's-Gravenhage, 22 maart 2006 De Minister van Binnenlandse Zaken



Dovnload 117.47 Kb.
Pagina2/4
Datum18.08.2016
Grootte117.47 Kb.
1   2   3   4

D. Verhouding tot het Nederlandse recht

9. Reikwijdte: deelnemers


Lid van een EGTS kunnen zijn:

  • publiekrechtelijke instellingen, zoals omschreven in de Aanbestedings­richtlijn (in bijlage I bij dit advies is opgenomen welke Nederlandse instellingen volgens opgave van de regering in ieder geval onder het begrip vallen).30

De Nederlandse staat zal niet snel deelnemen aan grensoverschrijdende samen­werking binnen een EGTS; mocht dat wel gebeuren, dan zal dat niet snel constitutionele beletselen opleveren: de ontwerpverordening bepaalt dat een overheidsorgaan geen bevoegdheden aan een EGTS kan opdragen die het niet zelf heeft.31 Ondenkbaar is dat overigens niet: het zou kunnen gaan om een zelfstandig bestuursorgaan dat geen eigen rechtspersoonlijkheid heeft, maar onderdeel uit­maakt van de rechtspersoon staat.

Regionale en lokale autoriteiten zijn in Nederland in de eerste plaats de besturen van provincies en gemeenten, maar het kan in beginsel ook gaan om de besturen van waterschappen, openbare lichamen in de zin van de Wgr, stadsdeelraden, en andere regionale, functionele samenwerkingsverbanden. Wat daar ook van zij, door de toevoeging “publiekrechtelijke instellingen” wordt duidelijk dat vrijwel iedere instantie die op enigerlei wijze belast is met openbaar gezag kan deelnemen aan een EGTS; het hoeft niet te gaan om een territoriaal georganiseerd openbaar lichaam. In dit verband kan – naast veel meer – gedacht worden aan bedrijfs­lichamen (pbo), zelfstandige bestuursorganen met rechtspersoonlijkheid32, en brandweerregio’s. Of bij deze instanties op enig moment behoefte zal bestaan om deel te nemen aan een EGTS is niet op voorhand te zeggen, maar het is niet uit te sluiten.

De minister vraagt in zijn brief het oordeel van de afdeling over dit ruime begrip publiekrechtelijke instellingen; hij merkt op dat het moeilijk is een beperkter definitie te geven, omdat elke lidstaat zijn eigen systeem voor het creëren van overheidslichamen kent.

De afdeling deelt de opvatting van de minister, maar is desalniettemin van oordeel dat het niet onmogelijk is om een beperkter definitie te geven aan het begrip “publiekrechtelijke instellingen”. Zo zou de verordening het aan de lidstaten kunnen overlaten om te bepalen welke soorten publiekrechtelijke instellingen deel kunnen nemen aan een EGTS. Andere mogelijkheden zouden kunnen zijn dat men voor het begrip “publiekrechtelijke instellingen” aansluiting zoekt bij het begrip overheidsorganen, genoemd in het Verdrag van Anholt en het Verdrag met België en Luxemburg, of dat men het begrip “publiekrechtelijke instellingen” beperkt tot die instellingen uit de Aanbestedingsrichtlijn die in navolging van de structuur­fondsen sociaal economische doelstellingen nastreven.

Als vorenstaande aanpassingen van de ontwerpverordening in dit stadium van de onderhandelingen niet meer haalbaar zijn, zou Nederland nog kunnen voorstellen om een bijlage aan de verordening toe te voegen op basis waarvan bepaalde (categorieën) publiekrechtelijke instellingen uit de Aanbestedingsrichtlijn per lidstaat kunnen worden uitgezonderd van de reikwijdte van de verordening.33

10. Oprichting; toetsing door de lidstaat


Het initiatief voor het oprichten van een EGTS ligt bij de toekomstige leden. De leden sturen de ontwerpovereenkomst aan de lidstaat waarin zij zijn gevestigd. De lidstaten beoordelen of de in de ontwerpovereenkomst genoemde taken in overeenstemming met de verordening zijn en of die taken binnen de bevoegdheden van de leden vallen. Als de lidstaten na twee maanden niet hebben gereageerd, wordt de ontwerpovereenkomst geacht te zijn goedgekeurd.34

Deze bepaling komt er feitelijk op neer dat de in het vorige punt genoemde autoriteiten (provincies, gemeenten en publiekrechtelijke instellingen in de zin van de Aanbestedingsrichtlijn) vrij zullen zijn om een EGTS op te richten.

Wellicht de belangrijkste deelnemers aan een EGTS zullen provincies en gemeenten zijn. In lijn met hun constitutionele positie35 behoeven zij geen goed­keuring van het Rijk voor het aangaan van zo’n regeling,36 ook niet als het gaat om grensoverschrijdende samenwerking, zoals blijkt uit de (hiervoor besproken) verdragen met Duitsland en de Beneluxlanden. De ontwerpverordening geeft op dit punt geen problemen.

Voor de overige publiekrechtelijke instellingen, die nu de bevoegdheid krijgen een EGTS op te richten, is het minder eenvoudig om de gevolgen van de ontwerp­verordening in kaart te brengen. Per geval zal moeten worden nagegaan of deze organen thans bevoegd zijn een samenwerkingsverband aan te gaan; het antwoord op die vraag zal niet altijd eenvoudig te verkrijgen zijn, omdat bij de instelling van zulke organen meestal niet specifiek over deze vraag zal zijn nagedacht.



  • In die gevallen waarin die bevoegdheid bestaat, en goedkeuring van het Rijk niet vereist is, geeft de ontwerpverordening geen problemen.

  • In gevallen waarin die bevoegdheid bestaat, en goedkeuring van het Rijk (of van een ander toezichthoudend orgaan) wel vereist is, brengt de ontwerp­verordening wijziging in de in Nederland geldende verdeling van bevoegd­heden, verantwoordelijkheden en verantwoordingsrelaties (in het bijzonder tussen ministers en Staten-Generaal), omdat zij het goedkeuringsvereiste schrapt.

  • In gevallen waarin het orgaan niet bevoegd is, brengt de ontwerp­verordening eveneens verandering in de bestaande verdeling van bevoegd­heden, verantwoordelijkheden en verantwoordingsrelaties, omdat voor deze gevallen een bevoegdheid moet worden gecreëerd.

De Commissie heeft na 7 maart 2006 aan de Nederlandse Permanente Vertegen­woordiger een (niet openbaar) tekstvoorstel voorgelegd, waarin de lidstaat kan weigeren een voorstel tot oprichting van een EGTS goed te keuren “on grounds of public policy, public security, public health and public morality”, waarmee beoogd wordt aan te sluiten bij de verdragsbepalingen die betrekking hebben op algemene belangen die de lidstaten kunnen inroepen om het vrije verkeer van goederen, per­sonen, diensten en kapitaal uit te sluiten. Welke rol dit voorstel zal spelen is onzeker, maar de afdeling bespreekt dit voorstel, omdat het kan helpen de gedachten te bepalen.

De criteria die de Commissie in dit voorstel heeft genoemd, geven de lidstaat meer greep op publiekrechtelijke instellingen, maar betekenen wel dat de toetsings­bevoegdheid van lidstaten ten opzichte van hun eigen instellingen Europees­rechtelijk wordt ingekleurd.

De minister wilde, op basis van een eerdere versie van de ontwerpverordening, weten of de daarin genoemde toetsingscriteria toetsing aan het algemeen belang toelieten. Toetsing aan het algemeen belang in het kader van de onthouding van goedkeuring is een beleidstoetsing – en dus ruimer dan rechtmatigheidstoetsing – maar veronderstelt een terughoudendheid, omdat het toezichthoudende bestuurs­orgaan niet de verantwoordelijkheid van het besluitnemende bestuursorgaan behoort over te nemen. Het criterium houdt dus geen inhoudelijke beperking in; de voorgestelde formulering doet dat wel enigszins.

De afdeling is van oordeel dat er, gelet op de doelstelling van de ontwerp­verordening en het vrijwillige karakter daarvan, geen bezwaar tegen bestaat om de vraag of, en zo ja hoe, een oprichtingsbesluit wordt getoetst over te laten aan het nationale recht van de lidstaten zelf. Vanuit het Nederlandse recht verdient dat de voorkeur. Tevens verdient het aanbeveling om als criterium voor toetsing niet de term "public policy, public security, public health and public morality" te gebruiken, maar de term "eerbiediging van het constitutionele bestel van de desbetreffende lidstaat". Dit sluit aan bij de jurisprudentie van het HvJEG over interne bevoegdheidsverdeling en is meer in overeenstemming met de bedoeling van het tekstvoorstel van de Commissie.37




1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina