dat? Toen hij al besneden was of daarvoor? Het laatste, toen hij dus nog niet besneden was.

11Ook kreeg hij het teken van de besnijdenis – het zegel van de vrijspraak, dat hij als onbesnedene op God vertrouwde. Zo werd hij vader van alle onbesnedenen die op God vertrouwen:ook hun wordt de vrijspraak aangerekend.

12Èn hij werd vader van hen die niet alleen besneden zijn, maar die ook de voetstappen drukken van onze voorvader Abraham, die als onbesnedene op God vertrouwde.

13Immers niet door een wet kregen Abraham en de zijnen de belofte dat ze de wereld in bezit zouden krijgen. Maar (hij kreeg die belofte) door Gòds vrijspraak na zíjn vertrouwen. 14Want als je op grond van een wet erfgenaam bent, heb je het vertrouwen uitgehold en is de belofte uitgewerkt. 15Wet bewerkt namelijk straf.

16Daarom: 'uit vertrouwen', en dus: 'als geschenk' – zó blijft de belofte vast en zeker voor heel het nageslacht. Niet alleen voor wie de wet heeft, maar ook voor wie op God vertrouwt zoals Abraham, die de vader van ons allen is. 17 Er staat immers geschreven: ‘Ik heb je een vader van vele volken gemaakt.’ En hij is dit ten overstaan van God, op wie hij vertrouwde, die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat.

18Hoewel het eigenlijk niet kon, bleef Abraham hopen en vertrouwen dat hij vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd.

19En zijn vertrouwen verslapte niet toen hij, ongeveer honderd jaar oud, besefte dat zijn eigen lichaam zo goed als dood was en de moeder in Sara ook.

20Hij betwijfelde en wantrouwde Gods belofte niet; zijn vertrouwen verloor hij niet, integendeel, hij werd erin gesterkt en bewees zo eer aan God.

21Hij was ervan overtuigd dat God bij machte was te doen wat hij had beloofd, 22daarom werd het hem ook aangerekend als vrijspaak.

23Maar niet alleen voor hem is geschreven: 'Het werd hem aangerekend als vrijspraak', 24maar ook voor ons: ons zal hij het aanrekenen, die vertrouwen op hem die Jezus, onze Heer, uit doden heeft opgewekt:

25hij die werd prijsgegeven om onze zonden en werd opgewekt om onze vrijspraak.

  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina