Ronse, koningin van de vlaamse ardennen haar geschiedenis en haar textielnijverheid



Dovnload 35.53 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte35.53 Kb.
RONSE, KONINGIN VAN DE VLAAMSE ARDENNEN
HAAR GESCHIEDENIS EN HAAR TEXTIELNIJVERHEID


  1. Algemeen

Ronse is een stad met ruim 24.000 inwoners in de provincie Oost-Vlaanderen. Het ligt aan de taalgrens en is een faciliteitengemeente (taalfaciliteiten voor de Franstaligen) behorende tot het arrondissement Oudenaarde. De oppervlakte is 34,48 km2.

De stad is gelegen in zandlemig Vlaanderen en behoort tot de regio van de Vlaamse Ardennen.


  1. Belangrijkste bezienswaardigheden en evenementen




  • Laat-gotische Sint-Hermeskerk (15e - 16e eeuw) : driebeukige kruiskerk met hoge westtoren gebouwd op een romaanse crypte (11e eeuw)

  • Laat-gotische Sint-Martinuskerk (11e eeuw) met vroeg-gotische toren

  • De Hoge Mote : restant van de middeleeuwse stadsversterking (huidig aanzicht dateerd uit 17e eeuw). Hier zijn het Museum voor Folklore en het Textielmuseum te bezichtigen.

  • Park de l’ Arbre de Malander : park met zonnewijzer en panoramisch zicht op de stad (tot over de taalgrens).

  • Stadhuis : waarschijnlijk daterend uit de 17e eeuw.

  • Stationsgebouw : oudste station van het Europese vasteland (gerenoveerd in 1989 en 2001). Vroeger station op het Zand in Brugge (1841).

  • Talrijke art-deco huizen

  • Villa Carpentier : ontworpen door Victor Horta.

  • Muziekbos en het Bois Joly : een must voor de natuurliefhebber.

  • Standbeeld van de ‘Ronsese Zot’ door beeldhouwer Florent De Vos (1959), de ‘Zottenmuur’ een ontwerp van Jacques Vandewattijne (1932) en het Standbeeld van Ephrem Delmotte de stichter en bezieler van de ‘Bommelfeesten’ en stadsbeiaardier.

  • Zotte Maandag en de Bommels : eerste weekend na Driekoningen.

  • Fiertel : 32,6 km lange ommegang met het schrijn van Sint-Hermes, patroonheilige van de stad op Drievuldigheidszondag (zondag na Pinksteren).




  1. Geschiedenis van de stad

Ronse werd reeds zeer vroeg bewoond en de eerste menselijke sporen dateren van de prehistorie. In de noordelijke heuvels werden heelwat archeologische vondsten uit het laat-Paleolithicum gedaan (o.a. speer- en pijlpunten).

Een echte Romeinse nederzetting werd tot op heden nog niet teruggevonden maar wel werden enkele afzonderlijke vondsten gedaan zoals een mijlpaal en een bas-relief met dansende bacchante. Ook werden er in het begin van de 19e eeuw Romeinse munten gevonden op de Muziekberg en in het Bois Joly.
Nadat tijdens de ‘donkere’ middeleeuwen de Romeinse infrastructuur volledig in verval is geraakt komt er met de Merovingen en hun evangelisering een religieuze kern te Ronse. Hier begint trouwens de echte geschiedenis van de stad.

De eerste nederzetting in Ronse dateert ca. 650 aan het Kaatsspelplein (aan de Sint-Hermeskerk). De heilige Amandus zou er, met de steun van de Merovingische vorst Dagobert I, een cella hebben gesticht gewijd aan de heiligen Petrus en Paulus.

In het midden van de jaren 1980 werden er immers bij opgravingen in de nabijheid van de Sint-Hermeskerk sporen van Merovingische aanwezigheid aangetroffen.
Na de laatste Merovingische vorsten kwamen de hofmeiers ten tonele die een systeem van erfelijk leengoed toepasten. De stichting van Ronse wordt vernoemd naar aanleiding van een onderlinge strijd tussen twee van deze hofmeiers, Karel Martel en Ragenfrid.

Ragenfrid genoot de steun van Celestinus (abt van de Sint-Pietersabdij te Gent). Zij werden echter verslagen tijdens de slag bij Soissons (719). De abt werd verbannen naar Ronse waar hij korte tijd later overleed, de monikken van de abdij werden verjaagd en hun bezittingen werden verbeurd verklaard.


Onder de Karolingische vorsten evolueert het Ronsische monasterium verder gedurende gans de 9e eeuw. Karel de Grote, die het beschikkingsrecht over Ronse had, schonk het monasterium als financiële en materiële ondersteuning aan Heridag, de eerste bisschop van het bisdom Hamburg.

Na diens dood komt Ronse opnieuw onder keizerlijk bestuur (Lodewijk de Vrome, zoon en opvolger van Karel de Grote).


Zo ontstaat in 821 het Tenement van Inde, dat bijna vijfhonderd jaar zal blijven bestaan. In de nabijheid van de rivier de Inde wordt een benidictijnenabdij gesticht te Kornelimünster. Dit tenement omvat een twintigtal gemeenten die langs beide kanten van de huidige taalgrens gelegen zijn. Ze werden vanuit Ronse beheerd en behoorden ter ondersteuning van de abdij van Inde. Een deel van de inkomsten van het tenement ging naar Korlimünster. Deze inkomsten werden steeds minder belangrijk, zodat het tenement tenslotte in 1280 verkocht werd aan de graaf van Vlaanderen Gwijde van Dampierre.

Het tenement werd ter plaatse bestuurd volgens het feodale model met een wereldlijke voogd en een ondervoogd. De voogd was de heer van Pamele bij Oudenaarde, de ondervoogd (die het dichtst bij de lokale bevolking stond) de heer van Wattripont.


Eén van de mijlpalen in de geschiedenis van Ronse is de aankomst van de relieken van de heilige Hermes in 860. De resten van deze helige werden in een catacombe aan de via Sallaria bij Rome aangetroffen. Keizer Lotharius zou deze hebben toegezegd aan Ronse. Het was echter zijn opvolger Lodewijk II die, na een gunstig advies van de abt van Inde, ze liet huisvesten in Ronse.

Lange tijd zouden ze er niet verblijven. In 880 zouden de monniken ermee vluchten naar de abdij van Inde, daarna naar het nabijgelegen Keulen. De toestand was immers in het gebied zeer onstabiel geworden door de invallen van de Noormannen. In het voorjaar van 880 zakten deze plunderaars van Gent naar Doornik af via de Schelde.


In 940 komen de relieken van de heilige terug naar Ronse. Tijdens deze periode ontstaan ook de Vrijheid en het kapittel.

De Vrijheid, een soort enclave midden in het centrum, zou opgericht zijn door keizer Otto I de Grote. Zij zou tot op het einde van het ancien régime blijven bestaan.

Deze enclave werd rechtstreeks bestuurd door het kapittel en de rechtspraak werd er uitgeoefend door een eigen baljuw.

Omstreeks 1085 wordt er gestart met de bouw van een nieuwe kerk. In 1089 wordt de romaanse Sint-Hermescrypte ingewijd en in 1129 de afgewerkte bovenkerk.

Enkele decennia voordien was men reeds gestart met de bouw van de kleine Sint-Pieterskerk en ca. 1050 de eerste Sint-Martinuskerk.

Het is ook in deze periode dat de kanunniken starten met muziekonderwijs, welke haar hoogtepunt zou kennen tijdens de 15e en de 16e eeuw.


4. Urbanisatie en infrastructuur tijdens de middeleeuwen.
Ronse werd in het noorden afgebakend door een gordel van moten langs de Molenbeek. De oorsprong van de mote gaat terug naar de 9e eeuw en zij heeft een militaire en strategische functie.

Het is een kunstmatig aangelegde aarden heuvel, omringd door water, met in het midden een in hout vervaardigde woontoren. Dit was de woonst van de heer.

In geval van onraad konden de omwonenden zich terugtrekken in deze mote.

Met de evolutie van de krijgskunst verdwijnt echter het defensieve karakter ervan en blijft zij zo enkel bestaan als statussymbool en woonst van de sociale bovenklasse.

De houten toren wordt vervangen door een stenen donjon, daarna door een burcht en nog later door een hof de plaisance.

Sommige van deze moten zijn gesloopt geworden tijdens de herovering van Ronse op de hervormingsgezinden tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Tot op heden is er slechts een bewaard gebleven, de Hoge Mote.
In het zuiden werd de verdediging van de stad gevormd door vesten. Dit waren grachten waarvan de opgegraven aarde een wal vormde met daar bovenop een houten palissade.

De straatnaam ‘Oude Vesten’ verwijst hier nog naar.


De uitvalswegen, hierna vernoemd, beschikten over poorten (eigenlijk slagbomen) waarbij men tolgeld moest betalen om met goederen de stad in te komen.


  • Steenbrugge (huidige Delhayeplein) → richting noorden naar Oudenaarde en richting westen naar Kwaremont-Berchem.

  • Biezenstraat → richting oosten naar Brakel-Ninove-Brussel.

  • Elzelestraat → richting zuiden naar Elzele.

  • Hoogstraat → richting westen naar Doornik.

Ronse was dus duidelijk een ‘open stad’. Veldslagen werden nooit in of rond de stad uitgevochten. De stad heeft echter heel veel te lijden gehad van verscheidene dramatische gebeurtenissen. Hier een chronologisch overzicht :




  • 1298 : Ronse wordt geplunderd en platgebrand ten gevolge van de machtsstrijd tussen de Dampierres en de Avesnes.

  • 1383 : tijdens de opstand van Filips van Artevelde tegen de Graaf van Vlaanderen wordt de stad geplunderd door de Gentenaars.

  • 1384 : Ronse wordt opnieuw opgeschrikt door een conflict tussen Vlaanderen en Henegouwen.

  • 1424 : de stad wordt gedurende de Honderdjarige Oorlog door Engelse huurlingen in brand gestoken (waaronder de Sint-Hermeskerk).

  • 1453 : de Bruggeling Lodewijck van Gruuthuuse, aanvoerder van het hertogelijke leger en heer van Berchem trekt zijn legers samen in Ronse.

  • 1566 : beeldenstorm in Ronse. De stad wordt tot twee keer toe geplunderd door Waalse hervormden. Een groot deel van de sociale bovenklasse, die het protestantisme genegen waren, vertrekken naar de omringende gelijkgezinde landen (Duitsland, Engeland en de Noordelijke Nederlanden).

  • 1635 : uitbreken van de builenpest in de stad. Ronse wordt massaal ontvlucht. De kapel voor Onze Lieve Vrouw van Wittentak wordt gebouwd uit dankbaarheid voor het einde van deze epidemie (1639).

  • 1668 : Ronse wordt gedurende twintig jaar bezet door Franse en Spaanse troepen. Heelwat deserteurs verbergen zich in de bosrijke gebieden rond Ronse. Zij vormen dievenbendes, de zogenaamde Egyptenaren of ‘gypsies’. Het probleem wordt slechts in 1733 definitief opgelost door de terechtstelling van een aantal van deze personen.

  • 1792-93 : opnieuw Franse bezetting door spanningen tussen zij die het Oostenrijks bewind steunen en Fransgezinden.

  • 1793-95 : het Engelse leger onder aanvoering van de hertog van York kampeert net buiten de stad (de hertog zelf verblijft in de Hoge Mote).

Naast al deze kommer en kwel heeft de stad ook heelwat te lijden gehad van verschillende branden. Naast de reeds aangehaalde brand in 1424 wordt Ronse hier nog mee geconfronteerd in:




  • 1513 en 1553 : de stad krijgt van keizer Karel V een belastingsvrijstelling voor de duur van acht jaar.

  • 1559 : catastrofale brand die het ganse centrum, op een paar huizen na, in de as legt. Ronse krijgt nu van koning Filips II een belastingsvrijstelling van twintig jaar.

  • 1719 : zwaarste brand in de geschiedenis van Ronse, waarbij 330 huizen vernield worden met een tiental doden. Opnieuw verkrijgt Ronse een belastingsvrijstelling, dit keer voor acht jaar. Het grootste probleem vormt de onveilige toestand van de bouwwerken. Immers het voornaamste materiaal ervan bestaat uit hout met een dak uit stro.

Het stadsbestuur voert hierbij een reglement uit waarbij het de bouwheer verboden wordt om nog constructies op te zetten in hout en stro.

Het moet niet gezegd worden dat door al deze verwoestingen een groot deel van het archiefmateriaal verloren is gegaan.


5. Textielnijverheid in Ronse
De traditie van de Ronsische textielnijverheid gaat terug tot in de middeleeuwen met de ontwikkeling van de wolindustrie. Door toedoen van grote Engelse concurrentie wordt de wol in gans Vlaanderen vanaf de 15e eeuw geleidelijk aan vervangen door vlas. In Ronse wordt de wolnijverheid echter verder gezet waar een soort grof ruw linnen en lijngewaad geproduceerd wordt. Deze stof staat tot ver buiten de grenzen bekend als ‘Ronsschen twijn’ of ‘saquin’. Dit massaprodukt zorgt ervoor dat Ronse economisch overeind bleef in de woelige periode van de godsdienstoorlogen.

Zo ontstaat in 1803, in de leegstaande kelders van het kasteel van Nassau, de eerste textielfabriek met 180 getouwen. Vanaf 1806 zijn in Ronse de eerste sporen van gemechaniseerde draadproduktie waar te nemen.

Door enerzijds het wegvallen van de export naar Frankrijk (val van Napoleon) en anderzijds de import van Engelse katoenprodukten (beter van kwaliteit en goedkoper) is er in 1816 geen spoor meer te bekennen van de vroegere katoenweverijen en –spinnerijen. De lokale textielindustrie zakt hierdoor weg in een diepe crisis.

Mede hierdoor stijgt de produktie van de vlasnijverheid en Ronse wordt de derde grootste producent in Oost-Vlaanderen van lijngewaad.

Door het protectionisme van andere Europese staten volgt de catastrofale periode 1830-1850 in gans Vlaanderen.

Komt daarbij nog eens de mislukte oogst van 1845-46, waardoor meer dan de helft van de Ronsische bevolking overgeleverd wordt aan openbare steun.

Enkele opmerkelijke feiten gaan echter voor een gelukkige ommekeer zorgen vanaf de jaren 1850 :


  • vestiging van de eerste gemechaniseerde weverijen en spinnerijen in de stad met als belangrijk feit fabrikanten uit Ronse zelf.

  • invoering van het putting-out systeem, waardoor een aantal werkkrachten in de stad zorgen voor de voorbereidende werkzaamheden zoals bobijnen, scheren en spoelen.

  • aanleg van de spoorlijn Gent-Blaton via Leuze.

  • inrichting van een nijverheidsschool (1869) die voor een continue reserve aan werkkrachten zorgt.

In de late negentiende eeuw zal Ronse zich, als gevolg van een crisis in de aanvoer van grondstoffen, specialiseren in het maken van gemengde stoffen en fantasieweefsels. De handgetouwen konden deze gemengde grondstoffen veel beter verwerken dan de gemechaniseerde getouwen.

Ronse zou sindsdien gespecialiseerd blijven in deze sector en zette een aantal personen aan tot investeren.

Vanaf 1890 komt de industriële ontwikkeling in een stroomversnelling terecht. Naast de eigenlijke weverijen ontstaan apprêthuizen, ververijen en confectiehuizen.

Ronse blijft zich, door de aanhoudende concurrentie van onder meer Gent, toespitsen op fantasieweefsel of gemengde stoffen. Hierdoor kunnen ook grote prijsschommelingen van de grondstoffen beter opgevangen worden.

Een typisch kenmerk van de Ronsische textielnijverheid is de combinatie van thuisarbeid en fabrieksarbeid. Dit had enkele voordelen : het werk in de fabriek rendeerde meer, zodat de prijzen globaal gedrukt konden worden. De huisarbeid bood daarentegen een permanente reserve aan werkkrachten, die bij wisselende conjunctuur makkelijk kon worden ingeschakeld en verminderd worden.

De huisarbeiders werkten aan een lager loon en beschikten over hun eigen weefgetouw, waardoor de fabrikant enkel moest investeren in grondstoffen.

De ondernemerszin kende een ongekend hoogtepunt bij de oprichting van de Handelskamer in 1898.

De Ronsenaars zagen het groots. Er waren zelfs plannen, maar daar bleef het ook bij, voor de aanleg van een kanaal.

Ondertussen groeide wel de kloof tussen de textielbaronnen en het proletariaat.

Het is dan ook in deze periode (1891) dat de Belgische Werkliedenpartij (voorloper van de Socialistische Partij) werd opgericht. Drie jaar later het Werkmanshuis Sint-Ambrosius van de Katholieke Partij. In 1907 zou deze laatste overgaan in de Christen Volksbond, een christelijke arbeiderspartij met Vlaamse idealen.

Deze zorgden uiteindelijk voor betere werkomstandigheden.

Ronse zou in deze periode uitgroeien tot het tweede textielcentrum in Vlaanderen.

In 1939 telde men er 536 bedrijven, waarvan er 359 met minder dan 10 arbeidskrachten werkten.

De oorzaken van de achteruitgang en verval van de Ronsische textielnijverheid zijn complex, en zowel van interne als van externe aard :


  • een belangrijk deel van de produktie werd uitgevoerd naar het Midden-Oosten, Latijns-Amerika en Engeland. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vielen de eerste twee afzetmarkten weg.

  • factoren als de lokale situatie (mono-industrie), familiebedrijven, kleinschaligheid, zelffinanciering en het geografisch isolement deelden intens mee aan de verloedering.

  • in de jaren 1950-60 was de fut er volledig uit. In veel gevallen was het de derde generatie die het bedrijf leidde. Er werd weinig of niet meer geïnvesteerd in het machinepark en deze generatie koos dikwijls voor een loopbaan in andere sectoren.

Ondanks al deze negatieve elementen is Ronse nog steeds actief in de textielnijverheid. De sector is met een aandeel van meer dan 25% nog steeds een voorname economische factor. Ongeveer één werknemer op twee heeft nog een baan die rechtstreeks of zijdelings in verband staat met textiel.


De spectaculaire bloei van deze textielindustrie trok vanaf 1880 heel wat mensen aan van het platteland naar de stad. Heelwat gebouwen weerspiegelen nog steeds de welvaart die deze periode met zich meebracht. Naast deze imposante burgerwoningen vindt men ook de meest bescheiden arbeidershuisjes, -steegjes en –koertjes. Zo kan men zich de wel erg schrijnende levensomstandigheden van de arbeidersklasse voor de geest halen.
6. Proces Vindevogel
Leo Vindevogel (Petegem-aan-de-Schelde 1888 – Gent 1945) was van 1941 tot 1944 burgemeester van de stad Ronse. Hij is gans zijn leven actief geweest in Ronse (o.a. als onderwijzer) en omstreken. Hij was de spreekbuis van de Christen Volksbond en vormde in 1926 de Katholieke Vlaamse Volkspartij.

Mede door zijn oorlogservaringen in WO I (waar hij trouwens als vrijwilliger het oorlogskruis kreeg) werd hij flamingant.

Toen de socialistische burgemeester van Ronse, tijdens het uitbreken van WO II de stad ontvluchte aanvaarde Vindevogel het burgemeesterschap. Hij benoemde vooral Duitsgezinde functionarissen en werkte gedwee mee met de Duitse overheid (o.a. opmaken van lijsten voor een verplichte burgerwacht en versturen van uitnodigingen voor de arbeidsdienst in Duitsland).

Na de oorlog weigerde hij te vluchten omdat hij meende eerbaar gehandeld te hebben. Hij werd echter door de krijgsraad veroordeeld tot levenslange hechtenis en in beroep zelfs tot de doodstraf. Zijn genadeverzoek werd niet ingewilligd en hij werd op 25 september 1945 geëxecuteerd.

Daarmee was Vindevogel de enige Belgische volksvertegenwoordiger die na de bevrijding effectief ter dood is gebracht.

Velen beschouwen de executie als een afrekening. De Frans-Vlaamse tegenstellingen in de taalgrensgemeente Ronse (francofiele “textielbaronnen” versus Vlaamse arbeiders)


Wat we wel moeten toegeven is dat dankzij de persoon Leo Vindevogel en zijn organisatie Ronse geleidelijk aan een Vlaamse stad geworden en gebleven is.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina