S s (Grieks) sigma sa Franse naamval, komaan, tsa, welaan saai



Dovnload 1.92 Mb.
Pagina3/31
Datum22.07.2016
Grootte1.92 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   31

schaven - afschrappen, effenen, gladmaken, schavelen, schuren, vlakken, zoeten

schavotkleurig - vaalrood

schaver - bankwerker

schavot - executieplaats, stellage, stelling

schavotkleurig - vaalrood

schavotpaal - geselpaal

schavuit   bandiet, bengel, bink, boef, boosdoener, deugniet, fielt, galgebrok, guit, hellebrok, (Ind.) katjang, kwajongen, misdadiger, onverlaat, ploert, rabaut, raddraaier, rakker, rover, schelm, schobbejak, schoelje, schoft, schurk, snaak, snoodaard

schavuitenstreek - banditisme, misdrijf, schelmerij

schede - etui, foedraal, groef, koker, omhulsel, verbinding, vagina, wig

schedediertje - kokerdiertje

schedekundige - cranioloog

schedel   bekkeneel, cranium, (doods)kop, doodshoofd, hersenkas, hersenpan

Schedelberg   Calvarieberg, Golgotha

schedelbeschouwing   cranioscopie

schedelboor   trepaan

schedelboring - trepanatie

schedelbreuk - elytrocele, schedelfractuur

schedel, deel van de - achterhoofdswiggebeen, bovenkaak, hersenpan, jukbeen, mondholte, neusbeen, neusholte, onderkaak, oogkas, ploegschaarbeen, slaapbeen, traanbeen, verhemeltebeen, voorhoofdsbeen, wandbeen, zeefbeen

schedelhuid met het daarbij behorende hoofdhaar- scalp

schedelinhoud - hersens

schedelkapje - kalot, keppeltje, kipa, pileolus

schedelkapje van geestelijken - solidee

schedelleer   craniologie, frenologie, gallisme

schedellichten - trepanatie

schedelloos visje   lancet

schedelloze dieren - acrania

schedelmeter   cefalometer

schedelmeting - craniometrie

schedelmutsje - kalot

schedeloperatie - trepanatie

schedeloperatie instrument   craniotoom, trepaan

schedelplaats   Golgotha, Calvarieberg

schedelpunt - kruinpunt, zenith

schedelvorm - brachycefaal, dolichocefaal, mesocefaal,

schedeontsteking - vaginitis



schedespoeling - irrigatie

scheef   afkeurend, aflopend, afval (hennep, vlas), afwijkend, dwars, faliekant, hellend, krom, onzuiver, obliquus, oplopend, scheluw, schots, schuin, vals, verkeerd, vertrokken

scheef lopen - geren

scheefbloem - iberis, umbellata

scheefhals - torticollis

scheefheid - asymmetrie, ebliquiteit

scheefhoekige vierhoek - ruit

scheefkelk – arabis

scheefliggend - dwars

scheeflopen - mislukken, ontsporen

scheel   afgunstig, akkerhoornbloem, deksel (gew.), dwarsziende, geschil, ginoffel, haarscheiding, loens, louche, ogentroost, onvriendelijk, scheluw, twist, verschil

scheel zien   helosis, heteroforie, loensen, strabisme, strabismus, strabositeit

scheelheid - strabisme

scheeliet - tungsteen

scheelvet - darmvet, plukvet

scheem - schaduw

scheenbeen - tibia

scheepmaker – scheepsbouwer

scheepsadministrateur - purser

scheepsaffuit - rolpaard

scheepsbalk - steng

scheepsbed - kooi

scheepsbehoeften - pasotille

scheepsbeitel - kaaf, kaafijzer

scheepsbemanning   crew, equipage, hens, janmaat, matroos, scheepsvolk

scheepsbeplanking - boeisel

scheepsbeschuit - kaak, zeekaak

scheepsbevrachter   cargadoor, stuwadoor

scheepsbewijs - bijlbrief

scheepsbezitter   reder

scheepsboek - journaal, logboek

scheepsboek bij de marine - devies

scheepsborrel - oorlam

scheepsbouw   bras, gei, kabel, stag, takelage, toppenant tros, tui, tuig, val, want

scheepsbouwbedrijf - scheepmakerij, werf

scheepsbouwer - scheepmaker

scheepsbouwproefstation - proefdok, sleeptank

scheepsdagboek - journaal, logboek

scheepsdeel   anker, bak, berghout, boeg(beeld), brug, campagne, davit, dek, huid, kajuit, kasteel, kiel, kombuis, kraaiennest, mast, plecht, ra, roer, ruim, schegbeeld, spant, steven, vooronder, zeeg

scheepsdek   dek, plecht, promenade, promenadedek, tussendek, verdek

scheepsdeken - kombaars

scheepsdokter   chirurgijn

scheepsdweil - zwabber

scheepseigenaar   reder, uitruster

scheepsemmer   puts

scheepsexploitant   reder, scheepseigenaar, uitruster

scheepsgeleide - convooi

scheepsgeleider   loods

scheepsgeraamte   casco, inhoud, karkas

scheepsgerei   mast, tui, zeil

scheepsgezagvoerder - kapitein

scheepsgezel - matroos, varensgezel

scheepsgids - loods

scheepsgoot - mamiering

scheepshelling - kieling, overtoom, werf

scheepsherstelplaats   dok, kade, helling, werf

scheepshut - cabine, kooi

scheepsinhoud - ton, tonnage

scheepsinstrument - kompas, radar

scheepsjongen - ketelbinkie, putger, zeun(tje)

scheepsjournaal - dagboek, logboek

scheepskabel - tui

scheepskamer - kajuit

scheepskamer voor officieren - longroom

scheepskanon - carronade

scheepskatrol - geiblok

scheepskeuken   kombuis

scheepskist - zeemanskist

scheepskoopman - tagrijn

scheepsladder   touwladder

scheepslader   stuwadoor

scheepslading - ballast, carga, cargo, last, tonnage, vracht, vrachtgoed

scheepslantarentje - kattekop

scheepslek - wan

scheepsleuning - reling

scheepslicht   fanaal

scheepslichter - bok, kameel

scheepslier - winch

scheepsloon - gage

scheepsmaat   ton, tonnage, nt.

scheepsmaat   matroos

scheepsmakelaar - cargadoor

scheepsmatras   bultzak

scheepsmelder - hydrofoon

scheepsneus   steven

scheepsondernemer   reder, scheepsexploitant uitruster

scheepsonderneming - rederij

scheepsonderofficier   schieman

scheepspapier - manifest, metbrief, monsterrol, zeebrief

scheepspassagier   opvarende

scheepspersoneel - bemanning

scheepsraam - patrijspoort

scheepsreis - vaart

scheepsriool - durk, hoosgat

scheepsroeper - megafoon

scheepsroer - stuur

scheepsromp   casco

scheepsruim voorin   vooronder

scheepsruimte   tonnage

scheepsschade - averij

scheepsschoonmaker   classificeerder

scheepssignaal - misthoorn

scheepsstrijd - naumachie

scheepsstut - apostel

scheepstakel - gei, lier, talie

scheepsterm   bakboord, bestek, giro, kabel, kombuis, kompas, laveren, loevert, log, peilen, peiling, ra, reling, roerganger, sextant, stuurboord, want

scheepstimmerbedrijf - werf

scheepstimmerwerf - helling, scheepswerf

scheepstocht - cruise, talie

scheepstouw - bakstag, bram, bramzeil, bras, dirk, gei, greling, gijn, hals, kabel, kabelaring, takelage, leng, lijk, lijn, marlijn, pardoen, putting, raband, rakketalie, ralak, ralijk, ralijn, reep, schinkel, schoot, sleeptros, slijp, stag, stopper, talie, talreep, tamp, toppenant, tros, trijs, tui, tuigage, val, want, zeel, zoomtouw

scheepstrap - valreep

scheepstros - kabel

scheepstuig   laadboom, ra, takelage, want

scheepstype - coaster

scheepsuitruster   reder

scheepsuitrusting - apparel

scheepsverblijf   hut, kajuit, kombuis, kooi, lounge, roef, vooronder

scheepsverrekijker - nauscoop

scheepsvlag - maatschappijvlag, stander, topstander

scheepsvloer   achterdek, campagnedek, dek, promenadedek, verdek, voordek

scheepsvolk - bemanning, zeelieden, zeelui

scheepswacht - hondenwacht, dagwacht, platvoet

scheepswand - boord

scheepswant - takelage

scheepswending - boegslag, slagboeg

scheepswerf - helling, holm, kielkade

scheepswerkplaats   werf

scheepswerktuig - handspaak, windboom

scheepswezen - nautiek

scheepswrak   casco

scheepszoetelaar - kadraai, parlevinker

scheepszwabber - dweiil, kog

scheepvaart   koopvaardij, nautiek, navigatie, rederij, riviervaart, zeevaart

scheepvaartbedrijf   rederij

scheepvaart betreffend - nautisch, navaal

scheepvaartmisdrijf - muiterij, zeeroof

scheepvaartondernemer   reder, uitruster

scheepvaartondememing   rederij

scheepvaart, tak van - binnenvaart, carbotage, kustvaart, lijnvaart, trampvaart

scheepvaarttermen -

2 ra

3 aap, bak, dek, fok, gei, hak, hek, mik, rol

4 bark, brem, brik, brug, geus, kiel, klik, last, luik, rara, roer,

ruim, want, zeeg



5 anker, bilge, boord, davit, ralijk, scheg, sloep, staag, steng,

tjalk, vrang



6 beting, bezaan, bonnet, bramra, fregat, gaffel, girder, gusset, hommer, kompas kotter, leuver, logger, plecht, rahout, ralijst, ratuig, razeil, reling, steven, tanker, zaling

7 aapzeil, brassen, breefok, conster, dekhuis, deklast, dokkiel, fokkenra, klamaai, kluiver, kraaien, krabber, lastlijn, pardoen, perdoen, railing, reehout, roerpen, roerpot, schegge, snijzeil, spardek, stagfok, tentdek, valreep, vissing, vulling

8 bagijnera,bakboord, brambras, bramstag, bramwant, bramzeil, broeking, brughuis, diepgang, journaal, kampanje, koftjalk, laadboom, laadruim, mastdoft, raveling, schoener, sjorring, slederak, spanblok, stagzeil, volschip, vrijboord, windboom

9 begijnzeil, boeganker, boegbeeld, bootshaak, bramsteng, drifthoek, fokkemast, grootzeil, handspaak, kokerkiel, kruismast, kruiszeil, lummelpot, marssteng, mastkloot, maststoel, ondermast, rakkeslee, schavotje, stampstok, stokanker, tunnelwel, wulfspoor

10 ankerkluis, barkentine, boegspriet, druilsmast, gaffelzeil, kruissteng, paternoster, piekleuver, schegbeeld, schuurgang, shelterdek, stakelvuur, stengestag, stengewant, stuurboord, trunkschip, vingerling

11 bezaansboom, brikkentine, broodwinner, deplacement, kluiverboom, patrijspoort, roosterbaar, schaamplaat, schoverzeil, spankerboom, stagzeilval, stakellicht, stroomanker, turretschip, vrachtschip

12 bovenkruisra, grietjesteng, kuildekschip, onderkruisra, Plimsoll-merk, schoenerbark, schoenerbrik, schoenerzeil

13 bezaansgaffel, torendekschip, voorbramsteng, voormarssteng

14 bovenbramsteng, bovengrietjera, gaffelschoener, grootbramsteng, grootmarssteng, kofferdekschip, ondergrietjera, schotsmannetje

15 drie-eiland-schip, aheltordakschip, topzeillschoener, voorbovenbramra, vooronderbramra

16 grootbovenbramra, grootonderbramra, voorbovenmarsera, voorondermarsera

17 bovengrietjesteng, grootbovenmarsera, grootondermarsera

gaftopzeilschoener



scheepvaartwezen   nautiek

scheer - gierzwaluw

scheerapparaat - shaver

scheerbaas   baardscheerder, baardschrapper, barbier, coiffeur, figaro, kapper, schrapper, styler

scheerbalk - hanebalk

scheerbenodigdheden   aftershave, aluin, crème, kwast, mesje, preshave, scheercrème, scheerkwast, scheermes, scheerspiegel, zeep

scheerbliek - brasem

scheerder - barbier, ploter

scheergebint - kapspant

scheergerei - aftershave, aluin, crème, kwast, mesje, preshave, scheercrème, scheerkwast, scheermes, scheerspiegel, zeep

scheerhout - aanbinder

scheerling - hondpeterselie, kervel, pijpkruid, waterscheerling

scheerlings - rakelings

scheerlijn - tui,

scheernabewerking - aftershave

scheersalon - kapperszaak

scheersteen - aluin

scheerstok - luikondersteuning, merkei

scheervink - kruisbek

scheervoorbewerking - preshave

scheerwinkel - barbierszaak, kapperszaak

scgeerzolder - vliering

scheg   homp, keg, klamp, wig

schegbeeld - boegbeeld

schegbord - kamhout

schei - dwarsdrijver, dwarshout,dwarslat, sleutelstuk

scheiboter - schaapjesboter

scheidbaar - afscheiding, separabel

scheiden – afbreken, afzonderen, breken, doorhakken, heengaan, klieven, losgaan, ontbinden, ontkoppelen, schiften , schisma, selecteren, separatie, separeren, splitsen, uiteengaan, verbreken, verdelen, vertrekken

scheiden uit het leven - doodgaan, sterven

scheidend - dialytisch, disjunctief, ontbindend, oplossend

scheiding - afbakening, afreis, afscheid, afscheiding, afzondering, breuk, decompositie, dialyse, discessie, disjunctief, grens, grenslijn, haag, heg, marge, rading, scheidingslijn, schisma, scissie, schot, schutting, separabel, separatie, splitsing, trouwbreuk, verbreking, verdeling, vertrek

scheiding bewerkend - separatief

scheiding binnen de kerk - scheuring, schisma

scheiding in delen   verdeling

s cheiding in het haar - naad

scheiding in kleding - naad

scheiding tussen landen - grens

scheiding van grondsoorten - analyse, granulair

scheiding van het hoofdhaar - luizenpad

schiding van metalen - loutering

scheiding van stoffen door een membraan - dialyse

scheiding van tafel en bed - stb

scheiding van tuinen - haag

scheidingsgrond - echtbreuk, overspel

scheidingslijn   afbakening, demarcatielijn, grens, grenslijn, rading, scheidingslinie

scheidingsmethode - chromatografie, destillatie, extractie

scheidingsteken - trema

scheidingswand, niet benige - diafragma

scheidpaal - grenspaal, limiet

scheidsgerecht - arbitragecommissie, jury

scheidsman   arbiter, scheidsrechter

scheidsmuur   beletsel, hinderpaal, tussenmuur

scheidsrechter   arbiter, arbitrageant, bemiddelaar, expert, goeman, ombudsman, referee, scheidsman, secondant, umpire, wedstrijdleider

scheidsrechter die de thuisclub bevoordeelt - homereferee

scheidsrechter in de strijd om appel (myth.) - Paris

scheidsrechteren - fluiten

scheidsrechterlijk - arbitraal, arbitrair, compromissaal

scheidsrechterlijk beslissen - arbitreren

scheidsrechterlijke beslissing - arbitrage

scheidsrechterlijke uitspraak - arbitrage

scheikunde   chemie

scheikunde der metalen - metallochemie

scheikunde der zouten - halochemie

scheikunde in de dienst der geneeskunde - iatrochemie

scheikunde van de aardbodem - geochemie

scheikunde van het leven   biochemie

scheikundig - chemisch

scheikundig bereide stoffen - chemicaliën

scheikundig element   zie: elementen

scheikundig gebeuren   reactie

scheikundig symbool - ce, er, eu, ne, ni, se, sm, ta

scheikundig zuur uit vet afgescheiden - vetzuur

scheikundige   analist, analiste, chemicus, chemieker, laborant, Berzelius, Lavoisier, Liebig, Nobel, Zernicke

scheikundige aanduiding - ar, lu, ne, pt, se, sk, sn

scheikundige benaming voor stoffen die de carbonylgroep bevatten - keton

scheikundige bewerking - reactie

scheikundige in een laboratorium - laborant

scheikundige meetkunde - stoichiometrie

scheikundige omzetting - reactie

scheikundige preparaten - chemicaliën

scheikundige reactie bevorderend - katalysator

scheikundige term   agens, analyse, anion, anode, atomisme, atoom, base, derivaat, disomeer, dispersie, dissociatie, educt, emulsie, ester, formule, gel, hydroxyde, ion, katalyse, koolmonoxyde, loog, neerslag, oxyde, reactie, reagens, suspensie, verbinding, zout, zuur

scheikundige verbinding   base, dimeer, disomeer, ester, ether, hydroxide, loog, oxyde, reagens, zout, zuur,

scheikundige werking   reactie

scheil   mesenterium

scheilijn   grenslijn

scheilvet   darmvet

scheipaal   grenspaal

scheitebroek - lafaard

scheiwater - salpeterzuur

scheiweg - kruisweg

scheizer - steengaver

schel - bel, deurbel, doordringend, fel, geluid (onaangenaam), grel, hel, helder, licht, oogvlies, schil, schril, verblindend
schel doordringend schreeuwen - krijsen

schel lawaai maken - rellen

schelden - beledigen, foeteren, honen, knorren, kijven, razen, schimpen, tieren, uitjouwen, uitkafferen, uitvaren, vloeken

scheldnaam - schimpnaam, spotnaam

scheldnaam der Patriotten (18e eeuw) - kees

scheldnaam voor een agent - klabak

scheldnaam voor Dordrechtenaar - schaapskop

scheldnaam voor een Duitser   böche, mof

scheldnaam voor een Nederlander - Hollander, kaaskop

scheldnaam voor een niet-mohammedaan - giaur

scheldnaam voor een Spanjaard - maraan, spekjan

scheldnaam voor Hollander - kaaskop

scheldnaam voor jood - smous

scheldnaam voor Leidenaar - blauwmuts

scheldnaam voor protestanten en calvinisten - geus

scheldnaam voor Rotterdammer - stoepenschijter

scheldnaam voor vrouwen en meisjes - taart

scheldpartij - tirade

scheldwoord   belediging, invectief, lamstraal, rotstraal, schimpwoord

scheleend - brilduiker, brileend, klappereend, kwakereend

schele hoofdpijn   migraine

schelen - afwijken, haperen, mankeren, ontbreken, schorten, verschillen

schelf   bies, bres, garf, garve, hooihoop, hooistapel, hoop, klamp, korenhoop, mijt, opper, riet, stapel, tas

Schelfzee - Rietzee

schelklinkende trompet - klaroen

scheikruid   gouwe

schellak   gomlak

schelle hoofdpijn - hemicrania

schelle kreet   gil, krijs

schellen   bellen, luiden

schelletje - klingel

schellinkje - engelenbak

schelm   bedrieger, bengel, bliksem, boef, boosdoener, booswicht, deugniet, dief, gannef, guit, kwajongen, leperd, ondeugd, picaro, plurk, rabaut, rakker, schalk, schavuit, schobbejak, schurk, slimmerd, spitsboef, snaak, vagebond

schelm (Fr.) - coquin

schelm (Ind.) - bangsat

schelm (Sp.) - picaro

schelmachtig - gemeen, ondeugend, picaresk

schelmenroman - picaresk

schelmenstreek - bedriegerij, schelmerij, schurkerij

schelmerij   bedriegerij, euveldaad, schurkerij, schurkenstreek

schelmpje - boefje

schelms - grappig, guitig, schalks, schurkachtig, schurkenstreek, schurkerij

schelmstuk   euveldaad, schelmerij

schelp - bunzing, concha, hoorn, kabouter, kinkhoorn, schulp, schaal, wulk

schelp- en schaaldieren - conchifera, conchylieën

schelpaarde   kalkmergel

schelpdier   eendenmossel, gaper, kokhaan, kokkel, mossel, nautilus, nonnetje, oester, paalworm, slak, ulk, weekdier

schelpdieren - conchifera, conchyliën

schelpenkunde - conchyliologie

schelpgrind - crag

schelpkalk - muschelkalk

schelpkreeften - ostracada

schelpengruis   grit

schelpenvorm - harp, kasket, klipkousnaals, rol, stormhoed, toot, trompet

schelpgrind   crag, krag

schelpsoort - ammon

schelpverstening - ammoniet

schelpvis   kreeft, mossel, oester

scheluw   scheef, scheel, verwrongen

schelven - tassen

schelvis   kabeljauw, leng, molenaar (klein), piper, rondvis, stokvis, wijting

schelvisachtige - anacanthinus, gul, keek, kabeljauw, koolvis, kwabaal, leng, lom, meun, pollak, schelvis, steenbolk, stokvis, vorskwab, wijting

schelvisduivel - pitvis

schelvisfilet - lekkerbekje

schelijzer - klinkhamer

schema   beeld, concept, diagram, geraamte, intrige, leerplan, ontwerp, opzet, overzicht, paradigma, patroon, plan, plot, rooster, schets, voorstelling, werking, werkplan,

schema van een film   draaiboek, scenario

schema van verbuiging – paradigma

schematisch - eenvoudig, geschematiseerd, schetsgewijs, schetsmatig, summier

schematische voorstelling - diagram

schemel   dwarshout, voetbankje

schemer - halfduister, tweeduuster

schemerachtig - vaag

schemerdonker - halfduister, schemerig

schemerig - duister, halfdonker, hazengrauw, vaag


1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   31


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina