S. J. Schenk prof dr. F. J. van Sluijs



Dovnload 2.32 Mb.
Pagina2/15
Datum23.08.2016
Grootte2.32 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

4. Schets van de huidige situatie
In Nederland worden veel dieren als gezelschapsdier gehouden. Naar schatting worden de aantallen per diersoort/-groep (exclusief ongewervelden) zoals weergegeven in tabel 1 in Nederland gehouden (Traa, 2000; zie ook www.animalfreedom.org). Volgens het laatste NIPO-onderzoek naar het hou-den van dieren als gezelschapsdier (2003) heeft on-geveer 58% van de huishoudens een gezelschaps-dier.
In Nederland worden tal van soorten gehouden die als ‘potentieel gevaarlijk’ door de Raad zijn aange-merkt. Denk bijvoorbeeld aan paarden, honden en sommige soorten schildpadden. Geschat wordt dat er jaarlijks 30.000 hondenbeten plaatsvinden (Stich-ting Consument en Veiligheid, rapportnr. 206, Hon-denbeten in kaart gebracht). Jaarlijks melden zich ongeveer 12.000 mensen na een hondenbeet op de Eerste Hulpafdeling en worden 240 mensen na een hondenbeet in het ziekenhuis opgenomen. In de periode 1984-1998 zijn 13 mensen in Nederland overleden aan de gevolgen van een hondenbeet (www.dogweb.nl). Vooral kleine kinderen lopen ern-stige verwondingen op, omdat zij vaak in het hoofd gebeten worden, maar ook volwassenen kunnen ernstige en soms blijvende schade als gevolg van een hondenbeet oplopen (Stichting Consument en Veiligheid, rapportnr. 206, Hondenbeten in kaart ge-bracht). Ook paarden zorgen jaarlijks voor dodelijke ongelukken, bijvoorbeeld doordat het paard onver-wachts naar achteren trapt.
In 2002 werd het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum 138 keer gebeld over intoxicaties door die-ren. Deze meldingen betroffen voornamelijk beten of steken door allerlei soorten dieren (Nationaal Vergif-tigingen Informatie Centrum (2002). Acute vergifti-gingen bij mens en dier – Jaaroverzicht 2002. RIVM rapport 348802020/2003). In 1998 betrof dit 22% van het totale aantal vragen over intoxicaties door dieren. Dit waren vooral vragen over beten van exo-tische, veelal in terraria gehouden soorten zoals gifslangen of reuzenslangen. In 17% van de gevallen hadden de vragen betrekking op vissensteken, maar


Tabel 1. Gezelschapsdierenbezit in Nederland

Diersoort/-groep

Aantal dieren

(x 1.000)



Aantal huishoudens

(x 1.000)



Lid van een vereniging

(aandeel van het totale aantal houders van een diersoort)



Honden

1.400

1.200 (19%)

9%

Katten

2.200

1.400 (22%)

1%

Konijnen

560

400 (6%)

3%

Overige knaagdieren

430

300 (5%)

2%

Zang- en siervogels

2.500-6.000

500 (8%)

8%

Aquariumvissen

2.900

400 (6%)

2%

Vijvervissen

2.000

100 (2%)

2%

Reptielen en amfibieën

130

70 (1%)

2%

Postduiven

1.000

70 (1%)

64%

Paarden en pony’s

200

70 (1%)

60%

Totalen in Nederland

13.300-16.800

3.000 (47%)

400.000 leden




ook een schorpioensteek en de beet van een chin-chilla werden gemeld (Van Zoelen, G.A., De Vries, I. en Meulenbelt, J. (2000). Vergiftigingen in 1998 bij pubers, volwassenen en bejaarden. RIVM rapport 348802 019). De Raad wijst er in dit kader nadruk-kelijk op dat intoxicaties niet alleen door gehouden dieren kunnen worden veroorzaakt, maar ook door niet-gehouden diersoorten, zoals in het wild levende adders, wespen en vissen als de pieterman, en dat vragen over intoxicaties veroorzaakt door dergelijke niet-gehouden dieren in dit cijfer zijn verdisconteerd. Het aantal vragen over intoxicaties door in Neder-land gehouden dieren ligt derhalve lager dan het to-tale aantal van 138 (Nationaal Vergiftigingen Infor-matie Centrum (2002). Acute vergiftigingen bij mens en dier – Jaaroverzicht 2002. RIVM rapport 348802020/2003). Daarnaast is het cijfer waarschijn-lijk vertekend doordat het vaak incidenten met niet-giftige soorten betreft, maar dat de soort door onkun-de van het slachtoffer als giftig wordt aangemerkt. Doordat er geen terugkoppeling plaatsvindt, leidt dit tot een overschatting van het aantal intoxicaties door beten of steken. Anderzijds is ook bekend dat niet alle steken en beten worden gemeld bij het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum, hetgeen tot een onderschatting van het feitelijk aantal intoxicaties door beten of steken leidt.


De Raad plaatst bij de hiergenoemde cijfers als kant-tekening dat diersoorten zoals hond en paard veel meer met mensen in contact staan dan andere dier-soorten, waardoor er in absolute zin bij deze dier-soorten sowieso meer verwondingen verwacht kun-nen worden dan bij diersoorten die slechts een zeer beperkt publiek bereiken.
Het houden van gevaarlijke dieren is in Nederland niet verboden mits de houder aan een aantal voor-waarden voldoet, namelijk:

  • Voldoen aan de eisen zoals vermeld in het Wet-boek van Strafvordering (artikel 425): “Met hech-tenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft: 1e° hij die een dier op een mens aanhitst of een onder zijn hoede staand dier, wanneer het een mens aan-valt, niet terughoudt; 2e° hij die geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier”.

  • Voldoen aan een eventuele Algemene Plaatse-lijke Verordening, die het houden van bepaalde dieren niet toestaat of aan regels bindt, dit voor de gemeente waar de houder woonachtig is.

Voor beschermde soorten geldt bovendien dat de benodigde papieren moeten kunnen worden over-legd.
Uit tabel 1 blijkt dat ongeveer 400.000 houders van een gezelschapsdier (exclusief ongewervelden) lid zijn van een liefhebberijvereniging. Deze verenigin-gen geven vaak een tijdschrift uit, waarin de leden worden geïnformeerd over allerlei aspecten van hun liefhebberij. Op deze wijze, maar ook bijvoorbeeld door het opzetten van een eigen website en het organiseren van lezingen, kunnen deze verenigingen een belangrijke rol spelen bij de voorlichting van hun leden over het houden en verzorgen van de door hun gehouden soort. Bij de aanschaf van een dier of dierbenodigdheden kan, mits dit via dit kanaal ge-beurt, ook de dierenspeciaalzaak of fokker/kweker een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld door het ver-strekken van folders of verwijzing naar een liefheb-berijvereniging. Echter, er is geen of slechts een mi-nimale controle op de informatie die door liefhebbe-rijverenigingen en de handel en fokkerij aan hun le-den dan wel klanten wordt verstrekt.
Overigens worden niet alle dieren bij de dierenspe-ciaalzaak of de fokker gekocht. Dieren worden ook te koop aangeboden op beurzen, via het liefhebbers-circuit en op het internet. Een deel van deze ver-koopkanalen is oncontroleerbaar.
5. Situatie in andere west-Europese landen en de Verenigde Staten
Duitsland kent een wet voor gevaarlijke honden, maar heeft verder geen uniform beleid inzake poten-tieel gevaarlijke gezelschapsdieren. Het varieert per Bundesland op welke wijze wordt omgegaan met deze groep dieren. Dikwijls kunnen ze vrij ter ver-koop worden aangeboden. In sommige Bundes-ländern is de verkoop en het houden van gevaarlijke dieren wel wettelijk geregeld. Om de deskundigheid in de bedrijfsmatige omgang met dieren in het alge-meen te kunnen garanderen, kent Duitsland een zo-genaamde Sachkundenachweis, waaraan een exa-men verbonden is. Het succesvol afleggen van dit examen is een voorwaarde voor het mogen voeren van een bedrijf. Daarnaast kent Duitsland de zoge-naamde Mindestanforderungen, waarin huisvestings-eisen worden beschreven. Deze Mindestanforde-rungen hebben geen wettelijke status en zijn met name bedoeld voor dierentuinen en de handel.

Ook in de Verenigde Staten varieert het beleid per staat. In sommige staten is een vergunning noodza-kelijk om een potentieel gevaarlijk dier te mogen ko-pen dan wel te houden. In een aantal gevallen moet eerst ervaring worden opgedaan.

In Engeland is er een speciale wet die het houden van gevaarlijke dieren als gezelschapsdier regelt. Dit is de zogenaamde “Dangerous Wild Animal Act”. Doel van deze Act is te borgen dat gevaarlijke dieren zodanig gehouden worden dat zij geen risico voor de samenleving kunnen vormen en het welzijn van de dieren gewaarborgd wordt. Om een diersoort die in de Act genoemd wordt te mogen houden is een ver-gunning nodig. Deze vergunning wordt na strenge toetsing verstrekt door de lokale overheid. Bij het verstrekken van de vergunning kan de lokale over-heid aanvullende eisen stellen. De Act is niet van toepassing op dierenspeciaalzaken, dierentuinen, circussen en wetenschappelijke instellingen. Hier-voor gelden aparte bepalingen.

In Frankrijk is de wijze waarop gevaarlijke dieren ge-



houden moeten worden wettelijk geregeld. Deze die-ren, die in annexes gespecificeerd worden, mogen pas gehouden worden als de houder hiervoor een vergunning of een “Certificat de capacité” heeft.
6. Aanbevelingen over de wijze waarop in de toekomst met de problematiek van potentieel gevaarlijke dieren zou moeten worden omgegaan
Over het op nationaal niveau verbieden van het houden van potentieel gevaarlijke dieren als gezel-schapsdier zijn de meningen verdeeld. Sommige partijen pleiten voor een verbod op het houden van potentieel gevaarlijke diersoorten door particulieren. Andere partijen willen zo ver niet gaan. Wel zijn veel van deze partijen van mening dat het houden van potentieel gevaarlijke dieren vergunningplichtig dient te zijn, waarbij aan het verkrijgen van een dergelijke vergunning voorwaarden kunnen worden gesteld. Vergunningen dienen te worden verstrekt door een onafhankelijke organisatie of, indien dit eerste niet haalbaar is, de verstrekking van vergunningen dient onder toezicht te staan van een onafhankelijke orga-nisatie. Een meldingsplicht voor de houder van po-tentieel gevaarlijke dieren wordt ook door veel par-tijen gesteund. Op deze wijze wordt inzichtelijk welke dieren zich waar bevinden. In geval van een calami-teit kan dergelijk inzicht zeer belangrijk en wenselijk zijn. Een vergunnings- en/of meldingsplicht zijn echter strijdig met het huidige kabinetsbeleid en slui-ten evenmin aan bij de suggestie van de minister van LNV om dit advies met name te gebruiken voor communicatieve doeleinden: “In het Algemeen Overleg met uw Kamer over CITES op 23 september jl. heb ik toegezegd u voor het eind van het jaar te informeren over een integrale positieflijst voor het houden van dieren (artikel 33 van de GWWD). Deze lijst is als zodanig niet op de conferentie besproken. Over de mogelijkheid om een integrale lijst (waar naast welzijnsaspecten ook volksgezondheid en fau-navervalsing worden meegenomen) op te stellen heb ik reeds advies aan de RDA gevraagd. Dit betekent niet dat deze lijst in de wet moet worden opgenomen (dat kan ook niet in de GWWD), wel wil ik dat de rol van een dergelijke lijst in de voorlichting naar de bur-ger ook nadrukkelijk wordt meegenomen, hierbij heeft de sector ook een rol” (brief van de minister van LNV van 11 november 2004 aan de Tweede Kamer).
Door verschillende partijen wordt ook gewezen op de mogelijkheid om aan het verantwoord houden van potentieel gevaarlijke dieren een financiële prikkel te koppelen: een deel van het aankoopbedrag of de kosten voor de vergunning zouden kunnen worden teruggekregen door de houder indien deze kan aan-tonen dat hij voldoende vaardigheden en kennis heeft om op een adequate wijze voor het dier te zorgen. Hier wordt een parallel getrokken met Nieuw Zeeland: hondeneigenaren betalen daar veel hon-denbelasting. Als zij een cursus volgen met hun hond, wordt de te betalen belasting lager. Blijkt de hond een slecht opgevoede hond te zijn, dan stijgt de belasting voor de eigenaar van de hond. De prak-tische uitvoerbaarheid hiervan dient echter nog te worden onderzocht. Ook een hoge aankoopprijs kan fungeren als een financiële prikkel: door een hoge aankoopprijs kan de aankoop van potentieel gevaar-lijke dieren worden ontmoedigd.
De Raad heeft een aantal suggesties en aanbeve-lingen (zie hierna) geformuleerd in geval het houden van potentieel gevaarlijke dieren als gezelschapsdier niet verboden wordt, hetgeen in de lijn der verwach-ting ligt gegeven het huidige kabinetsbeleid. Deze suggesties en aanbevelingen zijn weliswaar toege-spitst op het houden van potentieel gevaarlijke dier-soorten, maar kunnen vrijwel allemaal veralgemeni-seerd worden tot het houden van (alle) diersoorten als gezelschapsdier. De Raad is dan ook van mening dat de haalbaarheid en de uitwerking van deze sug-gesties en aanbevelingen in dat licht aandacht die-nen te krijgen binnen het Forum Welzijn Gezel-schapsdieren dat onlangs door de minister van LNV is geïnstalleerd. Binnen het Forum zal worden ge-sproken over de verantwoordelijkheidsverdeling met betrekking tot het welzijn van gezelschapsdieren en wordt ernaar gestreefd dat de partijen over het bor-gen van het welzijn van gezelschapsdieren met el-kaar afspraken maken. Het lijkt de Raad verstandig de resultaten van het Forum af te wachten en niet vooruit te lopen op de discussie die momenteel bin-nen het Forum plaats heeft. De eerste resultaten van het Forum worden voor het einde van 2005 ver-wacht. Afhankelijk van de resultaten van het Forum dient vervolgens te worden bezien of, en zo ja op welke wijze, de suggesties en aanbevelingen van de Raad nog verdere uitwerking en verankering behoe-ven en wie daarin welke verantwoordelijkheid heeft dan wel kan nemen.
De Raad komt tot de volgende suggesties en aan-bevelingen:

1. Het stellen van eisen aan de houder van poten-tieel gevaarlijke dieren:

a. Kennis en vaardigheden: de houder moet voordat hij/zij een potentieel gevaarlijk dier als gezelschapsdier gaat houden kunnen aantonen dat hij/zij over voldoende kennis en vaardigheden beschikt. Zo blijken Nederland-se terrariumhouders die gebeten of gestoken zijn, vrijwel uitsluitend jonge mannen te zijn, die opmerkelijk vaak zelf niet weten welke soort slang of spin zich in hun terrarium be-vindt (Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (2002). Acute vergiftigingen bij mens en dier – Jaaroverzicht 2002. RIVM rapport 348802020/2003). Schriftelijke infor-matie over het gehouden dier en de gang van zaken bij een calamiteit dient te worden bewaard in de nabijheid van het dier. Onder-deel van de vereiste vaardigheden kan in sommige gevallen zijn het hebben van erva-ring met een vergelijkbare, maar potentieel minder gevaarlijke of niet gevaarlijke soort. Op deze wijze kan een serieuze liefhebber eerst ‘droog oefenen’ alvorens in het ‘diepe’ te worden gegooid. Ook kan worden gedacht aan het verplicht mee lopen met iemand die veel ervaring heeft met het houden van de beoogde soort. Diegenen die een dergelijke diersoort vooral vanuit een zekere sensatie-lust willen houden, zullen hierdoor ontmoe-digd worden;

b. De houder van een giftig dier is verplicht, in-dien van toepassing, deel te nemen aan een nationale serumbank (zie ook punt 3.);

2. Het stellen van eisen aan de handel(aar) (= die-renwinkels, importeurs, groothandel, tussenhan-del, tentoonstellingen, beurzen en hobbyist) in potentieel gevaarlijke dieren:

a. Kennis: de handelaar dient zelf over vol-doende kennis over de diersoort te beschik-ken en dient de kennis van de klant (i.e. de toekomstige houder) te toetsen alvorens de diersoort aan hem te verkopen;

b. Informatieverstrekking: degene die een po-tentieel gevaarlijk dier koopt moet standaard voorafgaand aan de koop door de handelaar geïnformeerd worden over de aard van het beoogde dier. Dit zou kunnen in de vorm van een ‘dierenbijsluiter’. Deze ‘dierenbijsluiter’ zou op een vaste wijze voldoende informatie moeten bieden voor de koper om een gede-gen beslissing over de eventuele koop van het beoogde dier mogelijk te maken. Gedacht kan worden aan een korte checklist en infor-matie over de grootte van het volwassen dier, de voeding, de huisvesting en de kosten. Vergelijkbaar met de energiemeter die bij huishoudelijke apparatuur het stroomverbruik van een apparaat aangeeft, zou een ‘dieren-meter’ (‘groen’ is een soort die geschikt is voor beginners, ‘rood’ is een soort die alleen voor zeer ervaren en deskundige houders geschikt is) ook onderdeel uit kunnen maken van de ‘dierenbijsluiter’;

c. De wijze van houden en verzorgen: het dier dient op aan passende wijze (d.w.z. veilig voor de houder, zijn klanten en de maat-schappij) gehouden en verzorgd te worden. Veel risico’s kunnen worden voorkomen door het gebruik van meer en betere bescher-mingsmiddelen, het aanpassen van vervoers-middelen, etikettering van vrachten, een pro-tocol voor eerste hulp (EHBO’er) en voorlich-ting aan werknemers over risico's. Een risico-analyse die in het kader van de arbowetge-ving in ieder geval gemaakt dient te worden kan een hulpmiddel zijn bij het in kaart bren-gen van potentiële risico’s;



  1. De handelaar is tevens houder van potentieel gevaarlijke dieren en dient derhalve ook te voldoen aan de punten zoals beschreven

onder 1;

3. Het opzetten van een adequate infrastructuur rondom potentieel gevaarlijke dieren: de huidige infrastructuur rondom potentieel gevaarlijke die-ren is onvoldoende. Bij het aanscherpen van de infrastructuur dient er rekening mee gehouden te worden dat niet alleen de houder (en zijn fami-lie), maar ook andere partijen (soms) geconfron-teerd (kunnen) worden met potentieel gevaar-lijke dieren. Denk hierbij aan omwonenden, die-rentuinen, de douane, hulpverleningsdiensten en het leger ‘op oefening’. Niet alleen dient een structuur voor de verwijsfunctie te worden opge-steld, ook het instellen van een Nationaal Serum Depot ziet de Raad als zeer wenselijk. Momen-teel bevindt zich in de Nationale Calamiteiten-voorraad alleen een antiserum voor de inheemse adder. Antisera voor een klein aantal exotische giftige dieren bevinden zich voornamelijk in de depots van dierentuinen. De Raad is een groot voorstander van een Nationaal Serum Depot op één locatie, waar voor het merendeel van de be-ten en steken het juiste serum aanwezig is. De Raad realiseert zich dat een 100% dekking waar-schijnlijk niet haalbaar is. De eventuele verant-woordelijkheid voor een dergelijk Depot ligt overigens niet bij de minister van LNV, maar bij de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Een aantal Europese landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, heeft reeds een Nationaal Serum Depot dat ook sera voor exotische dieren bevat;

4. Het instellen van een meldingsplicht bij een cen-traal meldpunt (dit punt hangt zeer nauw samen met het voorgaande punt; zie echter ook de eer-dere kanttekening in dit hoofdstuk wat betreft

een vergunnings- en/of meldingsplicht):

a. Meldplicht bij de aanschaf van potentieel ge-vaarlijke gezelschapsdieren door de houder: de houder moet de gegevens in de database van het centrale meldpunt kunnen inzien (bijv. via internet) en heeft zelf de verant-woordelijkheid voor het doorgeven van muta-ties. Op deze manier is ten allen tijde bekend welk potentieel gevaarlijk dier zich waar be-vindt. Bovendien kan, indien gewenst, steek-proefsgewijs gecontroleerd worden of poten-tieel gevaarlijke dieren op een adequate wij-ze worden gehouden en verzorgd;

b. Meldplicht bij trauma en ziekten door de be-handelend arts met in achtneming van de privacy van het slachtoffer: de Raad is van mening dat trauma en ziekten die samenhan-gen met het houden van potentieel gevaar-lijke dieren gemeld moeten worden bij het centrale meldpunt. Door een dergelijke meld-plicht bij het centrale meldpunt kan een beter inzicht worden verkregen in het aantal trauma- en ziektegevallen per jaar en de ernst daarvan;

5. De bereikbaarheid en kwaliteit van informatie en het geven van voorlichting: bij het geven van voorlichting over het houden van potentieel ge-vaarlijke diersoorten en de consequenties die aan het houden van dergelijke soorten verbon-den (kunnen) zijn, kan van verschillende midde-len en kanalen gebruik worden gemaakt. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een web-site, aandacht voor dit thema in televisieprogram-ma’s, het verstrekken van dierenbijsluiters door de handel, publicatie van advertenties en aan dit onderwerp gerelateerde artikelen in tijdschriften en het beschikbaar stellen van informatie via lief-hebberijverenigingen. De Raad is van mening dat de informatie gemakkelijk toegankelijk moet zijn en dat de kwaliteit van de verstrekte informa-tie niet ter discussie mag staan. Een gezagheb-bend, landelijk (coördinerend) (advies-)orgaan kan hierbij een rol spelen. De Raad wijst erop dat niet alleen de handel en liefhebberijverenigingen een verantwoordelijkheid hebben bij het geven van voorlichting. De Raad ziet in dezen ook een taak weggelegd voor dierenartsen en het onder-wijs. Uiteraard heeft ook de houder van poten-tieel gevaarlijke dieren een verantwoordelijkheid: hij moet zelf actief op zoek gaan naar informatie om zo op de hoogte te blijven van recente ont-wikkelingen. Overigens dient de voorlichting niet alleen gericht te worden op (potentiële) houders, maar ook op de gehele Nederlandse samenle-ving. Veel van de maatschappelijke onrust bij het (vermeende) ontsnappen van (mogelijk) poten-tieel gevaarlijke diersoorten en de daaruit voort-vloeiende discussie over het al dan niet verbie-den van het houden van potentieel gevaarlijke dieren komt voort uit een onjuiste informatie-verstrekking, gebrek aan kennis en het vaak lage aaibaarheidsgehalte van de ontsnapte soort. Dat andere soorten met een hoger aaibaarheidsge-halte ook gevaarlijk kunnen zijn, realiseren veel mensen zich vaak onvoldoende;

6. Een verbod op het doelbewust kruisen van giftige diersoorten en vernietiging van de nako-melingen: met name bij kruisingen van verschil-lende slangensoorten kunnen grote risico’s ont-staan door de vorming van onbekende en soms zeer sterke toxinen. De Raad is er derhalve voor-stander van dat dergelijke kruisingen verboden worden dan wel dat de nakomelingen van een dergelijke kruising vernietigd moeten worden.


Een aantal van de hierboven beschreven suggesties en aanbevelingen sluit niet aan bij de uitgangs-punten van het huidige kabinet. Dit betreft vooral de suggesties en aanbevelingen waarbij door een groot aantal belanghebbenden gepleit wordt voor een wet-telijke verankering. Zoals hiervoor reeds werd aan-gegeven acht de Raad het wenselijk de door hem geformuleerde suggesties en aanbevelingen eerst bij het Forum neer te leggen. Binnen het Forum dient te worden bezien op welke wijze vorm kan worden ge-geven aan de hierboven beschreven suggesties en

aanbevelingen.


7. Tot slot: Flora- en faunawet en CITESbijlagen
Op 1 augustus 1995 trad de Wet bedreigde uitheem-se dier- en plantensoorten (Budep) in werking om de illegale handel in exotische dieren en planten aan te kunnen pakken. De Wet Budep gaf uitvoering aan de Europese regelgeving op het gebied van bedreigde dier- en plantensoorten en aan het zogenaamde CITES-verdrag (CITES: Convention on International Trade in Endangered Species of wild fauna and flo-ra). In 1973 werd dit verdrag in Washington geslo-ten (www.openbaarministerie.nl). Op 1 juni 1975 trad het verdrag in werking. Momenteel hebben 167 lan-den het verdrag ondertekend (www.cites.org).
Op 1 april 2002 trad de Flora- en faunawet in wer-king. Met de Flora- en faunawet kwam een einde aan de wet Budep (Journaal Flora en fauna (2004), nr. 1). Ook de Flora- en faunawet regelt de bescher-ming van wilde planten en dieren. Het accent ligt daarbij zowel op inheemse dieren (zoals vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en dagvlinders) en planten (bijvoorbeeld vaatplanten) (www.rivm.nl), als op (de internationale handel in) uitheemse dieren en planten (de Europese interpretatie van het CITES- verdrag). De Flora- en faunawet is vooral een kader-wet, maar normatieve elementen, zoals een zorg-plichtbepaling, komen ook in deze wet voor. Naast de Wet Budep zijn in de Flora- en faunawet ook de Nuttige dierenwet, de Vogelwet, de Jachtwet en de soortenbeschermingsbepalingen van de Natuurbe-schermingswet opgenomen. In de Flora- en fauna-wet wordt niet alleen verwezen naar soorten die in het CITES-verdrag (basisverordening a) zijn opgeno-men, maar ook bijvoorbeeld naar soorten uit de Ha-bitatrichtlijn. Eén en ander maakt de Flora- en fauna-wet tamelijk complex (Journaal Flora en fauna (2004), nr. 1).
Het CITES-verdrag kent drie bijlagen met dier- en plantensoorten. Op dit moment vallen er zo’n 5000 soorten bedreigde dieren en 25.000 bedreigde plan-ten onder CITES. In bijlage I zijn de soorten opge-nomen die direct met uitsterven bedreigd worden. De handel in deze soorten is aan zeer strenge regels gebonden. Op de CITES-bijlage II staan soorten die niet direct met uitsterven bedreigd worden. Handel in deze soorten is toegestaan, maar aan regels gebonden. Vergunningen moeten garanderen dat de handel in deze planten en dieren niet bedreigend is voor in het wild levende populaties. Op CITES-bijlage III staan soorten die in specifieke landen worden beschermd tegen de handel (www.cites.org). Europese regelgeving zorgt ervoor dat de lidstaten van de Europese Unie de CITES-regels op dezelfde manier toepassen. Op sommige terreinen is de Euro-pese regelgeving strenger dan CITES. Voor het hou-den, kopen en verkopen van in gevangenschap ge-boren dieren is de regelgeving in het algemeen min-

minder streng (www.minlnv.nl/).


In de discussie over het houden van (exotische) die-ren wordt vaak gerefereerd aan de drie CITES-bijla-gen. In bijlage I is daarom in de laatste kolom aan-gegeven welke soorten op welke van de drie CITES-bijlagen voorkomen.
De Raad hecht er aan op te merken dat het CITES-verdrag uitsluitend betrekking heeft op de internationale handel. Behoudens regelgeving met betrekking tot transport houdt CITES zich niet bezig met dierenwelzijn, maar uitsluitend met soort-bescherming; dit laatste geldt ook voor de Flora- en faunawet. De Europese CITES-regelgeving kent wel regels met betrekking tot het houden van dieren, met name voor uit het wild afkomstige exemplaren van soorten van bijlage A van de Europese CITES-regelgeving. Steeds vaker worden in CITES-verband begrippen zoals ‘sustainable use’ en ‘wise use’ gehanteerd. Uitgangspunt van deze begrippen is dat een goed geregelde beperkte handel in planten en dieren, die de natuurlijke populatie in een leefgebied niet aantast, ten goede kan worden aangewend tot behoud van soorten en leefgebieden.

BIJLAGEN




1. positieflijsten van zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen en lijst van ongewervelden
Tabel 1: Positieflijst van zoogdieren

Positieflijst zoogdieren


Nederlandse benaming 1

Aan te merken als ‘potentieel gevaarlijk’?

Op CITES-lijst?

Orde Didelphimorphia

Buideldieren







Familie Didelphidae

Opossum







Soort Didelphis marsupial-

lis

Noordamerikaanse opossum







Soort Monodelphis do-

mesticca

Kortstaartopossum










Orde Dasyuromorphia

Roofbuideldieren







Familie Dasyuridae










Soort Dasyuroides byrnei

Kowarie










Orde Diprotodontia

Platenetende buideldieren







Familie Phalangeridae

Klimbuideldieren







Soort Trichosurus vulpecu-

la

Gewone voskoesoen



















Familie Macropodidae

Kangoeroes







Soort Macropus eugenii

Tamarwallabi







Soort Macropus parma

Parmawallabi







Soort Macropus rufogrisea

Bennetwallabi







Soort Macropus agilis

Zandwallabi










Orde Insectivora

Insecteneters







Familie Erinaceidae

Egels



















Familie Tenrecidae

Tenreks







Genus Tenrec










Genus Echinops










Genus Hemicentetes










Genus Setifer










Genus Dasogale






















Familie Soricidae

Spitsmuizen










Orde Scandentia

Boomspitsmuizen







Familie Tupaiidae

Toepaja’s







Soort Tupaia glis







Ja (bijlage II)




Orde Carnivora

Roofdieren







Familie Canidae

Hondachtigen







Soort Canis familiaris

Huishond

Ja (bijten: alle honden omdat hon-den veel in contact komen met kin-deren)
















Familie Procionidae










Soort Procyon lotor

Wasbeer







Soort Nasua narica

Witsnuitneusbeer




Ja (Costa Rica, bijlage III)

Soort Nasua nasua

Neusbeer




Ja (Nasua nasua solitaria (Uru-guay), bijlage III)

Soort Potos flavus

Rolstaartbeer




Ja (Honduras, bijlage III)













Familie Mustelidae

Marterachtigen




Ja (Lutrinae sp. (bijlage II) m.u.v. Aonyx congicus (uitsluitend popula-ties in Kameroen en Nigeria), Enhy-dra lutris nereis, Lontra felina, Lon-tra longicaudis, Lontra provocax, Lutra lutra en Pteronura brasiliensis (bijlage I))

Soort Mustela putorius

Fret







Soort Mustela vison

Nerts







Genus Amblonyx

Dwergotters



















Familie Viverridae










Soort Cynictis peniciullata

Vosmangoest







Soort Genetta genetta

Genetkat







Soort Mungos mungo

Zebramangoest







Soort Suricata suricata

Stokstaartje



















Familie Herpestidae

Civetkatten




Ja (Cryptoprocta ferox, bijlage II; Herpestes brachyurus fuscus (In-dia), Herpestes edwardsii (India), Herpestes javanicus auropunctatus (India), Herpestes smithii (India), Herpestes urva (India) en Herpes-tes vitticollis (India), bijlage III)













Familie Felidae

Katachtigen







Soort Felis lybica domesti-

ca (= Felis silvestris do-

mestica)

Huiskat




Ja (bijlage II; voorzieningen van de conventie gelden niet voor gedo-mesticeerde vormen)

Soort Felis chaus 3

Moeraskat



Ja (bijlage II; voorzieningen van de conventie gelden niet voor gedo-mesticeerde vormen)

Soort Felis caracal 3

Caracal




Ja (bijlage II; voorzieningen van de conventie gelden niet voor gedo-mesticeerde vormen; NB Caracal caracal (uitsluitend populatie in Azië) staat in bijlage I!)

Soort Felis bengalis 3

Luipaardkat




Ja (bijlage II; voorzieningen van de conventie gelden niet voor gedo-mesticeerde vormen)

Soort Felis lynx 3

Lynx




Ja (bijlage II; voorzieningen van de conventie gelden niet voor gedo-mesticeerde vormen; NB Lynx par-dalis staat in bijlage I!)

Soort Felis serval 3

Serval




Ja (bijlage II; voorzieningen van de conventie gelden niet voor gedo-mesticeerde vormen)




Orde PERISSODACTYLA

Onevenhoevigen







Familie Equidae

Paarden

Ja (bijten, trappen)

Ja (Equus africanus (m.u.v. de ge-domesticeerde vorm (Equus asinus) waarop de voorzieningen van de conventie niet van toepassing zijn), Equus grevyi, Equus hemionus hemionus, Equus onager khur, Equus przewalskii en Equus zebra zebra, bijlage I; overige ondersoor-ten van Equus hemionus, Equus kiang, overige ondersoorten van Equus onager en Equus zebra hartmannae, bijlage II)




Orde Artiodactyla

Evenhoevigen







Familie Suidae

Varkens







Genus Sus

Zwijnen

Ja (bijten, stoten)

Ja (Sus salvanius, bijlage I)













Familie Tayassuidae

Pekari’s







Genus Peccari

Pekari’s

Ja (bijten)

Ja (bijlage III, m.u.v. de populaties Pecari tajacu in Mexico en de VS, die niet in de bijlagen zijn opgeno-men)













Familie Camelidae

Kamelen en lama’s

Ja (bijten, trappen, m.n. kameel en dromedaris)

Ja (Lama guanicoe en Vicugna vi-cugna (m.u.v. een aantal populaties in Argentinië, Bolivia, Chili en Peru, welke zijn opgenomen in bijlage II), bijlage I)













Familie Tragulidae

Dwergherten







Genus Tragulus

Kantjils



















Familie Cervidae

Herten

Ja (stoten, trappen)

Ja (Axis calamianensis, Axis kuhlii, Axis porcinus annamiticus, Blasto-cerus dichotomus, Cervus duvauce-lii, Cervus elaphus hanglu, Cervus eldii, Dama mesopotamica, Hippo-camelus sp., Megamuntiacus vu-quanghensis, Muntiacus crinifrons, Ozotoceros bezoarticus en Pudu puda, bijlage I; Cervus elaphus bac-trianus en Pudu mephistophiles, bijlage II; Cervus elaphus barbarus (Tunesië), Mazama americana ce-rasina (Guatemala) en Odocoileus virginianus mayensis (Guatemala), bijlage III)













Familie Bovidae

Runderen, schapen en geiten







Genus Bos 3

Runderen

Ja (stoten, trappen)

Ja (Bos gaurus (m.u.v. de gedo-mesticeerde vorm (Bos frontalis) op welke de voorzieningen van de conventie niet van toepassing zijn), Bos mutus (m.u.v. de gedomesti-ceerde vorm (Bos grunniens) op welke de voorzieningen van de conventie niet van toepassing zijn) en Bos sauveli, bijlage I)

Genus Bison 3

Bisons

Ja (stoten, trappen)

Ja (Bison bison athabascae, bijlage II)

Genus Ovis

Schapen




Ja (Ovis ammon hodgsonii, Ovis ammon nigrimontana, Ovis orienta-lis ophion en Ovis vignei vignei, bijlage I; overige soorten van Ovis ammon, Ovis canadensis (uitslui-tend de populatie in Mexico) en overige ondersoorten van Ovis vignei, bijlage II)

Genus Capra

Geiten




Ja (Capra falconeri, bijlage I)

Genus Ammotragus

Manenschapen




Ja (Ammotragus lervia, bijlage II)




Orde Rodentia

Knaagdieren







Familie Sciuridae

Eekhoorns







Genus Cynomys

Prairiehonden




Ja (Cynomys mexicanus, bijlage I)

Genus Funambulus

Palmeekhoorns







Genus Sciurotamais

Rotseekhoorns







Genus Callosciurus

Driekleureekhoorns







Genus Heliosciurus, soort

Spermophylus tridecemline-

atus

Dertienstreep grondeekhoorn







Genus Heliosciurus, soort

Sciurus carolensis

Grijze eekhoorn







Genus Heliosciurus, soort

Sciurus gramatensis koff-

mani










Genus Heliosciurus, soort

Sciurus igneventris

Peruaanse witnekeekhoorn







Genus Heliosciurus, soort

Sciuris lis

Japanse eekhoorn







Genus Heliosciurus, soort

Sciurus niger

Amerikaanse voseekhoorn







Genus Heliosciurus, soort

Sciurus variegatoides






















Familie Dipodidae










Soort Jaculus jaculus

Woestijnspringmuis







Soort Jaculus orientalis

Reuzenwoestijnspringmuis



















Familie Muridae

Ratten, muizen, hamsters en gerbils







Genus Calomyscus

Muishamsters







Genus Mus

Muizen







Genus Micromys

Dwergmuizen







Genus Rattus

Ratten







Genus Leggada

Afrikaanse dwergmuizen







Genus Lemniscomys

Grasmuizen







Genus Acomys

Stekelmuizen







Genus Arvicanthis

Koesoegrasratten







Genus Mastomys

Veeltepelmuizen







Genus Cricetomys

Reuzenhamsterratten







Subfamilie Cricetinae

Hamsters







Subfamilie Gerbillinae

Gerbils



















Familie Myoxidae (Gliridae)










Genus Graphiurus, soort

Glis glis

Zevenslaper



















Familie Hystricidae

Stekelvarkens







Genus Hystrix

Echte stekelvarkens




Ja (Hystrix cristata (Ghana), bijlage III)













Familie Chinchillidae

Chinchilla’s







Genus Chinchilla lanigera,

soort Lagidium viscacia



Cuvierhaasmuis




Ja (bijlage I; voorzieningen van de conventie gelden niet voor gedo-mesticeerde soorten)













Familie Caviidae

Cavia’s







Soort Cavia aperea

Cavia







Soort Cavia porcellus

Tamme cavia







Soort Dolochotis patago-

num

Mara



















Familie Octodontidae

Schijnratten en degoe’s







Genus Octodon

Struikratten (degoe)







Genus Spalacopus

Koeroeroe



















Familie Myocastoridae

Beverratten







Genus Myocastor

Beverratten (nutria’s)










Orde Lagomorpha

Hazen en konijnen







Familie Leporidae










Genus Lepus 2

Alleen de gedomesticeerde konij-nen








1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina