Rusland, in het Russisch Rossija



Dovnload 185.03 Kb.
Pagina1/3
Datum17.08.2016
Grootte185.03 Kb.
  1   2   3

Rusland.


Rusland, in het Russisch Rossija.
Benaming voor het Russische tsarenrijk tot dit door de revolutie van 1917 werd getransformeerd tot de Sovjet-Unie; de benaming Rusland wordt ook gebruikt voor de Russische Federatie.
Geschiedenis.

Na de Grote Volksverhuizing was het kerngebied van het latere Russische Rijk, dat zich van de Finse Golf tot in de Zuid-Russische steppe en van de Boeg tot aan de Oka uitstrekte, door Slavische volken bewoond.

De meeste waren tribuutplichtig aan het halfnomadische rijk van de Chazaren, dat de karavaanwegen tussen Europa en Azië controleerde.

Sinds de 6e eeuw drongen Scandinavische krijgers, de Varjagen (uit Vaeringar) met hun boten vanuit de Oostzee het land binnen en maakten zich op den duur meester van versterkte plaatsen en steden.

In de 9e eeuw hebben de Varjagen de voornaamste twee centra, Novgorod en Kiëv, onderworpen en tot bases van hun machtsvorming gemaakt, in Novgorod ca. 860 door de legendarische aanvoerder Rurik.
Het Rijk van Kiëv. Van circa 880 tot 1240.

De werkelijke stichter van de Russische staat was Oleg, Ruriks opvolger te Novgorod, die circa 880 Kiëv veroverde.

Onder zijn opvolgers nam de Varjagische heerschappij over het uitgestrekte rijk ondanks tijdelijke tegenslagen vastere vormen aan, waarbij de van oorsprong Scandinavische bovenlaag van gevolgslieden-krijgers door de Slavische bevolking snel werd geassimileerd.

Voor de opbouw van de Russische staat was voorts van groot belang dat de verering van tribale godheden van de Slaven plaats maakte voor een uniforme staatseredienst.

Vladimir de Heilige, van 980 tot 1015, die aanvankelijk getracht had de cultus van de dondergod Peroen door te zetten, sloot in 988 een huwelijk met de Byzantijnse keizersdochter Anna, dat de overgang tot het orthodoxe christendom bezegelde.

De kerstening bracht Rusland in de kring van de Byzantijnse beschaving en deed het, althans na 1054, van de westerse en de Scandinavische wereld vervreemden.

De regering van Vladimirs zoon Jaroslav de Wijze (1019-1054) betekende het hoogtepunt van het rijk van Kiëv-Roes, dat tot de rijkste en machtigste in de christenheid behoorde.

In de tweede helft van de 11de eeuw was een neergang te zien.

De winstgevende karavaan en zeehandel werd verstoord door regelmatig terugkerende invallen van de steppenomaden.

Het Slavische stelsel van erfopvolging (senioraat) leidde tot een versnippering van het rijk onder de afzonderlijke vorstenzonen, die als deelvorsten hun eigen machtsbereik onafhankelijk van de centrale macht van de grootvorst van Kiëv maakten en hun gebied weer verder onder hun mannelijke nakomelingen verdeelden.



Het meest westelijk gelegen deelvorstendom Galicië, dat het sterkst de westerse invloeden onderging, ontwikkelde zich tot een half feodale staat, waarin de vorst zijn macht met de magnatenadel (de bojaren) moest delen.

Novgorod, in het noorden, werd een welvarende stadsrepubliek, waar de burgerij in haar vergaderingen (vetsje) het beleid bepaalde, terwijl de gekozen vorst slechts militaire bevoegdheden behield.

Geheel anders was de toestand aan de Volga en de Oka, in het deelvorstendom Vladimir-Soezdal.

Door een gestadige toevloed van vluchtelingen uit het bedreigde zuiden, die zich hier vestigden, nam het sterk in betekenis toe, doch het weinig vruchtbare land met zijn barre klimaat bood hun slechts beperkte mogelijkheden.

Het verzwakte en verdeelde Rusland bleek in de 13e eeuw niet meer in staat zijn belagers van west en oost het hoofd te bieden.

Zweden, dat Finland onderwierp, en de Duitse Orde, die de Oostzee gewesten veroverde, bedreigden het aan de noord-westkant, terwijl de Litouwers Zwart-Rusland, Polotsk en andere deelvorstendommen inpalmden.

Onder Batoe Chan vielen de Mongolen in 1237 vanuit het oosten Rusland binnen.

Met uitzondering van Novgorod werden binnen enkele jaren alle grote Russische centra veroverd en verwoest.

In december 1240 werd Kiëv bestormd, uitgemoord en platgebrand, een ramp waarvan het zich pas na eeuwen zou herstellen.
De tijd van de Mongoolse en Tataarse overheersing. Van 1240 tot 1480.
Daniël van Galicië.

De laatste grootvorst van Kiëv, had aanvankelijk met westerse hulp getracht de Aziaten het hoofd te bieden, doch Batoe Chan, die het stepperijk van de Gouden Horde had gesticht, bleek sterker te zijn.

Na een nieuwe inval in 1259 moest Galicië een zwaar tribuut gaan betalen en zag het van verder verzet af.

Fortuinlijker op den duur waren de Litouwers, die geleidelijk alle Russische vorstendommen in het bassin van de Dnepr onder hun gezag wisten te brengen en in 1362 bij Sinyje Vody de Gouden Horde een beslissende nederlaag toebrachten.

Het langst en zwaarst hadden de Oost-Russische vorstendommen van de Tataren te lijden.

Hun heersers werden zetbazen van de Gouden Horde, die de bevolking zware lasten oplegde en elke poging tot verzet op wrede wijze afstrafte.

Alexander Nevski, die in zijn jonge jaren als vorst van Novgorod de Zweden en de Duitsers verslagen had, moest zich als grootvorst van Vladimir (1252-1263) de pijnlijkste vernederingen laten welgevallen.

Na zijn dood werd het land onder zijn zoons verdeeld; de jongste van hen, Daniël, werd deelvorst van Moskou.



Door een bedachtzaam beleid slaagde reeds Daniël, gestorven in 130, erin zijn bezit te verdubbelen en zijn opvolgers maakten van Moskou de kern van een nieuwe Russische staat.

De verwerving van de grootvorstelijke waardigheid en van het recht het Tatarentribuut in alle Russische landen te innen, gaven de heersers van Moskou een voorsprong op hun mededingers.

Voorts profiteerden zij van de omstandigheid dat de metropolieten van Kiëv sinds 1320 te Moskou zetelden.
Het Moskovische rijk. Van 1480 tot 1613.

Op de door zijn voorgangers gelegde grondslag bouwde nu Ivan 3de die leefde van 1462 tot 1505, een groot Russische eenheidsstaat.

Hij lijfde de laatste deelvorstendommen, zoals Tver en Rjazan, in en veroverde Novgorod met zijn uitgestrekte onderhorigheden.

In 1480 maakte hij zijn rijk voorgoed van de Tataren onafhankelijk.

De val van het Byzantijnse Rijk in 1453 en het tweede huwelijk van Ivan 3de met Sofia Palaeologus, nicht van de laatste Byzantijnse keizer, bevorderde de opvatting dat de Russische grootvorst de opvolger was van de Byzantijnse keizer als wereldlijk hoofd van alle orthodoxe gelovigen.

Moskou werd het “derde Rome” genoemd.

Byzantijns hofceremonieel deed zijn intree in het Kremlin.

De titel tsaar (afgeleid van Caesar), incidenteel reeds voor Ivan 3de in gebruik, werd officieel bij de troonsbestijging van Ivan 4de.

De vestiging van de autocratie in het Moskovische Rijk ging ten koste van de positie van de bojaren.

Dit leidde tot ernstige conflicten, ook onder Ivan 3de 's opvolger, Vasili 3de, en tot een dramatische strijd onder diens opvolger, Ivan 4de de Verschrikkelijke, die leefde van 1533 tot 1584.

De instelling van de opritsjnina was direct tegen de bojaren gericht en met behulp van de opritsjniki oefende Ivan jarenlang een verschrikkelijke terreur uit tegen de bojaren.

De eerste jaren na zijn kroning tot tsaar in 1547, waren echter betrekkelijk rustig en succesrijk, de chanaten Kazan en Astrakan werden veroverd.

Ook in westelijke richting streefde Ivan 4de naar expansie, maar de oorlog ter verovering van Lijfland, die in 1558 begon, bracht Polen en Zweden tegen Moskou in de strijd, een oorlog die na 24 jaar in een nederlaag voor Ivan eindigde.

De toestand van de boeren werd in de 16de eeuw juridisch en materieel slechter.

Het recht tot vruchtgebruik van de grond, dat de boer tot de 16de eeuw nagenoeg onverkort bezat, werd geleidelijk aan beknot ten gunste van de landheren.

De boeren trokken in groten getale naar de grensgebieden in de Zuid-Russische steppen en aan de Volga, waar zij als kozakken een halfnomadisch leven leidden.

Zij kozen hun aanvoerders, atamannen of hetmannen, zelf; het bureaucratisch gezag van de tsaar was niet over hen gevestigd.

Uit hun gelederen kwam voort de kozak Jermak, die in dienst van de Stroganovs een begin maakte met de verovering van Siberië.

Tijdens de regering van Ivan 4de begon een geregelde handel op Rusland door Engelse en later ook door Nederlandse kooplui.


Ivan 4de werd opgevolgd door zijn zwakke zoon Fjodor, die leefde van 1584 tot 1598, tijdens wiens regering de macht in handen kwam van Boris Godoenov.

Deze toonde zich reeds als regent een bekwame en krachtige figuur, die in een korte oorlog met Zweden het verloren gebied aan de Oostzee herwon.

Belangrijk was verder de verheffing van de metropoliet van Moskou tot patriarch (1589).

Na de dood van Fjodor werd Boris tot opvolger gekozen.

In de tijd der troebelen (1604-1613) traden na elkaar op en speelden door elkaar heen dynastieke strijd, bojarenverzet, sociaalrevolutionaire beweging van onderaf en ten slotte vreemde invloeden.

In 1604 begon in feite een burgeroorlog door het optreden van de troonpretendent, de “valse Dimitri”, die vanuit Polen een inval deed en zich op Moskovisch gebied wist te handhaven.

Na de plotselinge dood van Boris Godoenov (1605) maakte hij zich meester van de troon, doch werd door de bojaren vermoord.

De oproerige bevolkingselementen werden echter weldra weer verzameld door een nieuwe volksleider, die zich ook Dimitri noemde (valse Dimitri 2de).

Van de verwarring profiteerden Zweden en Polen: een deel van de Russen heeft zelfs de zoon van koning Sigismund van Polen, Wladislaw, tot tsaar gekroond.

Zijn regering had echter geen gezag.

Na de moord op valse Dimitri 2de, in 1610, bleven zijn benden rondzwerven.

Rusland onder het Huis Romanov. Van 1613 tot 1917.

Aan een oproep van de geestelijkheid om het vaderland te redden gaven talrijke steden

(het eerst Nizjnij Novgorod) gehoor, en ook vele edelen.

Er werd een voorlopig bewind gevormd.

Een landsvergadering (zemski sobor) werd bijeengeroepen en koos Michael, de zoon van Fjodor Romanov, tot tsaar, in 1613.

Na enige tijd was de oude orde in het binnenland weer hersteld.

Onder Michaels opvolger, tsaar Aleksej (1645-1676), brak in 1648 tegen het corrupte bestuur van diens voogd en gunsteling Morozov een oproer uit, dat de aanleiding werd tot een hervorming in de wetgeving.

Goedgekeurd door de landsvergadering, kwam in 1649 de Oelozienië tot stand, een wetboek, dat tot 1833 gegolden heeft.

In het algemeen bonden de bepalingen ervan de mensen, speciaal de lijfeigenen, verder aan hun meesters en aan de dienst aan de staat.

Een bron van onrust was de zgn. raskol, een scheuring in de kerk.

De raskolniki, die niet konden meegaan met de hervormingen van patriarch Nikon, sloten zich later dikwijls bij de sociaal ontevredenen aan.

Een opstand van de Dnepr-kozakken onder Chmelnitski leidde tot een Russisch-Poolse Oorlog van 1654 tot 1667.

Bij het Bestand van Androesjovo verwierf Rusland Smolensk en de Oekraïne ten oosten van de Dnepr, benevens Kiëv.
Peter de Grote.

Een belangrijk keerpunt in de Russische geschiedenis vormt de regering van Peter de Grote, van 1689 tot 1725.

Hij streefde naar een politiek van europeanisatie (vooral militair, maritiem en technisch), waardoor Rusland in staat was als grote mogendheid op te treden, met name tegen Zweden.

De strijd tegen Karel 7de van Zweden, de zgn. Grote Noordse Oorlog, vult verder voor een belangrijk deel Peters regering.

In 1721 verwierf Rusland bij de Vrede van Nystad een groot stuk Oostzeekust en nam daarmee Zwedens rol van grote mogendheid aan de Oostzee over.

In zijn binnenlandse politiek bracht Peter geen diepgaande maatschappelijke hervormingen teweeg, maar hij versterkte de autocratie en de dienstbaarheid van alle onderdanen aan de staat, terwijl ook, tegen Peters bedoeling in, het lot van de boeren werd verzwaard.

Hij moderniseerde het bestuursapparaat en bracht de kerk volkomen onder staatsgezag.

Symbolisch voor de westerse gerichtheid was dat Peter het door hem gestichte Sint-Petersburg tot hoofdstad maakte in plaats van het oude Moskou.

Hij verminderde de macht van de strelitzen en bestrafte hun verzet met een volledige opheffing (1698).

Peter heeft bereikt dat Rusland voortaan als grote mogendheid in Oost-Europa kon optreden, terwijl binnenslands Europese zeden en denkbeelden tot de hogere klassen in veel sterkere mate dan vroeger begonnen door te dringen.


Catharina 2de .

De eigenlijke voortzetster van zijn politiek is Catharina 2de, na 1762.

Daartussenin ligt een periode van terugslag, niet in de zin van een oud Moskovische reactie, maar als een tijd van hof intriges, paleisrevoluties en gunstelingenheerschappij.

In deze periode werd de werkelijke regering door gunstelingen als Biron en adviseurs als Ostermann, Münnich, Sjoevalov en Bestoezjev-Rjoemin uitgeoefend.

Catharina 2e, van 1762 tot 1796, heeft de westerse, vooral de Franse, beschaving sterk onder de Russische aristocratie verbreid.

De positie van de adel, in de voorafgaande periode van onzeker bestuur door allerlei privileges aanzienlijk versterkt, werd bevestigd door de Genadeoorkonde (1785), waarbij hun verder een grote mate van zelfbestuur werd toegestaan.

De situatie van de lijfeigenen bereikte een dieptepunt, waarin de positie van de boeren niet zoveel meer van slavernij verschilde.

Talrijke ontevreden sociale en nationale elementen werden verenigd in de grote boerenopstanden van Poegatsjov, van 1773 tot 1775, terwijl ook in hogere kringen zich een maatschappijkritische geest begon te manifesteren, met name in het werk van Novikov en Radisjtsjev.

Naar buiten behaalde de regering van Catharina grote successen.

In een tweetal oorlogen met Turkije (1768-1774 en 1787-1792) werd de Zwarte-Zeekust tot aan de Dnestr veroverd en daarbij het chanaat van de Krim onderworpen.

Door de drie Poolse delingen verwierf Rusland aanzienlijke gebiedswinst in westelijke richting.

Ten slotte lijfde Catharina nog Koerland in (1795).

Haar zoon en opvolger, Paul (1796-1801) sloot vriendschap met de in 1799 in Frankrijk aan de macht gekomen Napoleon, in wie hij de temmer van de revolutie zag.
De 19de en begin 20ste eeuw.

In de regering van zijn opvolger, Alexander 1ste (1801-1825), zijn duidelijk twee perioden te onderscheiden.

In zijn eerste regeringsjaren toonde Alexander een liberale gezindheid door met een “onofficieel comité” allerlei plannen tot hervorming uit te werken, waarvan evenwel niet veel terechtkwam.

De regeringsperiode van 1815 tot 1825 werd gekenmerkt door een sterke reactie, waarin Alexander opkomende liberale gedachten onderdrukte en zich overgaf aan een religieusmystiek denken.

Het bestuurswerk liet hij over aan de uiterst conservatieve Araktsjejev.

Toen Alexander plotseling stierf, bleek uit de opstand van de dekabristen hoezeer onder de hogere standen de ontevredenheid reeds wortel had geschoten.

De buitenlandse politiek van Alexander was wisselend.

Na enige aarzeling sloot hij zich aan bij Engeland en Oostenrijk (derde coalitie) en ook na de Slag bij Austerlitz (1805) bleef Rusland in oorlog.

Maar na de nederlaag bij Friedland (1807) in de Vierde Coalitieoorlog veranderde Alexander bij de vredesonderhandelingen te Tilsit van houding.

Hij sloot vriendschap met Napoleon en profiteerde daarvan zeer.



Toch was het Franse bondgenootschap in Rusland niet populair: de handel op Engeland, die nu stagneerde, was voor Rusland zeer gunstig geweest.

In 1812 kwam de breuk.

Er volgden de inval van Napoleon in Rusland, de Slag bij de Moskva, de bezetting en de brand van Moskou en de ondergang van de Grande Armée op de terugtocht.

Rusland had een voornaam aandeel in de Zesde Coalitieoorlog en de daaropvolgende vredessluitingen.

Het verwierf bij het Congres van Wenen het grootste deel van Polen (in personele unie) en behield Finland.

In de conservatieve politiek van de Grote Alliantie speelde Rusland naast Oostenrijk een belangrijke rol.


Nicolaas 1ste. Van 1825-1855.

Voerde een streng, reactionair bewind.

Dit uitte zich in de toenemende, stelselmatig onderdrukte oppositie in stromingen als slavofielen, zapadniki, Petrasjevski-kring.

Ook de buitenlandse politiek van Nicolaas vertoonde trekken van starheid en leidde ten slotte tot het echec van de Krimoorlog.

De voorwaarden bij de Vrede van Parijs waren voor Rusland weinig gunstig het werd van de Donaumond afgesneden en de Zwarte Zee werd geneutraliseerd.
Alexander 2de. Van 1855 tot 1881.

Stond voor de taak ingrijpende binnenlandse hervormingen door te voeren.

De belangrijkste hervorming was de opheffing van de lijfeigenschap, die haar beslag kreeg in 1861.

Voorts vond in 1864 een hervorming van het lokale bestuur plaats door de instelling van de zelfbesturende zemstvo's, waarin afgevaardigden van landeigenaren, mir en van stedelingen zitting hadden.

Belangrijke oppositionele denkers in deze tijd waren Herzen, Bakoenin, Tsjernysjevski, Lavrov en Tkatsjov.

Vele jonge intellectuelen, zgn. narodniki, gingen in de jaren zeventig “tot het volk” om de boeren tot ontwikkeling en bewustwording te brengen.

De teleurstellende resultaten deden een radicale stroming veld winnen, de organisatie Narodnaja Volja, die zich op terrorisme toelegde en verscheidene hooggeplaatste beambten, officieren en ten slotte ook de tsaar wist te vermoorden.

De goede verhouding met Pruisen resp. Duitsland werd bevestigd en die met Oostenrijk hernieuwd door de Driekeizerentente van 1872.

Verwijdering kwam evenwel opnieuw door de verwikkelingen op de Balkan vanaf 1876.

De harde Turkse onderdrukking van de opstanden in Bosnië-Herzegovina en in Bulgarije, alsmede de tegenslagen die Servië en Montenegro in hun daarop aangevangen oorlog met Turkije ondervonden, wekten een sterk nationalistisch panslavistische stemming in Rusland, zodat Rusland de oorlog verklaarde aan Turkije (1877-1878).



Na harde strijd werd Turkije gedwongen tot de Vrede van San Stefano.

Wegens de dreigende houding van Oostenrijk en Groot-Brittannië moest deze preliminaire vrede herzien worden, wat plaatsvond op het Congres van Berlijn (1878).

Tijdens Alexander 1ste begon de grote expansie in het Transkaspische gebied, veroverd werden Tasjkent (1865), Samarkand (1868) en het chanaat Chiwa (1873), terwijl de chanaten Boechara (1868) en Kokand (1876) Russische vazalstaten werden.

Dit bracht Rusland aan de grenzen van Afghanistan.

In het Verre Oosten werd het Amoer-bekken van het zwakke China gewonnen.
Alexander 3de. Van 1881 tot 1894.

Onderdrukte elke vorm van oppositie.

De hervormingen van zijn voorganger werden vrijwel uitgehold.

Pogingen van de regering om het economisch verval van de adel te stuiten, baatten weinig.

Geheel in reactionaire geest was ook de russificatiepolitiek in Polen en de Baltische provincies.

De buitenlandse politiek van Alexander 3de was gericht op vrede.

Toenadering tot Frankrijk liep uit op het Russisch-Franse defensieve verbond van 1893, terwijl het met Duitsland na de val van Bismarck tot een breuk kwam.

In 1891 werd begonnen met de bouw van de Trans-Siberische spoorlijn, die kolonisatie van Oost-Siberië in versneld tempo mogelijk maakte.

Het Russische economische en militaire imperialisme in Oost-Azië stuitte tijdens het bewind van Nicolaas 2de, van 1894 tot 1917, op de rijzende macht van Japan.

Na de Russische weigering om Mantsjoerije, dat door Rusland bezet was na de Bokseropstand in China (1900), in de afgesproken termijn te ontruimen, brak de oorlog met Japan uit (1904-1905).

In het binnenland bracht de oorlog een uitbarsting van ontevredenheid met zich, die de regering een volksvertegenwoordiging, doema, deed beloven.

Toen in augustus 1905 bekend werd dat deze slechts een raadgevende stem zou hebben, brak in de herfst een algemene staking uit die de regering noopte tot een manifest waarbij burgerlijke vrijheden werden afgekondigd, terwijl een doema met democratisch kiesrecht gekozen het recht van goedkeuring van de wetten zou krijgen.

Toen de eerste doema stelling koos tegen de regering, werd ze evenwel ontbonden.

De voornaamste partijen erin waren de kadetten en de socialistenrevolutionairen.

Een tweede doema, waaraan ook de Russische sociaal-democratie deelnam, was nog radicaler van samenstelling en onderging hetzelfde lot.

De regering voerde nu, tegen de bestaande wetten in, een wijziging van het kiesrecht door in conservatieve zin; de op grond hiervan gekozen derde doema van 1907 bleek dan ook in meerderheid reactionairnationalistisch.

De regering ging onder Stolypins leiding steeds meer de weg van de reactie op.

Wel trachtte ze de agrarische toestanden te verbeteren door opheffing van de mir en ruilverkaveling, om zodoende een gezeten, conservatieve boerenklasse te bevorderen.


Rusland ging in 1914 de oorlog in met een op de conservatieve kringen (adel en kapitalisten) steunende regering, een gematigde doema (de vierde, in 1912 gekozen), die steeds meer met haar in conflict raakte, en een tegenover het bestaande regime vijandig staande massa van boeren, arbeiders en intellectuelen.

De Eerste Wereldoorlog bracht de zwakte van het tsaristisch regime opnieuw aan het licht.

In maart 1917 ontbond de regering de doema, toen deze om kabinetswijziging had gevraagd.

Daaruit ontstond de revolutie, die de val van het tsarenbewind en de overwinning van het bolsjewisme bracht.
De Russische Revolutie.

Een politieke, economische en sociale omwenteling die het tsarisme, en daarmee het feodale stelsel in Rusland ten val bracht, een staat vestigde waarin de communistische partij de heerschappij voerde, en op langere termijn, de transformatie van een zuiver agrarische in een moderne agrarisch-industriële samenleving tot resultaat heeft gehad.

Doorgaans rekent men tot de Russische Revolutie de gebeurtenissen van februari tot oktober 1917, de periode waarin de Februarirevolutie en de Oktoberrevolutie vallen, waarvan de laatste beslissend is geweest voor de ontwikkeling in bolsjewistisch richting.

Over het einde van de Russische Revolutie bestaan uiteenlopende opvattingen: sommige historici gaan niet verder dan oktober-november 1917, anderen zien de opstand in Kroonstad (Kronsjtadt) als teken van de definitieve verwording (1921), terwijl er ook historici zijn die de revolutie als onvoltooid beschouwen, daar zij niet een in eigenlijke zin socialistische maatschappij heeft verwezenlijkt.


Betekenis.

De Russische Revolutie heeft zeer belangrijke gevolgen gehad zowel voor de ontwikkelingen binnen een aantal Europese landen als voor de internationale politieke constellatie, zij gaf impulsen aan revolutiepogingen in Duitsland, november 1918, en aan de oprichting van radenrepublieken (Beieren en Hongarije), en vormde de aanzet tot het ontstaan van een staat die, als belichaming van het communisme, door vele mogendheden als een potentiële kracht in de richting van een communistische wereldrevolutie werd gezien.


Het historisch verloop van februari tot oktober 1917.

Het Russische tsarisme was begin 1917 ernstig verzwakt door de Eerste Wereldoorlog, de nederlagen en verliezen in de oorlog, de campagne die de liberalen in de rijksdoema tegen de regering voerden, het gedrag van de keizerin (Alexandra Fjedorovna Romanova) en haar gunsteling Raspoetin hadden het ancien régime ondermijnd.

Op langere termijn had de enorme kloof tussen grondbezitters en ondernemers enerzijds en het boeren en arbeidersproletariaat anderzijds voldoende basis gelegd voor een omwenteling.
Broodoproer.

Op 17 februari oude stijl, 2 maart nieuwe stijl, brak in Petrograd een broodoproer uit. Onderdrukking hiervan mislukte door muiterij van de soldaten, die weigerden op het volk te schieten.

Om de orde te herstellen stelde de doema een voorlopig uitvoerend comité in, terwijl inmiddels arbeiders en soldaten zelf al raden (sovjets) hadden gevormd.

De legerleiding, die het vertrouwen in de tsaar had verloren, koos de zijde van de doema, waardoor de tsaar genoodzaakt was tot troonsafstand, op 2 maart, ten gunste van zijn broer Michaël, die echter van opvolging afzag.

Politici van de doema vormden toen een voorlopige regering onder voorzitterschap van vorst Lvov, met Miljoekov op Buitenlandse Zaken.

Laatstgenoemde was leider van de invloedrijkste liberale partij, die van de Kadetten.

In deze regering had slechts één socialist zitting: Kerenski.
Eerste radencongres .

De socialisten, in twee kampen verdeeld, dat van de socialisten revolutionairen en dat van de sociaal-democraten, welke groeperingen onderling ook weer verdeeld waren, bleken echter meer invloed op de massa te hebben dan de liberalen.

Naar het voorbeeld van Petrograd richtten zij overal in het land sovjets op, die hun de massa organisatie verschaften die zij onder het oude bewind niet hadden kunnen opbouwen.

Omdat er nog een enorme chaos heerste, was van een werkelijke organisatie nog weinig sprake en derhalve trachtten zij de verspreide sovjets in één verband te brengen door middel van provinciale en landelijke congressen.

Het eerste al-Russische radencongres, dat in juni bijeenkwam, koos een centraal uitvoerend comité, dat tegenover de voorlopige regering optrad als vertegenwoordiger van alle sovjets.
Zwakke voorlopige regering.

De positie van de voorlopige regering was zwak.

De doema, op grond van een niet langer aanvaard censuskiesrecht gekozen, was van het toneel verdwenen, evenals de politie.

Het gezag van de legerofficieren werd onder de soldatenraden gesteld, overeenkomstig het befaamde Bevel nr. 1 van de Petrograadse sovjet.

In feite bestond er een dyarchie, waarbij het plaatselijk bestuur veelal door de sovjets werd uitgeoefend.

Het programma van de voorlopige regering: een liberale staatsvorm, voortzetting van de oorlog, geen opheffing van het grootgrondbezit, had weinig aantrekkelijks voor de massa en sloeg niet aan.


Bolsjeviki.

Een betoging tegen de oorlogsgezinde minister Miljoekov in april 1917, de “aprildagen” maakte duidelijk dat de voorlopige regering zich niet zou kunnen handhaven zonder deelneming van de socialisten.

Op 5 mei werd een coalitieregering gevormd waarin de socialisten Kerenski en Tsereteli de invloedrijkste ministers waren, die de strijdvaardigheid van het leger wilden opvoeren en de bondgenoten bewegen tot een compromisvrede.

Deze politiek van de gematigde socialisten werd heftig bestreden door de Bolsjeviki.

Hun leider, Lenin, wees elk contact met de overige socialisten af en propageerde, alle macht aan de sovjets, vrede zonder annexaties, brood en land.
Offensief in Galicië.

Kerenski bereidde als minister van Oorlog door propaganda een offensief in Galicië voor, dat 1 juli begon en 6 juli in een zware nederlaag uitmondde.

Het nieuws van dit offensief verwekte in Petrograd een oproer onder de leuze “alle macht aan de sovjets” (3-16 juli).

Het centrale uitvoerend comité van de sovjets weigerde evenwel voor de druk van de Bolsjeviki, die de leiding van de spontane revolte hadden genomen, te zwichten, mede onder invloed van de door de voorlopige regering geuite beschuldiging dat Lenin een Duits agent was.

De beweging verliep en werd door regeringsgetrouwe troepen onderdrukt.

De bolsjewistisch partij werd verboden, de leden werden vervolgd. Lenin vluchtte, Trotski werd gearresteerd.

De na de julidagen gevormde nieuwe coalitieregering onder Kerenski hield vast aan het oude programma, dat door de nederlaag in Galicië en de weigering van de bondgenoten om vredesonderhandelingen te beginnen niet voor verwezenlijking vatbaar was gebleken.

Liberalen en conservatieven, die hun invloed hoopten te herwinnen via een militaire dictatuur, hielden het oog gevestigd op de opperbevelhebber, generaal Kornilov, die op 27 augustus in opstand kwam en troepen naar Petrograd dirigeerde.

Zijn soldaten, bewerkt door de socialisten, pleegden echter massaal insubordinatie en de putsch mislukte.

De nederlaag kwam niet de regering ten goede, maar de Bolsjeviki.


Machtsvacuüm.

In afwachting van de verkiezingen voor de constituerende vergadering, die steeds werden uitgesteld, trachtte Kerenski steun te vinden bij een “democratische conferentie” en vervolgens bij een “raad van de republiek”.

Hij kreeg steeds minder vat op het land, in feite ontstond er door zijn besluiteloos optreden een machtsvacuüm.

De boeren gingen in veel sterkere mate dan al het geval was landgoederen in bezit nemen, terwijl de fabrieksarbeiders zich in groten getale onder de vlag van de Bolsjeviki schaarden, die dan ook in de stadssovjets van Petrograd en Moskou de meerderheid kregen.



Gewapende opstand.

Eind september achtte Lenin de tijd voor een opstand gekomen.



Vanuit zijn schuilplaats in Finland schreef hij aan het centrale comité van zijn partij,

“De geschiedenis zal het ons niet vergeven indien wij nu niet de macht in handen nemen”.

De leidende Bolsjeviki waren weinig geestdriftig, maar op een vergadering van het centrale comité op 10 oktober, waarop Lenin aanwezig was, werd een resolutie aangenomen, met de stemmen van Kamenev en Zinovjev tegen, waarin de gewapende opstand onvermijdelijk en de tijd ervoor rijp genoemd werd.

Trotski, inmiddels voorzitter van de Petrograadse sovjet, bereidde de uitvoering van de opstand voor.

Een militair revolutionair comité werd opgericht en als streefdatum nam men de bijeenkomst van het tweede al-Russische radencongres.

Op 25 oktober, ( 7 november) bezetten troepen van genoemd comité strategische punten in de stad.

De regering, die geen betrouwbare troepen op de been kon brengen, zag zich in de volgende nacht van haar zetel, het Winterpaleis, en van haar bestaan beroofd.

De ministers werden gearresteerd. Kerenski, die al eerder de stad had verlaten, trachtte vergeefs met een handvol kozakken Petrograd te heroveren, 30 oktober.

In Moskou boden de tegenstanders van de Bolsjeviki een week lang verzet.

Behalve in Zuid-Rusland stuitten de Bolsjeviki aanvankelijk nergens op ernstige tegenstand.


Bolsjewistisch regering.

Op 26 oktober begon het tweede al-Russische congres van de sovjets, waar de Bolsjeviki de meerderheid hadden en waar op voorstel van Lenin een geheel bolsjewistisch regering werd gekozen, de eerste raad van volkscommissarissen, zich noemend voorlopige arbeiders en boerenregering.


Sovjet-Unie.
Gebruikelijke benaming voor de Unie van Socialistische Sovjet Republieken, in het Russisch Sojoez Sovjetskich Sotsjalistitsjeskich Respoeblik, afgekort USSR, een statenunie in het oosten van Europa en het noorden van Azië, 22.275.700 km², met in 1989, 287 miljoen inwoners (13 inwoners per km²), hoofdstad: Moskou (Moskva).

Tot de Sovjet-Unie behoorden de eilandengroepen Nova Zembla, Frans Jozefsland, Noordland, de Nieuw-Siberische Eilanden en Vrangel in de Noordelijke IJszee en de Commandeurseilanden (Ostrova Komandorskie), de Koerilen en Sachalin in de Grote Oceaan. Munteenheid was de roebel, onderverdeeld in 100 kopeken.

Nationale feestdag was 7 november, herdenking van de Oktoberrevolutie.

Bevolking.



Samenstelling.

Als gevolg van veroveringen en annexaties herbergde de Sovjet-Unie een groot aantal volken en volkjes, behalve Russisch werden ca. 150 andere talen gesproken.

De volken kunnen worden onderverdeeld in Slavische (Russen, Oekraïners, Witrussen en Polen), Turkse (o.a. Oezbeken, Kazachen), Kaukasische (Armeniërs, Georgiërs), Baltische (Letten, Litouwers), Fins-Oegrische (Mordvinen) en Mongoolse volken.

Tot de kleinere volken behoren o.a. de Tsjetsjenen, Koreanen, Finnen, Jakoeten, Hongaren, Grieken, Eskimo's, Mongolen, Aleoeten, Kalmukken, Roemenen, Turken, Abchazen, Avaren, Balkaren, Tsjerkessen, Perzen, Assyriërs, Joekagieren, Tofalaren.


Religie.

Het marxismeleninisme als staatsideologie van de Sovjet-Unie werd gekenmerkt door een strijdbaar atheïsme.

Vanaf ca. 1929 werden alle kerkgenootschappen vervolgd.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was van de meeste kerken de organisatie vernietigd, waren de meeste kerken en moskeeën gesloten en zat het grootste deel van de geestelijkheid gevangen.

De zware slag die het Duitse leger de Sovjet-Unie toediende, bracht de overheid ertoe de aangeboden steun van de kerken te aanvaarden in ruil voor een beperkte bewegingsvrijheid.

Vanaf 1959 werden opnieuw kerken gesloten, maar na de val van Chroesjtsjov in 1964 werd deze campagne onmiddellijk stopgezet.

Sinds het einde van de jaren zeventig kreeg de kerk in ruil voor strikte loyaliteit aan de overheid een eigen beperkte speelruimte, die niet verder reikte dan het “bevredigen van religieuze behoeften”, d.w.z. het houden van erediensten en het toedienen van sacramenten. Met uitzondering van de Russisch-Orthodoxe Kerk waren de kerkgenootschappen geen rechtspersoon.

Iedere vorm van maatschappelijke activiteit was verboden, met uitzondering van politieke activiteiten voor de overheid.

Voor een legaal bestaan was registratie van gemeenten en kerkgenootschappen vereist. Klassikaal godsdienstonderricht aan minderjarigen was verboden.

Een (klein) deel van de gelovigen weigerde zich te onderwerpen en had zich georganiseerd in illegale, niet registreerde gemeenten en kerken.



Bestuur en samenleving.
Staatsinrichting.

In november 1917 beschikten Lenin en zijn medestanders niet over een kant en klare voorstelling over de inrichting van de staat.

De marxistische doctrine voorzag in een dictatuur van het proletariaat.


Voor de staatkundige vormgeving van hun beginselen maakten de nieuwe leiders gebruik van de op vele plaatsen ontstane raden (sovjets) van arbeiders en soldaten (en soms ook boeren).

De bolsjewisten slaagden erin om in een aantal belangrijke sovjets, in het bijzonder die van de toenmalige hoofdstad Petrograd, een doorslaggevende positie in te nemen.

Een landelijk congres van de sovjets trok in januari 1918 de taak van hoogste staatsorgaan aan zich.

In de eerste sovjetgrondwet van 10 juli 1918 werd deze toestand bestendigd.

De meeste parlementaire functies werden aan een kleiner orgaan overgedragen, het Centrale Uitvoerende Comité.

De eigenlijke regering werd gevormd door de Raad van Volkscommissarissen onder voorzitterschap van Lenin.

De dictatuur van het proletariaat vond in het kiesrecht voor het landelijke sovjetcongres uitdrukking in het ontnemen van het stemrecht aan de leden van de vroegere heersende klasse en in de sterke oververtegenwoordiging van de stedelijke industriearbeiders ten opzichte van de boeren op het platteland.

Nadat de voornaamste Europese randgebieden (Finland, de Baltische staten, Polen, de Kaukasische staten) zich hadden losgemaakt, bleef het eigenlijk etnisch Russische rompgebied met de vele kleine en grote minderheidsvolkeren die daar woonachtig waren, over.

Dit vormde het staatsgebied van de Russische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek (RSFSR), de rechtsopvolger van het Rusland van de Voorlopige Regering (maart tot november 1917) en daarvóór van het Russische keizerrijk.

De Oekraïense en Wit-Russische Sovjetrepublieken waren nauw met de RSFSR geassocieerd en praktisch eraan ondergeschikt.

Tussen deze drie en de uit de drie Kaukasische republieken (Armenië, Georgië en Azerbajdzjan) gevormde Transkaukasische Federatieve Sovjetrepubliek werd eind 1922 een verdrag getekend waarbij de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken (USSR) werd opgericht.

Voor dit federatieve verband werd een nieuwe grondwet afgekondigd op 31 januari 1924.

Deze bevatte een aantal noodzakelijke voorzieningen voor de federale staatsstructuur, maar volgde verder het model van de RSFSR grondwet van 1918.

In de nieuwe grondwet van 5 december 1936 werd de functie van volksvertegenwoordiging opgedragen aan de uit twee kamers bestaande Opperste Sovjet.

Deze koos een Presidium, dat in vele gevallen als vervanger van de Opperste Sovjet kon optreden en daarnaast enige staatshoofdfuncties uitoefende.

Als voornaamste uitvoerend orgaan bleef de Raad van Volkscommissarissen, in het Russisch Sovnarkom, in 1946 omgedoopt in Raad van Ministers.

Op 7 oktober 1977 werd een nieuwe grondwet afgekondigd.

De invoering van het ambt van eerste vice-voorzitter van het Presidium van de Opperste Sovjet stelde de secretaris-generaal van de Communistische Partij in staat ook de hoogste ceremoniële functie te vervullen van voorzitter van het Presidium.

De Communistische Partij van de Sovjet-Unie, CPSU, die in 1919 voor het eerst zo werd genoemd, kreeg een prominentere rol als “de leidende en richtinggevende kracht van de sovjetmaatschappij, de kern van haar politieke stelsel en van de organisaties van staat en maatschappij”.


De sovjetstaat bezat een officiële, ook in de grondwet genoemde ideologie, het marxismeleninisme, waarvan de grondslagen gelegen waren in de geschriften van Marx, Friedrich Engels en Lenin en in de geschriften van de partijleider van het moment; de samenvatting ervan, toegespitst op de actuele politieke situatie in binnen en buitenland, stond in het Programma.

Het Statuut bevatte het organisatiereglement van de partij en is daarom als een pendant van de grondwet te zien.

De kleinste bouwsteen van de partij was de primaire partijorganisatie.

Deze was in het algemeen verbonden aan de arbeidsplaats: onderneming, fabriek, kolchozen en sovchozen, school, overheidsinstelling, legeronderdeel, enz.

De centrale figuur binnen iedere partijorganisatie was de secretaris, die aan het hoofd van het bureau of secretariaat stond.

De primaire partijorganisaties zonden hun afgevaardigden naar een stedelijke (of landelijke) partijconferentie; lagere partijconferenties vaardigden op hun beurt vertegenwoordigers af naar hogere regionale en provinciale partijconferenties, enz., tot de top, het Partijcongres van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie.

Dit bestond uit ca. 5000 afgevaardigden en was op papier het hoogste gezag binnen de partij.

Het kwam eens in de vijf jaar bijeen.

In de tussentijd werd de partij geleid door het door het Partijcongres aangewezen Centraal Comité (enkele honderden leden).

Dit vergaderde tweemaal per jaar, maar later, onder Gorbatsjov, vaker.

Wanneer het niet in zitting was, werden zijn taken waargenomen door het praktisch permanent fungerende Politburo, dat 10 tot 15 leden plus een aantal kandidaat-leden telde.

Verder bestond het Secretariaat, met de secretaris-generaal aan het hoofd, dat het partijapparaat leidde.

Als organisatiebeginsel van de partij verkondigde het Statuut het democratisch centralisme: verkiezing van alle leidinggevende organen, verantwoording van zulke organen tegenover de kiezers en hogere organen, strikte onderwerping aan besluiten van hogere organen.

De praktische uitwerking van dit beginsel had reeds bestaan uit een sterk hiërarchische en centralistische partijopbouw.

Op ieder niveau van de partij hadden de partijsecretarissen met het hun ten dienste staande apparaat volledige controle over de selectie van personen.

Hierdoor berustte uiteindelijk de hoogste macht in de partij feitelijk bij het Politburo.

Het Centraal Comité werd door het Partijstatuut belast met het leiding geven aan de hoogste staatsorganen.

Een aantal sleutelposities aan de top van de staatshiërarchie (de voornaamste posten in het Presidium van de Opperste Sovjet en de belangrijkste ministersposten) werd door leden van het Politburo ingenomen.

Dit stelsel herhaalde zich ook op lagere niveaus.

Wellicht het meest effectieve beheersingsinstrument in handen van de partijleiding was het nomenclatuursysteem.

Op ieder bestuursniveau (stad, regio, provincie, republiek, federatie) bestond een lijst (nomenklatoera) van functies in het overheidsapparaat en het maatschappelijk leven, die alleen bezet mochten worden door een kandidaat die als zodanig de goedkeuring had van de partijorganen van het corresponderende niveau.

Het aantal partijleden bedroeg in 1988 19,5 miljoen.

Nauw verbonden met de partij was de Komsomol, de communistische jeugdbond.


De ruggengraat van de partij werd echter gevormd door het kader; dit waren vooral de personen die een volledige werkkring in dienst van de partij vonden, maar daarnaast ook velen in staatsdienst, want de normale loopbaan van een apparatsjik bestond uit een geregeld wisselen van partij en staatsfuncties.

Het was vooral deze hiërarchisch opgebouwde partij elite, met het Politburo aan de spits, die alle politieke en sociaal-economische macht in het land bezat.

Voor de verschillende lagen van de partij elite bestonden er afzonderlijke en betere voorzieningen op het gebied van medische verzorging, huisvesting, ontspanning, consumptiegoederen, buitenlandse reizen, enz.

Dit uitgebreide netwerk van voorzieningen stond zelf weer langs vele kanalen in verbinding met het zeer omvangrijke illegale economische leven.

Deze illegale sector was zo groot doordat in de Sovjet-Unie praktisch iedere economische activiteit die buiten de centraal geplande staatseconomie viel, onwettig was.

Deze vervlechting van officieel gesanctioneerde bevoorrechting en wettelijk veroordeelde, maar feitelijk toegelaten en economisch onmisbare bedrijvigheid was kenmerkend voor de positie van de Communistische Partij.

Juridisch bezien had de Sovjet-Unie de gedaante van een federatie van vijftien soevereine staten.

In politiek opzicht was zij echter een eenheidsstaat.

De politieke macht berustte bij de strak gecentraliseerde Communistische Partij.

Alle beslissende bevoegdheden waren aan de federale overheid toebedeeld.

De unierepublieken hadden wel het recht van afscheiding, maar tegelijkertijd werd verklaard dat uitoefening ervan, tegen de werkelijke belangen van het volk in, ontoelaatbaar was.

Het recht op eigen buitenlandse betrekkingen diende alleen als rechtvaardiging voor het afzonderlijke lidmaatschap van de Verenigde Naties van de Oekraïense en Wit-Russische unierepublieken.

Alleen op het gebied van de culturele autonomie bood de federale structuur enige waarborgen (officiële status van eigen landstaal, meestal naast het Russisch).

De wetgevende macht berustte in beginsel bij het hoogste staatsorgaan, de Opperste Sovjet van de USSR, bestaande uit twee kamers, de Sovjet van de Unie en de Sovjet van de Nationaliteiten

De Opperste Sovjet werd gekozen voor een periode van vijf jaar en kwam doorgaans tweemaal per jaar bijeen.

In de tussentijd werden zijn meeste functies (ook de wetgevende) waargenomen door een door de Opperste Sovjet zelf aangewezen Presidium.

De wetgeving geschiedde in de vorm van decreten, in het Russisch Oekazen.

Alle wetten, met uitzondering van de grondwet, konden bij decreet gewijzigd worden.

De Opperste Sovjet benoemde ook de regering, de Raad van Ministers.

Tussentijdse benoemingen in de Raad werden door het Presidium gedaan.

De Raad omvatte ongeveer honderd leden: een voorzitter, enige eerste vice-voorzitters, een aantal vice-voorzitters, meer dan zestig ministers, een kleine twintig voorzitters van staats comités en enkele extra leden (de voorzitters van de Staatsbank, het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Comité voor de Volkscontrole).


De meeste ministers stonden aan het hoofd van een gespecialiseerde bedrijfstak, zoals bijv. de instrumentenbouw of de machinebouw voor de aardolie-industrie.

Naast de ministeries stonden de staats comités.

Hun taak richtte zich op afzonderlijke aspecten van een aantal bedrijfstakken tegelijk.

Veruit het belangrijkste staats comité was dat voor het staatsplan, meestal aangeduid met de Russische afkorting Gosplan.

De ministeries en staats comités vielen uiteen in twee groepen, de unieministeries (uniestaats comités) en de unie republiekministeries (unierepublieksstaatscomités).

De eerste stonden aan het hoofd van een stelsel van staatsorganisaties die een bepaalde staatstaak of bedrijfstak behartigden.

De federale unie republiekministeries daarentegen leidden corresponderende ministeries op het niveau van de deelstaten (unierepublieken), die op hun beurt binnen hun respectieve republieken aan het hoofd stonden van een stelsel van organisaties en/of ondernemingen.

Staatsrechtelijk was de Raad van Ministers ondergeschikt aan de Opperste Sovjet en het Presidium.

Onder Gorbatsjov werden het programma en het statuut in 1988 bijgesteld.

Zo beloofde het een vervolmaking van het kiessysteem, meer dan één kandidaat per zetel, en een verbetering van het werk van de gekozen organen van volksmacht.

Maar de leidende kracht in dit proces bleef nog aan de partij voorbehouden.

In de nieuwe parlementaire structuur keerde men terug naar een Congres van Volksafgevaardigden, zoals het tot 1936 had bestaan.

Dit Congres, waar alle belangrijke politieke besluiten werden genomen, bestond uit 2250 afgevaardigden, waarvan tweederde direct en eenderde door maatschappelijke organisaties, w.o. de communistische partij, werd gekozen.

Het Congres koos de Opperste Sovjet, diens voorzitter werd het staatshoofd.

Het referendum, als uiting van directe volksmacht, kreeg meer aandacht en verkiezingen waren relatief vrij: ook oppositionele kandidaten werden gekozen.

Naast de partij ging dus het parlement de politiek bepalen.

Het Politburo begon zijn autoriteit te verliezen en ook maakte men een begin met de ontmanteling van het partijapparaat.

Nieuwe grondwetswijzigingen in 1990, waarbij de functie van president werd ingesteld, hielden tevens het schrappen van art. 6 van de grondwet, van 1977, waarin de leidende rol van de communistische partij was vastgelegd, in.

Ondertussen ging een aantal sovjet republieken ertoe over de in de grondwet aan de republieken verleende soevereiniteit ook daadwerkelijk uit te roepen.

De RSFSR deed dit op 12 juni 1990.

Vanaf eind 1990 werd tussen de afzonderlijke republieken en sovjetpresident Gorbatsjov onderhandeld over een nieuwe structuur van de federatie.

Onderhandelingen voor zo'n nieuwe Unieovereenkomst liepen stuk door de conservatieve coup van 17 augustus 1991.

Hierna sloegen de republieken de handen ineen en kwamen tot de conclusie dat de Sovjet-Unie niet langer bestond.
Controleorganen.


Naast de wetgevende macht en het bestuur bestonden een afzonderlijke rechterlijke macht en een zeer omvangrijk stelsel van controleorganen, die in de sovjetvisie als een soort vierde macht beschouwd werden.

Van de controleorganen met een meer algemene taak waren de voornaamste het Comité voor Volkscontrole, het Comité voor de Staatsveiligheid (beide met de status van een federaal ministerie) en de Prokuratura.

Het Comité voor Volkscontrole hield in het algemeen toezicht op de uitvoering van de politiek van partij en regering en op de naleving van de wetten.

Een deel van het Comité voor Staatsveiligheid (KGB) was belast met de interne bescherming van de staatsveiligheid en aldus ook met een alomvattende politieke controle van de gehele samenleving.

Een geheime staatspolitie (Tsjeka) heeft van de Oktoberrevolutie tot in de jaren tachtig haar functie van uiteindelijk fundament van de sovjetmacht steeds behouden.

De Prokuratura was o.a. met het algemene toezicht op de naleving van de wetten belast.


Administratieve indeling.

De vijftien unierepublieken waren onderverdeeld in krajs, de administratieve eenheid voor grensgebieden en dunbevolkte delen van het land en oblasten, die op hun beurt bestonden uit rayons en stadsrayons.

Binnen de republieken bezaten 3 nationaliteiten een zekere administratieve en culturele autonomie in twintig autonome republieken en acht autonome oblasten en tien nationale gebieden (okroegs; alle in de RSFSR).

De administratieve eenheden werden geacht gecoördineerde economische gebieden te zijn.

Daardoor konden mét de economie de grenzen zich wijzigen.
Economie.
Algemeen.

Volgens het marxismeleninisme was de Sovjet-Unie een socialistische en centraal geleide volkshuishouding, socialistisch omdat alle productiemiddelen eigendom van de staat waren en de politieke macht in handen was van het volk, centraal geleid omdat alle economische activiteiten werden georganiseerd op basis van jaarlijkse, vijfjaarlijkse en lange termijnplannen, opgesteld door centrale planningsorganen.



Jaarplannen en vijfjarenplannen werden geregeld gepubliceerd door de Staats-Planning-Commissie (Gosplan).

Desondanks kwam een groot aantal economische transacties (bijv. illegale particuliere economische activiteit) buiten het plan tot stand.

De werkelijke economische ontwikkeling verschilde vaak van de ontwikkeling zoals die in de plannen wordt geschetst.

In de theorie van de Sovjetplanning was het vijfjarenplan het basisplan.

Dit plan moest de structuur van de economie vorm geven, de arbeid van alle mensen bundelen en tot aanwijsbare vooruitgang leiden in het verwezenlijken van de doelstellingen van de partij.

Sinds 1928, toen het eerste vijfjarenplan werd geïntroduceerd, waren in het algemeen de jaarplannen en de plannen voor kortere perioden (kwartaal, maand, tiendagen en vierentwintig uur) de belangrijkste operationele plannen.

Een belangrijk onderdeel van de Sovjetplanning was het “speerpunten”-principe.

Dit betekende dat op ieder willekeurig moment de inspanningen van de planners en de allokatie van materiële en menselijke hulpbronnen werden gericht op het bereiken van plandoelen in bepaalde prioriteitssectoren, de “speerpunten”.

In de jaren dertig waren de “speerpunten” ijzer en staal en de zware machinebouw; in de jaren veertig de wapenindustrie; in de jaren vijftig staal, steenkool en aardolie; in de jaren zestig de chemische industrie en aardgas; in de jaren zeventig de landbouw en de elektronische industrie; in de jaren tachtig de landbouw en energie.

Sinds 1948, toen de wederopbouw grotendeels was voltooid, werd opnieuw begonnen aan een snelle industriële ontwikkeling.

Sinds het begin van de jaren vijftig was de groeivoet van het nationale inkomen echter voortdurend gedaald, culminerend in de depressie die begon in 1988.
Agrarische sector.

De landbouw was georganiseerd in collectieve boerderijen (kolchozen), staatsboerderijen (sovchozen) en de particuliere stukjes land van boeren op de staats en collectieve boerderijen en van anderen (bijv. stedelingen).

Aanvankelijk, toen de sovjetlandbouw gecollectiviseerd werd, waren de voornaamste organisatievormen de collectieve boerderijen, de particuliere stukjes van de leden van de collectieve boerderijen, de machine- en tractorenstations en de staatsboerderijen.


Sedertdien waren de machine- en tractorenstations afgeschaft, in 1958, en waren de collectieve boerderijen in toenemende mate samengevoegd en omgezet in staatsboerderijen.

Na de dood van Stalin was de positie van de plattelandsbevolking sterk verbeterd.

In deze periode heeft een aanzienlijke vergroting van de agrarische productie plaatsgevonden.

Desondanks bestond in de landbouw een aantal belangrijke problemen: de hoge kosten, de geringe beschikbaarheid van voedsel en de scherpe jaarlijkse fluctuaties in de productie.

De geringe aanvoer van voedsel was in de eerste plaats het resultaat van een combinatie van de prijspolitiek (de staat probeerde stabiele detailhandelsprijzen te garanderen), de stijging van het geldinkomen en de hoge inkomenselasticiteit van de vraag naar voedsel (in het bijzonder naar vlees en andere voedselproducten van hoge kwaliteit).

De lage prioriteit die aan de distributiesector werd toegekend, was ook een factor die een rol speelde bij de geringe beschikbaarheid van levensmiddelen.


Industrie.

Belangrijke kenmerken van de Sovjet-Unie waren het grote deel van de industriële productie dat bestemd was voor militaire producten, de hoge energie en grondstoffenintensiteit van de productie en de moeilijkheden bij innovatie, dat wil zeggen het in productie nemen van nieuwe producten.


Mijnbouw en energie.

De Sovjet-Unie beschikte over enorme bodemschatten en had in het bijzonder grote reserves aan energiedragers als steenkool, olie, aardgas en uranium.

De olie en gasproductie, oorspronkelijk geconcentreerd in het Europese gedeelte van de Sovjet-Unie, vond in de jaren tachtig voor een belangrijk deel plaats in West-Siberië.

Ook de winning van steenkool vond steeds meer in het oosten plaats.

Verder kwamen in ruime mate ijzererts, mangaanerts, koper, lood, zink, nikkel, chroom, zilver, goud, asbest, bauxiet, fosfaat en diamanten voor.

De energievoorziening vond plaats door middel van waterkracht-, thermische en kerncentrales.

Veel nieuwe elektriciteitscentrales in de jaren zeventig en tachtig werden kerncentrales.
Handel.

In de jaren zeventig en tachtig waren ongeveer tien miljoen mensen betrokken bij de binnenlandse handel.

Vergeleken met het Westen valt op dat het percentage van de bevolking dat werkzaam was in de handel, erg laag lag.

Het was een bewuste politiek van de staat om slechts een klein gedeelte van de arbeidskrachten te bestemmen voor de “non-productieve” distributiesector.

De groothandel was in feite geen handel, maar rantsoenering, aangezien praktisch alle productiemiddelen gerantsoeneerd werden.

De buitenlandse handel was een staatsmonopolie tot 1988.



Een belangrijk aspect van de buitenlandse handel was de plaats die de handel met de andere Comeconlanden had.

Om politieke redenen was de Sovjet-Unie gebonden aan het bevorderen van integratie van de Comeconlanden.

Van de westerse landen was de Bondsrepubliek Duitsland de belangrijkste partner.
Bankwezen.

Het bankwezen had een integrerende functie in het planningsproces.

Het verschilde nogal van de westerse tegenpool.

Het bankwezen werd beheerst door een staatsbank, Gosbank, die een monopolie had tot aan het einde van de jaren tachtig.

De enige andere banken in de Sovjet-Unie voor de perestrojka waren de gespecialiseerde banken de Investerings Bank en de Bank voor Buitenlandse Handel.

Geen van beide concurreerde met Gosbank.

Gosbank had in essentie twee functies.

De eerste was het verstrekken van kortlopende leningen, zodat bedrijven zich van het nodige werkkapitaal konden verzekeren.

De tweede functie was toezicht te houden op de uitvoering van de plannen door bedrijven en de betalingen aan de bevolking te controleren.

Individuele burgers die geld wilden sparen, konden hun geld storten bij de spaarbank.

Degenen die niet (al) hun geld in deze vorm wilden aanhouden (bijv. omdat het zwart geld was of omdat prijsstijgingen werden verwacht of een monetaire hervorming), hebben hun geld doorgaans aangehouden in Sovjetcontanten, harde valuta, gekocht op de zwarte markt, of in duurzame consumptieartikelen, zoals huizen, auto's, goud, juwelen of zeldzame boeken.
Geschiedenis. 1917 Rusland.



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina